Ganzebosweg 250_Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
Houtwal Aan de oostzijde van het perceel staan fragmenten van een houtwal. Door de huidige schuren zijn deze echter grotendeels verdwenen. Met de sloop van de schuren ontstaat hier de mogelijkheid om een brede doorlopende structuur van circa 8 meter breed te maken. De houtsingels zijn gebaseerd op de aanwezige houtwallen in het gebied. Deze zijn oorspronkelijk gemaakt als veekering. Er werd een greppel of sloot gegraven, de vrijgekomen grond werd daarnaast opgebracht en ingeplant met hakhout. Door het veranderende gebruik in de loop der eeuwen zijn veel houtwallen of verdwenen, of niet langer onderhouden als hakhout. De nu nog aanwezige houtwallen zijn meestal uitgegroeid tot rijen met volwassen bomen. In het landschap zijn dit nu typerende elementen, lijnvormige structuren met onregelmatige rijen van zware eiken. Dit is ook het eindbeeld van deze houtwal. In totaal wordt er aan circa 125 x 8 = circa 1.000 m² aan houtwal gerealiseerd. De hoofdhoutsoort van de houtwal betreft eiken en als nevenhoutsoort berken en elsen. Als vulhout wordt gebruik gemaakt van meidoorn, hazelaar, hulst, veldesdoorn, vuilboom, sleedoorn, geoorde wilg, kardinaalsmuts, krentenboompje en gelderse roos. Daarnaast wordt als zoomvegetatie gebruikt gemaakt van varens, braam, egelantier, klimop, hop en als bosrank. In figuur 4.5 is een principedoorsnede opgenomen van de houtwal.
Figuur 4.5: Principedoorsnede houtwal (bron: Ellen Klein Gunnewiek ruimtelijk advies & omgevingsmanagement). Bosperceel In de knik van de Ganzebosweg staat een groepje bomen (eiken, berken). Dit groepje wordt uitgebreid tot een groter bosperceel, waar de toegangweg tot de kavels doorheen slingert. Links van de inrit staan nu enkele grote coniferen. Deze coniferen passen niet in het landschappelijke beeld en wordt omgevormd tot onderdeel van dit bosperceel. Aan de oostgrens staat nu ook een langgerekt bosperceel. Deze wordt ook verbreed tot circa 15 m aan de binnenkant van de erfgrens. Hierdoor hebben de bosvakken meer de ruimte om een opbouw met een echte zoomvegetatie te maken. De bosvakken worden aanvankelijk vrij dicht aangeplant met bosplantsoen, maar ontwikkelen zich door het beheer (dunnen) uiteindelijk tot een bosje. In totaal wordt er circa 2.350 m² aan bosperceel gerealiseerd. De hoofdhoutsoort van het bosperceel betreft eiken, beuken en tamme kastanje bomen en als nevenhoutsoort berken, essen en elsen. Als vulhout wordt gebruik gemaakt van meidoorn, hazelaar, veldesdoorn, vuilboom, sleedoorn, geoorde wilg, kardinaalmuts, krentenboompje en gelderse roos. Daarnaast wordt als zoomvegetatie gebruik gemaakt van varens, braam, egelantier, klimop, hop en als bosrank. Het eindbeeld van het bosperceel is een gemengd bos met onderbegroeiing en een duidelijke zoomopbouw.
In figuur 4.6 is een principedoorsnede van het bosperceel opgenomen.
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
29
Figuur 4.6: Principedoorsnede omgevingsmanagement).
bosperceel
(bron:
Ellen
Klein
Gunnewiek
ruimtelijk
advies
&
Oever van de vijver De vijver wordt gevoed door een natuurlijke bron, waardoor de waterkwaliteit erg goed is. Dit biedt veel ecologische potentie. Echter is er lange tijd weinig onderhoud aan het omringende bos gepleegd, waardoor vrijwel alle oevers nu erg donker en beschaduwd zijn. De oevers zijn ook relatief steil. Door de boomlaag uit te dunnen en de oevers te herprofileren, geeft dit een sterke verbetering voor de biotoop van (zang) vogels, amfibiën, libellen, insecten en een gevariëerde oevervegetatie. Voor ijsvogels (beschermde inheemse soort) kan er een deel van de oever ingericht worden met een ijsvogelwand, zodat die geschikt is voor nestgelegenheid. In totaal wordt de lengte van de oever circa 420 meter. In figuur 4.7 is een oeverprofiel opgenomen.
