CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport CAB.pdf

Raadsvergadering 7 maart 2022, gemeente enschedeBij agendapunt: Rekenkamerrapport Welzijn19.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Inhoudsopgave 1. Inleiding

3

1.1 Aanleiding

3

1.2 Onderzoeksvraag en deelvragen 1.3 Onderzoeksmethoden en verantwoording

4 4

1.4 Leeswijzer

5

2. Onderzoeksopzet

6

2.1 Realistische evaluatie 2.2 Documentstudie

6 7

2.3 Kwalitatief onderzoek

7

2.3.1 Gesprekken met professionals

8

2.3.2 Gesprekken met inwoners

8

2.4 Samenvattend 3. Het welzijnsbeleid in Enschede 3.1 Beleidstheorie

9 10 10

3.1.1 Beleidsdoelen

10

3.1.2 Beleidstheorie

11

3.2 Betrokken partijen in het welzijnsveld

11

3.3 Beleidsmiddelen

12

3.3.1 Het vergroten van sociale cohesie

13

3.3.2 Participatie in de samenleving

13

3.3.3 Het tegengaan van eenzaamheid 3.3.4 Het vergroten van veiligheid

14 14

3.3.5 Het eerste aanspreekpunt voor hulp voor inwoners

14

3.4 Opmerkingen van de professionals

15

3.5 Informatie aan de raad

15

3.6 Financiën

16

3.7 Samenvattend

17

4. Gesprekken met inwoners

18

4.1 De teloorgang van de jaren 70-wijk

19

4.2 De huiskamer van de buurt

20

4.3 Overlast in de buurt bepaalt het leven van nieuwe bewoonster

21

4.4 De verkrotte woning

21

4.5 Buurtwandeling in Bothoven

22

4.6 Buurtwandeling Twekkelerveld

23

4.6.1 De marginale positie van het Romaproject - Toys for inclusion 4.6.2 Het blok in Twekkelerveld

24 24

4.7 Buurtevenement Atjehstraat

25

4.8 Samenvattend

26

1

5. Bevindingen

27

5.1 Het vergroten van zelf- en samenredzaamheid

27

5.2 Meer participatie en meedoen

28

5.3 Langer zelfstandig thuis wonen

28

5.4 Meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners

29

5.5 Leefbare wijken

29

5.6 Verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen 30 5.7 Uitvoering versus beleid 5.8 Verschillende perspectieven: dezelfde bewoording in een andere taal

30 31

5.8.1 Inwonersperspectief

31

5.8.2 Overheidsperspectief

32

5.8.3 Perspectief van de samenwerkingspartners

33

5.8.4 Samenkomst van perspectieven

34

5.9 Samenvattend 6. Conclusie 6.1 Context

35 36 36

6.1.1 Het grootste probleem

36

6.1.2 Normen en waarden verschillen per buurt

36

6.2 Mechanisme

37

6.2.1 Eén centrale ingang

37

6.2.2 Basisaanwezigheid in de buurt

37

6.2.3 Minder sturing van bovenaf 6.3 Output

37 37

6.3.1 Welzijnswerk is reactief

37

6.3.2 Aanpakken van problematiek is vaak een verplaatsing van het probleem

38

6.3.3 Zelfredzaamheid kent grenzen

38

6.3.4 Verantwoordelijkheid van de situatie

38

6.3.5 Terugkoppeling naar de raad

38

6.4 Beantwoording van de onderzoeksvragen

39

7. Eerste aanzet voor aanbevelingen

42

Bijlage 1. Literatuur

44

Bijlage 2. Overzicht financiën per gemeentelijk product

45

Bijlage 3. Lijst met gesproken professionals

48

2

1. Inleiding 1.1 Aanleiding In 2004 heeft de rekenkamercommissie een evaluatieonderzoek naar het Enschedese welzijnsbeleid uitgevoerd. Sindsdien is er veel veranderd op dit beleidsterrein, zoals de transitie en transformatie die nog steeds bezig zijn in het sociaal domein. Eveneens hebben forse bezuinigingen plaatsgevonden op dit terrein. De rekenkamercommissie van de gemeente Enschede heeft daarom besloten dat er een nieuwe evaluatie uitgevoerd moet worden. Deze evaluatie moet zicht geven op de wijze waarop Enschede welzijnsbeleid uitvoert sinds 2015 tot en met nu en inzicht geven in de effecten die het huidige welzijnsbeleid, het Nieuw Enschedees Welzijn, heeft op de Enschedese samenleving. Sinds de aanpassingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2015 wordt welzijn als maatschappelijke functie of fenomeen steeds belangrijker. De gemeenten hebben van oudsher een belangrijke coördinerende rol als uitvoerders van beleid. Dit geldt ook voor het welzijnsbeleid en de door de gemeente gesubsidieerde (welzijns)instellingen. Er is steeds meer verantwoordelijkheid van het Rijk naar de gemeente verschoven, maar met minder budget dan het Rijk beschikbaar had voor dezelfde taken. Uiteindelijk worden de burger zelf verantwoordelijk voor hun welzijn, de zelfredzame burger wordt geïntroduceerd.

“Gemeenten worden met dit wetsvoorstel verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen en opvang.” (memorie van toelichting wetsvoorstel Wet maatschappelijke ondersteuning, 2015) Volgens de nieuwe Wmo (2015) zijn gemeenten verantwoordelijk geworden om mensen zoveel mogelijk zelfredzaam te maken en te laten participeren als burgers in de samenleving. De trend om mensen meer zelfredzaam te maken en te laten participeren als burger begon al rond het begin van de 20ste eeuw, als volksverheffing. De overheid wilde haar burgers door middel van cursussen en begeleiding ‘verheffen’. Het ging hier met name om arme en behoeftige mensen die zich moesten aanpassen aan de maatschappij. In de jaren ‘60 kwam vervolgens ​‘community development’ overgevlogen uit Amerika. Hierbij verschoof het accent van het aanleren van maatschappelijk gewenst gedrag naar het opbouwen en versterken van eigen, onderlinge gemeenschapszin.

Sinds een jaar of tien is het gemeengoed geworden dat sociaal werkers actief naar buiten treden. De leefwereld van de burgers, hoe de burgers leven en hun omgeving ervaren, moet daarbij worden verbonden met de systeemwereld van de overheid en instituties. Hierbij ontmoeten de wereld van de behoeften van de mensen en de wereld van de regels van de instanties elkaar. Alle mensen moeten kunnen participeren in de samenleving. In de laatste versie van de Wmo (2015) wordt dit omschreven als de ‘inclusieve samenleving’. Deze inclusieve samenleving heeft ook een centrale rol in het Nieuw Enschedees Welzijn.

3

1.2 Onderzoeksvraag en deelvragen Het CAB heeft heeft van de rekenkamercommissie van de gemeente Enschede de opdracht gekregen om het welzijnsbeleid te evalueren. Daarbij heeft de rekenkamercommissie de volgende onderzoeksvraag opgesteld: ‘In hoeverre zijn de beleidsmaatregelen die worden ingezet in het kader van welzijnsbeleid daadwerkelijk gericht op de gestelde doelen en in hoeverre zijn betekenisvolle uitspraken mogelijk over de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze maatregelen? De gestelde doelen zijn hierbij: 1. het vergroten van zelf- en samenredzaamheid, 2. meer participatie en meedoen, 3. langer zelfstandig thuis wonen, 4. meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners, 5. leefbare wijken en verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen.’ Om de overkoepelende vraag te kunnen beantwoorden zijn onderstaande onderzoeksvragen relevant: 1. Hoe ziet het Enschedese welzijnsbeleid eruit sinds de invoering van het Nieuw Enschedees Welzijn in 2016? 2. Welke beleidsmaatregelen worden ingezet in dit kader? 3. Welke instanties, naast de gemeente zelf, dragen bij aan de uitvoering van de beleidsmaatregelen? 4. Welke (financiële en andere) middelen zet de gemeente Enschede in voor het welzijnsbeleid? 5. Welke knelpunten treden op bij de uitvoering van het welzijnsbeleid? 6.

Wat zijn de maatschappelijke effecten van de maatregelen in het kader van het welzijnsbeleid?

