CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport CAB.pdf

Raadsvergadering 7 maart 2022, gemeente enschedeBij agendapunt: Rekenkamerrapport Welzijn19.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ze zijn gericht op individuele trajecten. Bijvoorbeeld het stimuleren van een jonge Romajongen die kickbokslessen wil gaan geven zodat hij daarmee zijn inkomen kan verdienen. De dames die voorlichting geven op scholen krijgen daar ook een vergoeding voor. De inkomsten worden gebruikt voor trainingen voor de deelnemers of materiaal. Het is meer dan een dagbestedingsproject. Voor de sociaal professional is dit werk heel anders dan de rest van haar werk bij het Leger des Heils. Ze heeft in dit project veel professionele vrijheid. Omdat ze goed bekend is met de sociale kaart van Enschede kan ze haar werk goed doen. De deelnemers, Roma, hebben verder weinig relaties met de gemeente. Er is een lange adem nodig voor de deelnemers om het gewenste resultaat te bereiken. Het is volgens haar heel chaotisch, omdat het niet gericht is op één leeftijdsgroep. De sociaal professional heeft gesprekken gehad met raadsleden, om te lobbyen voor het project. De raad heeft weinig handvatten om een rol te spelen. Zij heeft de indruk dat het altijd de grote organisaties zijn die het welzijnswerk krijgen. Er is daarom weinig verandering en vernieuwing. De gemeente stuurt daar ook weinig op. Haar project moet het daarom vooral hebben van fondsen en Europese bijdragen.

4.6.2 Het blok in Twekkelerveld Aan het einde van onze wandeling in het Twekkelerveld spreken we uitvoerig met een gezin met twee kinderen. De man is geboren in Enschede en voelt zich erg thuis in het Twekkelerveld. Hij heeft op veel andere plaatsen gewoond, maar woont nu bijna 20 jaar in de wijk en ‘wil hier doodgaan’. Zijn vrouw komt uit een plaats net buiten de stad Enschede, maar voelt zich helemaal thuis in de buurt. Opvallend genoeg spreken beiden niet zozeer over de buurt of de straat waar ze zich thuis voelen, maar noemen 24

het blok (ongeveer 8-10 woningen) als de groep mensen met wie zij leven, omgaan en voor wie ze opkomen als dat nodig. Maar dit geldt ook omgekeerd, de mensen die hen helpen als zij in nood zijn. De man geeft aan dat het niet een gesloten gemeenschap is, ook nieuwkomers worden opgenomen. Als voorbeeld noemt hij de Poolse buurman en de student tegenover hem. Het gaat om wederzijds respect: ‘Als ze mij nemen zoals ik ben, doe ik dat ook bij hen’. Dat geldt ook voor de wijkagente, die veel vertrouwen geniet, en daarom ook veel weet over wie er woont en wat er allemaal gebeurt. Zij respecteert de privé-omgeving van het huis, maar is wel aanspreekbaar op de publieke ruimte van de straat. Opvallend genoeg wordt de gemeente hier ook vooral in verband met de ruimtelijke omgeving genoemd. Ze moeten het pad langs het huis onderhouden en zorgen voor een schone straat. De sociale omgeving - en alles wat daar bij hoort - is primair de verantwoordelijkheid van de bewoners. Als er overlast is of wordt gestolen, lost men dat onderling op. Het valt ook meteen op als er iemand in de buurt is die er niet woont. Wij, als onderzoekers, worden ook onmiddellijk als zodanig herkend : “Ah, jullie zijn met die witte Suzuki. Ja, daar gaan we vanavond zeker vragen over krijgen via de app​”.

De familie spreekt openhartig over hun leven en alles wat daar voorspoedig was, maar ook veel wat juist niet voorspoedig was. Daarbij wordt niet gerefereerd aan de gemeente, aan welzijnsinstellingen of aan activiteiten. Het is de buurt en de bewoners waar je het van moet hebben. Daarbij geldt een vorm van wederzijds respect. Zolang die aanwezig is, kun je van elkaar op aan. Als dat niet zo is, val je er buiten. In dit verband wordt gewezen op de rol van de buurt in de ondersteuning van de psychotische buurvrouw, die zij onder andere eten brachten. Niemand had per se een vriendschapsrelatie met haar, maar het was vanzelfsprekend dat men haar hielp ook al was ze ‘anders’.

4.7 Buurtevenement Atjehstraat In het parkje in de Atjehstraat valt direct op dat er een evenement is georganiseerd, het is 13 augustus 2020 als we hier zijn. Het kindergeschal hoor je al van verder weg en wanneer je aankomt staat er een springkussen, een pizzakar en een ijskar. Daarnaast zijn er een aantal tafels neergezet en kan men naargelang ranja en water pakken. Het evenement start om 17.00 en eindigt om 19.00. Er lopen een aantal welzijnswerkers rond, waaronder ook een jongerenwerker. Daarnaast zijn de wijkregisseur en de wijkagent aanwezig. Er werden post-its uitgedeeld met daarop een voucher voor een stukje pizza en een ijsje. Rond 17.15 uur staan er een aantal ouders bij de tafels en is het springkussen vrij vol met kinderen. In gesprek met een buurtbewoonster wordt duidelijk dat de grootste problematiek in de buurt overlast van hondenpoep is, met name in het parkje waar de kinderen spelen. Daarnaast is er overlast van hangjongeren in het parkje bij de speeltoestellen en in het speeltuintje werd veel rommel gevonden, waaronder gebruikte condooms. Bij de vraag of deze jongeren uit de buurt kwamen, gaf mevrouw aan dat zij niet het idee had dat dit zo was. Dit verhaal werd beaamd door een andere buurtbewoonster, in bijna exact dezelfde bewoording. Naarmate de avond verloopt, komen er meer mensen aan.

Zo schuiven ook twee oudere dames aan, nog een meneer zonder kinderen en komen enkele bezoekers van de moskee aanlopen. Een aantal hiervan geven aan niet in de buurt te wonen, maar zij zijn via familie of vrienden betrokken bij de

25

buurt. In gesprek met een vader van één van de kinderen kwam het onderwerp oude bewoners versus nieuwe bewoners aan de orde. Oude bewoners en nieuwe bewoners hebben weinig contact. Aan het eind van het evenement kwamen er bijvoorbeeld een paar ouders aanlopen die hun kinderen kwamen ophalen. Er was geen contact tussen deze oude bewoners en nieuwe bewoners. De twee ouders die in eerste instantie hun verhaal aan mij vertelden zijn later in gesprek met de welzijnswerkers en de wijkagent. Daar komt hetzelfde verhaal naar voren en de wijkagent noteert de problematiek, terwijl de welzijnswerkers meedenken aan een oplossing. Zo komt naar voren dat de kinderen in de buurt wellicht bordjes kunnen maken waaruit duidelijk wordt dat zij spelen op de grasvelden en dat hondenpoep dan ook onwenselijk is. Er wordt een vervolgafspraak gemaakt om hierover verder na te kunnen denken.

4.8 Samenvattend In dit hoofdstuk hebben wij een overzicht gegeven van de gesprekken die wij hebben gevoerd met inwoners en de observaties die wij hebben gedaan in twee buurtwandelingen en bij een buurtevenement. Gedurende het hele onderzoek zijn deze gesprekken geanalyseerd. Hierbij zijn, in combinatie met de documentstudie, thema’s naar voren gekomen die, op een meer abstract niveau, terugkeren bij de inwoners van de gemeente Enschede. Wij zullen deze thema’s toelichten in het volgende hoofdstuk.

26

5. Bevindingen In dit hoofdstuk geven wij de bevindingen op basis van de analyse van de gesprekken die wij hebben gevoerd met inwoners, de gemeente en de samenwerkingspartners van de gemeente, en de analyse van de documenten. Uit de gesprekken en de beleidsdocumenten zien wij terug dat het Enschedees welzijn valt in te delen in een collectief welzijn (sociale cohesie in de buurt, leefbaarheid, veiligheid) en een individueel welzijn (behoefte van de inwoner zelf; opvoedondersteuning, vervoer, participatie, zelfstandig thuis kunnen wonen). Hierbij zien wij terug dat het bij het collectieve welzijn om de relatie van een inwoner tot de buurt (waaronder vrijwilligers) en de relatie van (leden van) de buurt met de professionals gaat, terwijl het individuele welzijn met name gaat om de relatie tussen een inwoner en een professional (en vrijwilliger). Daarnaast lijkt welzijn te gaan om het behouden van het welzijn of het oplossen van problemen. Uit de gesprekken met inwoners wordt specifiek duidelijk dat het daarbij gaat om het ‘grootste’ probleem. Dit is het probleem wat op dat moment het meest aanwezig is in het leven van de inwoner. Het kan zijn dat er meerdere problemen op hetzelfde moment spelen in het leven van een inwoner. Toch zal diegene als eerste het probleem op willen lossen wat op dat moment de meest centrale rol in zijn of haar leven inneemt.

Dit kunnen problemen zijn binnen de categorie collectief welzijn (bijvoorbeeld overlast door hangjongeren in de buurt), maar ook problemen binnen de categorie individueel welzijn (bijvoorbeeld het vinden van een nieuwe baan). Deze twee categorieën vragen elk om een andere aanpak vanuit inwoners zelf, maar ook vanuit professionals. In de komende paragrafen zullen wij de bevindingen toelichten die uit de analyse naar voren zijn gekomen. Dit doen wij per beleidsdoel apart (i.e., het vergroten van zelfredzaamheid (5.1), meer participatie en meedoen (5.2), langer zelfstandig thuis wonen (5.3), meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners (5.4), leefbare wijken (5.5). en verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen (5.6)). Vervolgens presenteren wij een algemene bevinding met betrekking tot het verschil in uitvoering en beleid (5.7). Ten slotte geven wij een overzicht van de verschillende perspectieven van waaruit het welzijnsbeleid bekeken moet worden (5.8).

5.1 Het vergroten van zelf- en samenredzaamheid De verschillende samenwerkingspartners van de gemeente geven aan verschillende mechanismen te gebruiken bij het vergroten van de zelf- en samenredzaamheid van de inwoner. Het gaat hier om het aanwezig zijn in de buurt, het meedenken met de inwoner, maar de verantwoordelijkheid bij de inwoner zelf laten, het opzoeken van inwoners bij hun thuis. Vanuit de inwoners komt naar voren dat er een groot onderscheid is in de buurt waar men woont. Sommige inwoners trekken zich juist terug vanwege de omgeving waarin zij leven, terwijl anderen juist meer vertrouwen op de buurt dan op de professional. Hierbij wordt aangegeven dat het organiseren van buurtbijeenkomsten ook juist tegendraads kan werken, doordat er een ‘kliekje’ ontstaat. Dit zien wij ook terug bij het buurtevenement, waar wij verschillende dingen zagen gebeuren. Verschillende ouders bespraken hun problemen, in dezelfde bewoording. Daarnaast kwam een andere groep ouders, die werd aangeduid met ‘nieuwe bewoners’, alleen om hun kinderen op te halen, zonder een

27

woord te wisselen met de ‘oude bewoners’. Naast het onderscheid tussen oude en nieuwe bewoners, hoorden wij ook het verschil tussen de ene en de andere kant van de straat en een indeling van de straat in blokken. Wanneer het om het creëren van meer samenredzaamheid gaat, blijkt uit de gesprekken met professionals en inwoners dat het oprichten van een bewonersinitiatief professionele kennis veronderstelt. Bewonersinitiatieven die duurzaam zijn en hun kosten terugverdienen, maken meer kans om door te ontwikkelen dan andere ideeën. De gemeente is een ‘stugge’ partner en toont zich weinig betrokken bij de verschillende initiatieven. Daarnaast verschilt het per buurt in hoeverre men voor elkaar klaar staat. In de ene buurt ‘hoor je erbij’ zodra je je openstelt en meedoet. In een andere buurt leeft men juist erg op zichzelf en spreekt men elkaar ook nauwelijks aan op overschrijdend gedrag.

5.2 Meer participatie en meedoen De insteek die de meeste organisaties hebben, is het door laten stromen van inwoners naar (vrijwilligers)werk. Daarbij moet er wel voor iedereen in eerste instantie een plek zijn waar men terecht kan en gebeurt de ontwikkeling naar een betaalde baan in het tempo van de inwoner. Het doel bij deze verschillende organisaties is vaak hetzelfde, maar de aanpak verschilt hierbij wel. Waar de ene organisaties uitgaat van ideeën vanuit de inwoner zelf (empowerment), is er bij de andere organisatie juist plek om zich te kunnen ontwikkelen en uit te vinden welk vakgebied het beste bij diegene past. In beide gevallen bestaat een belangrijk deel van het werk uit het verkrijgen van vertrouwen van de inwoner en het inzetten van het netwerk van de sociaal professional. Bijvoorbeeld, wanneer een inwoner hulp zoekt bij het krijgen van (vrijwilligers)werk, gaat dit gemakkelijker omdat er al een bepaalde bekendheid van een organisatie of sociaal professional bij bijvoorbeeld een potentiële werkgever is.

5.3 Langer zelfstandig thuis wonen Langer zelfstandig thuis wonen is in de gesprekken met zowel professionals als inwoners minder aan de orde gekomen. Bij professionals werd gesteld dat er vanuit vrijwilligersinitiatieven wel contact wordt gemaakt met oudere, hulpbehoevende inwoners zodat er bijvoorbeeld boodschappen kunnen worden gedaan. Daarnaast zijn er verschillende ouderinitiatieven die activiteiten aanbieden, waaronder vervoer. In een van de jaarverslagen kwam daarnaast terug dat er meer aandacht uit zou moeten gaan naar kinderen met een licht verstandelijke beperking. Echter, het grootste gedeelte van dit thema betreft toch de zwaardere, meer specialistische zorg in de 1ste en 2de lijn. Ondanks dat hierbij wel een koppeling blijft met 0de lijns zorg die een inwoner van dichterbij kan ondersteunen (bijvoorbeeld het doen van boodschappen). Vanuit bewoners krijgen wij signalen dat langer thuis blijven wonen voornamelijk kon door betrokkenheid van de buurt, terwijl in een ander geval het juist als negatief werd gezien dat iemand überhaupt langer thuis zou moeten blijven wonen. Dit omdat diegene daardoor aansluiting bij de buurt zou missen. Echter, betreft dit meer anekdoten.

28

5.4 Meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners Op basis van de gesprekken die wij hebben gevoerd, blijkt dat ‘kwaliteit van leven’ geen objectief gegeven is. Afhankelijk van je oriëntatie in de groep en je idee over eigen rol en verantwoordelijkheid verschilt dat. Voor mensen die werk belangrijk vinden, zal werkloosheid een grotere invloed hebben op de kwaliteit van leven, dan voor mensen die minder waarde aan werk hechten. Organisaties die gericht zijn op het activeren en verkrijgen van werk, zullen bij deze eerste persoon meer kunnen bewerkstelligen dan bij de tweede. Onze indruk is dat er, juist vanwege het gewicht dat aan zelfredzaamheid en samenredzaamheid wordt gegeven, sommige kwetsbare mensen buiten beeld raken omdat ze zich niet laten horen. Tegelijkertijd zien we dat veel uitvoerders een goed beeld hebben van de buurt en de kwetsbare mensen, die ze dan ook actief benaderen. De middelen die worden ingezet, hebben vaker indirect een effect op kwaliteit van leven dan direct. Activiteiten voor meer leefbaarheid in de buurt hebben ook een indirect effect op de kwaliteit van het leven van de inwoners in die buurt.

5.5 Leefbare wijken Uit het gesprek met Buurtbemiddeling blijkt dat er een groot verschil is in de problemen die gemeld worden en dat er een duidelijk verschil per wijk is van de problemen die spelen. Daarnaast gaat het vaak om problemen van buurtbewoners, door buurtbewoners. Hierbij kan het lastig zijn om te weten wat daadwerkelijk het probleem is, of wie de ‘eigenaar’ van het probleem is: de melder of degene over wie wordt gemeld? Uit onze gesprekken met professionals komt naar voren dat zij met alle betrokkenen overleggen om tot een oplossing van een probleem te komen, het liefste voordat het geëscaleerd is. Daarnaast zien wij dat het melden van problemen verkokerd is. Men moet naar verschillende loketten voor verschillende problemen. Dit probeert de gemeente Enschede te voorkomen door centrale punten in te stellen waar inwoners met problemen kunnen komen, deels Enschede breed (bijvoorbeeld meldpunt overlast), deels door de stadsdelen uitgevoerd (bijvoorbeeld de WIjkwijzer). Deze mogelijkheden zijn niet bij alle inwoners bekend. Uit de gesprekken die wij met de wijkagent en welzijnswerkers hebben gevoerd, constateren wij dat er een bepaalde balans is tussen handhaven van een professional en vertrouwen van de inwoner: hoe meer je handhaaft, hoe minder je te vertrouwen bent. Dit geldt met name voor de professionals in de uitvoering.

De balans hierin vinden gebeurt deels door de controle bij de inwoners zelf te laten. Welzijnswerkers weten vaak wel wat zij moeten doen, maar die scheidslijn is vaak moeilijk: wanneer is er echt grensoverschrijdend gedrag en, wanneer dat er is, wie moet er dan handhaven? Daarnaast werd ook genoemd dat ingrijpen ook kan leiden tot een verplaatsing van het probleem. Bijvoorbeeld, indien inwoners klagen over hangjongeren in hun buurt en er vaker gecontroleerd wordt, verplaatsen die jongeren zich naar een andere buurt. Jongerenwerkers proberen daarbij wel met de jongeren in gesprek te gaan en een alternatief te verzinnen. Inwoners lijken veel waarde te hechten aan hun omgeving. Voornamelijk de groenvoorzieningen worden veelal genoemd. Tegelijkertijd schemert hier ook door dat de gemeente weinig naar de inwoners luistert. Signalen die in de samenleving bestaan worden niet opgepikt en inwoners hebben daardoor het idee dat zij geen inspraak hebben op hun eigen leefomgeving (zwerfafval, verdwijnen van groen, weinig rekening met voetgangers in het omgevingsplan) 29

Ook het bouwen van nieuwbouw in oudere wijken zorgt ervoor dat er een tweedeling bij inwoners ontstaat: nieuwe bewoners versus oude bewoners. Dit zijn groepen die niet snel met elkaar omgaan.

5.6 Verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen Wij hebben verschillende buurthuizen en wijkcentra bezocht. Hierbij viel het op dat niet elke locatie even goed zichtbaar is, meermaals moesten we de weg vragen. Dit probleem wordt ook erkend door professionals, die aangeven dat zij het eerste aanspreekpunt moeten zijn, maar daar niet de voorzieningen voor krijgen. De zichtbaarheid in de wijk van de 0de lijns zorg is hierbij ook niet overal hoog. Wanneer het over welzijn gaat noemen de inwoners eerder 2de lijns organisaties dan organisaties in het voorliggende veld of een professionele welzijnspartij. Voor een inwoner is het minder belangrijk om bij het juiste adres aan te kloppen, maar is het belangrijker dat op het moment dat diegene ergens aanklopt, er ook daadwerkelijk hulp geboden wordt. De middelen zijn in principe beschikbaar, maar zijn tegelijkertijd nog teveel in ontwikkeling om ook gemakkelijk en daadwerkelijk door de inwoners bereikt te kunnen worden.

5.7 Uitvoering versus beleid Uit de gesprekken die wij hebben gevoerd met professionals en de documenten die wij hebben bestudeerd komt ook een verschil tussen bestuur en uitvoering naar voren. Doordat de hulp dicht bij de inwoner zelf wordt aangeboden ontstaat er een versnipperd landschap. Hierdoor is het voor samenwerkingspartners van de gemeente belangrijk om ook aan hun eigen bestaansrecht te denken. Op bestuurlijk niveau zullen partijen dus niet alles prijsgeven, omdat de concurrent dan met goede ideeën er vandoor kan gaan en zij hun eigen positie op het spel zetten bij de volgende aanbestedingsronde. Daarnaast is er een verschil in uitvoering per stadsdeel. Uit de analyse blijkt dat dit deels komt door de behoefte van de inwoners, in de ene buurt zijn andere behoeften dan in een andere buurt, maar ook doordat professionals vasthouden aan bepaalde georganiseerde structuren. Dit zorgt ervoor dat in de ene wijk zowel het wijkteam en de welzijnspartijen een eerste aanspreekpunt kunnen zijn. Dit maakt de specifieke functie (poortwachter versus uitvoerder) niet duidelijk. Op uitvoerend niveau, zien wij juist dat de professionals elkaar goed weten te vinden. Uit alle gesprekken komt naar voren dat het belang van samenwerking wordt ingezien. Daarbij komen wij wel een andere taal tegen bij het bestuur en de uitvoering.

De bestuurslaag gebruikt daarbij meer de woorden zoals deze ook zijn omschreven in het beleidsplan - ‘zelf- en samenredzaamheid’, ‘laagdrempelig’, ‘maatwerk’ - terwijl de uitvoering meer vanuit de inwoner spreekt - ‘vertrouwen’, ‘samenwerking’, ‘rolmodel’. De inwoners van Enschede spreken over ‘onze buren’ of ‘daar zijn zij toch voor’.

30

5.8 Verschillende perspectieven: dezelfde bewoording in een andere taal 5.8.1 Inwonersperspectief In elke unieke situatie handelt een inwoner vanuit een bepaalde rol. Uit de gesprekken blijkt dat een inwoner niet per altijd dezelfde rol speelt, maar dat de inwoner een rol aanneemt in een specifieke situatie: een inwoner zal zich tegenover een lid van zijn of haar eigen buurt anders opstellen dan tegenover de gemeente. In figuur 7 hieronder geven wij een overzicht van de verschillende typen die een inwoner aan kan nemen.

Figuur 7. T​ ypering van inwoners op basis van de Group-Grid Theorie. Bron: Douglas, M. (1978).

Uit figuur 7 blijkt dat er vier typen inwoners onderscheiden kunnen worden, namelijk: 1. Fatalisme. Gemar​ginalise​erde mensen. Mensen die deelnemen aan de samenleving, maar eigenlijk niet betrokken zijn. Zij hebben weinig contact met een sociaal netwerk of professionele instanties. Een voorbeeld hiervan is de mevrouw die in de jaren ‘70 wijk woont. Zij leeft in dezelfde samenleving als haar flatgenoten, maar hanteert hierbij een heel ander normen en waardenpatroon dan dat van haar buren. 2. Hiërarchie. Professionals. Mensen die betrokken zijn bij het oplossen van individuele en collectieve problemen van de inwoners, vanuit een meer rationele positie. Bij individuele problemen kan het gaan om bijvoorbeeld het helpen vinden van een baan of dagbesteding, regelen van ouderenvervoer of hulp bij een mentale aandoening, terwijl collectieve problemen met name gaan om problemen in de buurt. Hierbij wordt samen met bewoners gekeken wat het gezamenlijke probleem is, om vanuit de bewoners zelf een oplossing te zoeken. In tegenstelling tot de andere groepen, heeft de professional een bepaald maatschappelijk ‘doel’ of richtlijn waaraan hij of zij zich moet houden. Deze groep bestaat uit mensen die zowel een daadwerkelijke hulpverlenende rol uitoefenen, als mensen die deze rol aannemen, bijvoorbeeld om een bewonersinitiatief op te zetten. Een voorbeeld hiervan zijn de twee

31

moeders die een bewonersinitatief begonnen omdat zij hiertoe de noodzaak zagen. Zij weten welke mogelijkheden er zijn en indien dit niet bekend is, weten zij waar zij de informatie kunnen vinden. 3. Individualisme. Dit zijn mensen die zich met name voortbewegen in hun eigen sociale kring. Zij weten beter dan de gemarginaliseerde (groep 1) en sociale mensen (groep 4) welke regelingen er zijn en hoe deze te gebruiken. Op het moment dat een probleem zich voordoet, ligt de oplossing vaak in het één-op-één oplossen van het probleem. Dit type zoekt eerder de hulp van professionele instanties, maar weet hierin wel mee te gaan in de systeemwereld van de overheid. Een voorbeeld van een individualist is de mevrouw die de teloorgang van haar wijk beschrijft. Zij beschrijft vanuit haar eigen normen en waarden hoe de wijk eruit zij moeten zien en weet hiervoor ook de benodigde loketten van instanties te vinden. Zij zal echter minder snel geneigd zijn om vanuit een buurtinitiatief de leefomgeving te verbeteren. 4. Gelijkheid. Sociale mensen. De sociale mens is betrokken bij zijn of haar buurt. Weet veelal wie er in de buurt wonen en beslissingen worden vaak in samenspraak met de buurtbewoners gemaakt. Indien een situatie zich voordoet, wordt vaak één centraal punt gezocht waar beklag kan worden gedaan. Het maakt hierbij minder uit of dit bij het juiste loket is.

Bewoners van volksbuurten vallen onder deze noemer. Dit zijn vaak groepen die zich binden door een hogere sociale cohesie. Zelfs mensen die niet direct bij ‘hun type’ mensen horen, behoren toch tot dezelfde groep doordat zij ook in de buurt wonen. Het stel dat wij in het Twekkelerveld spraken behoort tot deze groep, net als de bewoners (‘buurtoudsten’) die wij bij het buurtevenement spraken. Of een inwoner initiatieven of professionele instanties weet te vinden, is erg afhankelijk van de noodzaak bij de inwoner zelf. Daarbij zien wij wel dat inwoners eerder vrijwilligerswerk of andere initiatieven weten te vinden als zij daar al iemand persoonlijk kennen. Een voorbeeld hiervan zijn de Powercentra, waarbij nieuwe aanmeldingen vooral voortkomen uit mond-tot-mond reclame van inwoners die al een activeringscursus volgen. Dit is vaak ook de meest laagdrempelige, veilige manier om bij een organisatie binnen te stappen. Ook het verlenen van mantelzorg en doen van vrijwilligerswerk worden door sommige inwoners belangrijk gevonden. Voor sommige inwoners gaat het met name om het actief blijven tussen banen in, terwijl anderen met name hulp verlenen omdat zij hier een goed gevoel door krijgen. Verder blijkt uit de gesprekken dat er bepaalde bewonersinitiatieven worden opgezet omdat de bewoners zelf het idee hebben dat er iets ontbreekt in hun wijk.

Deze initiatieven zijn voor een groot deel afhankelijk van degene die de organisatie op zich neemt. Doordat er niet altijd een professional aanwezig is die voor continuïteit kan zorgen, betekent dit ook dat een initiatief kan stoppen te bestaan op het moment dat er in de persoonlijke situatie van de initiatiefnemer(s) iets verandert. Uit de gesprekken blijkt dat de inwoners zelf zich niet altijd gehoord voelen door de gemeente. Daarbij geven zij aan dat als de gemeente veel belang hecht aan het eigen initiatief van inwoners, zij hiervoor ook de gelegenheid en ondersteuning moet bieden.

5.8.2 Overheidsperspectief De overheid wil dat iedereen mee kan doen, dat mensen ‘het zelf kunnen’. Uit het beleidsplan Nieuw Enschedees Welzijn blijkt dat de gemeente met name ondersteunend is en de organisatie bij de inwoners zelf wil laten. Tegelijkertijd wordt er wel, impliciet, uitgegaan van een ideaaltype inwoner en samenleving op basis waarvan het beleid wordt geschreven. In dit geval is er beleid opgesteld met

32

betrekking tot de samen- en zelfredzaamheid, meer participatie/meedoen, langer zelfstandig wonen, leefbaarheid in de wijk, kwaliteit van leven en een verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie. Daarbij zien wij dat de beleidstheorie van de gemeente tweeledig is: hoe meer problemen door de eigen kring of in de eigen buurt opgelost kunnen worden, hoe beter het is voor de saamhorigheid en hoe minder belastend het is voor de inwoners zelf. Aan de andere kant is er ook het financiële perspectief, waarbij het vroegtijdig ingrijpen en het verschuiven van 2de lijns naar 1ste of 0de lijns hulp goedkoper is voor de gemeente. De rol van het stadsdeelmanagement (waaronder de wijkregisseur) is belangrijk. Zij vormen de schakel tussen het beleid, de inwoners en de professionals. Zo komt uit een gesprek met een wijkregisseur direct naar voren dat die precies weet in welke wijken welzijnswerk moet worden ingezet en in welke wijken dit minder nodig is. De gemeente vindt het belangrijk om aanwezig te zijn in de wijk. Dit blijkt ook doordat het welzijnsbeleid is geschreven in samenspraak met de inwoners. De uitvoering van de gemeente zelf zit echter met name in de 1ste lijns hulpverlening. De professionele welzijnspartijen in de 0de lijns hulpverlening wordt daarbij uitbesteed aan andere partijen. Daarnaast kunnen andere partijen een subsidieaanvraag doen.

Hierbij stelt de gemeente wel duidelijk vast wat zij willen bereiken, maar laten zij vrij hoe de organisaties dat zelf bewerkstelligen. In de 1ste lijn zitten de wijkteams van de gemeente, die in de individuele zorgvraag van de inwoners voorziet.

5.8.3 Perspectief van de samenwerkingspartners Uit gesprekken met de sociaal professionals komt naar voren dat er door de verschillende welzijnspartijen geen onderscheid wordt gemaakt in welzijn, maar dat er maar één welzijn is: het welzijn van de inwoner. Daarbij geven de professionals aan dat de primaire taak van de samenwerkingspartners is om hulp te bieden indien hier behoefte aan is. Hierbij geven zij aan dat er een grote behoefte is om te weten welke organisaties actief zijn op welk onderdeel en dat er op uitvoeringsniveau veel samen wordt gewerkt tussen de verschillende organisaties. Toch is deze samenwerking tussen grote welzijnsinstellingen niet altijd even goed en wordt wel duidelijk dat bepaalde organisaties ook denken aan hun eigen bestaansrecht; niet te veel prijs willen geven omdat een ander ermee vandoor kan gaan bij een nieuwe aanbestedingsronde. Twee dingen die door de sociaal professionals genoemd worden zijn het krijgen van vertrouwen van de inwoner en het aanwezig zijn in de buurt. Op uitvoerend niveau zien we juist wel veel samenwerking tussen uitvoerders van verschillende organisaties, daar vindt men elkaar wel. Het valt op dat er op beleidsniveau heel anders naar de samenwerking wordt gekeken dan deze meer pragmatische insteek bij de uitvoerders. De indruk ontstaat dat deze samenwerking op beleidsniveau niet bekend is.

Vertrouwen gaat hierbij om de relatie die de professional opbouwt met de inwoners, maar ook vertrouwen tussen professionals; een idee dat neerkomt op ‘ken je eigen gebrek en weet naar wie je door moet verwijzen’. Daarnaast valt of staat het werk van de professional met het vertrouwen dat hij of zij krijgt vanuit de inwoner. Dit komt ook duidelijk naar voren in het jongerenwerk, waar het

33

moeilijk kan zijn om de balans tussen vertrouwen en handhaven te vinden. Aanwezigheid gaat ook om herkenbaarheid. Zowel van de inwoner naar de professional, als van de professional naar de inwoners. Met name voor welzijnswerkers en wijkagenten lijkt het belangrijk te zijn om te weten wie er in de buurt wonen, maar ook dat de buurt weet dat zij aanwezig zijn. In de praktijk komt dit neer op een soort basis-aanwezigheid in de buurt. Hierbij is het voor de professionals belangrijk om te weten wie als ‘buurtoudsten’ dienen; degenen die namens de buurt spreken en op de hoogte zijn van nieuwe ontwikkelingen in de buurt. Waarbij tegelijkertijd de realisatie moet zijn dat ook deze ‘buurtoudsten’ spreken namens een deel van de buurt en niet per se namens de gehele buurt. Daarnaast blijkt uit de gesprekken met de sociaal professionals dat het bij de samenwerkingspartners gaat om het idee dat burgers in eerste instantie zelf hun probleem oplossen. Als het de inwoner niet lukt om zijn of haar probleem op te lossen, dan kan er worden opgeschaald. Naast de basis aanwezigheid is het meeste werk van de samenwerkingspartners reactief: pas indien een inwoner zich meldt met een probleem, kan er worden geholpen.

5.8.4 Samenkomst van perspectieven In het welzijnsveld komen deze verschillende perspectieven tot één geheel. Dit zorgt in sommige gevallen voor knelpunten, terwijl in andere gevallen er juist oplossingen worden gevonden die anders niet zouden worden bereikt. De knelpunten voor de bewoners zijn dat ze zich niet altijd gehoord voelen door de gemeente en de samenwerkingspartners. Daarnaast blijkt de diversiteit in de vraag en behoefte van de bewoners niet te passen bij het aanbod en de mogelijkheden van de welzijnspartijen. Voor de samenwerkingspartners is het knelpunt vooral dat niet altijd duidelijk is wie er allemaal betrokken zijn, ondanks het feit dat er wel goed wordt samengewerkt als de partijen wel bekend zijn. Daarnaast is de balans tussen vertrouwen en handhaven lastig om te vinden. Bewoners willen de samenwerkingspartners kunnen vertrouwen, deze moeten op hun beurt de lijnen van het beleid uitvoeren die daar soms haaks op staan. Het knelpunt van de overheid is de balans tussen zelfredzaamheid en ondersteuning. De inwoners willen zolang mogelijk zelfredzaam zijn, maar als ze dat niet kunnen willen ze ondersteund worden. De mensen moeten zelf om hulp vragen, dat lukt niet altijd. Daarnaast zien inwoners de gemeente toch in eerste instantie als verantwoordelijk voor de fysieke kant van de samenleving.

Daardoor blijft de gemeente buiten beeld, ook in wat zij wel doet, als het om het sociale domein gaat. De mensen die wij hebben gesproken noemen de gemeente niet of niet als eerste partij als het gaat om welzijn. Uit de gesprekken die wij hebben gevoerd, blijkt dat de verantwoordelijkheid en controle bij de inwoner zelf blijft. Dit komt terug uit de gesprekken met de inwoners, samenwerkingspartners en de gemeente. Daarbij komt wel uit de gesprekken met inwoners naar voren dat zodra een probleem te groot is, de verantwoordelijkheid direct opgeschaald moet worden naar een (semi-)professionele instantie.

34

5.9 Samenvattend In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste bevindingen weergeven per beleidsdoel, daarnaast zijn er nog belangrijke overige bevindingen benoemd die voortkomen uit onze analyse. De belangrijkste hiervan zijn: 1. Zelf- en samenredzaamheid. Voor professionals is het belangrijk om in de buurt aanwezig te zijn, het gaat hierbij om een basisaanwezigheid. Inwoners in verschillende buurten hebben verschillende behoeften. Het opzetten van initiatieven vergt professionaliteit. Ten slotte, de gemeente is een ‘stugge’ partner als het aankomt op het ondersteunen van initiatieven. Dit is een thema dat voornamelijk behoort tot collectief welzijn. 2. Meer participatie en meedoen. Uit de analyse blijkt dat dit met name gaat om (vrijwilligers)werk. Welzijnspartijen proberen vanuit de behoeften van de inwoner te werken. Hierbij verschilt de aanpak voor de diverse organisaties. Dit is een thema dat grotendeels bij individueel welzijn thuishoort. 3. Langer zelfstandig thuis wonen. Uit onze analyse blijkt dat dit met name een doel is dat plaatsvindt in de 1ste en 2de lijns zorg en minder in de 0de lijn. Dit is een thema dat eerder bij individueel welzijn thuishoort. 4. Meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners. Dit thema komt met name terug in de overige thema’s en staat minder op zichzelf.

Indien het gaat om het verhogen van de kwaliteit van leven gaat het bijvoorbeeld snel om begrippen als het verkrijgen van werk. Dit thema hoort thuis bij individueel welzijn. 5. Leefbare wijken en verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen. Vanuit verschillende organisaties wordt er gewerkt om de leefbaarheid in de wijk te vergroten en een aantrekkelijk eerste aanspreekpunt voor de inwoner te vormen. Dit gebeurt deels in overleg met de inwoners zelf. Dit thema hoort thuis bij het collectieve welzijn. 6. Uitvoering versus beleid. Doordat het welzijnswerk wordt aanbesteed, denken organisaties in eerste instantie aan hun eigen bestaansrecht. Hierdoor wordt niet altijd kennis gedeeld, wat wel in het belang zou zijn van de inwoners. Daarnaast is er een verschillende uitvoering per stadsdeel, deels door behoeften vanuit de inwoners, deels door het vasthouden aan bestaande structuren van de professionals. Op uitvoerend niveau weten de professionals elkaar goed te vinden. 7. Verschillende perspectieven. Elke betrokkene heeft zijn of haar eigen belangen bij het welzijnsbeleid. Voor de inwoner gaat het om het verhelpen van zijn of haar probleem om zijn of haar eigen situatie in stand te houden of te verbeteren, hierbij kunnen verschillende rollen aangenomen worden. Voor de overheid is het van belang dat een inwoner zo zelfredzaam mogelijk is.

De reden hiervoor is tweeledig: het is beter voor de saamhorigheid en minder belastend voor een inwoner als zij hun eigen netwerk hebben waar zij op terug kunnen vallen. Ten tweede, het is goedkoper als een inwoner geen gebruik maakt van diensten van de gemeente. De samenwerkingspartner heeft als doel om het welzijn van de inwoner te behouden of te vergroten. Hierbij moet zij op beleidsniveau aan haar eigen bedrijf denken, terwijl op uitvoerend niveau het om een basisaanwezigheid, vertrouwen en verantwoordelijkheid gaat.

35

6. Conclusie In dit hoofdstuk geven wij een invulling aan het context-mechanisme-output model om, vervolgens, een antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvraag en deelvragen.

6.1 Context De gemeente wil dat de inwoners van Enschede zoveel mogelijk alles zelf kunnen. Waar de gemeente eerst veel regelde, laat zij dat nu aan de samenleving over. Het probleem is dat die samenleving nog niet altijd weet dat zij hulp zelf moeten regelen, of niet weet hoe dat moet, wie dat kan en voor wie dat nodig is. Een groot deel van het welzijnsbeleid van de gemeente Enschede is gebaseerd op de transformatie van overheid naar samenleving. De context waarbinnen het welzijnsbeleid zich afspeelt is die van de inwoners. De inwoners hebben een bepaald beeld van hoe hun omgeving eruit ziet, daarnaast hebben professionals een bepaald beeld van hoe een bepaalde buurt eruit ziet en waar de inwoners behoefte aan hebben.

6.1.1 Het grootste probleem Doordat welzijn zich op verschillende manieren manifesteert, is het ook moeilijk om aan te geven welke wijk de meeste problematiek heeft. Op basis van de gesprekken zouden wij stellen dat ‘elke buurt zijn specifieke problemen heeft - die alle even erg zijn’. Voor de inwoners van deze buurten is hun probleem niet minder erg dan dat van een andere buurt. De problematiek in een buurt verschilt echter wel. Zo zijn er buurten waarbij met name drugsgebruikende hangjongeren, hondenpoep, afval op straat of geen ontmoetingsplek het ‘grootste’ probleem is, terwijl in een andere buurt een glurende buur het ‘grootste’ probleem kan zijn. Bij het stadsdeelmanagement (waaronder de wijkregisseurs) en de welzijnswerkers is veel kennis over de wijk beschikbaar. Zo kwam uit een gesprek met één van de wijkregisseurs naar voren dat zij weet welke problematiek er in de buurt speelt en welke hulp daarvoor ingezet moet worden. De aanpak van het ‘grootste probleem’ wordt bepaald door de aanwezige kennis van de uitvoerende sociaal professionals en is gebaseerd op de behoefte van de wijk, buurt, straat of blok.

6.1.2 Normen en waarden verschillen per buurt In de praktijk zien wij hier een grote diversiteit per buurt, binnen de wijk. Uit gesprekken met inwoners blijkt bijvoorbeeld dat dit afhankelijk is van het naleven van de normen en waarden in een straat, of men een nieuwkomer is of al langer in de wijk woont, of men kinderen heeft of niet. Een buurt waar een meer volkse sfeer heerst, zal andere normen en waarden naleven dan een buurt waar iedereen meer op zichzelf is. In bepaalde delen van Enschede worden oudere wijken vernieuwd. Uit gesprekken met inwoners blijkt dat er een tweedeling ontstaat tussen oude bewoners en nieuwe bewoners. De betrokkenheid bij de buurt van beide is daarbij heel verschillend. Waar oude bewoners elkaar vaak kennen en op de hoogte zijn van wie waar woont, geven zij aan dat de nieuwe bewoners veel meer teruggetrokken zijn en veel meer ‘binnen blijven’. Nieuwe bewoners lijken daarbij ook minder gericht op de buurt zelf en zijn vaak actiever binnen hun eigen kring. Dit onderscheid wordt zowel door oudere als nieuwere bewoners onderschreven. Daarbij wordt er in sommige gevallen een onderscheid gemaakt tussen de overkant van de straat, in andere gevallen tussen koopwoningen en huurwoningen, in sommige gevallen gaat

36

het om ‘blokjes’ van inwoners die met elkaar omgaan. Is er in een buurt één persoon die klaagt over geluidsoverlast omdat de gehele buurt op straat hangt, dan zal het gedeelde normen en waardenpatroon in die buurt eerder in het voordeel zijn van degenen die op straat hangen. Een oplossing wordt niet per sé bereikt door aan te grijpen op wat ‘normaal’ is, want dat kan per groep verschillend zijn.

6.2 Mechanisme 6.2.1 Eén centrale ingang Er zit een verschil in hoe de overheid zou willen dat het beleid werkt en hoe dit in de praktijk gaat. Zo heeft de gemeente verschillende loketten en initiatieven (bv. meldpunt overlast) opgezet om te zorgen dat er snel wordt samengewerkt en dat de inwoner snel de goede ingang heeft. Daarnaast probeert de gemeente via de Wijkwijzers één centraal, fysiek punt voor de inwoners aan te bieden waar zij snel met hun vragen of problemen terecht kunnen. Voor inwoners zelf is dit minder vanzelfsprekend, zo blijkt ook uit gesprekken die wij hebben gevoerd dat inwoners überhaupt niet afweten van het bestaan van Wijkwijzers en andere mogelijkheden binnen de gemeente. Voor een inwoner is het belangrijker dat wanneer hij of zij klaagt, hij of zij ook geholpen wordt, of dat snel gaat en of dat echt zijn of haar probleem oplost. Daarnaast komt uit onze analyse naar voren dat niet in alle stadsdelen op eenzelfde manier wordt samengewerkt tussen de verschillende partijen. Dit zorgt ervoor dat in het ene stadsdeel het wijkteam een poortwachtersfunctie heeft, terwijl het in een andere werk puur als uitvoerder werkt, waarbij vanuit het welzijnswerk een inwoner wordt doorverwezen (van 0de lijns naar 1ste lijns zorg).

6.2.2 Basisaanwezigheid in de buurt Door in de buurt aanwezig te zijn, ziet een inwoner dat er een centraal punt is waar hij of zij heen kan. Daarnaast is deze aanwezigheid voor professionals noodzakelijk om een ingang in de buurt te hebben. Op deze manier wordt er een vertrouwensband gecreëerd waarbij er sneller nieuwe ‘problemen’ kunnen worden geconstateerd, maar ook gezamenlijke oplossingen kunnen worden aangedragen. Dit geldt niet alleen voor welzijnswerkers, maar bijvoorbeeld ook voor de wijkagent.

6.2.3 Minder sturing van bovenaf De gemeente heeft er bewust voor gekozen minder sturing te geven. Dit is voor sommige partijen vrij onwennig, maar duidelijk wordt dat de samenwerking in de uitvoering steeds nauwer wordt en dat partijen elkaar steeds beter weten te vinden. Indien er bepaalde zaken niet goed of niet voldoende geregeld worden, komt er nu vaak van onderaf een plan om het proces efficiënter te laten verlopen. Hierbij is het belangrijk om wel gehoor te geven aan aandachtspunten vanuit het werkveld. De monitoring van de professionele welzijnspartijen gebeurt nu door de jaarverslagen. Hierin worden de activiteiten opgenomen en geven de inwoners een cijfer aan het functioneren van de welzijnspartijen.

6.3 Output 6.3.1 Welzijnswerk is reactief Ondanks dat een groot deel van de werkzaamheden gericht zijn op het voorkomen van problematiek, het vergroten van de cohesie in een buurt en het hebben van een signaleringsfunctie, blijft een groot deel van het welzijnswerk een reactie op een probleem. Daarbij blijft een deel van de problematiek in 37

een buurt altijd onzichtbaar. Door de basisaanwezigheid in de buurt, is er een grotere kans dat ook deze onzichtbare problemen worden aangegeven bij een professional, wanneer het probleem ‘erg genoeg’ is voor de inwoner. Bij M-pact, gericht op meedoen en participatie, zien we wel een meer integraal beeld van mensen in het sociale domein. Als het gaat om doorstromen van vrijwilligers naar werk is er wel afstemming met bijvoorbeeld UWV en de gemeente.

6.3.2 Aanpakken van problematiek is vaak een verplaatsing van het probleem Uit de gesprekken met professionals wordt wel duidelijk dat het aanpakken van overlast vaak gaat om het verplaatsen van het probleem. Bijvoorbeeld, indien handhaving in een bepaalde wijk actiever wordt, verplaatst het probleem zich vaak naar een wijk waar minder handhaving is. Hierbij probeert het welzijnswerk wel ook te ondersteunen om een oplossing te vinden.

6.3.3 Zelfredzaamheid kent grenzen Niet iedereen is zelfredzaam op dezelfde manier. Dit maakt het belangrijk dat er gemakkelijke toegang is voor inwoners om met vragen te komen (en dit moet niet in alle gevallen direct worden gezien als een hulpvraag). Iemand die geen hulpvraag heeft, wil over het algemeen niet geholpen worden én niet alle problemen kunnen opgelost worden. Dit betekent niet per se dat er niet nog andere problemen zijn of mogelijke oplossingen, maar op dit moment is er voor een bewoner nog geen noodzaak om aan de bel te trekken. De aanwezigheid in de buurt maakt het daarbij dat indien een inwoner wel een melding wilt doen, zij ook weten bij wie zij terecht moeten zijn.

6.3.4 Verantwoordelijkheid van de situatie Elke partij, zowel de inwoners, als de uitvoerders en de gemeente, geven aan dat de verantwoordelijkheid van de situatie bij de inwoner zelf moet liggen. Dit gaat zowel om het schoonhouden van de buurt, ondersteuning in de wijk, signaleren van problemen, maar ook bij het opzetten van bewonersinitiatieven. Hierbij zien wij ook een herpositionering van het financieel belang (vanuit overheid) naar maatschappelijk belang (vanuit welzijnswerk). Zo zit er een belangrijke nuance in een bewonersinitiatief. Het belang vanuit de gemeente hierin gaat deels om bezuinigen, terwijl er vanuit het welzijnswerk meer een positieve wending aan wordt gegeven. In plaats van de verantwoordelijkheid verleggen (van de gemeente naar de inwoner), gaat het meer om het vertrouwen geven waarbij het welzijnswerk (of een andere organisatie) de uiteindelijke verantwoordelijkheid kan nemen als het nodig is. Echter, voor continuïteit is het wel belangrijk dat een inwoner een beroep kan doen op een professionele instantie en daarbij ook gehoord wordt.

6.3.5 Terugkoppeling naar de raad De terugkoppeling naar de raad lijkt, volgens de onderzoekers, vrij informeel. Dit hoeft geen probleem te zijn en past binnen de opzet van het Nieuw Enschedees Welzijn: een gemeentelijk kader waarbinnen het welzijnsbeleid uitgevoerd wordt door partijen die veel vrijheid krijgen om de specifieke werkzaamheden uit te voeren. Raadsleden worden voornamelijk geïnformeerd door stadsdeelmanagers. Indien raadsleden specifieke informatie willen hebben over een bepaald stadsdeel, is deze wel voorhanden. Daarnaast werd aangegeven dat het niet altijd even duidelijk is of er rapporten uit het welzijnsveld verschijnen,

38

aangezien er een grote overlap zit in de verschillende rapporten. Hierbij heeft de raad behoefte aan verwachtingen van het beleid en impact die dit heeft op de inwoner.

6.4 Beantwoording van de onderzoeksvragen De rekenkamercommissie heeft de volgende onderzoeksvraag gesteld: ​‘In hoeverre zijn de beleidsmaatregelen die worden ingezet in het kader van welzijnsbeleid daadwerkelijk gericht op de gestelde doelen: 1. het vergroten van zelf- en samenredzaamheid, 2. meer participatie en meedoen, 3. langer zelfstandig thuis wonen, 4. meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners, 5. leefbare wijken en verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen en in hoeverre zijn betekenisvolle uitspraken mogelijk over de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze maatregelen?’ In het kort, een groot gedeelte van de middelen die in het welzijnsbeleid zijn ingezet, zijn gericht op de gestelde doelen. Hierbij zien wij dat in de 0de lijn het met name gaat om het vergroten van de zelf- en samenredzaamheid, om meer participatie ofwel meedoen, om het streven naar leefbaarheid in de wijken en om het verschuiven van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen. Meer kwaliteit van leven is in de praktijk een zeer moeilijk concept om inhoudelijk iets over te zeggen, maar komt wel terug in de andere thema’s (bijvoorbeeld het verkrijgen van werk of bijeenkomen bij dagbesteding).

Daarnaast is een groot deel van het langer zelfstandig thuis kunnen wonen gerelateerd aan meer specialistische zorg in de 1ste en 2de lijn. De maatregelen die worden genomen zijn over het algemeen doeltreffend. Dit komt doordat de verschillende partijen vrij zijn om een invulling te geven aan de werkzaamheden die zij uitvoeren en daarbij vraaggericht kunnen werken. De doelmatigheid van het welzijnsbeleid is zeer moeilijk aan te tonen. Om herkenbaar te zijn en preventief te kunnen werken, moet er een bepaalde basisaanwezigheid zijn. Bijvoorbeeld, een buurthuis waar men terecht kan als men wil, ook al zou men nooit gaan, is belangrijker dan als er geen buurthuis is. Het gaat voor de inwoner om het hebben van vertrouwen in personen in zijn of haar omgeving, dit is altijd een persoonlijke relatie. Wij beantwoorden deze hoofdvraag aan de hand van de deelvragen. Hoe ziet het Enschedese welzijnsbeleid eruit sinds de invoering van het Nieuw Enschedees Welzijn in 2016? En Welke (financiële en andere) middelen zet de gemeente Enschede in voor het welzijnsbeleid? De beleidsmaatregelen van de gemeente Enschede in het kader van het Nieuw Enschedees Welzijn zijn gericht op de doelen. De beleidstheorie - hoe wil de gemeente de doelen bereiken en welke instrumenten passen daar het beste bij - gaat uit van een actieve rol van de samenleving en van de burgers zelf.

Dat betekent dat de gemeente zelf weinig direct betrokken is bij de uitvoering van het buurtwelzijn. Zij heeft wel financiële kaders en vijf doelen gesteld. Welke beleidsmaatregelen worden ingezet in dit kader? En welke instanties, naast de gemeente zelf, dragen bij aan de uitvoering van de beleidsmaatregelen? De uitvoerders van het beleid vormen een breed spectrum van organisaties. Hierin onderscheiden wij drie categorieën, gebaseerd op de gesprekken die wij gevoerd hebben met de inwoners, professionele welzijnspartijen, overige partijen in het voorliggende veld en de gemeente:

39

1. Grote (welzijns)organisaties (bijvoorbeeld Alifa, Twentse Alliantie, SVEN, woningcorporaties en de politie (wijkagenten)). 2. Formele maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld speeltuinverenigingen, sportclubs, buurt verenigingen en kerken). 3. Informele organisaties (bijvoorbeeld een groep mensen die af en toe een buurtfeest organiseert of de buren die een oogje in het zeil houden bij een kwetsbare buurvrouw). De gemeente heeft het meeste zicht op de grote welzijnsorganisaties. Met hen heeft zij een opdrachtgever-opdrachtnemer relatie. De maatschappelijke organisaties zijn veel zelfstandiger, maar hebben vaak wel de een of andere subsidierelatie met de gemeente, waardoor de gemeente (groten)deels weet wat zij doen en voor wie. De laatste groep, de informele organisaties, vallen grotendeels buiten het zicht van de gemeenten en vaak ook van de grote welzijnsorganisaties. Welke knelpunten treden op bij de uitvoering van het welzijnsbeleid? Heel optimistisch zou je kunnen stellen dat de informele organisaties, het niveau van de zelfredzame burger is. Ons onderzoek laat zien dat niet elke burger van de gemeente Enschede gelijke of gemakkelijke toegang heeft tot of bekend is met middelen, mensen en organisaties om zijn eigen keuze te kunnen maken. Dat maakt dat een deel van de mensen meer mogelijkheden heeft dan anderen.

Hierdoor is er sprake van ongelijkheid in het kunnen realiseren van eigen keuzes en het zelfredzaam kunnen zijn. Deels komt dit door onbekendheid met regels en instanties, maar deels is het ook een gevoel van autonomie. Als je je ‘aan de regels van de gemeente moet houden’, moet je het spel ook volgens hun regels spelen. Veel mensen willen dat niet. Dat zij daarmee minder geld en ondersteuning krijgen nemen ze op de koop toe. De ondersteuning wordt niet gemist omdat hij door hen niet als noodzakelijke ondersteuning wordt ervaren. Wat zijn de maatschappelijke effecten van de maatregelen in het kader van het welzijnsbeleid? Het is belangrijk om te realiseren dat inwoners zich in een dynamische omgeving bewegen. Dat betekent dat iemand die zich vorig jaar nog goed kon redden, dat nu niet meer kan, maar ook omgekeerd, dat iemand die eerder geen steun zocht bij de gemeente, omdat hij of zij dat niet nodig vond, dat nu wel wil. De mate waarin het welzijnsbeleid hierop in kan spelen, bepaalt de effectiviteit. De notie van aanwezigheid in de wijk past hier heel goed bij. Dat maakt het voor mensen mogelijk om ondersteuning te vinden als dat nodig is, maar ook op de manier die zij graag willen. Tegelijkertijd zien wij dat er ook een beweging is door de organisaties heen. Mensen kunnen veel doen in hun eigen omgeving, die informeel georganiseerd is.

Als er meer nodig is, wordt vaak contact gezocht met maatschappelijke organisaties of met grote welzijnsorganisaties. Dit wordt ook wel opschalen genoemd. Dit is voor mensen met kennis van de ‘systeemwereld’ gemakkelijker dan voor mensen voor wie deze wereld te complex en onbekend is. Daarom is ook afschalen, van de grote welzijnsinstellingen en de maatschappelijke organisaties, belangrijk. Ook deze is ongelijk, vaak zijn burgers niet allemaal in beeld. Dat kan ook niet verwacht worden. Sommige organisatie hebben een beter netwerk in de buurt, en ook meer vertrouwen van mensen, waardoor zij gemakkelijker in contact komen met mensen die ondersteuning zoeken. De beleidstheorie van de Wmo en het Nieuw Enschedees Welzijn gaan uit van de verantwoordelijkheid van de burger. De verantwoordelijkheid van de burger past bij de gedachte van ‘maatwerk’ en vraaggericht werken, maar is ook en vooral ingegeven door bezuinigingen, doordat er minder

40

middelen beschikbaar zijn vanuit de Wmo. Ons onderzoek laat zien dat heel veel mensen deze verantwoordelijkheid voelen en willen nemen. Dat leidt echter niet altijd tot het resultaat dat de gemeente voor ogen heeft. Een deel van de mensen vult deze verantwoordelijkheid zelf in, bijvoorbeeld door zich te onttrekken aan de systeemwereld. Zij leven hun eigen leven en zijn daar tevreden mee. Een ander deel voelt de verantwoordelijkheid vooral in samenwerking met de gemeente. Zij willen verantwoordelijk en actief zijn voor de buurt en de wijk, maar verwachten dan wel een actieve en betrokken overheid. De test voor het welzijnsbeleid is in hoeverre het mogelijkheden biedt om te schakelen tussen deze verschillende wensen en behoeften. Ons onderzoek laat zien dat dit voor veel mensen lukt, maar dat het lastiger wordt als mensen zich buitengesloten voelen.

41

7. Eerste aanzet voor aanbevelingen Investeer in 0de en 1ste lijns hulpmiddelen. ​In gesprek met verschillende partijen komt naar voren dat de voorzieningen die zij tot hun beschikking hebben, niet altijd toereikend zijn. Om de financiële druk op de dure 2de lijns zorg te verminderen, is een goede infrastructuur voor 0de en 1ste lijns zorg, met meer nadruk op preventie, noodzakelijk. Maak een onderscheid in individueel en collectief welzijn. ​Ondanks dat er een bepaalde overlap in individueel en collectief welzijn is, is er toch een duidelijk onderscheid. Zo heeft collectief welzijn in elke buurt (en soms zelf in elke straat) een andere betekenis. In het huidige beleid zit er dan ook veel vrijheid bij de invulling van de uitvoering in dit gedeelte. Individueel welzijn gaat daarbij veel meer om situaties die specifiek benoemd kunnen worden en overeenkomstig zullen zijn tussen verschillende individuen. Laat de organisaties leidend zijn in de uitvoering. ​Dit gebeurt nu al, maar lijkt ook zijn vruchten af te werpen. Het duurt altijd een tijd voordat duidelijk wordt waar de knelpunten zitten en hoe deze moeten worden opgelost. Op dit moment worden veel aanpassingen doorgevoerd van onder naar boven. Hierdoor zijn uitvoerders ook betrokken bij het beleid wat zij zelf moeten uitvoeren. Dit zorgt voor meer draagkracht.

Hierbij moet wel nagedacht worden over de verschillende functies die de diverse organisaties uitvoeren (bijvoorbeeld onderscheid wijkteam en welzijnsorganisaties). Monitor meer op inhoud. ​Doordat de aanbesteding per stadsdeel verschilt is het niet altijd gemakkelijk om zich compleet prijs te geven. Hierdoor is samenwerking niet altijd even vanzelfsprekend, terwijl vanuit de gemeente wel laagdrempeligheid wordt verwacht. Juist in het welzijnslandschap kan het belangrijk zijn om verschillende partijen te hebben, die ogenschijnlijk dezelfde werkzaamheden uitvoeren. In de praktijk draait het vaak om vertrouwen en dat is moeilijk in cijfers uit te drukken. Maakbaarheid is eindig​. Het blijkt dat niet alle problemen kunnen worden opgelost. De ambitie van het beleid lijkt daar soms wel van uit te gaan. Het onderzoek laat zien dat veel mensen ook kunnen leven in een niet perfecte wereld. Niet alle problemen zijn onoverkomelijk. Als de gemeente wil aansluiten bij de leefwereld van de bewoners is het goed om zich dit te realiseren. Buurtwelzijn moet kunnen omgaan met de paradox van een onbereikbare perfecte wereld en een accepteren van de wereld zoals die is. Belang van lokale kennis. ​Zoals uit onze gesprekken met professionals en inwoners naar voren komt, draait een groot deel van de effectiviteit om vertrouwen en bekendheid.

Inwoners vertrouwen hierbij niet een bepaalde organisatie of instelling, maar een specifiek persoon. Wanneer deze vertrouwensrelatie is opgebouwd, ontstaat er veel kennis over specifieke inwoners, maar ook over de buurten waarin zij wonen. Bij een nieuwe aanbestedingsronde, moet daarom rekening worden gehouden met deze aanwezige kennis en de tijd die het duurt om nieuwe vertrouwensrelaties op te bouwen, voor zover dit niet al gebeurt. Verschillen bestaan, maar ongelijkwaardigheid is niet goed. ​Niet iedereen wil hetzelfde, mensen zijn verschillend. Het wijkwelzijn is niet bedoeld om te zorgen dat elke inwoner op een gelijke manier handelt en denkt, maar wil wel ondersteuning bieden in een leefbare oplossing voor de inwoners.

42

Mensen moeten hun eigen keuze kunnen maken. De praktijk laat echter zien dat niet elke inwoner evenveel belang hecht aan de middelen die zij heeft om haar keuzes te kunnen maken, maar ook dat niet iedereen toegang heeft tot deze middelen, mensen en organisaties om deze keuzes te kunnen maken. Het wijkwelzijnsbeleid heeft hier wel oog voor, maar zou daar nog scherper op kunnen zijn. De notie van aanwezigheid in de buurt is daarbij heel belangrijk. Door aanwezig te zijn op momenten dat het voor de mensen nodig is kunnen zoveel mogelijk mensen hun eigen keuze maken. Wijkwelzijnsbeleid is dus ook afwachten en niet altijd actief bezig zijn. Informatie naar de raad. Aan de voorkant is het belangrijk om te weten dat er veel vrijheid zit in de uitvoering en dat deze uitvoering integraal en zo dicht mogelijk bij de inwoner plaatsvindt. Hierdoor is het belangrijk dat een eenduidige rapportage, die ‘dichterbij de inwoner’ is geschreven aan de raad wordt aangeboden. Dit betekent dat het er meer om gaat wat het beleid voor impact heeft bij de inwoners, dan Daarbij is de informatievoorziening van stadsdeel naar de raad een geschikte communicatielijn.

43

Bijlage 1. Literatuur Douglas, M. (1978). ​Cultural Bias. ​London: Royal Anthropological Institute. Pawson, R. & Tilley, N. (1997). ​Realistic Evaluation.​ London: SAGE Publications Ltd. Overige documenten: - Jaarrapportage Twentse Alliantie Centrum (2018) - Jaarrapportage Twentse Alliantie Noord (2018) - Jaarrapportage Twentse Alliantie Oost (2018) - Jaarrapportage SVEN (2018) - ANBO werkplan (2015) (contract met de gemeente en financiën) - IVN (2018) (contract met de gemeente) - Jaarverslag ouderenbond PCOB (2017) - Jaarverslag NEHOB Overijssel (2018) - SAMENDOEN-DAG Rode Kruis Enschede (2014) (contract met gemeente) - Slamat Danang (2018) (subsidieaanvraag) - Activiteitenplan MeeReizen (2018) - Projectplan Stichting Vier het Leven (2018) - Vaststelling Stichting LOGE (Lokaal Overleg Gehandicapten Enschede; 2018) - Jaarverslag M-Pact (2018) (overzicht activiteiten) - Jaarverslag Alifa (2018) - Jaarverslag Alifa (2015) - Klanttevredenheidsonderzoek SVEN (2019) - Stroomschema financiële vragen Wijkwijzer - Financiële gegevens samenwerkingspartners (zonder sportclubs) - Advies Wmo-raad kadernota Nieuw Enschedees Welzijn, 11 november 2016 - Nota Nieuw Enschedees Welzijn 2017-2022 - Raadsvoorstel gemeenteraad Nieuw Enschedees Welzijn, 18 november 2016 - Beantwoording vragen evaluatie wijkwelzijn, 9 maart 2017 - Stadsdeelagenda’s 2019-2022 - Samen verder bouwen en waarmaken:

Weergave van de resultaten van de dialoog nieuwe speerpunten Wmo/Jeugdhulp - Gemeentebegroting 2020 (Vitaal en Sociaal)

44

Bijlage 2. Overzicht financiën per gemeentelijk product Tabel B2.1 Overzicht financiën per product 0de lijn (Gemeentebegroting Vitaal en Sociaal 2020). Budget (saldo in euro’s)

% van het totaal

Sport

8.765.704,42

34,0%

Preventie gezondheid GGZ/JGZ

6.532.338,59

25,3%

Overige voorliggende voorzieningen

3.218.607,77

12,5%

Welzijn

2.928.408,86

11,3%

Algemeen maatschappelijke voorzieningen onverdeeld

1.206.316,50

4,67%

Speeltuinwerk

1.095.731,20

4,24%

Jongerenwerk

944.210,86

3,66%

Mantelzorg

817.587,98

3,17%

Sport en gezondheid onverdeeld

311.103,90

1,20%

25.820.010,08

100%

Totaal

Tabel B2.2 Overzicht financiën per product 1ste lijn (Gemeentebegroting Vitaal en Sociaal 2020). Budget (saldo in euro’s)

% van het totaal

Ondersteuning wijkteams

11.021.187,68

78,3%

Transformatie

2.087.167,00

14,8%

966.446,99

6,87%

14.074.801,67

100%

Ondersteuning wijkteams onverdeeld Totaal

45

Tabel B2.3 Overzicht financiën per product 2de lijn (Gemeentebegroting Vitaal en Sociaal 2020). Budget (saldo in euro’s)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=f74bba89-5ba7-4e03-a062-87bbe0da7f43