CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Toelichting en regels

Raadsvergadering 10 juni 2024, gemeente enschedeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek22.507 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Het Rutbeek kent alleen toevoer door kwel en regen water. Om de water kwaliteit te kunnen garanderen geldt dat toevoer alleen plaatsvind middels kwelwater en regenwater. Dit is uitgewerkt in de eis voor hemelwater. Hemelwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt 55 millimeter. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken. In het onderhavige geval geld dat het water van verharding gezuiverd en vertraagd geloosd dient te worden. Het meest voor de hand liggend is een bodempassage zoals een wadi.

Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. Afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt ervoor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van hemelwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA) of helofytenfilter worden ingericht. In dit plan is wel aansluiting mogelijk op de drukriolering. De bestaande drukriolering kan dit water niet verwerken. Daarom moet het afvalwater worden verpompt naar een geschikt lozingspunt en moet een nieuwe leiding en gemaal worden aangelegd om te kunnen lozen op een waterschapsgemaal ten noorden van het plangebied. Dit betreft een bovenwijkse voorziening dat is opgenomen in de intentieovereenkomst.

Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijven. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken. Het aftoppen van grondwaterstandspieken middels drainage is wel toegestaan. Watergangen in beheer bij het waterschap vallen onder de keur en zijn ontheffingsplichtig bij werkzaamheden binnen 5 meter van de insteek.

48

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

Grondwater en ontwatering

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen voor de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren. De gemeente treft alleen maatregelen, mits dit doelmatig is. Deze maatregelen worden dan in de openbare ruimte uitgevoerd.

De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Ontwatering is het verschil tussen het peil van de weg of de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Wegen: ontwateringsdiepte van 0,70 meter, waarbij een zandbed met minimale dikte van 0,50 m aanwezig moet zijn. Een te hoge grondwaterstand kan opvriezen en opdooi van de fundering van de weg veroorzaken. Bebouwing: de ontwateringsdiepte van bebouwing hangt af van het type gebouw. Voor woningen of gebouwen met een niet-waterdichte kruipruimte die goed toegankelijk moet zijn, dient de ontwatering zodanig te zijn dat zich geen grondwater in de kruipruimte bevindt. Als norm wordt vaak gehanteerd dat het grondwater tenminste 0,20 m beneden de vloer van de kruipruimte moet staan. Uitgaande van een 0,50 m hoge kruipruimte en een vloerdikte (woonvloer) van 0,20 m betekent dit een afstand van 0,90 m tussen de GHG en de bovenzijde van de vloer. Door kruipruimteloos te bouwen kan de ontwateringsnorm onder bepaalde voorwaarden met 0,30 m verminderd worden. Groen / onbebouwd en onverhard terrein: voor deze bestemming wordt meestal een ontwateringdiepte van 0,50 m –mv geadviseerd. Langdurige te hoge grondwaterstanden beïnvloeden de beworteling nadelig.

Afwatering Om op perceel niveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende adviesnormen: Het vloerpeil van de bebouwing minimaal 0,20 m boven het dichtstbijzijnde wegpeil leggen. Perceel vlak of richting de weg af laten lopen. De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.

Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Mits de randvoorwaarden zijn uitgewerkt in het ontwerp en er een waterhuishoudkundig plan is opgesteld ter goedkeuring aan de gemeente bij de vergunningsaanvraag. Het waterhuishoudkundig plan moet worden opgesteld (en goedgekeurd).

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

49

5.3

Natuur

5.3.1

Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming (Wnb) bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Nederland en Duitsland hebben verschillende Natura 2000-gebieden aangewezen. Die gebieden worden beschermd door (onder meer) een vergunningplicht voor projecten (artikel 2.7 lid 2 jo. 2.8 Wnb) en de zogenaamde 'plantoets' voor plannen (artikel 2.7 lid 1 jo. 2.8 Wnb). Voordat een bestemmingsplan kan worden vastgesteld moet dan ook de Natura 2000- 'plantoets' worden doorlopen. Die bestaat uit verschillende stappen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling waar een bestemmingsplan in voorziet moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Dat volgt uit artikel 2.7 lid 1 Wnb. Dit wordt onderzocht in een zogenaamde 'voortoets'. Daarin worden de effecten van het beoogde plan beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