Figuur 4.7: Oeverprofiel omgevingsmanagement).
30
huidig
versus
nieuw (bron:
Ellen
Klein
Gunnewiek
ruimtelijk
advies
&
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
4.2
Ladder Duurzame Verstedelijking (artikel 3.1.6, 2e lid Bro)
Artikel 3.1.6, 2e tot en met 4e lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een stedelijke ontwikkeling die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt in de toelichting moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Wanneer een bestemmingsplan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet in de toelichting tevens worden gemotiveerd waarom in die behoefte niet kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij iedere 'stedelijke ontwikkeling', waaronder iedere ontwikkeling van detailhandelsvloeroppervlak, moet inzichtelijk worden gemaakt of er, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. Dit wordt de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' genoemd. Deze zogenoemde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen en schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor. De 'Ladder' is alleen van toepassing als er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als 'stedelijke ontwikkeling' te kunnen worden aangemerkt.
Daarvan zal in beginsel geen sprake zijn indien het nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt. Dit kan anders zijn indien het bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime in een vanuit ruimtelijk oogpunt ingrijpende nieuwe planologische functiewijziging voorziet. Wanneer de 'stedelijke ontwikkeling' die een bestemmingsplan mogelijk maakt alleen betrekking heeft op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, heeft het onderzoek naar de behoefte slechts tot doel om na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 'stedelijke ontwikkeling' Onder 'stedelijke ontwikkeling' wordt in het Bro (art. 1.1.1, 1e lid onder i) verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of in een bestemmingsplan sprake is van een of meer stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in het Bro is niet altijd even duidelijk. Dit dient per plan te worden getoetst en gemotiveerd.
In de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie uitspraken ECLI:NL:RVS:2017:1724, 201310814/1/R1 en 201311211/1/R3, is inmiddels de lijn te ontdekken dat wanneer er sprake is van bestaande bebouwing en geen toename van het ruimtebeslag, er in dat geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Ook bij nieuwbouw hoeft volgens de jurisprudentie, zie uitspraak 201310222/1/R6, niet altijd sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een feitelijke capaciteitsafname doordat er minder commercieel vloeroppervlak wordt teruggebouwd dan er is afgebroken. Ook een op grond van het voorgaande plan reeds mogelijke maar nog niet gerealiseerde ontwikkeling hoeft niet altijd een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro te zijn. Dit is onder meer het geval wanneer er geen sprake is van toename maar wel van concentratie van de bebouwingsmogelijkheden. Ook wanneer er sprake is van 'saldering' (verplaatsing van een stedelijke ontwikkeling, zonder netto extra (planologisch) ruimtebeslag of waarbij bebouwing wordt gereduceerd, zoals de 'Ruimte voor Ruimte' regelingen) is er meestal geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro.
In de uitspraak 201608869/1/R3 geeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzicht op hoofdlijnen van alle relevante aspecten waar aan moet worden getoetst om te bepalen of sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro en zo ja, welke eisen er worden gesteld aan de beschrijving van de behoefte aan de betreffende stedelijke ontwikkeling. 'Stedelijke ontwikkeling' en het bestemmingsplan "Ganzebosweg 250" In het voorliggende bestemmingsplan "Ganzebosweg 250" wordt de sloop van landschapsontsierende agrarische bebouwing mogelijk gemaakt. In ruil daarvoor krijgt de initiatiefnemer twee bouwkavels waar twee nieuwe woningen met bijgebouwen gerealiseerd kunnen worden. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro, omdat woningbouwontwikkelingen pas bij de realisatie van 12 woningen of meer aangemerkt worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling (ECLI:NL:RVS:2015:953). Daarnaast wordt er geen extra ruimtebeslag gelegd op de groende omgeving. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
31
4.3
Welstand en beeldkwaliteit
