Bijlage 4 Bijlagen
Tekst van het document
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
5/18
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000gebieden
2.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) in Nederland. Projecten of handelingen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel niet toegestaan. Binnen het kader van de Wet Natuurbescherming is ook toetsing nodig van effecten in het kader van de externe werking. Bij de toetsing zijn er de volgende procedurevarianten: Geen nader onderzoek: effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten (er zijn geen Natura 2000-gebieden in de omgeving aanwezig); Voortoets: effecten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten; Verslechteringstoets: effecten kunnen op basis van de Voortoets niet worden uitgesloten, significantie hiervan wel; Passende beoordeling: significantie van effecten kan op basis van de Voortoets of Verslechteringstoets niet worden uitgesloten; ADC-toets: indien significantie van effecten op basis van de Passende beoordeling niet kan worden uitgesloten. Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is dwingende redenen van groot openbaar belang en in compensatie is voorzien. Indien negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten is in ieder geval een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming.
Voorliggende rapportage beoordeelt zowel het effect van de aanlegfase als de gebruiksfase. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwen gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Wel dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden en is mogelijk vergunning nodig voor de gebruiksfase, mits er additionele projectgerelateerde emissie van stikstof plaatsvindt. Voor het uitvoeren van de stikstofberekening van de gebruiksfase dient gebruik te worden gemaakt van de Aerius calculator. Bij een melding of vergunningaanvraag dient deze berekening te worden bijgevoegd. Bij een vergunningaanvraag zal door het bevoegd gezag worden bepaald of er nog ontwikkelingsruimte beschikbaar is voor de toename van stikstof voor de betreffende habitattypen of soorten. Op basis daarvan zal worden bepaald of een vergunning kan worden verleend.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
6/18
2.2
Inventarisatie
Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebieden-database van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Lonnekermeer en Dinkelland betreffen op een afstand van respectievelijk circa 4,4 km en 5,6 km tot het plangebied. Beide Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen. In figuur 2.1 is een globaal overzicht weergegeven van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000gebieden in de omgeving.
Figuur 2.1
Globale ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden Lonnekermeer (geel) en Dinkelland (paars).
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
7/18
2.3
Analyse van de mogelijke effecten
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is het Lonnekermeer op circa 4,4 km. Directe aantasting, zoals oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied, is niet aan de orde omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied plaatsvinden. De nieuwe situatie is gelijk aan de huidige, waardoor eventuele verstoring alleen is te verwachten tijdens de realisatiefase. Verstoring van verstoringsgevoelige dieren door beweging, geluid, trilling en licht gedurende de realisatiefase en gebruiksfase reikt tot maximaal enkele honderden meters ver. Natura 2000-gebied Lonnekermeer bevindt zich hier ruim buiten (4,4 km). Hiermee is uitgesloten dat er effecten zijn van verstoring op de omliggende Natura 2000-gebieden. Door het uitvoeren van de werkzaamheden kan een tijdelijke en geringe toename ontstaan in de uitstoot van stikstof. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie natuurverbetering in werking getreden en geldt er een partiële vrijstelling voor de bouwsector, waardoor de stikstofemissies (en de bijhorende stikstofdepositie) in de aanlegfase niet meer leiden tot een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Disclaimer bij de partiele vrijstelling is dat deze nog niet juridisch houdbaar is gebleken en enige jurisprudentie op dit vlak nog ontbreekt.
