BP Boeldershoek 2018_Planregels
Tekst van het document
8.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
c. d.
Het is verboden om zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren, die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen: 1. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; 2. het rooien van diepwortelende beplanting en/of bomen; 3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; 4. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk en niet zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; 5. het aanbrengen van verhardingen; 6. het indrijven van voorwerpen in de grond; 7. diepploegen; 8. het permanent opslaan van goederen, waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; 9. het aanleggen van waterlopen of het verruimen, vergraven of dempen van bestaande waterlopen; 10. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. Het onder a bedoelde verbod geldt niet voor werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer van de gasleiding betreffen, of die reeds is uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt.
De werken en werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de veiligheid van de hoge druk aardgastransportleiding niet wordt geschaad. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld onder a, wordt schriftelijk advies ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
27
Artikel 9
9.1 a.
Leiding - Hoogspanning
Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van ondergrondse hoogspanningsleidingen met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. de regels van deze dubbelbestemming zoals verwoord in dit artikel 9 gelden secundair ten opzichte van de regels van de dubbelbestemming Leiding - Gas en primair ten opzichte van de overige bestemmingen waar deze dubbelbestemming mee samenvalt.
b.
9.2 a.
Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemming(en) mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming; De maximum bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de ondergrondse hoogspanningsleiding bedraagt 10 meter.
b.
9.3
Afwijken van de bouwregels
9.3.1
Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.2, onder a en toestaan dat in de andere daar voorkomende bestemming(en) genoemde bebouwing wordt gebouwd. 9.3.2
Toepassingscriteria
De in lid 9.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a.
hierdoor geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de ondergrondse hoogspanningsleiding; hierdoor geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding, en; er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder(s); wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 14.2.1.
b. c. d. 9.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze dubbelbestemming, wordt in ieder geval gerekend: a.
het gebruik van onbebouwde gronden als permanente opslag-, stort- of bergplaats, voor zover dit tot gevolg heeft dat de betreffende leiding niet eenvoudig bereikbaar is voor de leidingbeheerder(s) en/of er aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de ondergrondse hoogspanningsleiding.
9.5
Afwijken van de gebruiksregels
9.5.1
Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.4 onder a, en het gebruik van onbebouwde gronden als permanente opslag-, stort-, of bergplaats toestaan. 9.5.2
Toepassingscriteria
De in lid 9.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a.
het in lid 9.5.1 bedoelde gebruik ook is toegestaan op basis van de overige daar voorkomende bestemming(en); 28
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
b. c. d. e. f.
de activiteit niet tot gevolg heeft dat de betreffende leiding niet eenvoudig is te bereiken voor de betreffende leidingbeheerder; geen sprake is van het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen veroorzaken; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de ondergrondse hoogspanningsleiding; geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding, en; er vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s).
9.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
c.
d.
9.7
Het is verboden om zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren, die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen: 1. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; 2. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging of anderszins; 3. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; 4. het aanbrengen van gesloten verhardingen; 5. het indrijven van voorwerpen in de bodem; 6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Het onder a bedoelde verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer van de hoogspanningsleiding betreffen, of die reeds is uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de ondergrondse hoogspanningsleiding en/of energievoorziening ontstaat of kan ontstaan.
Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld onder a, wordt het advies ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder(s). Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door: a.
b.
het verwijderen van de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning", indien er sprake is van het verwijderen dan wel het permanent buiten gebruik stellen van de bestaande ondergrondse hoogspanningsleiding; het wijzigen van de situering van de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning", indien er sprake is van het verplaatsen van een bestaande leiding.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
29
Artikel 10
10.1
Leiding - Hoogspanningsverbinding
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding-Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van bovengrondse hoogspanningsverbindingen met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 10.2 a.
Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemming(en) mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming; Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening geldt een bouwhoogte van maximaal 66 meter.
b.