In de Welstandsnota "Bouwen aan identiteit" is aangegeven aan welke welstandseisen bouwwlannen moeten worden getoetst. Daartoe zijn in de Welstandsnota voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede welstandsidentiteiten opgenomen. Voor het plangebied van onderhavig bestemmingsplan geldt de welstandsidentiteit 'boerenerven-heideerven' (ter plaatse van het bestaande erf) en 'vrije landelijke bebouwing-nieuw landschap'. Voor boerenerven-heideerven gelden de volgende uitgangspunten. Algemeen gebouwen moeten in samenhang met de erfbeplanting eenpassend silhouet in het landelijk gebied vormen nieuwe toevoegingen en aanpassingen aan gebouwen en erf mogen eigentijds en functioneel zijn, maar moeten de aanwezige (historische) waarden behouden Bouwvolume het boerenerf moet uit een ensemble van losse bouwvolumes bestaan Erf gebouwen moeten parallel aan, of haaks op de kavelrichting in een losse schikking op het erf staan, zodat de bouwvolumes samen een ruimtelijke eenheid vormen alleen het woonhuis mag direct op de weg georiënteerd zijn gebouwen op een erf moeten harmoniëren in materiaal- en kleurgebruik erfscheidingen moeten van esthetische kwaliteit zijn en een eenvoudige landelijke vorm hebben die bijdraagt aan het landschapsbeeld Gebouw gebouwen moeten van een landelijk type zijn, rechthoekige hoofd vorm met grote zadelkap, horizontaal liggend bouwvolume, flats en andere
stedelijke bouwvormen zijn niet toegestaan kleuren moeten een rustig, natuurlijk palet vormen en passen in het landschapsbeeld De volgende punten van aanbeveling kunnen een bouwplan op een (nog) hoger niveau tillen: de erfinrichting is cruciaal voor de kwaliteit van de erven en verdient net zoveel zorg als de bebouwing een boerenerf moet altijd een aantal grote bomen hebben, bij nieuwbouw is het van belang ook nieuwe bomen te planten bebouwing mag niet ten koste gaan van grote bomen en moet anders worden gecompenseerd met nieuwe aanplant in de structuur van het erf verharding, beplanting en eventueel hekken, poorten en versieringen stralen een landelijke sfeer uit en zijn altijd eenvoudig erfbeplanting bestaat uit soorten die in de omgeving van het erf groeien: eiken, soms beuken, kastanjes of linden en op de heideerven ook berken een erf heeft vaak een interne ordening van meer versierd voorerf en functioneler landelijk achtererf; de (her)inrichting moet daarop voortbouwen de grenzen tussen de openbare weg en het private erf moeten niet hard en scherp afgebakend zijn; dit versterkt de informele landelijke kwaliteit De welstandstoets vindt plaats bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen.
4.4
Duurzaamheid
Duurzaamheid is een centraal thema in het gemeentelijk beleid van Enschede. Duurzaam handelen is daarbij meer dan het ontzien van natuur en milieu. In dat opzicht vraagt duurzaam handelen bijvoorbeeld ook om een solide financieel beleid. Voor 2015 werd onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid vooral gewerkt aan maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van gevolgen voor de klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat er voor thema's die op andere plaatsen wel onder het beleidsveld duurzaamheid worden geschaard, zoals afval, water en bodem, geen aandacht was maar van een breed en samenhangend duurzaamheidsbeleid was toen nog geen sprake. Om daar verandering in te kunnen brengen is het Actieplan Duurzaamheid opgesteld. Hierin wordt uitgewerkt aan welke doelen onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid actief wordt gewerkt, welke aanpak daarvoor is vereist, welke partijen bij de realisatie daarvan een rol spelen en welke rol de gemeente daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, alsmede de toewijzing van mensen en middelen om de gestelde doelen te realiseren. 4.4.1
Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid
In het Actieplan duurzaamheid, dat op 8 juni 2015 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld, heeft de gemeenteraad er voor gekozen om het duurzaamheidsbeleid toe te spitsen op de volgende punten:
32
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
Energie Verhogen van het op eigen grondgebied opgewekte aandeel hernieuwbare energie tot minimaal 12 procent in 2030 en minimaal 27 procent van het voor 2050 voorziene gebruik van energie.
Eigen organisatie Zelf het goede voorbeeld geven.
Biodiversiteit Groene groei Behoud en versterken van de verscheidenheid aan Groei van de economie zonder dat dit nadelig is dier- en plantsoorten in de leefomgeving voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit. Circulaire economie Klimaatadaptatie Verminderen van de hoeveelheid (rest-)afval door Negatieve gevolgen die gepaard gaan met afvalpreventie en het beter scheiden van restafval. klimaatverandering beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt benutten. Duurzame mobiliteit WEconomy Verhoging van het aandeel fietsgebruik in het totaal Bewoners in Enschede dragen in collectief aantal verplaatsingen, stimuleren van het gebruik verband actief bij aan een of meer van de van het openbaar vervoer en stimuleren van het duurzame gebruik van elektrische auto's. doelstellingen.