Als de partiele vrijstelling komt te vervallen is het mogelijk dat er alsnog een Aeriusberekening nodig is. In de nieuwe situatie, waarin het gebruik niet wijzigt, is geen sprake van extra stikstofuitstoot en is geen aanvullende toetsing of Aeriusberekening nodig.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
8/18
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1
Toetsingskader
In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.): lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.): lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
9/18
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet Natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
3.2
Methode
Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek. De habitat geschiktheid beoordeling heeft plaatsgevonden op basis van luchtfoto’s en veldonderzoek van eerdere varianten. De meest kritische locaties worden gepasseerd met gestuurde boringen. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en de ruime omgeving er om heen. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: NDFF (2017 - 2022); Soortenatlassen; Verkennend natuuronderzoek kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) (Sweco, 2018 en actualisatie 2021). Habitatgeschiktheidsbeoordeling De geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten is in eerste instantie beoordeeld op basis van luchtfoto’s. Voor de ongewijzigde delen van het tracé zijn ook de veldbezoeken behorend bij de onderzoeken uit 2018 en 2021 gebruikt. Als toch aanvullend veldonderzoek nodig blijkt wordt dit bij de bereffende soortgroep aangegeven. De beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
10/18
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling is een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wet Natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet Natuurbescherming.
3.3
Voorkomende ecotopen
De voorkomende ecotopen zijn bepaald op basis van het orienterend veldbezoek. Het plangebied betreft voornamelijk bebouwde kom van Enschede en daar net buiten. De volgende ecotopen kunnen binnen het plangebied worden onderscheiden: Bomen/bosschages; aangeplante groenstroken; gazons; verharding; golfbaan; opstallen.
3.4
Planten
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten (NDFF, 2017 - 2022). Tijdens de in 2018 en 2021 uitgevoerde veldbezoeken voor een thans niet meer volledig actueel tracé zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde plantensoorten en ook de eerder uitgevoerde bronnenonderzoeken sluiten beschermde plantensoorten uit. Wel zijn tijdens de eerdere veldbezoeken onder andere de algemeen voorkomende soorten brandnetel, zevenblad, paardenbloem, duizendblad, speerdistel, madelief, harig wilgenroosje, kleefkruid en smalle weegbree waargenomen. Analyse en toetsing van mogelijke effecten De werkzaamheden hebben geen effect op plantensoorten, behorend tot de beschermingsregimes van de Wet natuurbescherming, aangezien deze niet voorkomen in het plangebied en voor beschermde soorten geen geschikte standplaatsen aanwezig zijn. Aanvullend veldonderzoek naar beschermde planten en vervolgstappen met een mogelijke ontheffingsprocedure zijn daarom niet nodig.
3.5
Vleermuizen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Er zijn nabij het plangebied geen waarnemingen bekend van vleermuizen (NDFF, 2017 - 2022). Wel komen de rosse en de ruige dwergvleermuis voor in het plangebied (Sweco, 2018). Volgens actuele verspreidingsgegevens (www.verspreidingsatlas.nl) is de kans groot dat ook gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en de watervleermuis gebruik maken van
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
11/18
het plangebied. Tijdens het veldbezoek in 2018 is één boom aangetroffen met een spleet waarin een potentieel geschikte holte aanwezig is. De holte bevindt zich echter erg laag bij de grond (circa 1 m), maar het kan niet uitgesloten worden dat deze gebruikt wordt door vleermuizen. De betreffende boom staat op het grasveld aan de Maatmanweg. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Diverse vleermuissoorten kunnen gebruik maken van het plangebied om te migreren of foerageren. Er worden echter geen gebouwen gesloopt, bomen gekapt of lijnvormige landschappelijke elementen van enige omvang verwijderd dus verdwijnt er geen essentieel leefgebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen zijn uitgesloten en aanvullend veldonderzoek is niet nodig. Wel is de zorgplicht van kracht, dat voornamelijk inhoudt dat werken met kunstlicht in de actieve periode vermeden moet worden en anders dusdanig worden afgesteld dat omliggende bosschages, bomen en gebouwen niet worden beschenen.