10.3
Afwijken van de bouwregels
10.3.1
Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2 onder a en toestaan dat in de andere daar voorkomende bestemming(en) genoemde bebouwing wordt gebouwd. 10.3.2
Toepassingscriteria
De in lid 10.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a.
hierdoor geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding; hierdoor geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende hoogspanningsverbinding, en; er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder(s); wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 14.2.1.
b. c. d. 10.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze dubbelbestemming, wordt in ieder geval gerekend: a.
het gebruik van onbebouwde gronden als permanente opslag-, stort- of bergplaats, voor zover dit tot gevolg heeft dat de betreffende hoogspanningsverbinding niet eenvoudig bereikbaar is voor de leidingbeheerder(s); het gebruik van onbebouwde gronden als permanente opslag-, stort- of bergplaats, voor zover dit tot gevolg heeft dat er aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding.
b.
10.5
Afwijken van de gebruiksregels
10.5.1
Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.4 onder a, en het gebruik van onbebouwde gronden als permanente opslag-, stort-, of bergplaats toestaan. 10.5.2
Toepassingscriteria
De in lid 10.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a. b.
het in lid 10.5.1 bedoelde gebruik ook is toegestaan op basis van de overige daar voorkomende bestemming(en); de activiteit niet tot gevolg heeft dat de betreffende hoogspanningsverbinding niet eenvoudig is te 30
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
c. d. e. f.
bereiken voor de betreffende leidingbeheerder; geen sprake is van het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen veroorzaken; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding; geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende hoogspanningsverbinding, en; er vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s).
10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
c.
d.
10.7
Het is verboden om zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren, die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen: 1. het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of bomen; 2. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur; 3. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren; 4. het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld- en weghoogte. Het onder a bedoelde verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer van de hoogspanningsverbinding betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de hoogspanningsverbinding en/of energievoorziening ontstaat of kan ontstaan. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld onder a, wordt het advies ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder. Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door: a.
b.
het verwijderen van de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding", indien er sprake is van het verwijderen dan wel het permanent buiten gebruik stellen van de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding; het wijzigen van de situering van de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding", indien er sprake is van het verplaatsen van een bestaande hoogspanningsverbinding.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
31
Hoofdstuk 3 Artikel 11
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
32
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
Artikel 12
12.1
Algemene bouwregels
Bestaande afwijkingen
Een bestaand bouwwerk, waarvan op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit plan de feitelijk aanwezige hoogte, oppervlakte of afstand tot een bestemmings- of aanduidingsgrens in strijd is met een in dit plan voorgeschreven maximum dan wel minimum hoogte, oppervlakte of afstand, mag worden gehandhaafd, veranderd en/of vernieuwd, maar niet worden vergroot of anders gesitueerd. 12.2
Onderkelderen
12.2.1
Bouwregels
Daar waar ingevolge het bepaalde in deze planregels het bouwen of verbouwen van gebouwen is toegestaan, is het tevens mogelijk deze gebouwen geheel of gedeeltelijk te onderkelderen of van een onderbouw te voorzien, met dien verstande dat: a. b.
de bovenkant van de vloer van de kelder of onderbouw maximaal 3 meter onder het peil mag zijn gelegen; onderkelderen slechts is toegestaan tussen de boven het peil gelegen buitenwerkse gevelvlakken van het gebouw.
12.2.2 a.
b.
12.3 a.
b.
c.
Afwijken van de b ouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2.1: 1. voor het onderkelderen van gebouwen met kelders of onderbouwen waarvan de bovenkant van de vloer tot maximaal 5 meter onder het peil is gelegen; 2. voor het onderkelderen van gebouwen en terreinen met kelders of onderbouwen tot maximaal 3 meter vanuit de boven het peil gelegen buitenwerkse gevelvlakken van het gebouw; De onder a genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarden zoals genoemd in lid 17.2 en onder de voorwaarde dat geen sprake is van een ongewenste permanente verlaging of verhoging van de grondwaterstand. Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en afmeting van bouwwerken ten behoeve van: 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. de landschappelijke inpassing; 3. de verkeerskundige situatie, waaronder verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de brandveiligheid en bereikbaarheid van hulpdiensten; 6. de milieusituatie, waaronder ook natuurwaarden en waterhuishouding; 7. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 8. de aanwezigheid van voldoende privacy.