Aanpak van het duurzaamheidsbeleid Binnen de aanpak van het Actieplan Duurzaamheid staan de begrippen 'duurzame daden', 'duurzame deals' en 'duurzaam doen' centraal. Duurzame daden De gedachte hierbij is dat het zichtbaar maken van bestaand duurzaam gedrag de beste manier is om anderen te inspireren en aan te zetten tot duurzaam handelen. We richten ons daarbij op de groep die in beginsel bereid is tot duurzaam gedrag. Duurzame deals Duurzame deals, oftewel afspraken over duurzaam handelen, zijn een middel om nieuw duurzaam gedrag uit te lokken. Bij de uitvoering van duurzame initiatieven lopen bedrijven, instellingen en groepen inwoners soms tegen barrières aan. De gemeente wil die belemmeringen wegnemen. Soms kunnen we daar zelf voor zorgen. In andere gevallen doen we daarvoor een beroep op anderen. De deals maken duidelijk dat verduurzaming van de samenleving een opgave is die we samen moeten oppakken. Duurzaam Doen Zelf het goede voorbeeld geven is binnen de gekozen aanpak een belangrijk uitgangspunt. Verduurzaming van de eigen organisatie is in dit Actieplan duurzaamheid verder uitgewerkt onder de noemer Duurzaam Doen. Voor deze benadering is gekozen, omdat het een positieve benadering is, die anderen inspireert en stimuleert tot duurzame handelingen (gedrag, het doen van investeringen etc.).
Het voordeel van deze aanpak is bovendien dat het gedrag voor de doelgroep herkenbaar en dichtbij is, de communicatieboodschap hierdoor aansluit bij de belevingswereld van mensen en de huidige doeners de afzender/ambassadeur zijn (in plaats van de gemeente). Hierdoor is het een aanpak van de stad, in plaats van de gemeente. 4.4.2
Duurzaamheidsbeleid en het bestemmingsplan
In deze paragraaf wordt aan de hand van het Actieplan Duurzaamheid bekeken in hoeverre het bestemmingsplan kan bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke duurzaamheidsambities. Algemeen Bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling zal, afhankelijk van de opgave en de locatie, bezien moeten worden welke duurzame energiebronnen aangeboord worden. Dit kan er toe leiden dat in het ene geval ingezet wordt op een zongerichte verkaveling, terwijl in het andere geval gekoerst wordt op het gebruik van bodem- en/of windenergie, dan wel aansluiting op het warmtenet. Ook de aanpassing aan de klimaatverandering is in hoge mate een ruimtelijk vraagstuk. Meer warme zomers en een toenemende kans op extreme weersituaties vragen bij een verdere ontwikkeling van de stad om het vergroten van afvoer- en absorptievermogen in stedelijke watersystemen en het
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
33
voorkomen van 'hitte-eilanden' en hittestress. Energie: Voor het realiseren van veel energie besparende maatregelen of voorzieningen in, aan of op gebouwen, zoals isolatie van vloer, muren of dak, het plaatsen van zonnepanelen of een zonnecollector op het dak, is geen omgevingsvergunning vereist. Voor warmte-koude opslag en bodemenergiesystemen is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Voor nieuwbouw geldt dat moet worden voldaan aan de energieprestatienormen uit het Bouwbesluit. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Het bestemmingsplan 'Buitengebied - zonnepanelen', vastgesteld op 2 juli 2018 door de gemeenteraad van de gemeente Enschede, maakt de realisatie van zonnepanelen bij en nabij erven in het buitengebied wel mogelijk. Deze regels worden bij de voorliggende bestemmingsplanherziening meegenomen. In onderhavig bestemmingsplan is er sprake van nieuwbouw. De woningen zullen aan de energieprestatienormen van het Bouwbesluit voldoen. Klimaatadaptatie: Voor het realiseren van relatief eenvoudige klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen als groene dakbedekking op gebouwen en het in de bodem infiltreren van hemelwater is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen.
Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater, het vrij houden van bebouwing van overloopgebieden (bij overstroming), het vrij houden van bebouwing langs beken of van lage plekken die natuurlijke waterbergingen vormen, het ophogen van gronden of het realiseren van bouwwerken ter voorkoming van overstromingen en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. De woonkavels zullen - naast de woning en het bijgebouw - met name bestaan uit onverharde gronden zoals tuin en landschapselementen. Door de aanwezigheid van meer onverharde gronden zal er sprake zijn van minder hitte en kan er beter water worden vastgehouden en geinfiltreerd op de erven. Achter de woonkavels ligt een vijver waarvan de oevers opnieuw geprofileerd zullen worden. Daarmee zal de vijver een bredere oever krijgen, waardoor water beter geborgen kan worden. Circulaire economie: Voor het realiseren van afvalcontainers voor het gescheiden inzamelen van afval en herbruikbare materialen is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen.
Biodiversiteit: Natuurgebieden, bossen, parken en andere structurele, veelal openbaar toegankelijke, groenvoorzieningen worden in een bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Daarnaast maakt een bestemmingsplan het in nagenoeg elke bestemming mogelijk om groenvoorzieningen van ondergeschikte aard te realiseren. Bos en water wordt in dit bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Achter de woonerven is een bestaande vijver gelegen die gehandhaafd blijft. De oevers van deze vijver zullen herprofileerd worden in die zin dat de bodemlaag wordt uitgedund en dat de oevers verbreed worden. Dit geeft een sterke verbetering voor de biotoop van (zang) vogels, amfibiën, ijsvogelwand, libellen, insecten en een gevariëerde oevervegetatie. Overige actiepunten: Voor de overige actiepunten uit het Actieplan Duurzaamheid kan kortheidshalve worden volstaan met de conclusie dat deze geen ruimtelijke relevantie hebben en als zodanig dus ook niet of hooguit indirect van invloed zijn op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
34
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Ganzebosweg 250" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.
5.1
Milieu
In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Daarnaast wordt in deze paragraaf verslag gedaan van de uitkomsten van de bedrijven- en milieu-inventarisatie en de toepassing van milieuzonering. 5.1.1
Milieueffectrapportage
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. In de huidige situatie is er op het perceel sprake van een erf in het buitengebied, waarvoor een agrarische bestemming geldt, met mogelijkheid voor intensieve veehouderij. Er is een grote oppervlakte agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig, die zal worden gesloopt. De agrarische bestemming met bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden verdwijnt. In ruil daarvoor mogen twee extra woonkavels op hetzelfde erf worden gerealiseerd. De locatie wordt aan alle zijden omringd door bomen, beplanting en andere landschapselementen en ten noorden van het erf ligt een vijver.
Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
35
stedelijk ontwikkelingsproject. Hoewel het plan betrekking heeft op de toevoeging van twee woningen op een bestaand erf aan de Ganzebosweg 250, kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de nieuwe bebouwing (twee woningen met bijgebouwen) beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met sloop van circa 1650 m2 bebouwing. Deze beoogde ontwikkeling is geen activiteit als genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Een verdere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven. Geconcludeerd kan worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Op grond van het voorgaande kan voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten en dat het niet noodzakelijk is om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren of een milieueffectrapportage op te stellen. 5.1.2
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 5.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 5.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (bron: Infomil). Toets en conclusie Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Dit omgevingstype kan in het kader van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' gezien worden als een rustige woonwijk. Om deze reden worden de richtafstanden uit de VNG uitgave voor de omgevingstype 'rustige woonwijk' gehanteerd. Bij het realiseren van nieuwe bestemmingen dient er gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Daarbij spelen twee vragen een rol:
36
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de directe omgeving van het plangebied (Ganzebosweg 258) bevindt zich een agrarisch bedrijf, met mogelijkheid voor een intensieve veehouderij. Voor een intensieve veehouderij geldt op basis van de VNG uitgave, afhankelijk van welke dieren gehouden worden (rundvee, overige graasdieren, varkens, paarden etc.), maximaal de volgende richtafstanden: geur 100-200 meter; stof 30 meter, geluid 30-50 meter, gevaar 30-50 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden voor de intensieve veehouderij, behalve dat aan de richtafstand voor het aspect geur niet wordt voldaan. Voor agrarische bedrijven geldt echter specifieke wetgeving vanuit de Wet geurhinder en veehouderij. De toetsing aan de wettelijke geurafstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij wordt gedaan in paragraaf 5.1.3. Met uitzondering van de richtafstand voor het aspect geur wordt er voldaan aan de overige richtafstanden (stof, geluid, gevaar). Voor wat betreft interne werking is er bij het plangebied dan ook geen sprake van een belemmering voor uitvoering van het plan.
