BP Kennispark fase 1_Plantoelichting
Tekst van het document
24
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Gebiedsontwikkeling Kennispark algemeen
Het aantrekken en binden van talentvolle werknemers en studenten - met speciale aandacht voor master studenten - is cruciaal voor een goede concurrentiepositie op nationale en internationale schaal. Internationaal denken en (in)gericht zijn op internationaal talent is een randvoorwaarde voor de duurzame, economische groei van Kennispark Twente en Hightech Twente. Zij zijn cruciaal voor het behoud en benutten van wetenschappelijke kennis en daarmee onmisbaar voor de groei van innovatieve bedrijven. Met de gebiedsontwikkeling Kennispark wordt hier op ingespeeld. De accenten op Kennispark liggen zowel op de fysieke omgeving met haar gebouwen, de openbare ruimte en logistieke verbindingen, als op een dynamische, veelzijdige leefomgeving met sportfaciliteiten, horeca en evenementen. De campusgedachte van de UT is het centrale ontwerpprincipe om tot de gewenste uitstraling van het bedrijvenpark te komen. De gebiedsontwikkeling is grotendeels mogelijk binnen het vigerend plan (Kennispark 2013) of met een afwijking. Voor de afwijking is de beleidsregel Kennispark ontwikkeld. Voorliggend plan is opgesteld voor de specifieke ontwikkeling ten zuiden van de Hengelosestraat.
4.2
B&S park algemeen
Binnen de gebiedsontwikkeling is de wens ontstaan om op het B&S park ruimte te creëren voor meer campuswaardige openbare plaatsen om te verblijven en om de belevingswaarde te verhogen. Gebouwen die ontmoeting faciliteren sluiten naadloos aan op deze openbare ruimte. Tevens is meer ruimte gewenst voor functies die bijdragen aan dynamiek om zo een echte innovatiecampus te worden. Het gaat om functies zoals (kleinschalige) horeca, detailhandel, dienstverlening en events. Om ruimte voor deze functies te creëren zal voor de vele auto’s een andere plek gevonden moeten worden en nieuwe/betere verbindingen worden gemaakt voor voetgangers en fietsers. Centrale parkeervoorzieningen voor het bedrijvenpark kunnen hier de oplossing bieden. Om dit te kunnen realiseren, is het niet passend om een vast omlijnd plan te ontwikkelen, maar te werken met ontwikkelprincipes waarbinnen de vrijheid van de ondernemers gewaarborgd blijft en tegelijkertijd uitdaagt om kaveloverstijgend te denken. Hiervoor zijn in het stedenbouwkundig plan drie strategische keuzes gemaakt voor het bedrijvenpark. Dit betreffen de volgende keuzes: 1. 2. 3.
Coalitiestedenbouw: samen meer bereiken. Er is grote winst te behalen door in samenwerkingsverb anden collectieve opgaven, zoals parkeren, op te lossen. Drie gebiedssferen, niet alles kan overal. Elk gebied kent zijn eigen dynamiek en beb ouwingsmogelijkheden. Programmatische uitbreiding en verdichting. Het werken verandert. Dit vraagt om werklandschappen die draaien om ontmoeting, gezondheid, groen, duurzaamheid, openheid en het delen van functies.
De ontwikkeling in voorliggend plan vormt de aanjager, de basis voor de gebiedsontwikkeling vanwege de realisatie van het parkeergebouw, woongebouw en bedrijfsbebouwing met de openbare inrichting rond deze gebouwen.
4.3
Plangebied
Aan de zuidzijde van de Hengelosestraat wordt de mogelijkheid geboden voor het oprichten van bebouwing. Deze bebouwing bestaat uit: 1. 2. 3.
Parkeergebouw 12.000 m 2 bvo woongebouw 20.000 m 2 bvo bedrijfsbebouwing
Deze gebouwen krijgen een actieve plint die is gericht op de Hengelosestraat en naar de zuidzijde richting B&S park. In deze actieve plint zijn functies opgenomen die verblijf en ontmoeting stimuleren. Hierbij valt te denken aan kleinschalige detailhandel (gemakswinkel), dienstverlening en/of horeca. De ruimte rond de bebouwing wordt ingericht voor langzaam verkeer en vormt een aantrekkelijke buitenruimte om door te wandelen en te verblijven. Het plangebied vormt het kloppend hart van Kennispark van waaruit een serie aan bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
25
straten, pleinen en parkjes ontstaat die het B&S park verbindt. Afbeelding 4.1 geeft een inrichtingsmogelijkheid weer van het plangebied. Deze afbeelding laat zien hoe de gebouwen en omliggende ruimte ingericht kunnen worden om zodoende van meerwaarde en aanjager te kunnen zijn voor heel Kennispark.
Afbeelding 4.1: ontwerp gedachte plangeb ied (plangebied ligt binnen de rode lijn) 4.3.1
Parkeergebouw
De sleutel tot succes van de gebiedsontwikkeling, ligt bij een parkeeroplossing. Bouwmogelijkheden van bedrijven worden op dit moment beperkt vanwege de parkeernorm en de daarvoor benodigde parkeerruimte. Om ontwikkelingen van de grond te krijgen, moet een oplossing worden gevonden voor het parkeren. Deze wordt gevonden in een parkeergebouw. Een boost die nieuwe ontwikkelingen/nieuwe inzichten biedt voor de mogelijkheden voor bestaande bedrijven. Het parkeergebouw is voornamelijk bedoeld is voor het parkeren van motorvoertuigen. Maar naast dit parkeren, biedt het gebouw ook andere functies zoals bijvoorbeeld het stallen van fietsen, fietsreparatie, post balie, gemakswinkels of kleinschalige horeca (een dergelijk parkeergebouw kan ook een parkeerhub worden genoemd). Bedrijven op het B&S terrein kunnen gebruik maken van de parkeermogelijkheden. Door het parkeren in het parkeergebouw te regelen kan de ruimte op het eigen terrein dat nu functioneert als parkeerterrein een andere invulling krijgen. Dit biedt uitbreidingsmogelijkheden voor de bedrijven en biedt ruimte voor ontmoeting op eigen terrein. Met de gebruikmaking van het parkeergebouw wordt tevens het aantal verkeersbewegingen op het bedrijventerrein teruggebracht.