3.6
Overige zoogdieren
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen of nabij het plangebied zijn waarnemingen bekend van de nationaal beschermde eekhoorn, egel en steenmarter (NDFF, 2017 - 2022). Tijdens de veldbezoeken in 2018 en 2020 zijn geen aanvullende waarnemingen van zoogdieren gedaan en zijn geen vaste rust- en of verblijfplaatsen aangetroffen. Bomen en bosschages worden gepasseerd met een gestuurde boring en blijven behouden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Nader onderzoek naar de aanwezigheid van strikt beschermde zoogdiersoorten en een eventuele ontheffingsprocedure is niet nodig. Mogelijk geschikt habitat, zoals eekhoornnesten en bosschages met bomen en struiken als rustplaats en migratieroute voor egel en kleine marterachtigen blijven behouden. Aanvullend veldonderzoek is niet nodig. Verder is de nieuwe situatie gelijk aan de huidige, aangezien de kabel ondergronds wordt aangelegd. Eventuele verstoring is uitsluitend mogelijk tijdens de realisatiefase en is dus tijdelijk. Ook geldt de algemene zorgplicht voor zowel de vrijgestelde als de beschermde soorten, die zorgvuldig handelen vereist. Dit houdt voornamelijk in dat passerende zoogdieren tijdens de werkzaamheden de gelegenheid moet worden geboden het plangebied te verlaten.
3.7
Vogels
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Alle inheemse vogels zijn als Vogelrichtlijnsoort beschermd conform artikel 3.1 Wet natuurbescherming. Vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Op basis van het bronnenonderzoek is vastgesteld dat er in de directe en wijde omgeving van het plangebied meerdere (broed)vogelsoorten zijn waargenomen in en nabij het plangebied (NDFF, 2017-2022). Omdat geen bomen worden gekapt blijven mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten in de bomen in en langs het plangebied behouden. Tijdens het veldbezoek behorend bij het onderzoek uit 2018 zijn diverse bomen met mogelijke jaarrond beschermde nesten waargenomen. Omdat alle bomen behouden blijven is verder onderzoek naar de status van de nesten als jaarrond beschermd niet nodig.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
12/18
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Verstoring van vogels treedt op wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden in de nabijheid van broedende vogels rond het werkgebied. Het betreft binnen dit project broedende vogels in struiken, bermen gebouwen en bomen. Door buiten het broedseizoen te werken, wordt verstoring van broedende vogels voorkomen. De broedperiode loopt globaal van half maart tot begin augustus. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de versptoringsafstand. Als dit het geval is moet worden gewacht tot de jongen uitgevlogen zijn.
3.8
Amfibieën en Reptielen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Er zijn binnen of nabij het plangebied geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën of reptielen (NDFF, 2017 - 2022). Tijdens de veldbezoeken in behorend bij voorgaand onderzoek zijn geen aanvullende waarnemingen gedaan. Het stedelijk gebied waar het tracé wordt aangelegd omvat geen essentieel leefgebied voor beschermde amfibieën en reptielen. Ook is er nauwelijks oppervlaktewater aanwezig en waar dit wel het geval is, wordt dit gepasseerd met een gestuurde boring. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Wegens het ontbreken van essentieel leefgebied voor beschermde amfibieën en reptielen binnen het plangebied, zijn deze hier niet structureel te verwachten. Wel kunnen algemene amfibieënsoorten voorkomen binnen het plangebied en tijdens de uitvoerings-werkzaamheden het werk passeren. Voor aanwezige beschermde en vrijgestelde soorten dient de zorgplicht in acht genomen te worden, wat voornamelijk inhoudt dat deze de gelegenheid moet worden geboden het plangebied te verlaten. Er hoeft voor amfibieën en reptielen geen aanvullend onderzoek plaats te vinden of vergunning/ontheffing te worden aangevraagd.
3.9
Vissen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen of nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissoorten (NDFF 2017 – 2022). Analyse en toetsing van mogelijke effecten Aanwezige wateren binnen het plangebied worden gepasseerd door middel van een gestuurde boring (betreft de watergang nabij slagmanpad). Hierdoor blijven de aanwezige watergangen en daarmee ook potentieel geschikt leefgebied voor beschermde vissen intact. De werkzaamhedenhebben geen negatieve effecten op vissen.
3.10 Ongewervelden Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Vanuit het bronnenonderzoek zijn naast de waarneming van kleine ijsvogelvlinder bij de Maatmanweg, geen waarnemingen bekend van beschermde soorten libellen, vlinders of andere insecten (NDFF, 2017 - 2022).