1.3 Onderzoeksmethoden en verantwoording Om deze vragen te kunnen beantwoorden, is gebruik gemaakt van kwalitatief onderzoek en beleidsonderzoek. De evaluatie van het beleid doen wij op de manier van realistische evalueren.​1 Wij werken dit in het volgende hoofdstuk verder uit. Kort gezegd komt het er op neer dat wij gesprekken hebben gevoerd met veel bewoners en professionals, zonder vragenlijsten en harde criteria. Het realistisch evalueren kijkt hoe beleid werkt, of voor welke personen dat beter werkt en voor wie minder, maar vooral ook hoe de omgeving, de context, van invloed is op de effectiviteit van beleid. Daarnaast hebben wij beleidsdocumenten (inclusief jaarrapportages van samenwerkingspartners, contracten met samenwerkingspartners en financiële gegevens) van 2015 tot en met 2019 geraadpleegd. In overleg met de rekenkamercommissie, richt het CAB zich met name op het collectief welzijn. Hiermee bedoelen wij de middelen en doelen binnen preventie en algemene voorzieningen, die met name in de 0de lijn worden ingezet. Hiertegenover staat individueel welzijn, de middelen die hiervoor worden ingezet zitten vaker in de specialistische of individuele ondersteuning. Deels valt dit ook onder de maatschappelijke voorzieningen in de 0de lijn, maar deze ondersteuning komt vaker voor in de 1ste en 2de lijns zorg.

Ondanks dat sport en cultuur ook een belangrijke pijler vormen in het welzijnsveld, richten wij ons voornamelijk op het buurtwelzijn en andere middelen die worden ingezet voor een grotere groep. Dit doen wij vanuit het perspectief van de inwoner. 1

Pawson, R. & Tilley, N. (1997).​Realistic evaluation.​ London: SAGE Publications Ltd.

4

Dit rapport geeft een inzicht in hoe de systeemwereld van de gemeente Enschede en haar samenwerkingspartners aansluit bij de leefwereld van de inwoners.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de onderzoeksopzet beschreven. Daarna volgt in hoofdstuk 3 een beschrijving van de documentstudie. Hoofdstuk 4 bevat de beschrijving van de gesprekken die wij hebben gevoerd met inwoners. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de bevindingen uit de documentstudie en de gevoerde gesprekken weergeven. Ten slotte worden de conclusies en aanbevelingen gepresenteerd in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 doen we een voorzet voor een aantal aanbevelingen.

5

2. Onderzoeksopzet In dit hoofdstuk beschrijven we welke methoden zijn gebruikt in het onderzoek en hoe dit is uitgevoerd.

2.1 Realistische evaluatie De methode die wordt gebruikt in dit onderzoek is realistische evaluatie. Deze benadering stelt dat evaluatieonderzoek door middel van puur kwantitatief of kwalitatief onderzoek een te eenzijdig beeld geeft. Volgens deze methode richt kwantitatief onderzoek zich te veel op het objectiveren van het onderwerp, om meetbare effecten vast te kunnen stellen, in tegenstelling tot kwalitatief onderzoek dat teveel op de unieke situatie is gefocust. Hierbij bestaat de kans dat een onderzoek een hoog anekdotisch karakter krijgt. Een goede evaluatie moet daarom, volgens de methode van realistische evaluatie, rekening kunnen houden met het opgestelde mechanisme (beleid), de output (maatschappelijk effect) en de context (de samenleving, bestaande uit unieke burgers).

Figuur 1. H ​ et context-mechanisme-output model. Bron: Pawson & Tilley (1997)

Figuur 1 geeft het context-mechanisme-output model weer. Dit model geeft weer dat beleid (X) wordt geschreven met de gedachte dat het een effect bewerkstelligt in een samenleving (Y). Hiervoor worden, in het beleid, verschillende mechanismen (of beleidsinstrumenten) bedacht die dit effect moeten beïnvloeden. Dit noemen we de beleidstheorie, het geheel van (wetenschappelijke) kennis, praktijkervaring, maar ook overtuiging en wensen, die bepalen welk beleid het meest effectief is om het maatschappelijke effect (Y) te bereiken. Dit geheel vindt plaats in een maatschappelijke context, die ook de werkzaamheid van het beleid, het mechanisme, beïnvloedt. In het kader van dit onderzoek is de outcome, het maatschappelijk effect dat de gemeente wil bereiken met het Nieuw Enschedees Welzijn, de vijf doelen (i.e., vergroten van de zelfredzaamheid, meer participatie en meedoen, langer zelfstandig thuis wonen, meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners en, leefbare wijken en verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen) die de gemeente benoemt. De beleidstheorie veronderstelt dat een grote betrokkenheid van de burgers beter oplossingen geeft voor hun specifieke situaties, dat

6

preventie voorkomt dat complexere problemen met duurdere oplossingen ontstaan, dat meer verantwoordelijkheid van burgers voor hun eigen situatie en leven betere mogelijkheden geeft om een zelfstandige burger te kunnen zijn, maar vooral dat iedereen een zelfstandige burger wil zijn, maar ook kan zijn. Het mechanisme om deze beleidstheorie in maatschappelijke effecten om te zetten wordt uitgevoerd door grote welzijnsorganisaties, maatschappelijke organisaties, kleine informele organisaties en individuele burgers. Dat betekent ook, in die volgorde, een afnemende mogelijkheid om te sturen op het uitvoeren van het beleid. De gemeente heeft een opdrachtgeversrol bij grote welzijnsorganisaties, waardoor de gemeente meer mogelijkheden heeft om - als opdrachtgever - aan te geven wat hij wil. Dat heeft de gemeente in veel mindere mate of niet bij informele organisaties en burgers. De context, de verschillen tussen stadsdelen, wijken en buurten bepaalt vervolgens hoe en of de beleidsdoelen gemakkelijker of moeilijker kunnen worden gerealiseerd. Met deze analytische bril zullen wij het Nieuw Enschedees Welzijn evalueren. Door een combinatie te gebruiken van kwalitatief onderzoek en een documentstudie, wordt er inzicht gegeven in wat de beleidstheorie verwacht (hoofdstuk 4) en hoe de inwoner dit ervaart (hoofdstuk 5).

Er is in dit onderzoek bewust gekozen voor kwalitatief onderzoek in combinatie met een documentstudie omdat wij de vraag ‘hoe werkt iets?’ willen beantwoorden. Deze twee vormen van onderzoek zijn hiervoor meer geschikt dan kwantitatief onderzoek.

2.2 Documentstudie Om een inzicht te krijgen in de (theoretische) werking van het welzijnsbeleid in Enschede, zijn verschillende documenten bestudeerd, waaronder: ‘Nota Nieuw Enschedees Welzijn: Richting aan welzijnswerk 2017-2022’, de speerpuntnotitie ‘Samen verder bouwen en waarmaken: Weergave van de resultaten van de dialoog nieuwe speerpunten Wmo/Jeugdhulp’, Jaarverslagen van Twentse Alliantie, SVEN en Alifa, Jaarverslagen overige samenwerkingspartner, Jaarverslagen stadsdeel agenda's en Raadsvoorstellen. Voor het complete overzicht, verwijzen wij u naar Bijlage 1.

2.3 Kwalitatief onderzoek Een belangrijk onderdeel van realistische evaluatie is het open interview. In een open interview staan de gespreksonderwerpen vast, maar afhankelijk van de situatie ontstaan hieruit unieke gesprekken. Dit biedt de onderzoeker meer vermogen om in te spelen op de unieke situatie van de geïnterviewde. Hierbij is het belangrijk om een indruk te krijgen van de gedragingen, belangrijke symbolen en de taal van de doelgroep. De onderzoeker is zich daarbij bewust van zijn eigen achtergrond en probeert hierin zo neutraal mogelijk over te komen naar de geïnterviewde. De analyse van de gevoerde gesprekken is een cyclisch proces: zodra de eerste gesprekken worden gevoerd, vindt er direct een terugkoppeling plaats tussen de onderzoekers. Vervolgens wordt deze terugkoppeling gebruikt in de volgende gesprekken én om belangrijke andere actoren te vinden. De dataverzameling en de analyse verlopen dus gelijktijdig. De verzamelde gegevens worden geanalyseerd, waarna reflectie optreedt over de (voorlopige) bevinden. Om de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek te verhogen is het cyclische proces belangrijk. Door continu te overleggen wordt voorkomen dat de onderzoeker zich te veel gaat identificeren met

7

de doelgroep. Daarnaast worden hierdoor de achterliggende thema’s steeds scherper omschreven. Dit resulteert in een typologie, concept of een veronderstelling van een relatie tussen twee of meer actoren. De generaliseerbaarheid van het onderzoek uit zich daarbij ook in deze opgehaalde thema’s. In tegenstelling tot kwantitatief onderzoek, waar uitspraken over werkzame elementen (‘wat werkt?’) worden gedaan, komt de generaliseerbaarheid van kwalitatief onderzoek neer op hoe iets werkt.

2.3.1 Gesprekken met professionals Om inzicht te krijgen in de betrokken partijen bij het welzijnsbeleid, hebben wij naast het bestuderen van de documenten ook gesprekken gevoerd met professionals. Wij hebben gesproken met medewerkers van Alifa (directeur, jongerenwerker en ouderenwerker), M-Pact (directeur en projectleider doe mee huizen), Power (powercoach), Incluzio (teamleider), Visier (directeur en welzijnswerker), Eurus ((economisch) welzijnswerker), Wijkwijzer (verschillende vrijwilligers en wijkcoach), buurtbemiddeling (coördinator), wijkregisseur, wijkcoach, leden van een bewonersinitiatief, coördinator van Toys for Inclusion en een delegatie van de raad. Zie Bijlage 1 voor de volledige lijst met professionals.

2.3.2 Gesprekken met inwoners Doordat de coronapandemie uitbrak op het moment dat het onderzoek van start ging, is er voor de benadering van de inwoners voor een andere aanpak gekozen dan gebruikelijk bij deze vorm van onderzoek. Waar eerst het idee bestond om ​at random bij inwoners aan te bellen om zo een inzicht te krijgen in hoe zij ‘welzijn’ ervaren, is er nu voor gekozen om via andere kanalen in contact te komen met inwoners (in hoofdstuk 4 is dit verder uitgewerkt). Wij zijn in gesprek gegaan met in totaal 20 inwoners. Deze gesprekken waren zeer gevarieerd. In sommige gevallen ging het om een kort praatje op straat, terwijl wij met andere inwoners uitvoerig bij hen thuis hebben gesproken. De verschillende plekken waar wij inwoners hebben gesproken zijn: - op straat, - bij mensen thuis, - via telefoon of Zoom; als reactie op onze advertentie in het huis-aan-huisblad, - in een buurthuis en - tijdens een buurtevenement in de Atjehstraat. Bij deze gesprekken houden wij er rekening mee dat inwoners een bepaalde positie innemen met betrekking tot de mate waarin zij zich rekenen tot een bepaalde groep en hoe verantwoordelijk zij zich daarbinnen voelen. Hiervoor gebruiken wij de grid and group theory.​2 In figuur 2 geven wij hiervan een overzicht.

2

Douglas, M. (1978). Cultural Bias. London: Royal Anthropological Institute.

8

Figuur 2. Grid (verantwoordelijkheid ten opzichte van anderen) en group (oriëntatie op anderen) theorie. Bron: Douglas (1978).

Figuur 2 bestaat uit twee assen. De eerste geeft de dimensie aan van de oriëntatie van mensen op anderen, dat varieert van individualistisch tot mensen met een heel grote collectieve gerichtheid. De andere as geeft het verschil in rol en verantwoordelijkheid ten opzichte van anderen aan (grid). Aan de ene kant van het spectrum zijn mensen relatief gelijk in hun ambities, werk en activiteiten en kunnen gemakkelijk van rol wisselen. Hierdoor zijn zij minder afhankelijk van elkaar. Aan de andere kant gelden strikte rollen en posities in de groep met specialisaties en verschillende verantwoordelijkheden, hierdoor is onderlinge samenwerking van mensen met verschillende rollen voordeliger en is men voor deze samenwerking ook meer afhankelijk van elkaar.

2.4 Samenvattend In dit hoofdstuk hebben wij een overzicht gegeven van de manier waarop wij dit onderzoek hebben uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in de manier waarop het Nieuw Enschedees Beleid werkt en een antwoord te kunnen geven op de hoofdvraag en deelvragen, maken wij gebruik van realistische evaluatie. De belangrijkste onderzoeksmethoden die wij daarbij gebruiken zijn kwalitatief onderzoek en beleidsonderzoek.

9

3. Het welzijnsbeleid in Enschede In dit hoofdstuk zetten we het huidige welzijnsbeleid van de gemeente Enschede (NEW) uiteen. Bij de analyse van de verkregen documenten en gevoerde gesprekken met professionals gebruiken we het context-mechanisme-output model. Zoals in de inleiding gesteld, gaan wij voornamelijk in op het collectieve gedeelte van het welzijnsbeleid. Hiermee bedoelen wij het gedeelte van de beleidstheorie dat zich richt op maatregelen gericht op alle inwoners van Enschede. Dit doen wij omdat het welzijnsbeleid een zeer brede thematiek heeft; van het krijgen van specialistische thuiszorg (Wmo) tot lidmaatschap van een sportclub. Daarnaast gaat in het beleidsdocument ook de meeste aandacht uit naar het collectieve gedeelte. ‘De inclusieve samenleving is een samenleving waarin iedereen meedoet en ertoe doet ongeacht achtergrond, inkomen, leeftijd of beperking. Gemeenten hebben binnen de Wmo 2015 de opdracht toe te groeien naar een inclusieve samenleving. ( ….) De ambitie/opgave is te transformeren en de beweging te maken naar versterking van de samenleving en het voorliggende veld (0e lijn). Dit betekent, waar mogelijk, minder inzet van middelen in de specialistische zorg (2e lijn) en meer inzet op preventie en samenleving (0e lijn).’​ (Nota Nieuw Enschedees Welzijn, p. 10 en 11).

Conform de uitgangspunten van de Wmo (2015), staat in de eerste alinea van de nota Nieuw Enschedees Welzijn: ​‘Met de inclusieve samenleving als vertrekpunt zijn we op meerdere momenten in gesprek geweest met de “stad”.​ ​In een periode van zes maanden hebben we met bijna 2.000 inwoners, vrijwilligers en professionals contact gehad over Nieuw Enschedees Welzijn.’​ D ​ eze gesprekken hebben ertoe geleid om een document op te stellen, dat een duurzamer en meer integraal welzijnsbeleid veronderstelt. Het welzijnswerk moet hierbij een ondersteunende rol hebben in de bijdrage aan de inclusieve samenleving, aldus de nota Nieuw Enschedees Welzijn.

3.1 Beleidstheorie Om deze inclusieve samenleving te bereiken, is er een verschuiving van individuele, specialistische zorg en aandacht voor kwetsbare inwoners, naar het toegankelijk maken van hulp voor iedereen en aandacht voor de kwetsbare inwoners én de betekenis die zelfredzame inwoners kunnen hebben voor hun eigen omgeving. Hierbij hebben de vijf stadsdelen (Centrum, Noord, West, Oost en Zuid) meer regie gekregen over het regelen van het welzijnswerk in hun eigen stadsdeel. Daarbij is niet meer de doelgroep leidend, maar de vraag vanuit de wijk, buurt of inwoner.

3.1.1 Beleidsdoelen Het doel van het Enschedese welzijnsbeleid is dat mensen ‘het zelf kunnen’. Daarbij gaat het specifiek om de volgende vijf punten: 1. Vergroten van de zelf -en samenredzaamheid 2. Meer participatie/meedoen 3. Langer zelfstandig thuis wonen 4. Meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners 5. Leefbare wijken en verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen (de beweging naar voren, van 2e en 1e naar 0e lijns zorg).

10

3.1.2 Beleidstheorie Uit de beleidsdocumenten valt een beleidstheorie te reconstrueren die veronderstelt dat deze doelen beter te bereiken zijn met de betrokkenheid van de inwoners. Daarbij geldt dat de verantwoordelijkheid van de situatie van de inwoners bij de inwoners zelf ligt. Indien er wel moet worden ondersteund in een bepaalde situatie, dan geldt dat vroeg aanwezig zijn - preventie - beter werkt, aangezien escalatie van het probleem wordt voorkomen. Ten slotte, per stadsdeel, wijk en buurt is er een verschillende aanpak nodig, waarbij de regie bij de stadsdelen is komen te liggen. Dit komt neer op het regelen van wat willen bereiken en welk effect willen we sorteren. Daarbij krijgen de organisaties die hiervoor worden ingeschakeld, de vrijheid om te bepalen hoe zij dat bereiken.

3.2 Betrokken partijen in het welzijnsveld In figuur 3 worden de verschillende partijen weergeven die wij in ons onderzoek beschouwen. Het gaat hier dus om de professionele welzijnspartijen en overige organisaties die betrokken zijn bij het buurtwelzijn of zich inzetten voor een grotere groep dan het individu. Hierbij richten wij ons niet specifiek tot sport, cultuur en zorg. Figuur 3 is daarbij een weerspiegeling van de partijen die betrokken zijn bij de inwoner en weergeeft de nabijheid van de verschillende partijen tot de inwoner. Om een duurzaam, integraal welzijnsbeleid te voeren, is het de bedoeling dat er zo veel mogelijk ondersteuning aanwezig is nabij de inwoners zelf en waar dit nog niet afdoende is, dit georganiseerd moet worden. Het kan hier gaan om ondersteuning van de ene inwoner aan een andere inwoner; dit kan informeel (de buren helpen) of op een meer formele manier (vrijwilligersorganisatie of een andere partij in het voorliggende veld). Het voorliggende veld bestaat hierbij uit veel partijen, maar het gaat hierbij om een grote verscheidenheid aan diensten. Enschede kent meer dan 500 algemene activiteiten en voorzieningen in wijken en buurten (bijvoorbeeld sportverenigingen, kinderboerderijen, speeltuinen en huiskamers van de buurt), zoals uit de speernotitie Wmo en jeugd blijkt.

Een aantal van deze partijen zijn actief in heel Nederland, sommige Enschede-breed en andere partijen zijn specifiek gericht op een bepaalde buurt.

Figuur 3. B ​ etrokken partijen welzijnsveld

11

De stadsdelen hebben regie over wat zij in hun stadsdeel willen doen en daarmee willen bereiken. De stadsdeelmanagers worden geïnformeerd door wijkregisseurs, die portefeuille-breed in de wijk aanwezig zijn. De wijkteams van de gemeente zijn de ingang voor ondersteuningsvragen van inwoners, terwijl de welzijnsorganisaties meer collectieve ondersteuning bieden aan de inwoners. De organisaties die worden ingeschakeld per stadsdeel, krijgen zelf de vrijheid om te bepalen hoe zij het gewenste effect bereiken. Het welzijnswerk in de stadsdelen Noord, Oost en Centrum is uitbesteed aan de Twentse Alliantie (samenwerking van Alifa, Eurus en Visier). In de stadsdelen West en Zuid is het welzijnswerk uitbesteed aan SVEN (Incluzio Uitvoering). Daarnaast verzorgt Alifa het jongeren- en ouderenwerk in de gehele stad. In dit onderzoek ligt de focus met name op de rol van de gemeente, professionele welzijnspartners (Twentse Alliantie, SVEN en Alifa) en de inwoners zelf. Het beleid zelf wordt opgesteld door het college van B&W, waarbij de gemeenteraad een kaderstellende functie heeft. Daarnaast wordt de uitvoering van het beleid gecontroleerd door de gemeenteraad. Hierbij heeft de gemeenteraad ook een volksvertegenwoordigende functie.

3.3 Beleidsmiddelen In het beleidsplan ​nota Nieuw Enschedees Welzijn: Richting aan welzijnswerk 2017-2022 wordt alleen vastgesteld wat de gemeente wil bereiken, daarbij is het stadsdeelmanagement van de stadsdelen (i.e., Centrum, Noord, West, Zuid en Oost) zelf vrij om hun samenwerkingspartners te kiezen (p. 18-19). Het stadsdeelmanagement fungeert als de schakel tussen de inwoners, professionals en de gemeente. Daarbij is hun voornaamste taak om een prettige woonomgeving te creëren of in stand te houden, in samenspraak en medewerking met de inwoners. Hierbij is de vrijheid om het welzijnswerk per stadsdeel in te richten belangrijk om beter aan de vraag van de inwoner te kunnen voldoen. De uitvoerders kunnen in de verschillende buurten andere werkzaamheden verrichten om toch eenzelfde soort ‘welzijnseffect’ te sorteren. In deze paragraaf geven we weer hoe de samenwerkingspartners dat hebben ingevuld, op basis van de interviews die wij met hen hebben gevoerd. De gebruikte middelen die uit de gesprekken naar voren kwamen: - Wijkwijzers, - Opbouwwerk welzijnspartijen, - Meldpunt overlast en - Bewonersinitiatieven. Dit is slechts een greep uit de beschikbare middelen. Aangezien er veel verschillende partijen zijn die een werkzaamheid uitvoeren binnen het welzijnsveld, zullen wij een aantal thema’s belichten waarop verschillende partijen actief zijn.

Zoals gesteld richten wij ons met name op de relatie van de professionele welzijnspartijen (Twentse Alliantie, SVEN en Alifa) met de gemeente en haar inwoners. De thema’s die worden benoemd in de jaarverslagen van Twentse Alliantie en SVEN en naar voren kwamen in de verschillende gesprekken met professionals vallen samen met de beleidsdoelen zoals opgesteld in het Nieuw Enschedees Welzijn, namelijk: 1. Het vergroten van sociale cohesie (zelf- en samenredzaamheid). 2. Participatie in de samenleving (meer participatie/meedoen). 3. Het tegengaan van eenzaamheid (kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners). 4. Het vergroten van veiligheid (leefbare wijken). 12

5. Het eerste aanspreekpunt voor hulp voor inwoners (verschuiving specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen). Langer zelfstandig thuis wonen kwam hierbij minder aan de orde in de jaarverslagen.

3.3.1 Het vergroten van sociale cohesie Om draagkracht in de buurt te creëren en hulp zo dichtbij als mogelijk bij de inwoner zelf te houden, zetten welzijnsorganisaties en samenwerkingspartijen in op het vergroten van sociale cohesie. Een voorbeeld hiervan is het creëren van speelplaatsen in de buurt, waarbij ook de ouders en de buurt worden betrokken. Uit gesprekken met medewerkers van de verschillende samenwerkingspartners, komt naar voren dat er verschillende middelen worden gebruikt om de leefbaarheid in de buurt te vergroten. Bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met inwoners (aankloppen en in gesprek gaan), bijeenkomsten in de buurt te organiseren, het ondersteunen van initiatieven die bewoners zelf opzetten, bemiddelen bij burenruzies, het verkleinen van de ‘mentale afstand’ tussen de buurt en gezinnen met een niet-westerse achtergrond en tenslotte inwoners hun eigen omgeving laten opzetten. Indien nodig worden hier vrijwilligers ingezet, het liefste vanuit de eigen buurt. Hiermee wordt er zichtbaarheid gecreëerd van de sociaal professionals en tegelijkertijd informatie ingewonnen over hoe de inwoners hun buurt ervaren: wat gaat er goed, wat verdient er aandacht en welke plannen en ideeën hebben zij voor hun eigen buurt. Eén beleidsmiddel dat specifiek in het beleid werd genoemd, is de ‘right to challenge’.

Hier mogen inwoners een eigen idee aandragen om beschikking te krijgen over flexibel budget. De raad geeft hierbij aan dat dit onderdeel vrij snel uit het beleid is verdwenen. Uit de gesprekken die wij hebben gevoerd, blijkt het ook moeilijk voor de inwoner zelf om via deze weg aanspraak te maken op een budget, omdat het onbekend is en voor inwoners moeilijk is om te gebruiken. Het veronderstelt veel inzicht en kennis wat er nu gebeurt en hoe het anders kan. Bewonersinitiatieven die wel doorgang vinden, komen vaak voort uit de al aanwezige professionaliteit van de inwoner zelf. Dit blijkt ook uit het gesprek met een welzijnswerker die specifiek gericht is op het ondersteunen van duurzame bewonersinitiatieven (economisch welzijnswerker). Dat wil zeggen dat een bewonersinitiatief moet worden ingediend door een groep bewoners die ook in staat is om zelf zorg en verantwoordelijkheid te dragen voor het initiatief. Hierbij wordt ook gekeken of het bewonersinitatief zelfvoorzienend kan worden gemaakt.

3.3.2 Participatie in de samenleving Vanuit de hulpverlening zien wij dat er meerdere initiatieven zijn die eenzelfde insteek hebben, variërend van participatie in de samenleving en doorstromen naar (vrijwilligers)werk, waaronder M-Pact en Power. Medewerkers van deze organisaties benadrukken voornamelijk de verschillen en hun unieke aanbod. Verder zien wij uit de jaarrapportages terug dat Twentse Alliantie-Noord meer aandacht besteed aan financiële vraagstukken (bv. mensen tijdig doorverwijzen die in schulden verkeren). Uit de gesprekken met de professionals blijkt dat de meeste initiatieven erop gericht zijn om inwoners door te laten stromen naar (vrijwilligers)werk. Daarbij ondersteunen de professionals de wens van de inwoner en bieden hierbij richting aan. Dit gebeurt met de snelheid die past bij de inwoner.

13

3.3.3 Het tegengaan van eenzaamheid Uit de verschillende jaarverslagen blijkt daarnaast dat het tegengaan van eenzaamheid actief wordt aangepakt door het organiseren van bijvoorbeeld sportactiviteiten van ouderen of ouderenvervoer. Ook wordt er direct contact gezocht met ouderen. Een voorbeeld hiervan is een vluchteling die de Nederlandse taal wil leren en zodoende wordt ‘gekoppeld’ door een samenwerkingspartner aan een oudere die vaak alleen thuis zit en wel wat gezelschap kan gebruiken.

3.3.4 Het vergroten van veiligheid Het vergroten van veiligheid gebeurt op verschillende manieren. Er zijn diverse meldpunten waar inwoners informatie kunnen inwinnen of een melding kunnen plaatsen van bijvoorbeeld overlast door geluid, afval, drugs of vandalisme. Ook welzijnspartijen zijn actief om deze signalen uit de buurt op te pikken. Hiermee kunnen onveilige plekken in de buurt worden aangepakt (bijv. vandalisme of drugsoverlast). Dit gebeurt door de inwoners bewust te maken van hun ‘meldingsfunctie’ waarna de informatie wordt doorgesluisd naar bijvoorbeeld woningcorporatie, politie of jeugdwerk. Verschillende professionals geven hierbij aan dat er een dunne scheidslijn is tussen handhaven en vertrouwen. Zij geven aan dat zij alleen effectief kunnen werken op het moment dat zij vertrouwen krijgen van de inwoners, wat betekent dat zij af en toe gedrag toe moeten laten wat eigenlijk niet mag. Indien zij te veel handhaven, verliezen zij het vertrouwen van de inwoner.

3.3.5 Het eerste aanspreekpunt voor hulp voor inwoners De Wijkwijzers zijn opgericht als centraal punt waar inwoners met vragen heen kunnen komen. Om een inzicht te krijgen in de werkwijze van de wijkwijzer zijn wij een ochtend aanwezig geweest bij het inloopspreekuur van Wijkwijzer Centrum. Dit was de enige wijkwijzer die open is gebleven ten tijde van de 1ste lockdown. Bij de Wijkwijzer heerste een ontspannen sfeer en was er een open manier van communiceren tussen de professionals en vrijwilligers. Een inwoner die hulp zoekt, wordt daarbij ontvangen door een vrijwilliger, vanuit het idee dat opschalen fijner is voor een inwoner dan afschalen. Vrijwilligers worden hierbij aangeduid als medewerkers, om hierin ook naar de inwoner een stukje professionaliteit uit te stralen. Uit de gesprekken met de vrijwilligers en professionals komt naar voren dat de verschillende Wijkwijzers een eigen manier van werken hebben. In de verschillende stadsdelen zijn er diverse organisaties die aanschuiven bij de Wijkwijzer. Bijvoorbeeld, waar in het ene stadsdeel een lid van het wijkteam aanschuift en de wijkagent, hebben die in een ander stadsdeel nog hun eigen inloopspreekuur. Uit gesprekken met professionals komt naar voren dat dit twee oorzaken heeft. Ten eerste, in de verschillende wijken is er vanuit de inwoners behoefte aan verschillende professionals.

Ten tweede, de organisatie van de Wijkwijzer is afhankelijk van hoe de verschillende partijen al georganiseerd waren in de wijk. Op het moment dat bijvoorbeeld de woningcorporatie, wijkagent en het wijkteam al een eigen inloopspreekuur hebben, dan is er een kleinere kans dat zij bij de Wijkwijzer aansluiten, omdat de inwoners in de wijk bekend zijn met de locatie en tijdstip van het huidige inloopspreekuur. Op dit moment zijn de welzijnspartijen in gesprek met de gemeente om te kijken of er een uniforme lijn getrokken kan worden in de verschillende Wijkwijzers. Uit een gesprek met een medewerker van een welzijnsorganisatie komt naar voren dat deze uniforme uitstraling belangrijk is, omdat het minder functioneren van één van de wijkwijzers ook kan uitstralen op zowel de overige Wijkwijzers, als de

14

individuele welzijnsorganisaties, die op dit moment verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Wijkwijzers. Terwijl een vrijwilliger bij de Wijkwijzer aangaf dat het weleens voorkomt dat een inwoner eerst hulp zoekt bij de ene WIjkwijzer en indien hij of zij daar niet goed wordt geholpen, hulp zoekt bij een andere Wijkwijzer. Door te werken vanuit de vraagstelling van de inwoner, betekent een uniforme uitstraling dan ook niet direct een gelijke werkwijze tussen de verschillende Wijkwijzers, maar gaat het net zo goed om het bereiken van eenzelfde soort (maatschappelijk) effect: elke inwoner moet op een laagdrempelige manier hulp kunnen zoeken, waarbij er gewerkt wordt vanuit het idee van opschaling.

3.4 Opmerkingen van de professionals Uit de gesprekken met professionals kwam naar voren dat er behoefte is aan meer samenwerking tussen de verschillende welzijnsorganisaties (Twentse Alliantie en SVEN). Waar de aanbesteding aanvankelijk ervoor zorgde dat hulp veel meer vanuit de eigen organisaties werd aangeboden, is er na verloop van tijd meer kennis gedeeld en zijn welzijnswerkers van verschillende organisaties in dezelfde gebouwen te vinden om na te denken over een gezamenlijke aanpak van bepaalde problematiek (bijvoorbeeld, in coronatijd werd er door welzijnswerkers van verschillende organisaties samengewerkt op één fysieke plek, om pakketjes te maken die uitgedeeld werden in de buurt). Een ander voorbeeld dat werd genoemd door een vrijwilliger bij de wijkwijzer, is dat inwoners bij verschillende organisaties hulp kunnen zoeken voor hetzelfde probleem. Daarnaast wordt aangegeven dat de bekwaamheid van de medewerkers van belang is bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Bekendheid en vertrouwen zijn belangrijk, waarbij een inwoner moet weten bij wie hij terecht kan. Bij verschillende medewerkers in het voorliggende veld en bij de professionele welzijnspartijen leeft het idee dat er gekozen wordt voor de goedkoopste optie die beschikbaar is. Het idee leeft dat er meer verantwoordelijkheden zijn bijgekomen, terwijl er geen budget voor wordt vrijgemaakt.

Medewerkers van de Wijkwijzer geven aan dat dit afbreuk doet aan de bedoeling van de Wijkwijzer zelf, namelijk toegankelijke en laagdrempelige hulp voor iedereen.

3.5 Informatie aan de raad Wij hebben een gesprek met een delegatie van de raad gevoerd. Daarbij is gesproken over de betrokkenheid van de raad bij het Nieuw Enschedees Welzijn en hoe de raad de uitvoering van dat beleid volgt. Uit het gesprek blijkt dat zij met name informatie krijgen vanuit de stadsdelen. Bij deze bijeenkomsten zijn bijvoorbeeld jongerenwerkers aanwezig, woningcorporaties, etc. Afhankelijk van de buurt zelf. ‘Als je echt iets wilt weten, dan komt het direct uit het stadsdeel’. Men geeft aan al in geen tijden een rapport vanuit welzijn te hebben gehad, maar ook dat de informatie die men krijgt niet overzichtelijk is. Opvallend was dat één raadslid aangaf: ‘Ik, als inwoner, heb nog niets gemerkt van het Nieuw Enschedees Welzijn’. Er waren wel vragen, die in grote lijnen overeenkomen met de vragen van de rekenkamercommissie. Een aanvullende vraag die gesteld werd, ging over het aanbestedingsproces, waarbij de vraag werd gesteld in hoeverre er met name op de kosten gelet wordt in de aanbesteding. Wij hebben geen analyse gemaakt van de stukken die de raad heeft gekregen over het Nieuw Enschedees Welzijn.

15

3.6 Financiën In figuur 4 weergeven wij de doelstelling die de gemeente zichzelf heeft gesteld met betrekking tot de uitgaven voor 0de, 1ste en 2de lijns zorg.

Figuur 4. A ​ mbitie transformatie zorglandschap. Bron: Nota Nieuw Enschedees Welzijn (p. 11).

Zoals uit figuur 4 blijkt, wil de gemeente dat uiteindelijk het grootste deel van de zorg in de 0de en 1ste lijn plaatsvindt. Daarbij was de ambitie in 2016, toen de nota werd opgesteld, om in 2020 een verdeling te hebben waarbij 20% van het budget uitgegeven werd aan 0de lijns zorg, 20% aan 1ste lijns zorg en 80% aan 2de lijns zorg.

Figuur 5. O ​ ntwikkeling in verhouding uitgaven 0de, 1ste en 2de lijns zorg. Bron: Gemeentebegroting vitaal en sociaal 2020.

Uit figuur 5 blijkt dat deze ambitie niet is gehaald. Ondanks dat er een lichte stijging is in 0de lijns zorg, blijft de 2de lijns zorg vrij stabiel. Er zit dus met name een verschuiving tussen de 1ste en 0de lijns zorg. Met betrekking tot de financiën is het lastig om uitspraken te doen over hoeveel geld specifiek aan

16

bepaalde activiteiten wordt uitgegeven. Dit komt met name doordat er budget beschikbaar wordt gesteld voor integraal werken. Hierbij wordt er meer getoetst op effectiviteit in inhoud, dan op meetbare effecten. Omdat de nadruk lag op het gesprek met de inwoners hebben we niet bij de gemeente en alle organisaties onderzocht hoeveel geld er aan de specifieke activiteiten is uitgegeven. In bijlage 2 staat een overzicht van de begroting per product voor de 0de, 1ste en 2de lijns zorg, zoals vermeld in de gemeentebegroting voor Vitaal en Sociaal 2020.

3.7 Samenvattend Het Nieuw Enschedees Welzijn heeft als doel om een inclusieve samenleving te creëren. Hiervoor wordt ingezet op (1) vergroten van de zelf -en samenredzaamheid, (2) meer participatie/meedoen, (3) langer zelfstandig thuis wonen, (4) meer kwaliteit van leven voor (kwetsbare) inwoners en, (5) leefbare wijken en verschuiving van specialistische ondersteuning naar preventie en algemene voorzieningen (de beweging naar voren, van 2e en 1e naar 0e lijns zorg). Het stadsdeelmanagement (waaronder de wijkregisseurs) heeft daarbij de opdracht gekregen om zijn eigen invulling te geven aan wat en welke effecten zij binnen het welzijnsbeleid willen bereiken. Hoe dit bereikt wordt, wordt bepaald door de uitvoerders in het welzijnsveld (waaronder de wijkteams en welzijnsorganisaties). Het verschil in uitvoering komt daarbij deels naar voren door het vraaggericht werken en door hoe verschillende partijen in het welzijnsveld georganiseerd waren voor het Nieuw Enschedees Welzijn. Professionals vragen om meer samenwerken en betere faciliteiten om in de 0de lijn goed werk te kunnen verrichten. De ambitie om verhoudingsgewijs 20% van het budget in de 0de lijn te besteden, 20% in de 1ste lijn en 60% in de 2de lijn, heeft de gemeente niet gehaald.

17

4. Gesprekken met inwoners In dit hoofdstuk geven we aan hoe het welzijnsbeleid in de Enschedese samenleving wordt ervaren. Wij hebben gesprekken gevoerd met 20 mensen in verschillende wijken in Enschede. Dat heeft een goed beeld opgeleverd van verschillen tussen mensen. Het zijn te weinig gesprekken om per stadsdeel of wijk uitspraken te kunnen doen. Wij voeren de mensen anoniem op om hun privacy te beschermen en de vertrouwelijkheid van het gesprek te garanderen, zoals we met hen hebben afgesproken. In eerste instantie wilden wij in gesprek gaan met inwoners uit verschillende buurten door willekeurig aan te bellen bij mensen om een gesprek met hen te voeren over het leven in Enschede. Doordat het coronavirus uitbrak bleek dat onmogelijk.

Figuur 6. A ​ rtikel in huis-aan-huis blad

18

Daarom hebben we een artikel geplaatst in het huis-aan-huis blad (figuur 6). Hierin verzochten wij inwoners om hun eigen buurt of wijk te beschrijven, te fotograferen, erover te vertellen of op een andere manier vast te leggen. Wij hebben vier reacties gekregen naar aanleiding van het ingezonden stuk. Hierbij viel de response tegen, maar is er wel een indruk verkregen van de beleving van enkele inwoners. Wij hebben contact opgenomen met de mensen naar aanleiding van hun foto’s, verslag of verhaal om met hen verder te spreken. Vervolgens hebben we meer mensen gesproken tijdens de buurtwandelingen. Aan de hand van twee lokale ‘gidsen’ hebben wij een aantal wijken verkend. Hieronder geven wij een impressie van het veldwerk.

4.1 De teloorgang van de jaren 70-wijk Een mevrouw uit één van de jaren ‘70 wijken (Wesselerbrink) stuurde ons, naar aanleiding van het artikel in het huis-aan-huis blad, een uitgebreid verslag van haar buurt. Op basis van haar verslag wilden wij graag met haar in gesprek, dit wilde zij niet. In totaal heeft zij vier e-mails gestuurd. Daarin beschrijft ze haar buurt (flat en winkelcentrum) en hoe die veranderde in de loop van de jaren; van een middenklasse buurt met veel bedrijvigheid en een homogene bevolking naar een buurt met veel nieuwe inwoners. Ze benadrukt dat de sociale samenhang in de buurt is verdwenen. Waar mensen vroeger klaar stonden als dat nodig was, onderscheidt ze nu mensen die zich opdringen en mensen die zich van niemand wat aantrekken. De eerste groep probeert ze te ontlopen en de tweede groep ervaart ze als achteruitgang van de samenhang in de buurt. De burgemeester promoot noaberschap, zegt ze. Volgens haar past dat niet in de stad, maar hoort dat bij het Twentse platteland: ‘​Voor wijken en straten met veel problemen moet je zoiets niet stimuleren. Dat is olie op het vuur gooien. Hou die traditie lekker op de boerderie​’. Sociale cohesie in buurten verhogen, versterkt, volgens haar, kliekvorming en buitensluiting. Ze noemt een aantal activiteiten die de gemeente heeft ontplooid in de buurt.

Zij schrijft dat de welzijnssector erop gefocust is om mensen in hun situatie te houden voor het bestaansrecht van een stichting. Ze heeft het gevoel dat de wijkverbetering - van 10 jaar geleden - en de gesprekken die de gemeente daarover had, op haar de indruk maakten van controle, om je uit te horen en de woning te bekijken. Ze beschrijft zichzelf als iemand die zich teruggetrokken heeft aan de rand van de buurt. Ze heeft weinig contact met buurtgenoten en als ze dat wel heeft, vindt ze dat niet positief: mensen zijn opdringerig en intimiderend. Ze geeft desondanks een nauwkeurige beschrijving van de mensen in de buurt, hun onderlinge verhoudingen, de rol van de gemeenten en het welzijnswerk. Ook hier valt op dat ze haar omgeving zowel in fysieke zin, als in sociale zin beschrijft. In beide gevallen is er sprake van een achteruitgang, in haar woorden. Het beeld dat achterblijft is van een bewoner die haar omgeving in de loop van de jaren heeft zien veranderen: een samenleving die steeds individualistischer wordt en een gemeente die steeds meer aan de samenleving overlaat. Het gevolg is dat zij zich buitengesloten voelt, in een omgeving die deels ‘een parallelle wereld’ is, waar zij niets mee te maken heeft, en aan de andere kant een omgeving die wordt overgenomen door ‘andere mensen’. Dat zijn zowel Nederlanders, als mensen met een andere

19

nationaliteit. Ze is vrij somber over de toekomst, maar geeft aan dat meer variatie in het type bewoner voor een verbetering zou kunnen zorgen. Ook zou de gemeente ‘geen raar beleid (moeten) promoten, wat hier slecht werkt’.

4.2 De huiskamer van de buurt Twee moeders geven een beeld van hun buurt: een inbreidingsbuurt in een oude wijk (Laares). Een diverse, groene wijk met nieuwbouw en oude huizen. De nieuwbouw bestaat voornamelijk uit koopwoningen, de oude huizen zijn huurhuizen. Een veilige buurt, waar de kinderen vrijuit kunnen spelen. De bewoners zijn een mix van jong en oud, uit verschillende culturen en milieus. Ze zien de buurt als een groot dorp in een stad. Er is op een positieve manier sociale controle: als hun kinderen ‘te ver weg zijn’, waarschuwen de buren. Met de meeste oud-bewoners van de wijk is het contact afstandelijk, zij zien de nieuwe bewoners als ‘rijke tweeverdieners’ of ‘kakkers’. Ze noemen de moestuin en het bloemenveld als waardevolle groene plekken in de buurt, maar zeggen bang te zijn dat de gemeente ook hier nieuwe huizen wil bouwen. Hun straat is opgedeeld in twee stukken, die een jaar na elkaar zijn opgeleverd. Het zijn twee aparte groepen die weinig met elkaar omgaan. Er zijn veel vrijwilligers in de wijk die de boel draaiende houden. Verder is er een wijkcommissie en een wijkkrant. Eén van de activiteiten is de Huiskamer, een speciale ruimte op de basisschool voor vrijwilligers en buurtbewoners die op donderdag gebruikt wordt door ouders en kinderen (o.a. een sportinstuif, bouwlab, knutselen).

Daarnaast beheert het Leger des Heils samen met vrijwilligers de moestuin. De twee moeders zijn zelf actief als vrijwilligers. Eén van hen is initiatiefnemer van de Huiskamer. Er zijn veel andere mensen betrokken bij de Huiskamer, ook mensen zonder kinderen. Begin dit jaar zouden de activiteiten van de Huiskamer verplaatst moeten worden van de donderdag naar de dinsdag. De reden voor de verschuiving is dat het de school beter uitkomt, maar hierdoor wordt wel de continuïteit van het initiatief bedreigd. Dat levert echter grote problemen op omdat zij dan niet meer beschikbaar zijn als vrijwilliger en er ook niet snel iemand anders is die dat kan overnemen. Het verbaast hen dat de gemeente en de wijkcommissie aangeven de Huiskamer te waarderen, maar tegelijkertijd de dag te verschuiven van donderdag naar dinsdag, zonder hierin te overleggen met de organisatoren van de Huiskamer. De gemeente moet niet alleen zeggen dat betrokkenheid belangrijk is, ze zou ook betrokkenheid stimuleren. Dit geldt ook voor de professionele partijen, waaraan men één keer een rondleiding heeft gegeven om te laten zien hoe het werkt en vervolgens nooit meer contact gehad. Ze schrijven voor de wijkkrant, maar hun bijdragen worden niet altijd opgenomen. De wijkkrant is vooral gericht op ouderen en wordt daarom niet digitaal gepubliceerd.

In de interactie met de gemeente (wijk enquête) krijgen de moeders niet de indruk dat ze serieus genomen worden. De gemeente wil wel horen dat het goed gaat, maar als er aanbevelingen of suggesties zijn voor verbeteringen, wordt daar niet op gereageerd. Ze missen het gevoel van samenwerking met de wijkcommissie en de gemeente​.

20

4.3 Overlast in de buurt bepaalt het leven van nieuwe bewoonster Ze is verhuisd van buiten Enschede naar Enschede-stad, aan de rand van het centrum. Ze heeft zich meteen na de verhuizing voorgesteld op een bijeenkomst met kerst in het appartementencomplex. Daarna, vanaf maart, was het lastiger om contact met de buurt te krijgen vanwege corona. Ze kent ondertussen de meeste mensen wel. Ze heeft zich aangemeld voor de tuincommissie en wandelt met andere bewoners. Haar beschrijving van de buurt treft vooral de fysieke kant. Er is veel overlast van (zwerf)afval, zwervers, verslaafden en verkeer. De containers zijn klein en worden niet vaak geleegd, daarom ligt er veel vuilnis naast de containers: ‘​Het wordt er gewoon neergepleurd’​. De gemeente zou daar meer aan kunnen doen. “​Als er bijna geen papier ligt valt elk papiertje op”.​ Bijvoorbeeld door meer afvalbakken te plaatsen en deze vaker legen. Er wordt volgens haar ook te weinig gehandhaafd. “​De handhavers moeten de mensen aanspreken. Dat spreekt zich rond. Potverdorie, ik heb een bekeuring van € ​ ​30 gehad”. Volgens haar moeten de bekeuringen veel hoger worden. Daarnaast wordt er veel geracet in de wijk. Laatst nog met een dodelijk ongeluk. Zij vindt dat de politie daar te weinig aan doet, terwijl de politie wel weet dat het gebeurt. Maar in het verlengde daarvan spreekt ze ook over de sociale kant.

Mensen worden niet aangesproken door handhavers, maar spreken elkaar ook niet aan op gedrag. Ze heeft het idee dat de inwoners met zijn allen verantwoordelijk zijn voor hun leefomgeving. En geeft daarbij aan dat het daarom belangrijk is om overlast wel te melden: ‘​Als ik echt iets zie dit kan niet door de beugel dan bel ik de politie’​ . Ze is wel heel erg te spreken over het groen in de buurt: ‘​Verwilderde stukjes groen. Ja, fantastisch, dat is vanuit de gemeente. De borders bij ons zijn echt groen​’. Ook de Wadi - een strook die af en toe onderloopt - is echt een groene strook geworden. De gemeente zou meer kunnen doen aan het groen in de wijk, maar zou ook kunnen bevorderen dat het door anderen wordt gedaan. Ze was in eerste instantie zo teleurgesteld dat ze wel wilde terugkruipen naar haar oude woonplaats, waar deze overlast veel minder was en waar meer sociale cohesie was. Uiteindelijk blijft ze wel in Enschede wonen, uit het gesprek blijkt dat ze toch wel gewend is geraakt aan de buurt en het terugverhuizen naar haar oude woonplaats heeft ook veel, praktische nadelen.

4.4 De verkrotte woning De laatste reactie op de advertentie in het huis-aan-huis blad, betrof de bijdrage van een bewoner over een verkrotte woning in een historisch deel van Enschede (binnensingelgebied). De bewoner geeft aan dat het onbegrijpelijk is dat de gemeente hier niet ingrijpt. De andere huizen in de buurt zijn wel allemaal goed onderhouden en gerestaureerd. Volgens haar zijn er genoeg geïnteresseerden om het pand op te knappen. Zij krijgt de indruk dat de gemeente zich niet bekommert om cultureel en historisch erfgoed. Ze noemt alleen de fysieke impact van het verkrotte pand op de woonomgeving en spreekt verder niet over de sociale aspecten van de buurt of de consequenties van dit pand voor het welzijn van de bewoners.

21

4.5 Buurtwandeling in Bothoven Ik word rondgeleid door tourgids Bram (gefingeerde naam, echte naam bekend bij het onderzoeksbureau), middelbare leeftijd, werkt als vrijwilliger bij de Wijkwijzer en is ook betrokken bij de wijkraad. Sociaal zeer geëngageerd. Op 23 augustus staan wij in het pand van het Kunstenaarsinitiatief B93, de meeste Enschedeërs kennen dit gebouw door het vliegtuig op het dak. Vanaf het dak van het gebouw krijg ik te zien hoe de wijk er nu uitziet en aan de hand van oude foto’s, hoe de wijk eruit zag ten tijde van de textielindustrie. Wij kijken richting de wijk waar hij woont en hij vertelt dat daar vroeger textielfabrieken en arbeiderswoningen stonden. Na de sloop van de textielfabrieken en arbeiderswoningen, is in de jaren tachtig in de wijk Transburg gebouwd. Toen de wijk nieuw was, woonden er meer hoger opgeleiden, momenteel is de wijk diverser en is er minder samenhang tussen de bewoners. Iedereen heeft zijn of haar eigen wereld binnen handbereik, ook door het internet, en is veel op zichzelf. Er is wel een wijkraad, mensen weten waar ze kunnen klagen (bijvoorbeeld in de groepsapp dat een wijkagent niets doet). Bram heeft het idee dat veel mensen de hoop op hebben gegeven. Hij zegt dat hij zelf in contact is geraakt met de welzijnswerker in de buurt en betrokken is geraakt bij de wijkwijzer vanwege het probleem van afval in de buurt.

Er is nog steeds niets in die situatie veranderd. Wij lopen door de Lipperkerkstraat en Bram geeft aan dat dit een straat was waar vroeger meer bedrijven zaten. Ook heeft deze straat een verleden met drugsproblematiek (ongeveer 20 jaar geleden; dat bevindt zich nu meer in het centrum). Terwijl wij door het Gronausevoetpad richting de Kneedweg lopen, groet Bram een aantal mensen. Hij geeft aan dat hij vaak met mensen een praatje maakt en wel wat gezichtsbekendheid heeft. In de Kneedweg valt op hoe gevarieerd de huizen zijn, sommige huizen zou je eerder terug verwachten in klein dorpje, terwijl andere juist heel stads overkomen. Wij lopen door naar Villa de Bank en we stoppen even bij een slecht onderhouden bankje. Bram geeft aan dat het onderhoud van dit specifieke bankje door de Rabobank werd gedaan, deze plaatste een aantal bankjes aan de weg naar de bank toe. Hij weet niet wie nu verantwoordelijk is voor het onderhoud. Ondertussen is het bankje weer opgeknapt, al weet hij niet door wie. We maken even een kort uitstapje naar de ijssalon in Hogeland-Noord en lopen via Boulevard 1945, via het nieuwe ziekenhuis, richting het centrum. Onderweg groeten wij nog een aantal mensen. In het centrum lopen wij even binnen bij Concordia, waar Bram wat over de organisatie en tentoonstellingen vertelt en wij een praatje maken met een medewerker; met name over de functie van Concordia.

Door corona kunnen er op dit moment minder mensen Concordia bezoeken. Via de Wilhelminastraat lopen wij terug de wijk in. We steken de Oldenzaalsestraat over en Bram geeft aan dat hij het idee heeft dat er weinig rekening wordt gehouden met voetgangers in Enschede. Zo zijn er vaak geen afritten voor rollators, geen duidelijke, doorlopende oversteekplaatsen voor voetgangers, weinig zebrapaden, in zijn algemeenheid een slecht doordacht ontwerp. Bram vraagt zich hardop af, ‘Hebben de ontwerpers ooit met lego gespeeld?’. Bram zou graag met een wethouder door de wijk willen lopen om te laten zien hoe onlogisch het wegenplan is. We stoppen in de Hoog en Droog even bij de Samenwerkende Democratische Organisaties. Daar spreken wij met een aantal Turkse oudere mannen over de drugsoverlast die tegenover hun buurtcentrum, bij de watertoren plaatsvindt en hoe zij, het buurtcentrum, en de buurt zelf daar iets aan zouden kunnen doen. Zo zijn er vaak Duitse jongeren die nog even snel hun jointje roken voordat zij weer naar huis gaan, terwijl er ook allemaal schoolgaande kinderen langs komen. Vooral dat dit

22

gebeurt waar kinderen spelen vindt een van de mannen bezwaarlijk. Hij geeft aan dat zij als Turks buurtcentrum moeite hebben om mensen van een andere achtergronden te betrekken bij hun plannen en, ondanks dat zij toegankelijk zijn voor iedereen, maakt alleen het vaste groepje gebruik van de ruimte. Wij lopen naar binnen voor een kopje thee en worden direct door iedereen aangestaard. De meeste mannen binnen groeten, kijken nog even en gaan vervolgens weer door met hun spelletje kaarten. Wij drinken onze thee op en gaan weer de wijk in. Via de Lipperkerkstraat en het Gronausevoetpad lopen we via de Esstraat naar Pension Vredenberg. Bram geeft aan dat de eigenaar heel toegankelijk is om een praatje te maken over de sociale problematiek in de buurt. Voor het pension zit een bewoner een sigaret te roken en een kopje koffie te drinken. HIj geeft aan dat de eigenaar er op dit moment niet is, maar wil wel doorgeven dat wij langs zijn gekomen. We besluiten verder te lopen en gaan nog een stukje de Vogelaarwijk Velve-Lindenhof in. Via de Pluimstraat gaan wij weer terug naar de Lipperkerkstraat. Hier valt op dat oude huizen plaats hebben gemaakt voor nieuwbouw, voornamelijk door drugsoverlast en andere problematiek in de wijk. De stijlen sluiten niet altijd even goed aan op het oude straatbeeld.

Bram heeft het idee dat de ‘Vogelaar subsidie’ vooral door woningcorporaties is opgemaakt en of de bevolkingssamenstelling van de wijk hierbij veranderd is (‘is het subsidiegeld in stenen gaan zitten?’). De nieuwere bewoners lijken te verschillen van de oudere bewoners. Via de Oliemolensingel lopen we weer terug naar de Hoge Bothofstraat en nemen wij afscheid.

4.6 Buurtwandeling Twekkelerveld In het Twekkelerveld is Bas (gefingeerde naam, echte naam bekend bij het onderzoeksbureau) onze buurtgids. Hij heeft in Enschede gestudeerd en is vanwege zijn eigen bedrijf blijven hangen in Enschede; al heeft hij niet de ambitie om altijd in Enschede te blijven wonen. Op dit moment woont hij samen met een huisgenoot. Op 30 november 2020 worden wij door Bas meegenomen in een buurtwandeling door het Twekkelerveld. Wij starten in de Castorstraat. Bas vertelt over de saamhorigheid in zijn buurt en hoe de buren voor elkaar opkomen. Zodra je in zijn buurt komt wonen, hoor je erbij. Er wordt een sterk wij-zij-onderscheid beschreven, waarbij ‘zij’ in dit geval mensen zijn die niet meer bij de normen en waarden horen die in de buurt leven. Een goed voorbeeld hiervan is mensen met een koopwoning. Daarnaast geeft Bas aan dat de regels in zijn buurt wel eens met een korreltje zout worden genomen en dat er meer vanuit de behoefte van de buurt wordt gehandeld. Wij lopen langs het spoor en Bas geeft aan dat er onlangs betere verlichting is aangebracht, het parkje wordt veel gebruikt door mensen die een wandeling maken of hun hond uitlaten. In de avond heerste er een onveilig gevoel. Wij lopen door naar de Mirasstraat en door naar de Mercuriusstraat. De flats maken plaats voor een pleintje waar duidelijk koopwoningen staan.

We lopen via de Neptunus- en Venusstraat door naar de Jupiterstraat. De huizen en openbare ruimte lijken goed onderhouden. Er ligt weinig tot geen vuil op straat en de meeste tuinen ogen opgeruimd. Onze weg vervolgt zich richting het winkelcentrum Twekkelerveld. Daar stappen wij de Silo Kerk binnen waar op dat moment een groep mensen aanwezig is. Wij spreken met een sociaal professional die werkzaam is bij het Leger des Heils en die Roma-gezinnen in de gemeente Enschede helpt. Na een rondje om het winkelcentrum zien wij Bas even zwaaien. Hij geeft aan dat er wel een grote gezichtsherkenning is in de wijk. Er zijn toch wel veel mensen die je vaker in het straatbeeld zien.

23

Via de Schorpioenstraat lopen wij weer richting het spoor. Aangekomen bij de speeltuin geeft Bas aan dat er wel veel overlast is en veel criminaliteit. Al geeft hij ook aan dat dit niet zo erg is als hij gewend was toen hij in het centrum woonde (‘Ik heb nog nooit zo vaak 112 gebeld in mijn leven als toen ik aan het Van Heekplein woonde’). Wij lopen terug en nemen afscheid.

4.6.1 De marginale positie van het Romaproject - Toys for inclusion Tijdens de buurtwandeling in Twekkelerveld kwamen wij in de Silo kerk waar ook veel activiteiten voor de buurt plaatsvinden, het project Toys for inclusion tegen. Het is een Europees project voor kinderen dat is opgezet door Defence for Children en grote organisaties uit Europa. Het Leger des Heils coördineert. De gemeente is erbij betrokken via de projectleider bijzondere doelgroepen. In Enschede is het specifiek gericht op Roma. Er is een grote Roma-gemeenschap in Enschede en Twente. Het project richt zich in eerste instantie op ouders en wil zo in contact komen met de kinderen. Het probleem van de Roma gemeenschap is criminaliteit en uithuwelijken. Het project is gericht op empowerment: wie ben je, waar wil je naar toe. Ze werken samen met Alifa en andere instellingen (o.a. studenten van de Saxion en sportclub). Ze proberen ook ondernemerschap te vergroten (o.a. met naaiclub en een drukkerij). Het project is gevestigd in de Silo kerk, voor sommige mensen is dat lastig. De Roma groep is zelf ook een gesloten gemeenschap. Er komen langzamerhand meer kinderen uit de buurt, zodat er ook meer aansluiting met de buurt ontstaat, al is het bereiken van de buurt in deze tijd van corona moeilijk. Het project is startend, maar al wel succesvol. De vrouwen zijn aan het werk en kinderen komen mee.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=f74bba89-5ba7-4e03-a062-87bbe0da7f43