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning tevens nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen, indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder b genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
33
Artikel 13
13.1
Algemene gebruiksregels
Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemmingen, tenzij voor dit afwijkende gebruik op grond van de regels in dit plan een omgevingsvergunning is verleend. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a onder 2° van de Wet op de economische delicten. 13.2
Vormen van verboden gebruik (onbebouwd)
Als een verboden gebruik wordt in ieder geval beschouwd een gebruik van gronden en/of water: a.
als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voorzover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, dan wel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen c.q. onderdelen daarvan, die bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens voorzover het betreft parkeren en overigens voorzover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; als opslagplaats van hout en/of aannemersmaterialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, of ten behoeve van bouw of andere tijdelijke werkzaamheden; voor opslag, groothandel, verwerking en/of vervaardiging van vuurwerk.
b.
c.
d.
13.3
Vormen van verboden gebruik (bouwwerken)
Als een verboden gebruik wordt in ieder geval beschouwd het gebruik: a.
van gebouwen voor het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen als detailhandel, met uitzondering van het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen, waarvan de verkoop deel uitmaakt van de normale dienstverlening behorende bij het op hetzelfde perceel uitgeoefende bedrijf; van bouwwerken voor opslag, groothandel, verwerking en/of vervaardiging van vuurwerk.
b.
13.4
Geluidzoneringsplichtige inrichtingen buiten gezoneerd industrieterrein
Het gebruik van gronden en bouwwerken, die niet zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder, als geluidzoneringsplichtige inrichting, voor zover dit in de regels van de betreffende bestemmingen en aanduidingen niet reeds expliciet is uitgesloten, is niet toegestaan.
34
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
Artikel 14
14.1
Geluidzones
14.1.1 a.
b.
c.
Algemene aanduidingsregels
geluidzone - industrie
Ter plaatse van de aanduiding “geluidzone - industrie” mogen op gronden gelegen binnen deze zone, in afwijking van het bepaalde elders in de regels van dit plan, geen woningen of andere geluidgevoelige gebouwen worden gebouwd en geen geluidgevoelige terreinen worden aangelegd. Het onder a genoemde verbod geldt niet: 1. voor het vernieuwen, veranderen of vergroten van woningen, andere geluidgevoelige gebouwen of geluidgevoelige terreinen overeenkomstig de regels van dit plan, mits daarbij de afstand tot het gezoneerde industrieterrein niet wordt verkleind, de bouwhoogte van het gebouw niet toeneemt, het aantal woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen niet toeneemt en wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor de karakteristieke geluidwering uit het Bouwbesluit; 2. indien burgemeester en wethouders ten behoeve van de bouw van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen of aanleg van geluidsgevoelige terreinen een hogere grenswaarde hebben vastgesteld en wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor de karakteristieke geluidwering uit het Bouwbesluit; 3. indien door middel van akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat door het treffen van een maatregel een situatie kan worden gecreëerd, waardoor wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde; 4.
indien de naar het gezoneerde industrieterrein gekeerde gevel van de woning of van het andere geluidsgevoelige gebouw voldoet aan de voorwaarden, zoals vermeld in artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder en door middel van akoestisch onderzoek is aangetoond, dat minimaal sprake is van één geluidluwe gevel (geluidsbelasting minder dan 50 dB(A)). Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door: 1. het wijzigen van de geluidzone - industrie, waarbij aangetoond dient te worden dat de geluidsbelasting in het gebied dat ophoudt deel uit te maken van de geluidzone - industrie lager is dan 50 dB(A); 2. het opheffen van de geluidzone - industrie, met dien verstande dat opheffing uitsluitend kan plaatsvinden wanneer de bestemming van het betrokken industrieterrein zodanig is gewijzigd dat het geen gezoneerd industrieterrein meer is.