De referentiesituatie betreft de feitelijke, planologisch legale situatie in het plangebied voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Wanneer in de voortoets significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient op grond van artikel 2.8 lid 1 van de Wnb voor het plan een passende beoordeling te worden verricht. Het plan kan dan alleen worden vastgesteld wanneer uit die passende beoordeling volgt dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied niet worden aangetast (daargelaten de ADC-toets). Dat volgt uit artikel 2.8 lid 3 van de Wnb. Om tot het oordeel te komen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantast, mag in de passende beoordeling onder voorwaarden rekening worden gehouden met 'mitigerende maatregelen'. Een vorm van een mitigerende maatregel is een externe salderingsmaatregel. Daarmee wordt gedoeld op een maatregel waarmee 'vergund' gebruik - middels een natuurvergunning of een milieutoestemming van voor de relevante referentiedatum (i.c. 7 december 2004 en 24 maart 2000) - wordt beëindigd dat plaatsvindt of zonder natuurvergunning nog plaats kan vinden buiten de begrenzing van de betreffende ruimtelijke ontwikkeling waarin het plan voorziet.

Wanneer uit de passende beoordeling volgt dat niet verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, kan het plan alleen worden vastgesteld indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd. Dit betreft de zogenaamde ADC-toets. De plantoets omvat niet (ook) een uitvoerbaarheidstoets, waarin wordt beoordeeld of het te zijner tijd mogelijk is om een natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 Wnb te verkrijgen. Bij het bestemmen van gronden hoeft dan ook niet beoordeeld te worden of ten behoeve van de latere invulling van het plan een natuurvergunning kan en moet worden verleend. Het plan moet zelfstandig getoetst worden aan 2.7 lid 1 jo. 2.8 Wnb. Dit betekent ook dat bijvoorbeeld niet (direct noch indirect) getoetst wordt aan hoofdstuk 2 uit de provinciale beleidsregel Natuur Overijssel 2024. Die ziet immers op de natuurvergunningplicht. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Zie hierover ABRS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318 (Moerdijk), r.o. 5.2.

Beschermde Natura 2000-gebieden en bestemmingsplan “Recreatiepark Rutbeek” Het plangebied van het bestemmingsplan “Recreatiepark Rutbeek” ligt ten zuidoosten van de recreatieplas het Rutbeek en bestaat in de huidige situatie uit bos en weilanden. Met het bestemmingsplan wordt de realisatie van een bungalowpark met bijbehorende voorzieningen en infrastructuur mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt niet in een beschermd Natura 2000-gebied, maar op vrij ruime afstand daarvan. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden in Nederland en Duitsland zijn hieronder weergegeven.

50

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

Gelet op de afstand kan op voorhand met uitzondering van stikstofdepositie worden uitgesloten dat door het plan mogelijk significante gevolgen kunnen optreden. Denk daarbij aan geluidhinder, oppervlakteverlies, betreding, etc. (zie voor de overige effecten dan stikstof ook de bijlage van de plantoelichting). Dat geldt dus niet voor effecten vanwege stikstofdepositie (verzuring en vermesting). Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat als gevolg van de planontwikkeling door stikstofdepositie en/of verzuring/vermesting mogelijke negatieve effecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden kunnen optreden. Dat volgt uit de door Windmill opgestelde voortoets van 20 februari 2024, opgenomen als bijlage van de plantoelichting. In die voortoets is aan de hand van een reële invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan stikstofberekeningen opgesteld met het meest recente AERIUS-Calculator rekenprogramma. Er zijn stikstofberekeningen gemaakt van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Voor de aanlegfase wordt een (tijdelijke) stikstofdepositie berekend van maximaal 0,13 mol N/ha/jaar op overbelast habitat in het Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen.

Voor de gebruiksfase wordt een (permanente) stikstofdepositie berekend van maximaal 0,11 mol N/ha/jaar over belast habitat in het Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. Ook op andere Natura 2000-gebieden wordt een toename berekend (zij het een veel geringere toename). In de voortoets wordt geconcludeerd: “ In het kader van de voortoets kunnen ten gevolge van het plan significant negatieve gevolgen ter plaatse van Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten.”

Gelet op deze resultaten moet voor wat betreft het aspect stikstof een passende beoordeling worden vervaardigd. Voor overige mogelijke verstoringseffecten kan een nadere toetsing aan hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming dus achterwege blijven. Dat zou alleen noodzakelijk zijn geweest als het plangebied in of in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied zou zijn gelegen. De passende beoordeling voor het aspect stikstof is neergelegd in het rapport 'Passende beoordeling realisatie vakantiepark Rutbeek te Enschede', d.d. 11 maart 2024, uitgevoerd door Tuitert Natuuronderzoek i.s.m. Natuurbank Overijssel, opgenomen als bijlage van de plantoelichting. In die passende beoordeling is rekening gehouden met de (partiële) bedrijfsbeëindiging van het agrarische bedrijf gelegen aan de Eggelmorsweg 80 in Enschede. Dit betreft een externe salderingsmaatregel. Aan het gebruik van een externe salderingsmaatregel worden door de Afdeling bestuursrechtspraak voorwaarden gesteld. De voorwaarden zijn voor het eerst uiteengezet in AbRS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ757 en zijn nadien meermaals herhaald. Zie bijvoorbeeld AbRS 28 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2793, r.o. 55.7 en (specifiek voor de plantoets) AbRS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318 (Moerdijk). Wij hebben getoetst of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Daar is in dit geval sprake van.

Zo beschikt de saldogevende activiteit over de vereiste 'vergunde rechten'. Het agrarische bedrijf aan de Eggelmorsweg 80 in Enschede beschikt namelijk over een Hinderwetvergunning van 3 juli 1980 en daarmee over een vergunning van voor de relevante referentiedata gelet op de inwerkingtreding van het Habitatrichtlijnbeschermingsregime voor wat betreft de verschillende Natura 2000-gebieden. Er is geen latere milieutoestemming verleend met minder gevolgen en de capaciteit (stallen met de vergunde huisvestingssystemen) zijn ook nog steeds aanwezig en kunnen ook zonder natuurvergunning volledig in gebruik worden genomen. In dit geval wordt er gesaldeerd – zo volgt uit de passende beoordeling - met de gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging voor wat betreft 47 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar in een overig huisvestingssysteem HA1.100 (als bedoeld in Bijlage V bij de Omgevingsregeling). Daarbij is relevant dat er ook sprake is van een directe samenhang tussen deze saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit (recreatiepark Rutbeek). De initiatiefnemer heeft namelijk een salderingsovereenkomst gesloten

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

51

(opgenomen als bijlage bij de plantoelichting), waaruit volgt dat het bedrijf (voor wat betreft de 47 koeien) expliciet beëindigd wordt ten behoeve van de aanleg en ingebruikname van het Recreatiepark Rutbeek waarin het bestemmingsplan voorziet. In deze overeenkomst is ook geregeld dat de milieutoestemming wordt ingetrokken c.q. de bedrijfsactiviteiten worden afgemeld. Volledigheidshalve hebben wij dit ook geborgd in de planregels (artikel 5.5). Daaruit volgt dat de bouw en ingebruikname van gronden overeenkomstig de bestemming Recreatie-Verblijfsrecreatie uitsluitend is toegestaan, indien de gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging bij het bevoegd gezag is gemeld, het huisvestingssysteem voor de 47 koeien is verwijderd en de bedrijfsvoering voor wat betreft het beëindigen van de 47 koeien ook gestaakt is en gestaakt blijft. Daarmee is verzekerd dat de saldogevende activiteit daadwerkelijk is en wordt beëindigd, voordat de stikstofemissie als gevolg van de saldo-ontvangende ontwikkeling (recreatiepark Rutbeek) plaatsvindt. Ook aan de overige vereisten voor externe saldering (zoals additionaliteit) wordt voldaan, zo volgt uit de passende beoordeling in samenhang met de stikstofovereenkomst.

Daarvoor is allereerst relevant dat het agrarische bedrijf ook niet in aanmerking komt (heeft zich ook niet gemeld en kan ook niet een dergelijke melding indienen) om beëindigd te worden ter uitvoering van de in werking getreden Beheerplannen voor de verschillende Natura 2000-gebieden, PPLG, Gebiedsanalyses PAS dan wel in het kader van de Landelijke beëindigingsregelingen voor de veehouderij (zoals de LBV(plus)). Bovendien vindt er de facto een (zeer ruime meer dan 65%) afroming plaats ten opzichte van de 30% uit het provinciaal kader dat geldt voor de natuurvergunningverlening. Een groot deel van de beëindiging kan dan ook worden beschouwd als een instandhoudingsmaatregel voor de verschillende Natura 2000-gebieden (in plaats van een externe salderingsmaatregel ten behoeve van dit bestemmingsplan). Daarnaast volgt uit de passende beoordeling dat er in de Natura 2000-gebieden sprake is van een dalende trend qua stikstofdepositie. Gelet op het succes van de landelijke opkoopregelingen (waaronder de LBV plus regeling) waar in de betreffende Natuurdoelanalyses nog geen rekening mee is gehouden is duidelijk dat deze trend zich ook in de toekomst zal doorzetten. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de provincie ten behoeve van de Natura 2000-gebieden de externe salderingsmaatregel zal opkopen en beeindigen als instandhoudingsmaatregel.

Uit de passende beoordeling volgt dat – gelet op de inzet van de externe salderingsmaatregel – geen sprake is van een toename van stikstof in de omliggende Natura 2000-gebieden. Nergens is sprake van een stikstofdepositietoename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Sterker nog, er is sprake van een duidelijke afname op stikstofgevoelig habitat in het Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen, rekening houdend met een afroming van 30% (zie passende beoordeling). Ook in overige Natura 2000-gebieden is sprake van een afname (dat geldt overigens ook voor de Duitse Natura 2000-gebieden). Het plan staat ook niet in de weg aan de uitvoering van herstel- en instandhoudingsmaatregelen in de Natura 2000-gebieden. Zo volgt ook uit de passende beoordeling. Gelet op deze resultaten is met zekerheid uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden door het bestemmingsplan worden aangetast. Het plan kan dan ook in overenstemming met de Wet natuurbescherming worden vastgesteld.

Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming natuurgebieden Op grond van het voorgaande is uitgesloten dat het bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden aantast. Het bestemmingplan kan in overeenstemming met artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming worden vastgesteld.

5.3.2

Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten

In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen van en/of de functionele leefomgeving van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van

52

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen. Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor eventueel aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden (zie bijlagen van de toelichting).

Beschermde soorten en het plangebied “Recreatiepark Rutbeek”

Wet natuurbescherming, hoofdstuk soortenbescherming en het plangebied: In het plangebied zijn de afgelopen tien jaar diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd. Er is daarmee een goed beeld verkregen van de aanwezige soortenrijkdom en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten. Ten behoeve van de uitvoerbaarheidstoets van het bestemmingsplan is door adviesbureau Natuurbank Overijssel een geactualiseerde integrale effectenbeoordeling uitgevoerd uit 2024 (zie bijlage van de toelichting). Uit deze effectenbeoordeling blijkt dat voor levendbarende hagedis en eekhoorn, wezel en grote bosmuis een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is alvorens de beoogde ontwikkeling gerealiseerd kan worden. In de effectenbeoordeling is voldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke ontheffingen ook redelijkerwijs verleend zullen kunnen worden door het bevoegd gezag Wet natuurbescherming. Voor levendbarende hagedis is het noodzakelijk om net buiten de ontwikkellocatie compenserende maatregelen uit te voeren ter behoud van voldoende geschikt leefgebied. De realisatie van deze maatregelen heeft een directe relatie met de in het bestemmingsplan mogelijk te maken ruimtelijke ontwikkeling en de tijdige uitvoering daarvan zal dus ook in het bestemmingsplan moeten worden geborgd.

Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van planten- en diersoorten op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het plangebied: Het plangebied is niet gelegen op gronden die onderdeel uitmaken van het NNN. Een inhoudelijke toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven.

Conclusie NNN Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het NNN geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Conclusie Wet natuurbescherming: Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek.

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

53

54

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planopzet

Algemeen

Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a.

b.

c. d.

een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen.

Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen. Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

In het bestemmingsplan "Recreatiepark Rutbeek" is gekozen voor een mix tussen een gedetailleerd en een globaal eindplan. Er wordt vastgelegd hoeveel, waar en hoe hoog e.d. er gebouwd mag worden en ook het beoogde gebruik wordt vastgelegd. Het is alleen niet dusdanig gedetalieerd dat er individuele bouwvlakken zijn opgenomen voor de recreatiewoningen. In het onderhavige geval is gekozen voor één groot bouwvlak voor het te bebouwen gebied.

Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 6.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Recreatiepark Rutbeek" is gekozen.

6.2

Indeling planregels

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken.

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

55

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c. d.

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels; Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 - Algemene regels; Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan “Recreatiepark Rutbeek”. In Artikel 1, Begrippen, zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee wordt een eenduidige interpretatie van de begrippen vastgelegd. Artikel 2, Wijze van meten, geeft bepalingen hoe onder meer de hoogtes van gebouwen en de inhoud van gebouwen gemeten moeten worden en hoe bepaalde eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 geeft een omschrijving - de juridische vertaling - van de verschillende in het plangebied voorkomende en op de verbeelding opgenomen bestemmingen. Bij de indeling van de bestemmingsregels wordt conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: a. b. c. d. e. f. g.

h.

i.

bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); nadere eisen (regels op grond waarvan nadere eisen aan bouwwerken en de situering daarvan kunnen worden gesteld); afwijken van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); specifieke gebruiksregels (regels die aangeven welk specifiek gebruik verboden is); afwijken van de gebruiksregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk is); omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden er een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk noodzakelijk is); wijzigingsbevoegdheid (regels die aangeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden onderdelen van het plan gewijzigd kunnen worden).

Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, bestaande uit de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik van gronden. Deze artikelen bevatten regels die als doel hebben de rechtstoestand tijdens de overgang naar een nieuw bestemmingsplan vast te leggen. De "Slotregel" geeft de naam van het bestemmingsplan aan.

56

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

6.3

Beschrijving van het plan

Hieronder worden de in het bestemmingsplan voorkomende bestemmingen en aanduidingen beknopt beschreven. 6.3.1

Bestemmingen

Bos (artikel 3) De voor Bos aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de houtproductie en voor de bescherming, instandhouding en verbetering van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden.

Natuur (artikel 4) De gronden die uitsluitend een natuurfunctie hebben, zijn bestemd als "Natuur" Dat betekent, dat zij zijn bestemd voor de bescherming, instandhouding en verbetering van de landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische, archeologische en natuurlijke waarden. Kleinschalige vormen van recreatie zoals wandelen en fietsen, zijn toegestaan voor zover de genoemde waarden hierdoor niet worden geschaad.

Recreatie - Verblijfsrecreatie (artikel 5) De bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend aan het gebied dat daadwerkelijk wordt ingezet voor het gebruik en bebouwing voor het recreatiepark. De voor Recreatie - Verblijfsrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor het bedrijfsmatig gelegenheid bieden voor verblijfsrecreatie in een complex van recreatiebungalows, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals een restaurant, een kinderdagverblijf, een receptie, met daaraan ondergeschikt twee bedrijfswoningen en overige bijbehorende voorzieningen, zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag, groen- en speelvoorzieningen.

Verkeer (artikel 6) De bestemming "Verkeer" is toegekend aan de hoofdverkeerswegen in het plangebied, met de daarbij behorende gronden, bouwwerken en voorzieningen. Op gronden met deze bestemming mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming, straatmeubilair en (openbare) nutsvoorzieningen worden gebouwd. Bestaande functies die afwijken van hetgeen is toegestaan binnen deze bestemming zijn met een maatwerkfunctieaanduiding positief bestemd.

6.3.2

Functieaanduidingen

Parkeren (artikel 5.2.5) Binnen de recreatieve bestemming is een zone aangegeven die bedoeld is voor een parkeervoorziening behorende bij het restaurant. Aangezien ook mensen die niet op het park verblijven gebruik kunnen maken van de horecafaciliteiten is de parkeervoorziening apart aangeduid. De centrale parkeervoorziening die geheel tot het park en het verblijf aldaar behoort is daarom niet apart als aanduiding opgenomen.

Horeca (artikel 5.2.4) Binnen de recreatieve bestemming is een zone aangegeven die bedoeld is voor de realisatie van het restaurant op het park.

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

57

6.3.3

Algemene regels

anti-dubbeltelregel (artikel 7) De anti-dubbeltelregel is een wettelijk voorgeschreven regel die bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan bij de beoordeling van latere bouwplannen voor die grond buiten beschouwing blijft. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt.

algemene bouwregels (artikel 8) In de algemene bouwregels zijn twee categorieën bouwregels opgenomen: bouwregels die uitsluitend van toepassing zijn wanneer daar in de bouwregels van een bestemming naar wordt verwezen en bouwregels die van toepassing zijn bij alle bestemmingen. De eerste categorie betreft algemene bouwregels voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, bebouwing buiten het bouwvlak en overige bouwwerken met de daarbij behorende afwijkingsregels. De tweede categorie betreft het onderkelderen van gebouwen en terreinen en het bouwen van nutsvoorzieningen.

algemene gebruiksregels (artikel 9) In de algemene gebruiksregels zijn naast een algemeen gebruiksverbod ook enkele op specifieke situaties gerichte gebruiksregels opgenomen. In het algemeen gebruiksverbod is geregeld dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel dat niet in overeenstemming is met de in dit bestemmingsplan aan die gronden en bouwwerken gegeven bestemming(en). Van deze regel uitgezonderd is het van het afwijkend gebruik dat door burgemeester en wethouders is toegestaan bij een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met ruimtelijke regelgeving. De op specifieke situaties gerichte gebruiksregels hebben betrekking op het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in combinatie met wonen, het verbod op de verkoop, vervaardiging, verwerking en opslag van vuurwerk en het gebruik van gronden en bouwwerken die niet zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein als geluidzoneringsplichtige inrichting.

algemene afwijkingsregels (artikel 10) In de algemene afwijkingsregels is geregeld onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders in concrete gevallen bij een omgevingsvergunning kunnen afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen (algemene) bouw- en/of gebruiksregels.

algemene procedureregels (artikel 11) In de algemene procedureregels wordt verwezen naar de wettelijk voorgeschreven procedureregels voor de toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheden, aangevuld met enkele specifieke gemeentelijke procedureregels.

overige regels (artikel 12) In het artikel 'overige regels' zijn regels opgenomen die aanvullende werking hebben op de bouw- en gebruiksregels in het bestemmingsplan. Het betreft de regels voor het op eigen terrein realiseren van voldoende voorzieningen voor parkeren en laden en lossen en de regels voor het bij nieuwbouw op eigen terrein realiseren van voldoende voorzieningen voor het bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater.

58

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

6.4

Handhaving

Bestemmingsplannen zijn bindend voor iedereen: burgers, ondernemers en de overheid zelf. Het is een juridisch kader voor burgers en ondernemers waaruit kan worden afgeleid wat de eigen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, maar ook wat de planologische mogelijkheden in juridische zin zijn op percelen in de directe omgeving. Aan de andere kant kan de gemeentelijke overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen als er sprake is van gebruik en/of bebouwing die niet in het bestemmingsplan passen. In het kader van de bedrijven- en milieuinventarisatie is voorafgaand aan het in procedure brengen van het bestemmingsplan onderzocht in hoeverre de functies die in het plangebied voorkomen in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan en bij geconstateerde afwijkingen eventueel gelegaliseerd kunnen worden.

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

59

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Het hoofddoel van dit bestemmingsplan is de gewenste toekomstige situatie planologisch-juridisch vast te leggen. Binnen het plangebied is het hoofddoel de ontwikkeling van het recreatiepark Het Rutbeek. De gronden in het plangebied zijn eigendom van de Regio Twente.

Exploitatieovereenkomst De gebieden in het plangebied die geen gemeentelijk eigendom zijn worden in samenwerking met de gemeente Enschede door particulieren en/of projectontwikkelaars ontwikkeld, waarbij de gemeente de kosten zal verhalen op grond van de (anterieure) exploitatieovereenkomst met de betreffende particuliere ontwikkelaars. Deze exploitatieovereenkomst is op 6 december 2016 tussen partijen gesloten. Van deze overeenkomst is overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.24 Wro op 21 december 2016 in de "Huis aan Huis" mededeling gedaan.

Exploitatieplan Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 van de Wro dient de gemeenteraad voor gronden waarop een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro is voorgenomen een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal van de grondexploitatie over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Gelet op het bovenstaande onder "Exploitatieovereenkomst" kan worden gesteld dat het kostenverhaal voldoende anderszins is verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het nu voorliggende bestemmingsplan voldoende aangetoond.

60

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

61

Bijlage 1 Overzicht bijlagen en onderzoeksrapporten

62

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

Bijlage 2 Behoeftenonderzoek recreatiewoningen Recreatiepark Het Rutbeek

bestemmingsplan Recreatiepark Rutbeek (vastgesteld)

63

  

              

  

  

    

                  

 

 

  

    

       

  

€

  

  

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=32da2c05-95db-4d56-a3a4-160a2ea9ec33