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
13/18
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Binnen het plangebied is de nationaal beschermde kleine ijsvogelvlinder waargenomen. De waardplanten waar deze soort gebruik van maakt, behoren tot de familie Caprifoliaceae (onder andere de kamperfoelie). Als er geen grote hoeveelheid van deze waardplanten gaan verdwijnen, is er geen negatief effect te verwachten op de kleine ijsvogelvlinder. Omdat er geen bomen en bosschages gekapt worden tijdens de aanleg van het tracé en de nieuwe situatie gelijk is aan de huidige, zijn negatieve effecten op ongewervelden niet aan de orde.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
14/18
4
Natuurbeleidskaders
4.1
Toetsingskader
Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: Provinciaal beleid: Natuurnetwerk Nederland (NNN); NNN-beheergebieden, Natuurgebieden buiten het NNN (o.a. ganzenfoerageergebied, weidevogelleefgebied.
4.2
Natuurnetwerk Nederland
Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Inventarisatie Het plangebied ligt buiten de begrenzing van NNN. Wel gaat een klein deel van het tracé, ten noorden van de Slagmanweg 81, door de zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN (zie figuur 4.1). Dit gedeelte wordt door middel van een gestuurde boring uitgevoerd.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
15/18
Figuur 4.1
NNN in omgeving plangebied (rode lijn) (Bron: Provincie Overijssel) met legenda
Analyse en toetsing effecten De geplande werkzaamheden leiden niet tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN Overijssel, omdat het buiten de begrenzing van NNN ligt. Ook voor de zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN is geen sprake van aantasting van aanwezige waarden omdat hier een gestuurde boring wordt toegepast. Bovendien is na de werkzaamheden het gehele plangebied weer in oorspronkelijke staat.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
16/18
5
Conclusies
Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Lonnekermeer ligt op dusdanige afstand van het plangebied (circa 4,5 km) dat geen verstoring door licht, geluid of beweging zal plaatsvinden. Door het uitvoeren van de werkzaamheden kan een tijdelijke en geringe toename ontstaan in de uitstoot van stikstof. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie natuurverbetering in werking getreden en geldt er een partiële vrijstelling voor de bouwsector, waardoor de stikstofemissies (en de bijhorende stikstofdepositie) in de aanlegfase niet meer leiden tot een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Disclaimer bij de partiele vrijstelling is dat deze nog niet juridisch houdbaar is gebleken en enige jurisprudentie op dit vlak nog ontbreekt. In de nieuwe situatie, waarin het gebruik niet wijzigt, is geen sprake van extra stikstofuitstoot. Soortenbescherming Binnen het plangebied zijn naast broedvogels en vleermuizen waarnemingen bekend van eekhoorn, egel, steenmarter en kleine ijsvogelvlinder. Omdat geen bomen worden gekapt, ondergroei/houtwallen wordt verwijderd en geen gebouwen worden gesloopt, is geen sprake van negatieve effecten door de aanleg van het tracé op deze soorten. Tevens wordt de nieuwe situatie gelijk aan de huidige situatie. Aanvullend veldbezoek is niet nodig.
Om verstoring van broedende vogels te voorkomen zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg half maart t/m juli met uitloop tot halverwege augustus) uitgevoerd moeten worden. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de verstoringsafstand. Als dit het geval is moet worden gewacht tot de jongen vliegvlug zijn. Zorgplicht Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd te worden en dient waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (m.u.v. voertuigen) toegepast te worden, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen. Voor eventueel aanwezige algemene (vrijgestelde) soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het plangebied te verlaten. Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland De geplande werkzaamheden leiden niet tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN Overijssel omdat deze buiten de begrenzing plaatsvinden.
Wel wordt een deel van de zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN gepasseerd met een gestuurde boring. Dit leidt niet tot effecten op betreffend gebied.
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
17/18
Samenvattende tabel Gebiedsbescherming
Effecten
Nader onderzoek
Nadere procedure / mitigerende maatregelen
Natura 2000-gebieden: Lonnekermeer
geen
geen
geen
Soortenbescherming
Effecten
Nader onderzoek
Nadere procedure / mitigerende maatregelen
Planten
geen
geen
geen
Vleermuizen
geen
geen
Zorgplicht: - Overdag werken
Overige zoogdieren
geen
geen
Zorgplicht
Vogels
Verstoring broedvogels
Buiten broedseizoen
Werken buiten broedseizoen (half maart – begin augustus)
Amfibieën en reptielen
geen
geen
zorgplicht.
Vissen
geen
geen
zorgplicht
Ongewervelden
geen
geen
Geen
Natuurbeleidskaders
Effecten
Nader onderzoek
Nadere procedure / mitigerende maatregelen
Natuurnetwerk Nederland
Geen
Geen
Geen
Sweco | Bureauonderzoek Kabeltracé Enschede (ESDV-ESDH) Projectnummer: 51007573 Datum: 22-07-2022
Versie: 1
18/18
Notitie ‘Ontplofbare Oorlogsresten ‘Kabeltracé 2.5 Enschede’
11-07-2022 Versie D1 Auteur Jasper Molenaar Projectnummer 51000625 Onderwerp ESDV-ESDH Klant TenneT TSO B.V.
1
Projectleider René Oerlemans
Inleiding en doelstelling
In februari 2018 zijn er door Sweco Nederland B.V. diverse conditionerende onderzoeken uitgevoerd ten behoeve van een te realiseren kabeltracé te Enschede. Het betrof een tracé tussen het 110 kV station Enschede/ G.J. van Heekstraat (ESDH110) en het 110 kV station Enschede/Vechtstraat (ESDV110). Gedurende de vervolgfase zijn er twee tracéwijzigingen doorgevoerd. Het herziene tracé (verder: onderzoeksgebied) is in figuur 1 en bijlage 1 weergegeven. In het kader van de Arbowet en de openbare orde en veiligheid dient het onderzoeksgebied onderzocht te worden op het risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten1 (OO) alvorens grondroerende werkzaamheden doorgang kunnen vinden. In voorliggende notitie is het risico op het gebied van OO geëvalueerd. Het resultaat van deze check is een OO-bodembelastingkaart (zie bijlage 2) met bijbehorend advies (zie hoofdstuk 3).
Figuur 1
1
Onderzoeksgebied.
Achtergelaten ontplofbare munitie en niet-gesprongen munitie. Voorheen ook bekend onder de noemers Niet Gesprongen Explosieven (NGE) en Conventionele Explosieven (CE).
Sweco
Postbus 203
Sweco Nederland B.V.
Jasper Molenaar
NL 3730 AE De Bilt
Handelsregister 30129769
Consultant III
Netherlands
Statutair gevestigd te De Bilt
jasper.molenaar@sweco.nl
T +31 (0) 88 811 6600
M +31 6 23010315
www.sweco.nl
Document referentie NL22-648800269-27957
1/7
2
Inventarisatie en analyse
Voor het onderzoeksgebied is reeds eerder onderzoek uitgevoerd op het gebied van OO. Het betreft hierbij een vooronderzoek ten behoeve van een inmiddels verouderde planversie van het onderzoeksgebied.2 Daarnaast is recenter in opdracht van Gemeente Enschede voor haar gehele beheersgebied een vooronderzoek OO uitgevoerd.3 Dit onderzoek is aangehouden als uitgangspunt van deze notitie.
11-07-2022 Versie D1
De OO-bodembelastingkaart van het gemeentebreed vooronderzoek is bekend bij Sweco. Op deze kaart zijn de op OO verdachte gebieden in horizontale zin weergegeven alsook de hoofd- en subsoorten OO die kunnen worden aangetroffen. Niet weergegeven is tot welke diepte de OO kunnen worden aangetroffen. Tenslotte is op de kaart weergegeven welke gebieden vrijgegeven zijn van OO. Naar aanleiding van de vastgestelde naoorlogse bodemroering in deze gebieden zijn tegenwoordig geen OO (meer) te verwachten. Opgemerkt dient te worden dat de rapportage van het reeds uitgevoerde onderzoek niet in het bezit is van Sweco. Op basis van de beschikbare OO-bodembelastingkaart blijkt dat een gedeelte van het onderzoeksgebied verdacht is verklaard ter hoogte van de Dr. Van Damstraat (zie figuur 2). Een deel van het verdachte gebied is vrijgegeven op OO op basis van naoorlogse ontwikkelingen, namelijk de aanleg van een riool.