Er zal in het plangebied sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast liggen op grotere afstand, op ruim 450 meter van de nieuwe woningen nog enkele bedrijfsfuncties waar op basis van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Noordwest' bedrijven zijn toegelaten. De genoemde bedrijven betreffen maximaal dus een categorie 2 bedrijf waarvoor, afhankelijk van de bedrijfsactiviteiten, een grootste richtafstand van 30 meter geldt voor de aspecten geur, stof, geluid of gevaar. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woonen leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geen sprake. Omgekeerd leveren de woningen geen belemmering op voor omliggende bedrijven, aangezien in de omgeving geen bedrijven zijn gelegen waarvan de ontwikkelingsmogelijkheden in gevaar komen indien in het plangebied twee extra woningen worden gerealiseerd (en de bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning). Zie ook de toetsing aan de richtafstanden zoals hierboven beschreven en het bepaalde in paragraaf 5.1.3. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 5.1.3
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets en conclusie Naast het plangebied, aan de Ganzebosweg 258 in Enschede, ligt een rosékalverhouderij. Voor deze vorm is een geuremissie vastgesteld. In dit geval is echter sprake van de volgende situatie: Op grond van artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bedraagt de minimale afstand tussen een bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
37
veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd -in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij/sloop bedrijfsgebouwen- tenminste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Dit geldt ook voor een geurgevoelig object dat op de kavel aanwezig was op dat tijdstip. In dit geval worden twee woningen gerealiseerd en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woonbestemming. De onderlinge afstand tussen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan en de intensieve veehouderij (kalverhouderij Ganzebosweg 258) bedraagt circa 60 meter. De onderlinge afstand is gemeten tussen de grens van het agrarisch bouwblok van de intensieve veehouderij en de situering van de dichtstbijzijnde woning die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Aan de minimale afstand van 50 meter wordt voldaan. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij is dan ook geen sprake van een belemmering voor de uitvoering van onderhavig bestemmingsplan.
5.1.4
Bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Toets en conclusie In onderhavig bestemmingsplan wordt de realisatie van twee extra woonerven met bijbehorende tuinen en bebouwing mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de beoogde woningen is er in de huidige situatie sprake van agrarische gronden met agrarische gebouwen.
Omdat niet bekend is of de gronden bij een bestemmingswijziging geschikt zijn voor het beoogde gebruik (wonen) en niet bekend is of de gronden door het huidige gebruik (agrarische activiteiten) mogelijk verontreinigd zijn, is er een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse te onderzoeken. Deze is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. De resultaten zijn -samengevat- als volgt: De onderzoekslocatie bestaat uit het gehele erf en een gedeelte landbouwgrond (zie bijlage III van het rapport). Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie - In de bovengrondmengmonsters BM2 en BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. - In het bovengrondmengmonster BM1 zijn lichte verhogingen PCB’s en PAK 10 VROM aangetroffen. - In het bovengrondmengmonster BM3 zijn lichte verhogingen PCB’s, koper en cadmium aangetroffen. - In het monster 26-2 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. - In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. - In het grondwatermonster PB4wm1 is een lichte verhoging nikkel en barium aangetroffen. - In het grondwatermonster PB5wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen.
Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen(resultaten bodemonderzoek) Verkennend bodemonderzoek NEN 5707 "asbest in bodem" & NEN 5897 “asbest in puin” Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Ter plaatse van de puinverharding zijn asbestverdachte materialen aangetroffen en zijn er concentraties boven de
38
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
interventiewaarde aangetoond (100 mg/kg ds). De aangetroffen verhoging geeft formeel aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader onderzoek. De inspectiegaten met lichte hoeveelheden asbestverdacht materiaal komen boven de interventiewaarde, terwijl het mengmonster MM2 ruim onder de interventiewaarde blijft. Indien er sprak is van een significant verschil, dan is bij de beoordeling van het resultaat het hoogste gehalte binnen de deellocatie bepalend. Als een laag meer dan 50% bodemvreemd materiaal bevat, is de Wbb niet van toepassing. Dit betekent dat voor het ontgraven van een dergelijke puinlaag geen saneringsplan hoeft worden opgesteld. Een asbestweg moet worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Onder bijlage III is op de tekening een vermoedelijke contour van de puinlaag weergegeven. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op een oppervlakte van 1500 m2 x 0,5 meter = 750 m3. De verontreiniging mag voor sanering niet worden geroerd als gevolg van sloop- en grondwerkzaamheden. Het mengmonster MM3 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Uit de analyse van MM3 blijkt ook dat van de zeeffractie <0,5mm asbestverdachte vezels bevat. Hierop is besloten om het monster middels SEM te analyseren. Uit de SEM-analyse blijkt dat er geen asbestvezels gemeten zijn.