Het verkeer gaat dan naar het parkeergebouw en vanuit daar gaan medewerkers/bezoekers/bewoners wandelend of met een langzaam vervoersmiddel naar de eindbestemming. Afbeelding 4.2 geeft aan hoe het parkeergebouw kan worden ingedeeld.
26
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
Afbeelding 4.2: ontwerp idee parkeergebouw 4.3.2
Woongebouw
Het woongebouw is bedoelt voor mensen die werken op het Kennispark of op een andere wijze binding hebben met het Kennispark, young professionals. Het vormt een overgang van studentenwoningen naar de volgende woning. In dit gebouw wordt het mogelijk gemaakt om maximaal 200 wooneenheden te realiseren die worden uitgevoerd als studio's. Verder krijgt dit gebouw een actieve plint en wordt algemene ontmoetingsruimte en ook ruimte voor de woonfunctie gerealiseerd. De inrichting van de algemene ontmoetingsruimte is nog onbekend. Hierbij valt te denken aan horeca, dienstverlening of detailhandel. Voorwaarde is dat deze functie moet bijdragen aan de doelen van de gebiedsontwikkeling Kennispark. Dit woongebouw krijgt een actieve plint die een diversiteit aan functies heeft. Ontmoeting en verbinding wordt in dit gebouw gestimuleerd. Dit gebouw heeft twee voorkanten. De zijde aan de Hengelosestraat en de zuidzijde. Daar ligt het gebouw aan één van de pleinen die in het B&S park wordt aangelegd. 4.3.3
Bedrijfsbebouwing
De bedrijfsbebouwing die ten oosten van het woongebouw gerealiseerd kan worden, vormt de afronding voor het plangebied. Door ook deze ruimte mee te nemen in voorliggend bestemmingsplan, kunnen de gronden binnen het plangebied volledig worden ingericht en afgerond. Dan blijft er geen braakliggend terrein over. Op deze gronden is het mogelijk om 20.000 m 2 bvo aan bedrijfsbebouwing te realiseren. Dit kan bestaan uit één of meerdere gebouwen. De invulling en het ontwerp voor deze gronden is nog niet bekend. Wel dient ook deze bebouwing te voldoen aan de ontwerpprincipes uit het stedenbouwkundig plan. Dat betekent een open plint met synergiefuncties.
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
27
4.3.4
Openbare ruimte
De ruimte rond de bebouwing in het plangebied wordt zodanig ingericht dat dit ontmoeting en verblijf stimuleert. De exacte invulling is nog niet bekend, maar er worden ontwerpen gemaakt waarbij verblijf mogelijk is, de waterberging (deels) in het zicht ligt en het een aantrekkelijk gebied wordt. Afbeelding 4.3 geeft een sfeerbeeld van deze ruimte weer zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan.
Afbeelding 4.3: Sfeerb eeld openb are ruimte ten zuiden van de bebouwing in het plangeb ied
4.4
Ladder Duurzame Verstedelijking (artikel 3.1.6, 2e lid Bro)
Artikel 3.1.6, 2e tot en met 4e lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een stedelijke ontwikkeling die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt in de toelichting moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Wanneer een bestemmingsplan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet in de toelichting tevens worden gemotiveerd waarom in die behoefte niet kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij iedere 'stedelijke ontwikkeling', waaronder iedere ontwikkeling van detailhandelsvloeroppervlak, moet inzichtelijk worden gemaakt of er, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. Dit wordt de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' genoemd. Deze zogenoemde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen en schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor. De 'Ladder' is alleen van toepassing als er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als 'stedelijke ontwikkeling' te kunnen worden aangemerkt.
Daarvan zal in beginsel geen sprake zijn indien het nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt. Dit kan anders zijn indien het bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime in een vanuit ruimtelijk oogpunt ingrijpende nieuwe planologische functiewijziging voorziet.
'stedelijke ontwikkeling' Onder 'stedelijke ontwikkeling' wordt in het Bro (art. 1.1.1, 1e lid onder i) verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
28
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
Of in een bestemmingsplan sprake is van een of meer stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in het Bro is niet altijd even duidelijk. Dit dient per plan te worden getoetst en gemotiveerd. In de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie uitspraken 201310814/1/R1 en 201311211/1/R3, is inmiddels de lijn te ontdekken dat wanneer er sprake is van bestaande bebouwing en geen toename van het ruimtebeslag, er in dat geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Ook bij nieuwbouw hoeft volgens de jurisprudentie, zie uitspraak 201310222/1/R6, niet altijd sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een feitelijke capaciteitsafname doordat er minder commercieel vloeroppervlak wordt teruggebouwd dan er is afgebroken. Ook een op grond van het voorgaande plan reeds mogelijke maar nog niet gerealiseerde ontwikkeling hoeft niet altijd een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro te zijn. Dit is onder meer het geval wanneer er geen sprake is van toename maar wel van concentratie van de bebouwingsmogelijkheden.
Ook wanneer er sprake is van 'saldering' (verplaatsing van een stedelijke ontwikkeling, zonder netto extra (planologisch) ruimtebeslag of waarbij bebouwing wordt gereduceerd, zoals de 'Ruimte voor Ruimte' regelingen) is er meestal geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. In de uitspraak 201608869/1/R3 geeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzicht op hoofdlijnen van alle relevante aspecten waar aan moet worden getoetst om te bepalen of sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro en zo ja, welke eisen er worden gesteld aan de beschrijving van de behoefte aan de betreffende stedelijke ontwikkeling. Bij voorliggend plan is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierna vindt een beschrijving van de behoefte plaats.
'Stedelijke ontwikkeling' en het bestemmingsplan "Kennispark fase 1" Woongebouw Het aantrekken en vasthouden van talent is 1 van de 5 strategische opgaven van de gemeente Enschede. Deze zijn vastgelegd in onze begroting. Ook is deze lijn verwerkt in het woonbeleid. Studentenhuisvesting en woningen voor net afgestudeerden zijn speerpunt van ons woonbeleid. De Woonvisie van juni 2019 continueert het beleid voor studentenhuisvesting van de vorige woonvisie. We voegen een beperkte hoeveelheid woningen toe, waarbij de kwalitatieve doorontwikkeling van de voorraad op basis van de wensen van de young professionals centraal staat. We werken hierop samen met woningcorporaties en de onderwijsinstellingen. We baseren ons voor de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte op de Landelijke monitor studentenhuisvesting (ABF iov BZK en Kences), die we voor Enschede jaarlijks toetsen en gezamenlijk vertalen naar een gewenste programmering. In deze monitor staat aangegeven dat het actuele tekort ruim 200 (vooral zelfstandige) eenheden is. De komende jaren stijgt dit tekort nog licht door de groei van de (met name internationale) studentenaantallen. De actuele vraag concentreert zich in het gebied Kennispark en omgeving. Het specifieke concept dat voorliggend plan mogelijk maakt is tot stand gekomen in samenspraak met studenten en afgestudeerden.
Op Kennispark komt een woonvorm die we nog niet hebben in de stad. Ten eerste zijn het de eerste woningen op Kennispark; midden tussen de toekomstige werkgevers van de studenten. Daarnaast combineren diverse ondersteunende functies het wonen tot een leefconcept waarbij ondernemen en de benodigde voorzieningen beschikbaar zijn. Het zijn sociale huurwoningen die (in combinatie met huurtoeslag) bereikbaar zijn voor de doelgroep. Daarnaast leveren de woningen een bijdrage aan de beleidsuitspraak uit de Woonvisie over het ontwikkelen van concepten voor net afgestudeerden. Omdat het mogelijk is na de studiefase in dit complex te wonen, wordt de overgang van studie naar werken/ondernemen laagdrempeliger. Hiermee past de ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief in beleid en programmering.
Bedrijvenfunctie De strategie van Kennispark Twente is erop gericht om 'pure' science/R&D bedrijven aan te trekken. Dat kan zich uiten in bedrijfsvastgoed met een combinatie van kantoor, lab/cleanroom, pilot plan/kleinschalige productieruimte. Het vastgoed dat gerealiseerd wordt is echter niet bedoeld om te concurreren met bedrijfsruimte op reguliere bedrijventerreinen of kantoorlocaties. Gekeken naar het aantal bedrijven in de kennisintensieve sectoren heeft zich een groei voorgedaan van 64%. Het aantal banen bij deze bedrijven is gestegen met 55%. De volgende stap in de ontwikkeling van Kennispark vraagt ondanks deze fraaie ontwikkeling om een extra impuls. Dit bestemmingsplan voorziet in de ruimtelijk-economische randvoorwaarden om nieuwe investeringen te faciliteren en de campusontwikkeling een boost te geven. Het moet de campus meer kritische massa geven, 'the place to be' maken voor bedrijven en werknemers en nog meer de uitstraling krijgen van een hoogwaardige vestigingslocatie. Dat zijn namelijk
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
29
belangrijke succesfactoren voor economische groei en vasthouden van talent. Het Kennispark is als Sciencepark en Innovatie Campus een andere categorie werklocatie dan een regulier kantorenlocatie of bedrijventerrein. Buck Consultants International (BCI) heeft de toekomstige ruimtevraag onderzocht. Hieruit volgt een toekomstige ruimtevraag van ongeveer 52.000 m2 aan combinaties van kantoor/lab/pilot plants voor nieuwe, groeiende en verplaatsende bedrijven in het Plus-scenario. Dat betekent een groei van ruim 1800 banen bij kennisintensieve bedrijven. Met voorliggend plan wordt 20.000m 2 bvo voor bedrijven mogelijk gemaakt. De gewenste ontwikkeling ligt binnen bestaand stedelijk gebied en is feitelijk een intensivering van een bestaand plan waarbij het accent verschuift van een pure werklocatie naar een campusomgeving waar verblijven, ontmoeten en ideeën uitwisselen centraal staan. De extra kleinschalige synergie functies die worden toegestaan, kan gaan om vormen van detailhandel, publieksgerichte dienstverlening, horeca of maatschappelijk. Allemaal volledig gericht op de doelgroep van het Kennispark. De economische structuur van de overige gemeenten is minder verbonden met die van Enschede en Kennispark. Andere werklocaties in de regio hebben een compleet ander profiel of bedienen vooral de lokale markt.
De gemeente Hengelo heeft aangegeven de positieve effecten van een ontwikkeling op Kennispark in te zien en ziet het als een aanvulling op het eigen aanbod.
Conclusie In diverse beleidsstukken en uit diverse onderzoeken wordt de behoefte voor de ontwikkelingen op Kennispark weergegeven. Het is een bijzondere ontwikkeling, die weinig tot geen concurrentie heeft in de omgeving. Deze ontwikkeling kan juist zorgen voor een versterking voor de omgeving omdat het talent en bedrijven aantrekt.
4.5
Cultuurhistorie in relatie tot nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
4.5.1
Archeologie
Het plangebied heeft twee archeologische waarden, zie afbeelding 4.4. De archeologische waarden A is een dermate hoge verwachtingswaarde dat deze is opgenomen op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan. Binnen deze gebieden is archeologisch onderzoek nodig als de bodem wordt verstoord over een oppervlakte groter dan 250 m 2 en dieper dan 50 cm. Afhankelijk van de exacte situering van het parkeergebouw zal een archeologisch onderzoek nodig zijn of niet. De gebieden met een lage verwachtingswaarde en/of verstoorde gebieden zijn niet opgenomen.
Afbeelding 4.4: Archeologische b eleidskaart. 4.5.2
Cultuurhistorie
In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en/of elementen aanwezig.
4.6
Welstand en beeldkwaliteit
Vanwege het bijzondere karakter van het plangebied en de bijzondere wensen, is voor het plangebied een beeldkwaliteitplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitplan is beschreven in paragraaf 2.3.3.
30
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
4.7
Duurzaamheid
Duurzaamheid is een centraal thema in het gemeentelijk beleid van Enschede. Duurzaam handelen is daarbij meer dan het ontzien van natuur en milieu. In dat opzicht vraagt duurzaam handelen bijvoorbeeld ook om een solide financieel beleid. Voor 2015 werd onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid vooral gewerkt aan maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van gevolgen voor de klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat er voor thema's die op andere plaatsen wel onder het beleidsveld duurzaamheid worden geschaard, zoals afval, water en bodem, geen aandacht was maar van een breed en samenhangend duurzaamheidsbeleid was toen nog geen sprake. Om daar verandering in te kunnen brengen is het Actieplan Duurzaamheid opgesteld. Hierin wordt uitgewerkt aan welke doelen onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid actief wordt gewerkt, welke aanpak daarvoor is vereist, welke partijen bij de realisatie daarvan een rol spelen en welke rol de gemeente daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, alsmede de toewijzing van mensen en middelen om de gestelde doelen te realiseren. 4.7.1
Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid
In het Actieplan duurzaamheid, dat op 8 juni 2015 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld, heeft de gemeenteraad er voor gekozen om het duurzaamheidsbeleid toe te spitsen op de volgende punten:
Energie Eigen organisatie Verhogen van het op eigen grondgebied Zelf het goede voorbeeld geven. opgewekte aandeel hernieuwbare energie tot minimaal 12 procent in 2030 en minimaal 27 procent van het voor 2050 voorziene gebruik van energie. Biodiversiteit Behoud en versterken van de verscheidenheid aan dier- en plantsoorten in de leefomgeving
Groene groei Groei van de economie zonder dat dit nadelig is voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit.
Circulaire economie Verminderen van de hoeveelheid (rest-)afval door afvalpreventie en het beter scheiden van restafval.
Klimaatadaptatie Negatieve gevolgen die gepaard gaan met klimaatverandering beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt benutten.
Duurzame mobiliteit Verhoging van het aandeel fietsgebruik in het totaal aantal verplaatsingen, stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer en stimuleren van het gebruik van elektrische auto's.
WEconomy Bewoners in Enschede dragen in collectief verband actief bij aan een of meer van de duurzame doelstellingen.
Aanpak van het duurzaamheidsbeleid Binnen de aanpak van het Actieplan Duurzaamheid staan de begrippen 'duurzame daden', 'duurzame deals' en 'duurzaam doen' centraal.
Duurzame daden De gedachte hierbij is dat het zichtbaar maken van bestaand duurzaam gedrag de beste manier is om anderen te inspireren en aan te zetten tot duurzaam handelen. We richten ons daarbij op de groep die in beginsel bereid is tot duurzaam gedrag.
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
31
Duurzame deals Duurzame deals, oftewel afspraken over duurzaam handelen, zijn een middel om nieuw duurzaam gedrag uit te lokken. Bij de uitvoering van duurzame initiatieven lopen bedrijven, instellingen en groepen inwoners soms tegen barrières aan. De gemeente wil die belemmeringen wegnemen. Soms kunnen we daar zelf voor zorgen. In andere gevallen doen we daarvoor een beroep op anderen. De deals maken duidelijk dat verduurzaming van de samenleving een opgave is die we samen moeten oppakken.
Duurzaam Doen Zelf het goede voorbeeld geven is binnen de gekozen aanpak een belangrijk uitgangspunt. Verduurzaming van de eigen organisatie is in dit Actieplan duurzaamheid verder uitgewerkt onder de noemer Duurzaam Doen.
Voor deze benadering is gekozen, omdat het een positieve benadering is, die anderen inspireert en stimuleert tot duurzame handelingen (gedrag, het doen van investeringen etc.). Het voordeel van deze aanpak is bovendien dat het gedrag voor de doelgroep herkenbaar en dichtbij is, de communicatieboodschap hierdoor aansluit bij de belevingswereld van mensen en de huidige doeners de afzender/ambassadeur zijn (in plaats van de gemeente). Hierdoor is het een aanpak van de stad, in plaats van de gemeente. 4.7.2
Duurzaamheidsbeleid en het bestemmingsplan
In deze paragraaf wordt aan de hand van het Actieplan Duurzaamheid bekeken in hoeverre het bestemmingsplan kan bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke duurzaamheidsambities. Daarbij dient te worden opgemerkt dat in het bestemmingsplan geen verplichtingen worden opgenomen omtrent duurzaamheid. Ontwikkelingen die bijdragen aan duurzaamheid, worden wel mogelijk gemaakt. Middels de beleidsregel en het gemeentelijk grondeigendom is het beter mogelijk om te sturen op duurzaamheid. Daarin zijn de duurzaamheidsambities ook verwerkt.
Algemeen Voor Kennispark is de duurzaamheidsambitie uitgesproken om tot een BREEAM certificering te komen. Hiervoor wordt gewerkt de zes duurzaamheidsthema's energie, gezondheid&klimaatadaptatie, biodiversiteit, materiaalbewustheid, collectiviteit/sociale cohesie en mobiliteit. Toekomstige initiatiefnemers in het plangebied worden op de hoogte gebracht van deze ambities en middels de beleidsregel en grondeigendom kan gestuurd worden op het toepassen van (één van) deze ambities.
Energie: Voor het realiseren van veel energie besparende maatregelen of voorzieningen in, aan of op gebouwen, zoals isolatie van vloer, muren of dak, het plaatsen van zonnepanelen of een zonnecollector op het dak, is meestal geen omgevingsvergunning vereist. Voor warmte-koude opslag en bodemenergiesystemen is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Voor nieuwbouw geldt dat moet worden voldaan aan de energieprestatienormen uit het Bouwbesluit. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor bijvoorbeeld het realiseren van windturbines of zonneparken en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
Klimaatadaptatie: Voor het realiseren van relatief eenvoudige klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen als groene dakbedekking op gebouwen en het in de bodem infiltreren van hemelwater is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater, het vrij houden van bebouwing van overloopgebieden (bij overstroming), het vrij houden van bebouwing langs beken of van lage plekken die natuurlijke waterbergingen vormen, het ophogen van gronden of het realiseren van bouwwerken ter voorkoming van overstromingen en andere voorzieningen 32
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
Circulaire economie: Voor het realiseren van afvalcontainers voor het gescheiden inzamelen van afval en herbruikbare materialen is meestal geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen en bedrijven voor de verwerking van afval.
Biodiversiteit: Natuurgebieden, bossen, parken en andere structurele, veelal openbaar toegankelijke, groenvoorzieningen worden in een bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Daarnaast maakt een bestemmingsplan het in nagenoeg elke bestemming mogelijk om groenvoorzieningen van ondergeschikte aard te realiseren.
Overige actiepunten: Voor de overige actiepunten uit het Actieplan Duurzaamheid kan kortheidshalve worden volstaan met de conclusie dat deze geen ruimtelijke relevantie hebben en als zodanig dus ook niet of hooguit indirect van invloed zijn op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
BREEAM Zoals eerder aangegeven in deze toelichting, is voor Kennispark de ambitie uitgesproken om een BREEAM certificering te behalen. Zoals in het stedenbouwkundig plan aangegeven, wordt hier aan gewerkt middels de zes duurzaamheidsthema's. Binnen deze thema's worden meer concrete uitwerkingen genoemd: Energie: Minimaliseer energieverbruik Maximaal gebruik maken van hernieuwbare bronnen via energiesystemen Opslag en uitwisseling van energie Gezondheid en klimaatadaptatie: Piekhemelwater opvang en buffering Verbeteren microklimaat Aanzetten tot beweging Mobiliteit: Hubs en last mile Ruim baan voor voetgangers en fietsers Adaptief vermogen voor veranderende mobiliteit Biodiversiteit: Diversiteit in vegetatie Groen aan gebouwen Corridors en stapstenen tbv flora en fauna Inclusiviteit/collectiviteit: Collectieve functies Ruimte voor interactie en uitwisseling Verbondenheid met gebruikers en omgeving
Materiaalbewust bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
33
Hergebruik materialen, afvalstromen en verminderen Demontabel en modulair bouwen Aantrekkelijk om te delen en te repareren
Van deze concrete uitwerkingen, is alleen de waterberging als harde eis opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. De andere uitwerkingen worden mogelijk gemaakt, maar kunnen niet verplicht worden. Alles wat hierboven genoemd is, is onderdeel van de gebiedsontwikkeling.
34
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Kennispark fase 1" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.
5.1
Milieu
In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de mer, milieuzonering, bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. 5.1.1
Milieueffectrapportage
Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. 2. 3. 4.
het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen.
Toetsing bestemmingsplan "Kennispark fase 1" aan het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan Kennispark fase 1 maakt realisatie van een parkeerhub, een woongebouw (200 woningen) en bedrijfsgebouwen (20.000m 2 b.v.o.) mogelijk in het Kennispark (tussen Enschede en Hengelo), direct ten zuiden van de Hengelosestraat. De voorgenomen activiteit is te scharen onder activiteit D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.): 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De bijbehorende drempelwaarden (1° een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2° een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen en 3° een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer) worden ruimschoots niet overschreden. Dit vormt een eerste indicatie dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. Op basis van de kenmerken van de voorgenomen activiteit geldt een plicht tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor het bestemmingsplan.
Vormvrije m.e.r.-b eoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets, waarin aan de hand van in de Europese m.e.r-richtlijn bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
35
opgenomen criteria wordt beoordeeld of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en al of niet sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. De criteria hebben betrekking op de kenmerken van het project, de locatie van de activiteit en de kenmerken van het potentiële effect. Bij de kenmerken van het project gaat het onder andere om de omvang en de cumulatie met andere projecten. Bij de locatie van de activiteit gaat het onder andere om de mate van kwetsbaarheid van het milieu in gebieden waarop de activiteit van invloed zou kunnen zijn. Bij de kenmerken van het potentiële effect gaat het onder ander om het bereik van de effecten. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Voor de ontwikkeling van Kennispark fase 1 is door Gemeente Enschede een "Notitie t.b.v. vormvrije m.e.r. beoordeling" opgesteld (zie Bijlage 1). Uit de notitie blijkt dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu te verwachten zijn. Op basis van de notitie hebben burgemeester en wethouders besloten dat een (verdere) m.e.r.-procedure niet nodig is. 5.1.2
Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen in en rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Kennispark fase 1" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied.
Toetsing bestemmingsplan aan Milieuhinder In het plangebied wordt een parkeergarage, een woongebouw en een bedrijfsgebouw mogelijk gemaakt. De bedrijvigheid die wordt toegestaan mag maximaal milieucategorie 2 (met een hindercontour van 30 meter) hebben. Het plangebied ligt op het bedrijventerrein Kennispark en heeft daarmee bedrijfsfuncties in de directe nabijheid. De dichtstbijzijnde woningen zijn de woningen op het Universiteitsterrein. Deze woningen liggen op een afstand van ongeveer 90 meter van het plangebied. Deze woningen liggen daarmee niet binnen de hindercontour van de bedrijvenbestemming. Het woongebouw ligt daarmee ook op het bedrijventerrein. Op omliggende percelen zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Aangezien het woongebouw in een zogehete 'gemengd gebied' ligt, mag de hindercontour een stap kleiner worden. Dit betekent dat bij milieucategorie 2 een hindercontour van 10 meter overblijft. Het woongebouw ligt op 10 meter van omliggende bedrijven. De functies die in het woongebouw zijn toegestaan, mogen maximaal een milieucategorie 1 hebben. In een gemengd gebied hebben deze bedrijven een hindercontour van 0 meter.
Conclusie milieuhinder bedrijven en voorzieningen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.3
Bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.
36
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
Toetsing bestemmingsplan "Kennispark fase 1" aan Bodemkwaliteit In het plangebied was het al toegestaan om gebouwen op te richten in het vigerende plan. Met voorliggend plan wordt het mogelijk gemaakt om ook een woongebouw te realiseren. Een woongebouw is een gevoelige bestemming. In 2012 zijn de gronden al onderzocht (zie Bijlage 3). Uit dat onderzoek is gebleken dat de gronden plaatselijk verontreinigd is met het metaal nikkel. Voorafgaande aan de nieuwbouw zal uit een nieuw onderzoek moeten blijken of het nodig is om de bodem te saneren. Dat is op dit moment niet duidelijk. Wel is op basis van het rapport duidelijk dat een eventuele bodemsanering de nieuwbouw niet in de weg staat. Deze verontreiniging wordt dan vooraf of tegelijk met de nieuwbouw verwijderd.
Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. 5.1.4
Wet geluidhinder
In artikel 3.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidsgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet naast de geluidsbronnen waar de Wet geluidhinder betrekking op heeft ook aandacht worden besteed aan andere relevante geluidsbronnen. Met het bestemmingsplan Kennispark fase 1 wordt één nieuwe geluidsgevoelige bestemming mogelijk gemaakt, namelijk het woongebouw. Het woongebouw mag geen belemmering vormen voor de aanwezige en toekomstige bedrijven. Twee bedrijven waar specifiek rekening mee moet worden gehouden zijn de Universiteit Twente en het stadion van FC Twente.
Akoestisch onderzoek Om inzicht te krijgen in de geluidsbelasting die de nieuwe geluidsgevoelige bestemming zal ondervinden is door de afdeling Bestemmen van de gemeente Enschede een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Kennispark Enschede; d.d. 29 oktober 2021" (zie Bijlage 4).
Wegverkeerslawaai Het plangebied van het Kennispark fase 1 is gelegen binnen de zone van diverse wegen. Akoestisch relevant zijn de Auke Vleerstraat, het Capitool, de Drienerlolaan, de Hengelosestraat, de Institutenweg en het Palatijn. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van geluidgevoelige gebouwen binnen de onderzoekszone van deze wegen. Wettelijk kader In artikel 74 van de Wgh is bepaald dat zich aan weerszijden van een weg een zone bevindt. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. De zonering geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en voor wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur. Volgens artikel 76a/77 van de Wgh moet bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan of een bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
37
projectbesluit, waarin nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, binnen onderzoekszones van wegen, als bedoeld in artikel 74 van de Wgh, akoestisch onderzoek worden verricht. Het woongebouw is gelegen in binnenstedelijk gebied binnen de zone van bestaande wegen. Op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen bedraagt de voorkeurswaarde 48 dB (respectievelijk artikel 82, eerste lid Wgh en artikel 3.1, eerste lid Bgh). Indien deze waarde wordt overschreden kan onder voorwaarden een hogere waarde worden verleend tot ten hoogste 63 dB (artikel 83, tweede lid Wgh en artikel 3.2, tweede lid, onder b Bgh). Het vaststellen van een hogere waarde is pas mogelijk indien aangetoond wordt dat maatregelen (bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en/of maatregelen bij de ontvanger) om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde niet doeltreffend zijn (bezwaren stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard), en voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Geluidnota Enschede (verder Geluidnota). De Geluidnota is op 3 april 2018 door Burgemeester en Wethouders (gedeeltelijk herzien) vastgesteld. Onderzoeksresultaten Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op op het woongebouw vanwege het wegverkeer op de Hengelosestraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden.
De geluidbelasting vanwege deze weg bedraagt ten hoogste 57 dB (incl. aftrek artikel 110 Wgh). Vanwege het wegverkeer op de overige wegen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. De hoogst vast te stellen hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen onvoldoende effect hebben of bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige of financiële aard. De nieuwe geluidsgevoelige bestemming kan alleen mogelijk worden gemaakt als vanwege het wegverkeer op de Hengelosestraat hogere waarden worden vastgesteld. Aan de voorwaarden, uit de Wet geluidhinder en de Geluidnota, voor het vaststellen van een hogere waarde wordt voldaan. Gelijktijdig met de procedure voor dit bestemmingsplan wordt een procedure gestart voor het vaststellen van de hogere waarden.
Railverkeerslawaai Het plangebied van het bestemmingsplan Kennispark fase 1 is gelegen in de nabijheid van de op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijn Enschede-Hengelo. De nieuwe geluidsgevoelige bestemming die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, ligt ruimschoots buiten de onderzoekszone van de spoorlijn. Daarmee vormt het railverkeerslawaai geen belemmering voor de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen.
Industrielawaai Het plangebied van het bestemmingsplan Kennispark fase 1 is gelegen in de nabijheid van het gezoneerde industrieterrein 'Havengebied'. De zone van het industrieterrein 'Havengebied' loopt over het plangebied. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het te realiseren woongebouw ruimschoots buiten de 50 dB(A)-contour is gelegen en dat de geluidsbelasting op het te realiseren woongebouw ten hoogste 46 dB(A) bedraagt. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en vormt het woongebouw geen belemmering voor de bedrijven op het industrieterrein 'Havengebied'.
Bedrijven De nieuwe geluidsgevoelige bestemming die met het bestemmingsplan Kennispark fase 1 mogelijk wordt gemaakt mag geen belemmering vormen voor de aanwezige en toekomstige bedrijven. De bedrijvigheid die op het Kennispark wordt toegestaan, mag maximaal milieucategorie 2 hebben. Voor bedrijven met milieucategorie 2 geldt een hindercontour van 30 meter. Doordat het plangebied is gelegen in een 'gemengd gebied', kan de hindercontour worden bijgesteld naar 10 meter. De afstand tussen de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in het plangebied en omliggende bedrijven, bedraagt meer dan 10 meter. De functies die in het woongebouw zijn toegestaan, mogen maximaal een milieucategorie 1 hebben. In een 38
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
gemengd gebied hebben deze bedrijven een hindercontour van 0 meter. De te realiseren geluidsgevoelige bestemming vormt daarmee geen belemmering voor de aanwezige en toekomstige bedrijven op het Kennispark. Ten noorden en zuiden van het Kennispark zijn de Universiteit Twente en het stadion van FC Twente gelegen. Beide beschikken over een Omgevingsvergunning Milieu. De nieuwe geluidsgevoelige bestemming binnen het bestemmingsplan Kennispark fase 1 mag de universiteit en het stadion niet belemmeren.
Universiteit Twente Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het woongebouw geen belemmering vormt voor de universiteit tijdens de reguliere situatie en tijdens evenementen. Het woongebouw vormt ook geen belemmering tijdens plus-evenementen wanneer extra gevelmaatregelen worden getroffen aan het woongebouw. Stadion FC Twente Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het woongebouw geen belemmering vormt voor FC Twente tijdens de RBS overige dagen. De geluidsgevoelige bestemming vormt ook geen belemmering tijdens de RBS wedstrijddagen wanneer extra gevelmaatregelen worden getroffen. Luchtvaart lawaai Het plangebied van het bestemmingsplan Kennispark is niet gelegen binnen de geluidszone of in de nabijheid van het vliegveld Twente.
Conclusie Wet geluidhinder Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de in het bestemmingsplan Kennispark fase 1 nieuw te realiseren geluidsgevoelige bestemming. Om de geluidsgevoelige bestemming mogelijk te maken is het noodzakelijk dat vanwege het wegverkeer op de Hengelosestraat een hogere waarde op het woongebouw wordt vastgesteld. Deze procedure loopt parallel aan de procedure voor het bestemmingsplan De gevelwering van het woongebouw moet dusdanig zijn dat tijdens (plus)evenementen op het terrein van de universiteit wordt voldaan aan een binnenwaarde van 50 dB(A) en tijdens de RBS wedstrijddag van FC Twente aan een binnenwaarde van 35 dB(A). 5.1.5
Luchtkwaliteit
Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. b. c. d. e.
er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg.
Luchtkwaliteit en het plangebied “Kennispark fase 1” De luchtkwaliteit binnen het plangebied wordt negatief beïnvloed door aanwezige en mogelijk nieuwe bedrijven en door het verkeer. Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat woningbouwlocaties met twee ontsluitingswegen en niet meer dan 3000 woningen of kantoren tot 200.000 m 2 als niet in betekenende mate zijn aan te merken. De realisatie van 200 woningen in het plangebied en/of de realisatie van een
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
39
bedrijfgebouw van maximaal 20.000 m 2 bvo is een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De maximaal toegestane concentraties van de luchtverontreinigende stoffen zijn opgenomen in de Wet luchtkwaliteit: de normen worden nergens in Enschede overschreden. Verwacht wordt dat de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de toekomst zullen afnemen (omdat bedrijven en auto's steeds schoner worden). Ook het inrichten van een mobiliteitspunt en een groenere inrichting van de openbare ruimte op het kennispark dragen bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit.
Conclusie luchtkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.6
Geur
Het plangebied is niet gelegen binnen de geurcontour van de rioolwaterzuivering aan de zuidzijde van het Kennispark. Nader onderzoek omtrent de geurcontour hoeft met voorliggend plan niet uitgevoerd. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.
Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Kennispark fase 1” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi van toepassing is. Bovendien wordt de vestiging van risicovolle inrichtingen in het bestemmingsplan expliciet uitgesloten. Een nadere toetsing aan het Bevi kan daarmee achterwege blijven. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Kennispark fase 1" zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Ten zuiden van het plangebied is een 6" buisleiding aanwezig waarop het Bevb van toepassing is.
De leiding (N-528-75) heeft geen 10 -6-contour ter hoogte van het plangebied. Binnen de inventarisatieafstand van 70 meter vinden geen bestemmingswijzigingen plaats die leiden tot een toename van het aantal aanwezigen. Met betrekking tot externe veiligheid ten aanzien van dit plangebied vormt deze leiding geen belemmering.
40
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water zijn de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Circulaire Vervoer Gevaarlijke Stoffen het wettelijk kader. Momenteel is nieuwe weten regelgeving in voorbereiding voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van die nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.
Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Kennispark fase 1" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen wegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Kennispark fase 1" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Kennispark fase 1" of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande en het gegeven dat het plan geen (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen risicocontouren kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2
Water
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buien. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is als beleidsuitgangspunt vastgelegd dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem slechts in bepaalde mate berekend. Het afstromend hemelwater moet zo veel mogelijk in of op het gebouw worden opgeslagen en hergebruikt. Daarnaast leent de openbare ruimte zich voor waterberging. Het hemelwater mag vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. De bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied tenminste 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak. In het buitengebied en bij uitbreiding van bebouwd oppervlak in bestaand stedelijk gebied bedraagt de bergingsopgave tenminste 40 millimeter, oftewel 40 liter per vierkante meter verhard oppervlak.
Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken.
Afvalwater De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
41
individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht. Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. Afvalwater wordt op Kennispark gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. In het noordwestelijk deel van het district ligt een verbeterd gescheiden stelsel. Oppervlaktewater Bij de uitbreiding/herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies.
Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden: Grondgebruik
Ontwatering (m – GHG)
Primaire wegen
0,7
Secundaire wegen en erfontsluitingswegen
0,5
Bouwwerken met kruipruimten
0,7
Bouwwerken zonder kruipruimten
0,5
Groen
0,5
De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren. Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen. Waterhuishouding en het bestemmingsplan “Kennispark fase 1” Kennispark is gelegen aan de noordwestkant van Enschede. Net ten noorden van het Twentekanaal en de spoorlijn. Het maaiveld loopt naar de westkant af en het oppervlaktewater stroomt ook in die richting. Ten noorden van Kennispark, onder andere op het Universiteitsterrein, stromen een paar beken. De Elsbeek stroomt aan de zuidkant van het Kennispark langs een groot bergbezinkbassin, de rioolwaterzuivering van Enschede (beiden onderdeel van het vuilwaterrioolstelsel) en het voetbalstadion in de richting van het Kristalbad. Op het Kennispark zelf liggen rioolstelsels voor de afvoer van afvalwater en regenwater.
Regenwater dat valt op verharde oppervlakken wordt afgevoerd via het regenwaterrioolstelsel naar het oppervlaktewater dat aanwezig is langs het Capitool, nabij restaurant de Broeierd en in landgoed De Eekhof. Dit oppervlaktewater voert af op een spoorsloot die ook richting Kristalbad stroomt.
42
bestemmingsplan Kennispark fase 1 (vastgesteld)
Bij aanleg van het riool- en oppervlaktewater op Kennispark waren de gevolgen van klimaatverandering nog niet zo bekend en zichtbaar. Aanpassing aan toekomstige klimatologische omstandigheden vraagt binnen de gebiedsontwikkeling Kennispark wel onze aandacht. We willen risico's op wateroverlast, hittestress en droogte op een acceptabel niveau houden en inzetten op groen en duurzaamheid. In het Water en Klimaatplan (vaststelling naar verwachting oktober 2021) zijn hiervoor doelstellingen geformuleerd. Kennispark kent een kleine opgave om het risico op wateroverlast op een acceptabel niveau te houden. Water kan een behulpzame rol spelen als het gaat om het voeden van groen en het tegengaan van extreme droge bodems. Daarnaast kan in gebouwen voor bepaalde toepassingen regenwater of grijswater (gezuiverd afvalwater) in plaats van hoogwaardig drinkwater gebruikt worden. Tegelijkertijd willen we voorkomen dat regenwater op zichzelf overlast veroorzaakt als grote hoeveelheden naar ingesloten laagtes in de openbare ruimte toestromen waar normaal gewandeld, gefietst of geparkeerd wordt. De gebiedsontwikkeling biedt diverse kansen om op Kennispark meer waarde toe te voegen aan water.
Zowel in de gebouwen als in de ruimte erom heen kan regenwater ingezet worden voor gebruik of geborgen worden in bijvoorbeeld wadi's of greppels die op hun beurt weer bijdragen aan de belevingswaarde van het gebied. Er zijn concrete ideeën voor: Berging van regenwater op of in de nieuwe gebouwen. Gebruik van regenwater voor water- of energievoorziening. Aanleg van een extra open waterstructuur, wadi's en sloten. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Oppervlaktewater en wadi's zijn en worden extra toegevoegd aan de openbare ruimte. De verwerking van afvalwater en regenwater, evenals de af- en ontwatering van het gebied is bij bestaande en wordt bij nieuwe ontwikkelingen goed geregeld.