14.2
Overige zones
14.2.1
overig - b odemdalingsgeb ied
a.
b.
Onverminderd hetgeen in de regels van alle bestemmingen in dit plan is bepaald, is het bouwen van nieuwe omgevingsvergunningplichtige bouwwerken binnen de op de verbeelding met gebiedsaanduiding "overig - bodemdalingsgebied" aangegeven gronden, slechts toelaatbaar indien: 1. het bevoegd gezag schriftelijk advies heeft ingewonnen bij het Staatstoezicht op de Mijnen over de te verwachten veiligheidsrisico's als gevolg van bodeminstabiliteit in relatie tot de perceelslocatie en verwachte levensduur van het gebouw; 2. De verzoeker van de omgevingsvergunning aantoont aan het bevoegd gezag dat het onder 1 bedoelde advies wordt opgevolgd. Onverminderd hetgeen in de regels van alle bestemmingen in dit plan is bepaald, is het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4 sub a, artikel 4.8 sub a, onder 3, 4 en 5, artikel 5.4 sub a, artikel 6.5 sub a, onder 2, 3 en 4 en artikel 7.5 sub a, onder 2, 3 en 4, binnen de op de verbeelding met gebiedsaanduiding "overig - bodemdalingsgebied" aangegeven gronden, slechts toelaatbaar indien: 1. het bevoegd gezag schriftelijk advies heeft ingewonnen bij het Staatstoezicht op de Mijnen over de te verwachten veiligheidsrisico's als gevolg van bodeminstabiliteit in relatie tot de perceelslocatie en verwachte levensduur van het werk; 2.
De verzoeker van de omgevingsvergunning aantoont aan het bevoegd gezag dat het onder 1 bedoelde advies wordt opgevolgd.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
35
14.2.2 a.
b.
c.
d.
archeologisch onderzoeksgeb ied b
Ter plaatse van de aanduiding "archeologisch onderzoeksgebied b” mogen, in afwijking van het bepaalde elders in de regels van dit plan, geen bouwwerken worden gebouwd en/of werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden worden uitgevoerd die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een bodemverstoringsoppervlakte meer dan 2.500 m². Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor de bouw van bouwwerken of uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden ten behoeve van de daar voorkomende bestemming(en), indien uit archeologisch vooronderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel indien daardoor geen onevenredige aantasting plaats vindt van de aanwezige archeologische waarden. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afzien van het laten uitvoeren van archeologisch vooronderzoek als bedoeld onder b indien zij van oordeel zijn dat door bodemingrepen het terrein ter plaatse reeds zodanig is verstoord dat er redelijkerwijs geen sprake meer is van mogelijke aantasting van archeologische waarden. Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door: 1.
de aanduiding “archeologisch onderzoeksgebied b” geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betreffende locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; 2. aan gronden de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" toe te kennen ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betreffende locatie archeologische waarden aanwezig zijn waarvoor op grond van de Erfgoedwet in het bestemmingsplan een beschermende bestemmingsregeling dient te worden opgenomen.
36
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
Artikel 15
15.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan: a. b. c.
d.
e. f.
g. h.
15.2 a.
b.
c.
voor het afwijken van de in het plan voorgeschreven maten, afmetingen en percentages met ten hoogste 10%; voor het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geeft; voor het uitvoeren van een bouwplan, indien op grond van de definitieve uitmeting van het bouwperceel of in verband met de verkaveling of situering blijkt dat aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk zou zijn en de afwijking van zodanig ondergeschikte aard blijft, dat de structuur van het bestemmingsplan niet wordt aangetast; voor de bouw van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie en overige antennes, zend- en sirenemasten, met uitzondering van antenne-installatie voor zendamateurs, tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter; voor de bouw van een antenne-installatie voor zendamateurs, tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter; voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, met uitzondering van: 1. erf- en perceelsafscheidingen; 2. antenne-installaties; 3. (bouwwerken ten behoeve van) buisleidingen, voorzover gelegen binnen de bestemming 'Groen'.
geluidwerende voorzieningen tot een maximum hoogte van 10 meter; voorzieningen ten behoeve van visuele afscherming van bedrijfsactiviteiten tot een maximum van 10 meter. Toepassingscriteria Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.1 onder d wordt getoetst aan de volgende criteria: 1. De installatie is noodzakelijk voor het kunnen (blijven) garanderen van 100% dekking; 2. Medegebruik van bestaande installaties is redelijkerwijs niet mogelijk; 3. Plaatsing is alleen toegestaan nabij bestaande bebouwing en/of infrastructuur; 4. Een antennemast met bijbehorende installatie dient op een zorgvuldige wijze landschappelijk en stedenbouwkundig te worden ingepast; 5. Er wordt voor het overige voldaan aan de bepalingen in het Antenneconvenant 2010 dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een nieuw convenant, aan het gewijzigde respectievelijk nieuwe convenant. De onder a genoemde omgevingsvergunning wordt niet verleend voor plaatsing van een antennemast en/of antenne-installaties op de hierna genoemde locaties: 1. Op en/of nabij monumenten, indien daardoor (het zicht op) het monument wordt of kan worden geschaad; 2. In of nabij natuurgebieden; 3. In landschappelijk waardevolle gebieden en open landschappen; 4. In of nabij historische stadsparken; 5. Op of nabij begraafplaatsen.
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.1 onder e wordt getoetst aan de beleidsregel 'Beleid Antenne Installaties Zendamateurs' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
37
Artikel 16
16.1
Algemene wijzigingsregels
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen: a.
voor een wijziging in de situering van bestemmingsgrenzen en bouwvlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat verschuivingen in verband met ingekomen bouwplannen wenselijk of noodzakelijk zijn, mits de bestemmingsgrenzen of bouwgrenzen niet meer dan 5 meter worden verschoven; voor het bouwen van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie en overige antennes, zend- en sirenemasten, met uitzondering van antenne-installaties voor zendamateurs, met een maximum bouwhoogte van 50 meter.
b.
16.2 a.
b.
Toepassingscriteria Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 16.1 onder b wordt getoetst aan de volgende criteria: 1. De installatie is noodzakelijk voor het kunnen (blijven) garanderen van 100% dekking; 2. Medegebruik van bestaande installaties is redelijkerwijs niet mogelijk; 3. Plaatsing is alleen toegestaan nabij bestaande bebouwing en/of infrastructuur; 4. Een antennemast met bijbehorende installatie dient op een zorgvuldige wijze landschappelijk en stedenbouwkundig te worden ingepast; 5. Er wordt voor het overige voldaan aan de bepalingen in het Antenneconvenant 2010 dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een nieuw convenant, aan het gewijzigde respectievelijk nieuwe convenant. De onder a genoemde wijzigingsbevoegdheid wordt niet verleend voor plaatsing van een antennemast en/of antenne-installaties op de hierna genoemde locaties: 1. Op en/of nabij monumenten, indien daardoor (het zicht op) het monument wordt of kan worden geschaad; 2. In of nabij natuurgebieden; 3. In landschappelijk waardevolle gebieden en open landschappen; 4. In of nabij historische stadsparken; 5. Op of nabij begraafplaatsen.
38
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
Artikel 17
17.1
Algemene procedureregels
Procedureregels wijziging
Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, zoals bedoeld in deze regels, gelden de procedureregels zoals voorgeschreven in artikel 3.9a, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening, met dien verstande dat: a. b. c.
17.2
indien het een besluit op aanvraag betreft, burgemeester en wethouders de aanvrager zo nodig in de gelegenheid stellen te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen; indien tegen het ontwerp-besluit zienswijzen naar voren zijn gebracht, het besluit tot het al dan niet vaststellen van de wijziging of uitwerking met redenen wordt omkleed; burgemeester en wethouders het besluit tot het al dan niet vaststellen van de wijziging bekend maken aan de aanvrager en eventuele indieners van zienswijzen. Afwegingskader voor afwijkingen, wijziging en nadere eisen
Bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, wijzigingsbevoegdheid of een bevoegdheid tot het bij een omgevingsvergunning stellen van nadere eisen, zoals bedoeld in deze regels, geldt, aanvullend op andere daarbij gestelde voorwaarden in deze regels, als voorwaarde dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van: het woon- en leefklimaat; het straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding; de milieusituatie; de cultuurhistorische waarde; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
39
Artikel 18
18.1
Parkeren en laden en lossen
18.1.1 a.
Overige regels
Parkeerregels
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en / of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor: 1. het parkeren of stallen van auto's en fietsen; 2. het laden of lossen van goederen; 3. het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden. De onder a genoemde voorzieningen voor parkeren en laden of lossen worden gerealiseerd op eigen terrein, in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort respectievelijk op of onder het onbebouwde terrein waarvan het gebruik wordt gewijzigd.
b.
18.1.2
Afwijken van de parkeerregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.1.1: a.
indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of voor zover aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
b.
18.1.3
Voorwaarden voor het afwijken van de parkeerregels
De in lid 18.1.2 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorwaarden in lid 17.2. 18.1.4
Beleidsregels
Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in de leden 18.1.1 en 18.1.2 wordt getoetst aan de beleidsregel 'Parkeernormennota Enschede 2017' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel. 18.2
Bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater
Bij (vervangende) nieuwbouw en (vervangend) nieuw overig verhard oppervlak gelden in aanvulling op het bepaalde elders in de regels van dit plan de volgende regels: a.
b.
c. d.
hemelwater afkomstig van bebouwing en overig verhard oppervlak dient op het bij die bebouwing en/of verharding behorende terrein dan wel in of op de te realiseren bebouwing zelf te worden geborgen en/of in de bodem geïnfiltreerd, bij voorkeur in combinatie met drainage; de bergingsopgave als bedoeld onder a bedraagt: 1. tenminste 20 mm voor te vervangen verhard oppervlak; 2. tenminste 40 mm voor het per saldo nieuwe verharde oppervlak ten opzichte van het voorheen verharde oppervlak. de onder a bedoelde berging of infiltratie van hemelwater dient af te wateren op een voorziening voor de ontvangst van hemelwater in het openbaar toegankelijk gebied; Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a indien berging of infiltratie van hemelwater op eigen terrein redelijkerwijs niet op doelmatige wijze mogelijk is.
40
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 Artikel 19
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
19.1
Overgangsrecht bouwwerken
19.1.1
Overgangsbepaling
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. b.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
19.1.2
Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid 19.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 19.1.3
Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Lid 19.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 19.2
Overgangsrecht gebruik
19.2.1
Overgangsbepaling
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 19.2.2
Strijdig geb ruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 19.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 19.2.3
Verboden geb ruik
Indien het gebruik, bedoeld in lid 19.2.1, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 19.2.4
Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Lid 19.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
41
19.3
Hardheidsclausule
Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan grond en bouwwerken gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kan met het oog op beëindiging op termijn van die met het plan strijdige situatie, ten behoeve van die persoon of personen door het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning van dat overgangsrecht worden afgeweken.
42
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
Artikel 20
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Boeldershoek 2018".
bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)
43
Colofon Dit is een uitgave van: Afdeling Bestemmen Cluster Omgeving & Recht Gemeente Enschede
© Augustus 2021, gemeente Enschede