De totale concentratie asbest komt uit op 2,4 mg/kg ds. Hiermee blijft het gehalte onder de norm van 50 mg/kg ds. Er is geen sprake van 'onaanvaardbare risico's buiten'. In het mengmonster MM4 is analytisch geen asbest aangetoond. Druppelzones Ter plaatse van de druppelzones zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. In het mengmonster van DZ1 is analytisch geen asbest aangetoond.Het mengmonster van DZ2 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Algemeen Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt, na sanering van de puinlaag, vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zondermeer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het “Besluit bodemkwaliteit” van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. Naast het “Besluit bodemkwaliteit” dient opgemerkt te worden dat in het kader van de “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie” ook onderzoek naar PFAS noodzakelijk is.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit, met inachtneming van de uit te voeren sanering, geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.5
Wet geluidhinder
In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen of terreinen en/of de transformatie van bestaande panden naar wonen of een andere geluidgevoelige functie mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en terreinen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het ook noodzakelijk zijn dat akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is. In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q.
een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
39
Toets en conclusie Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied ligt aan de Ganzebosweg. Dit betreft een weg in buitenstedelijk gebied. De maximumsnelheidsregime voor deze weg bedraagt 60 km/u. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs deze weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van 250 meter.
Aangezien het plangebied binnen deze geluidszone valt, is formeel gezien een akoestisch onderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat de geluidbelasting als gevolg van deze weg op de gevels van de toekomstige woningen niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat. De Ganzebosweg ter plaatse van het plangebied heeft echter een geringe verkeersintensiteit, waardoor geluidhinder als gevolg van het wegverkeer niet te verwachten is en voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit Wet geluidhinder. Vanuit wegverkeerslawaai zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Railverkeerslawaai Er zijn geen spoorwegen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Industrielawaai Er zijn geen gezoneerde industrieterreinen in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 5.1.6
Luchtkwaliteit
Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; b. een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; d. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); e. een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg. Luchtkwaliteit en het plangebied “Ganzebosweg 250” Voor de in dit plan voorkomende ontwikkellocatie is beoordeeld of deze niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en of er sprake is van de beoogde realisatie van gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen binnen onderzoekszones langs rijkswegen of provinciale wegen.
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
40
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Het voorliggende plan maakt slechts twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de huidige situatie, waarbij een agrarische bestemming (met mogelijkheid tot intensieve veehouderij) verwijderd wordt. Zoals hierboven aangegeven worden projecten/plannen bij een enkele ontsluitingsweg tot 1.500 woningen als 'niet in betekenende mate' aangemerkt. De realisatie van twee extra woningen blijft ruimschoots onder deze maximale waarde, waardoor geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Ook bevindt de planlocatie zich niet in de nabijheid van een provinciale weg of een rijksweg. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand / aandachtsgebied) van een risicovolle activiteit ophoudt.
Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Ganzebosweg 250” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi van toepassing is. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Ganzenbosweg 250” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Ten zuidwesten van het plangebied is het zoekgebied uit de Structuurvisie Buisleidingen gelegen, het definitieve tracé is nog niet vastgesteld en vormt geen belemmering voor dit plan.
Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water zijn de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Circulaire Vervoer Gevaarlijke Stoffen het wettelijk kader. Momenteel is nieuwe wet- en regelgeving in voorbereiding voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van die nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg. Basisnet Weg Binnen het plangebied of in de directe nabijheid van het bestemmingsplan “Ganzebosweg 250” is geen weg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Ganzebosweg 250” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Ganzebosweg 250” of in de directe nabijheid daarvan is geen bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
41
spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande en het gegeven dat het plan geen (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen risicocontouren kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2
Water
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buien. De gemeenteraad heeft op 25 oktober 2021 het Water- en Klimaatadaptatieplan 2022-2026 vastgesteld. Dit beleidsplan beschrijft hoe Enschede toewerkt naar een waterrobuuste, klimaatbestendige en biodiverse gemeente in 2050. Enschede wordt nog 'groener' en 'blauwer' om goed voorbereid te zijn op een nattere, hetere en drogere toekomst. Wat de ruimte geven en stenen vervangen door planten en bomen gaan wateroverlast, hittestresse en verdroging tegen. Zo werkt Enschede verder aan een aantrekkelijke 'duurzame en groene stad' waar mensen graag wonen, leven en werken! Nu en in de toekomst. In het plan zijn nieuwe waterbergingsnormen opgenomen. Bij nieuwbouwplannen worden eisen gesteld aan de hoeveelheid regenwater die op eigen terrein moet worden geborgen. Die eisen zijn vanaf 1 januari 2022 strenger geworden en zijn nu voor alle situaties 55 mm per m2 verhard oppervlak. Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhushouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt.
In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA) al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht. Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geintegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken.
De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies. Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden: Grondgebruik
Ontwatering (m – onderkant vloer/maaiveld/as van de weg)
Primaire wegen
0,7 m onder de as van de weg
Secundaire wegen en erfontsluitingswegen
0,5 m onder de as van de weg
Bouwwerken met kruipruimten
0,7 m onder de onderkant van de vloer
Bouwwerken zonder kruipruimten
0,5 m onder de onderkant van de vloer
42
bestemmingsplan Ganzebosweg 250 (vastgesteld)
Groen
0,5 m onder het maaiveld
De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen volgens de systematiek van risicogestuurd beheer. Dat betekent dat beslissingen over waar en hoe maatregelen worden getroffen genomen gaan worden op basis van mogelijke risico's. Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,30 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen. Toetsing Het bestemmingsplan “Ganzebosweg 250” beoogt het planologisch mogelijk te maken dat de landschapsontsierende bebouwing met een oppervlakte van circa 1.650 m² ter plaatse wordt gesloopt en in plaats daarvan twee extra woningen te realiseren. De bestaande woning blijft daarbij behouden. Toename verhard oppervlak In de huidige situatie is sprake van een verharding met een oppervlak van circa 2.000 m². Als gevolg van de ontwikkeling wordt landschapsontsierende agrarische bebouwing met een oppervlakte van circa 1.650 m² gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd.
In ruil voor de landschapsontsierende bebouwing krijgt de initiatiefnemer de mogelijkheid om twee nieuwe woningen met bijbehorende bijgebouwen te realiseren. Uitgaande van woningen met elk een oppervlakte van 150 m2, met elk bijgebouwen van maximaal 100 m2, is er sprake van een bebouwde oppervlakte van 500 m2 die wordt toegevoegd in het kader van de twee woonkavels. Daarnaast wordt een bijgebouw van maximaal 100 m2 bij de bestaande woning gerealiseerd. De nieuwe bebouwing heeft gezamenlijk een oppervlakte van circa 600 m2. Tezamen met de aan te brengen oppervlakteverharding, zal in de toekomstige situatie een oppervlakte verharding van circa 700 m² aanwezig zijn. Gelet op de vorenstaande neemt de verharde oppervlakte in de toekomstige situatie af met circa 1.200 m². Hemelwaterafvoer Conform het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Enschede dient hemelwater op eigen erf geïnfiltreerd te worden. Gelet op dat de kavels voor een groot deel niet verhard zijn, is infiltratie goed mogelijk. Afvalwaterafvoer Conform het gemeentelijke beleid zal het afvalwater of aangesloten worden op het persriool van de gemeente waarbij met de gemeente afstemming zal worden gezocht over de invulling hiervan of er zal een eigen zuiveringsbehandeling middels een IBA en of helofytenfilter worden gerealiseerd die voldoet aan de eisen van het waterschap Vechtstromen.
Oppervlaktewater Ten noorden van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een vijver. De situatie van dit vijver behoudens de wijzigingen met betrekking tot de oevers zoals beschreven in paragraaf 4.1 van de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan - verandert niet ten opzichte van de huidige situatie. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.3
Natuur
5.3.1
Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden