Bijlage 3 Milieueffectrapport Energievisie
Tekst van het document
Dergelijke ontwikkelingen kunnen de inzet van windenergie bevorderen, indien besef van noodzaak van het verder toepassen van duurzame energie toeneemt en de verdiensten van de participatie goed zijn.
Geothermie Inleiding Geothermie is een techniek waarmee energie uit de (diepe) ondergrond wordt gewonnen in de vorm van warmte. Deze warmte komt deels voort uit restwarmte afkomstig van het ontstaan van de aarde en voor een deel uit radioactieve vervalprocessen in de aardkorst. Door de omvang van deze processen en de restwarmte kan geothermie beschouwd worden als een vrijwel onuitputtelijke bron van energie. Om deze energie te kunnen winnen dient men putten te boren om een uitwisseling van warmte tussen de diepe aardlaag en het oppervlakte tot stand te brengen. De temperatuur van de warmte stijgt naar mate men dieper in de aardkorst boort. Over het algemeen is er in Nederland
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
42
sprake van een stijging van ongeveer 30°C per kilometer37. De aardkorst is echter opgebouwd uit lagen, bestaande uit verschillende gesteenten. De mogelijkheid om aardwarmte te kunnen winnen is afhankelijk van de geschiktheid van deze gesteenten in de onderliggende aardlagen. Het transport van warmte vindt plaats door middel van opgewarmd water uit de ondergrond. Het betreffende gesteente dient dan ook een waterhoudende laag te zijn met voldoende porositeit (open ruimten) en permeabiliteit (doorlaatbaarheid) om een kansrijke aardlaag te zijn voor de productie van geothermie. Het water dient door het gesteente heen te kunnen stromen (indien nodig door stimulatie) voor een continue aanvoer van warmte naar de productieput. Om de druk in de aardlaag waaruit het warme water opgepompt wordt constant te houden, wordt het water na afgifte van de warmte in een warmtewisselaar weer teruggepompt in dezelfde aardlaag via een injectieput (zie onderstaande figuur). Figuur 4.6 Principe van de inzet van geothermie
Bron: https://skbodem.nl/programmalijn/06-geothermie/ (SKB Bodem).
De bovenstaande afbeelding laat ook zien dat er voldoende grote afstand tussen de productieput en de injectieput aangehouden dient te worden om te voorkomen dat het afgekoelde water de productieput al na korte tijd bereikt en deze niet meer het gewenste vermogen kan leveren. Door de productie- en injectieputten onder een divergerende hoek te boren kan er afstand worden gecreëerd tussen het punt van wateronttrekking en -injectie, terwijl er één bovengrondse geothermiecentrale geplaatst wordt.
37
Boxem, T. et al., Ultra-diepe Geothermie in Nederland, TNO 2015 R11617, december 2016.
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
43
Op den duur zal het afgekoelde water de productieput bereiken en wanneer deze te sterk afgekoeld is, wordt de warmte-onttrekking stopgezet. De levensduur van een geothermie doubletsysteem is daarom beperkt tot naar schatting 30 jaar38. Dit betekent dat na de exploitatieperiode de productieput weer enige tijd moet ‘opwarmen’ om vervolgens weer volledig geschikt te zijn voor warmteproductie. Dit kan enkele tientallen jaren duren. Om een continue productie van warmte te realiseren, dienen 2 doublet systemen elkaar ongeveer iedere 30 jaar af te wisselen. Aan de benutting van geothermie zijn risico’s verbonden, namelijk het optreden van bodemverontreinigingen bij het niet goed afsluiten van boorgangen. Ook kan wellicht seismische activiteit veroorzaakt worden39. Potentieel geothermie 2030 Bovengrondse warmtevraag De potentie van geothermie is afhankelijk van de combinatie van de geschiktheid van de ondergrond en de aanwezigheid van geconcentreerde warmtevraag (zoals glastuinbouw) of een warmtenet voor distributie van warmte. Het heeft immers geen nut om een geothermieput op een plek te realiseren waar niet voldoende warmtevraag is, aangezien transport van warmte energieverlies kent. In de gemeente Enschede is er op een aantal plekken een warmtenet aanwezig en zijn er diverse grote warmtevragers. Dit zijn mogelijk geschikte locaties voor een geothermie put om op aan te sluiten.
De bovengrondse mogelijkheden voor de afzet van de warmte afkomstig van geothermie zijn daarmee goed in te schatten. De uitdaging ligt hierbij in het afstemmen van de warmtevraag (die per seizoen kan variëren) op het constante aanbod van warmte vanuit de geothermie-installatie. Het bovengrondse potentieel voor geothermie kan in de toekomst worden uitgebreid door het uitbreiden van het warmtenet. Hiermee kan het directe verbruik van aardgas voor verwarming worden vervangen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met toekomstige besparingen, waardoor de algehele warmtevraag kan dalen. Ondergronds potentieel In tegenstelling tot zonne- en windenergie, waarbij de verwachte energieopbrengst per locatie relatief nauwkeurig te voorspellen is, kan er bij geothermie op voorhand niet met zekerheid gesteld worden wat de exacte ondergrondse potentie van een bron is. De onzekerheid ligt in het geval van de gemeente Enschede in het gebrek aan specifieke informatie over de exacte diepte, dikte en doorlaatbaarheid van de onderliggende lagen. Voor het bepalen van de geschiktheid van de ondergrond dient deze in kaart te worden gebracht. Hiervoor is kostbaar seismisch onderzoek nodig dat ettelijke miljoenen euro’s kost. Momenteel is de technische potentie van geothermie in de gemeente Enschede volgens ThermoGIS v2.0 nog onbekend.
38
EBN, Platform Geothermie, DAGO, Warmtenetwerk. Masterplan Aardwarmte in Nederland, mei 2018. https://www.sodm.nl/actueel/nieuws/2018/09/06/aardwarmteproject-nabij-venlo-uit-voorzorg-stil-gelegd-naaardbeving 39
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
44
Figuur 4.7 Kaart ondergronds potentieel geothermie
Bron: https://www.thermogis.nl/thermogis-mapviewer
Dit laat zien dat er in elk geval – kostbaar - aanvullend onderzoek nodig is om te bepalen of geothermie kansrijk is in de gemeente Enschede en op welke diepte een geschikte aardlaag aanwezig is. In opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat voert EBN samen met TNO de komende jaren een nationaal onderzoek uit om vast te stellen waar de ondergrond in Nederland mogelijk geschikt is voor aardwarmtewinning. Het doel van dit nationale onderzoek is om de kennis over de ondergrond te vergroten om zo antwoord te kunnen geven op de vraag óf en zo ja, waar de ondergrond in Nederland mogelijk geschikt is voor aardwarmtewinning. Met deze kennis kan het potentieel van aardwarmte in Nederland beter worden ingeschat en de eventuele ontwikkeling van aardwarmteprojecten worden versneld. Ook voor de regionale energiestrategieën (RES’en) worden voor Overijssel potentiekaarten geothermie opgesteld, daadwerkelijke toepassing van geothermie is echter nog ver weg. De haalbaarheid van geothermie als duurzame energiebron in 2030 zoals hierboven beschreven, is onzeker. Van essentieel belang is dat de ondergrond in de nabijheid van het warmtenet voldoende geschikt is voor de productie van warmte door middel van geothermie; hetgeen op dit moment onzeker is. Voor dit MER wordt daarom aangenomen dat geothermie in
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
45
2030 nog geen bijdrage zal leveren aan het aandeel duurzame energie in de gemeente Enschede.
Doorkijk 2050: potentie geothermie Voor het jaar 2030 wordt er in het MER aangenomen dat er nog geen bijdrage geleverd zal worden door geothermie aan het aandeel duurzame energie in de gemeente Enschede. Voor 2050 is het echter aannemelijk dat de geschiktheid voor geothermie van de verschillende aardlagen in de ondergrond van de gemeente Enschede voldoende is verkend en dat de technologie voldoende is ontwikkeld om hier geothermieprojecten te realiseren. Onderstaand wordt geschetst welke mogelijkheden voor geothermie dan naar verwachting in beeld zouden kunnen komen. Ondergrondse potentie Er wordt aangenomen dat in 2050 de resultaten van de nadere verkenning naar de geschiktheid van de ondergrond voor geothermie ruwweg drie verschillende scenario’s kunnen opleveren: •
Er blijkt geen potentie voor geothermie te zijn;
•
alleen diepe geothermie (2-3 km) is mogelijk voor warmteproductie;
•
ook ultradiepe geothermie (5-7 km) is mogelijk voor productie van warmte en elektriciteit.
Bij een geothermie-installatie (doublet) is het gebruikelijk dat de productieput op een afstand van ongeveer 2 kilometer ligt van de injectieput, om te voorkomen dat het koudere injectiewater de productieput tijdens de levensduur van het systeem al bereikt. De afstand tussen de afzonderlijke geothermiesystemen is afhankelijk van de dikte en doorlaatbaarheid van het watervoerende pakket waar de geothermiesystemen uit produceren en injecteren. Voor deze tussenafstand wordt aangenomen dat een afstand van 4 kilometer tussen de verschillende geothermiesystemen de onderlinge beïnvloeding voldoende minimaliseert. Dit resulteert in een ondergronds ruimtebeslag van één geothermiesysteem van ongeveer 24 km 2. Wanneer de doubletten gelijkmatig over de gemeente Enschede verspreid worden, kunnen er in totaal ongeveer 6 geothermiesystemen gerealiseerd worden. Er wordt hierbij aangenomen dat er uit slechts één en dezelfde watervoerende aardlaag over het gehele grondgebied van Enschede warmte kan worden gewonnen. Scenario diepe geothermie Bij het scenario met alleen diepe geothermie in de aardlaag op een diepte van (2-3 kilometer) wordt een temperatuur verwacht van 70-105 °C40. Hiermee kan naar verwachting alleen warmte gewonnen worden en zal de temperatuur te laag zijn om elektriciteit mee op te kunnen wekken.
In het onderzoeksrapport van NNTS41 wordt het thermische bronvermogen van een geothermiecentrale berekend (op basis van een formule42 afgeleid van Nikolai V. Khartchenko, 2014) om inzichtelijk te maken hoeveel energie er per doublet geproduceerd kan worden, afhankelijk van de diepte en het debiet. Ervan uitgaande dat in dit scenario de formatie zich tussen 2.000 en 3.000 meter diepte bevindt en het debiet mogelijk tussen 150 en 300 m 3/uur ligt, kan een bandbreedte in energieproductie per doublet worden berekend, zie tabel hieronder.
40
Verkennend onderzoek businesscase geothermie, NNTS, augustus 2017. Verkennend onderzoek businesscase geothermie, NNTS, augustus 2017. Bronvermogen = debiet (m3) * soortelijke warmte van water * temperatuurverschil tussen productie en injectie 41 42
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
46
Tabel 4.11 Bandbreedte in energieproductie per geothermiesysteem Geothermie systeem
Diepte boring
Debiet warm water
Warmteproductie per doublet
Lage productie
2.000 meter
150 m3/uur
38 GWh / 137 TJ
Hoge productie
3.000 meter
3
300 m /uur
121 GWh / 436 TJ
Uitgaande van maximaal 6 geothermiesystemen in de gemeente Enschede resulteert dit in een maximaal mogelijke duurzame energieproductie in 2050 van 822 tot 2.616 TJ uit diepe geothermie bij een afzet van 7000 vollasturen (capaciteitsfactor van 80%43). Vraag die hierbij ontstaat is: waar kan deze warmte afgezet worden? Er dient een warmtenet te zijn dat de warmte transporteert naar warmtevragers vanuit woningen / huishoudens of industrie. Als het gaat om huishoudens dan is een warmtevraag vooral in de winter aanwezig zodat geen 7000 vollasturen gehaald zullen worden. Scenario ultradiepe geothermie Bij het scenario met ook de mogelijkheid voor ultradiepe geothermie in de aardlaag op een diepte van (5-7 kilometer) wordt een temperatuur verwacht van 180-250 °C44. Hiermee kan naar verwachting niet alleen warmte gewonnen worden, maar zal de temperatuur ook toereikend zijn om elektriciteit mee op te kunnen wekken. In het onderzoeksrapport van NNTS45 wordt naast het thermische bronvermogen ook het elektrische bronvermogen van een geothermiecentrale berekend, om inzichtelijk te maken hoeveel energie in warmte en elektriciteit er per doublet geproduceerd kan worden, afhankelijk van de diepte en het debiet.