Figuur 2
Uitsnede OO-bodembelastingkaart van het reeds uitgevoerde gemeentebrede vooronderzoek OO van gemeente Enschede.
De hoofd- en subsoorten OO in het verdachte gebied die kunnen worden aangetroffen, betreffen:
afwerpmunitie, 500 lb brisantbommen; submunitie, 4 lb staafbrandbommen.
2
Bombs Away B.V., ‘Vooronderzoek Conventionele Explosieven Leidingtracé Enschede Gemeente Enschede’, (kenmerk: 17P162, d.d. 5 februari 2017). 3 BeoBOM, ‘Risicokaart CE gemeente Enschede’, (kenmerk: BB18-104, d.d. 12 april 2019, normtekst: WSCS-OCE).
Document referentie NL22-648800269-27957
2/7
De maximale diepteligging van deze OO-soorten is niet gegeven. Voor het verdachte gebied zijn geen sondeergegevens beschikbaar om de laag met een 10 MPa conusdrukweerstand en een minimale dikte van 1 m (dit betreft de maximale indringingsdiepte van afgeworpen afwerpmunitie) vast te stellen.
11-07-2022 Versie D1
Op basis van geologische booronderzoeken4 ter plaatse van het verdachte gebied blijkt dat de ondergrond uit zand bestaat. De significantie hiervan is dat zand een sterk remmende uitwerking heeft op het penetratievermogen van afgeworpen afwerpmunitie. Uit de in de omgeving van het verdachte gebied uitgevoerde sondeeronderzoeken in de zandige ondergrond blijkt dat de 10 MPa-laag op 3,5 m-mv is gelegen.5
3
Conclusie en advies
Uit de voor deze notitie OO uitgevoerde check is gebleken dat het onderzoeksgebied deels verdacht is op het aantreffen van OO. Het gaat hierbij om afwerpmunitie (500 lb brisantbommen) en submunitie (4 lb staafbrandbommen). Zie hiervoor de OO-bodembelastingkaart in bijlage 2. De maximale diepteligging van de OO in het verdachte gebied is geschat op 3,5 m-mv situatie 1945. Een deel van het verdachte gebied is, naar aanleiding van naoorlogse ontwikkelingen, vrijgegeven op OO. Voor de niet vrijgegeven verdachte gebieden geldt het advies om, alvorens met de voorgenomen werkzaamheden aan te vangen, detectieonderzoek te laten uitvoeren door een CS-OOO (A) gecertificeerde partij. Waar detectie niet mogelijk blijkt door de aanwezigheid van teveel verstorende elementen, wordt geadviseerd de werkzaamheden te laten begeleiden door een benaderteam, bestaande uit ten minste een Senior Deskundige OOO en een Assistent Deskundige OOO. Sweco kan het detectieonderzoek/de begeleiding in het veld faciliteren door gespecialiseerde en gecertificeerde onderaannemers in te schakelen. Binnen de onverdachte gebieden kunnen de voorgenomen werkzaamheden normale doorgang hebben. Voor deze gebieden is geen aanleiding voor het nemen van vervolgstappen op het gebied van OO.
4
Geologische booronderzoeken (verkregen via www.dinoloket.nl) met de volgnummers: B34F5839, B34F2642, B34F2617, B34F4238. 5 Geotechnische sondeeronderzoeken (verkregen via www.dinoloket.nl) met identificatievolgnummers: CPT000000109712, CPT000000109727, CPT000000109749.
Document referentie NL22-648800269-27957
3/7