Ervan uitgaande dat in dit scenario de formatie zich tussen 5.000 en 7.000 meter diepte bevindt en het debiet mogelijk tussen 150 en 300 m 3/uur ligt, kan een bandbreedte in energieproductie per doublet worden berekend, zie tabel hieronder. Tabel 4.12 Geothermie, energieproductie per doublet Geothermie systeem
Diepte boring
Debiet warm water
Warmteproductie per doublet
Elektriciteitsproduc tie per doublet
Totaal
Lage productie
5.000 meter
150 m3/uur
116 GWh / 418 TJ
33 GWh / 119 TJ
537 TJ
Hoge productie
7.000 meter
300 m3/uur
331 GWh / 1.192 TJ
116 GWh / 418 TJ
1.610 TJ
Uitgaande van maximaal 6 geothermiesystemen in de gemeente Enschede resulteert dit in een mogelijk duurzame energieproductie in 2050 van 3.222 tot 9.660 TJ uit ultradiepe geothermie bij een afzet van 7000 vollasturen (capaciteitsfactor van 80%).
43
Een capaciteitsfactor van 80% betekent dat over een jaar gezien het geothermiesysteem gemiddeld 80% van de tijd op vol vermogen kan produceren. 44 Verkennend onderzoek businesscase geothermie, NNTS, augustus 2017. 45 Verkennend onderzoek businesscase geothermie, NNTS, augustus 2017.
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
47
Biomassa Biomassa vanuit de gemeente Enschede en de regio Een aandachtspunt vormt de vraag hoe in het MER om te gaan met de invoer van biomassa van buiten de gemeente, waarmee binnen de gemeentegrenzen met behulp van een biomassaverwerkingsinstallatie duurzame energie wordt opgewekt. In theorie zou op die manier in zijn geheel aan de toekomstige energiebehoefte van Enschede kunnen worden voorzien, zonder maatregelen te treffen die de leefomgeving aanzienlijk beïnvloeden, zoals het opwekken van zonne- en windenergie. Maar hoe reëel is het om van deze mogelijkheid uit te gaan? En hoe zit het met de beschikbaarheid van biomassa naarmate de vraag naar duurzame energie gaat toenemen? Er is een gerede kans dat biomassa in die situatie van steeds grotere afstanden moet worden aangevoerd, waardoor de milieuwinst per saldo afneemt; Ook is er een kans op schade voor het milieu in gebieden waar de instandhouding van bossen minder goed is gereguleerd dan in Nederland. Verder zal de vraag vanuit de gemeente Enschede concurreren met de vraag naar biomassa door andere gemeenten en overige gebruikers. Het zou echter onbevredigend zijn als in het MER in zijn geheel geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van invoer van biomassa van buiten de gemeentegrenzen.
Tegen deze achtergrond wordt in het MER als uitgangspunt genomen dat biomassa die afkomstig is van Enschedees grondgebied en de regio daaromheen (regio Twente) en benut wordt binnen de gemeentegrenzen, volledig meetelt voor het bereiken van de doelstellingen voor duurzame energie geproduceerd op eigen grondgebied. Energie uit biomassa bij Twence Twence is voor een groot deel gelegen op het grondgebied van de gemeente Enschede, maar heeft een adres in buurgemeente Hengelo. Twence is op dit moment de grootste duurzame energieproducent van Overijssel, die energie in de vorm van warmte en elektriciteit produceert uit reststromen. Het gedeelte van de energieproductie van Twence dat aangemerkt mag worden als duurzame energie is voor een deel afkomstig uit afvalverbranding (slechts een gedeelte van de vrijkomend energie uit afvalverbranding mag als duurzaam bestempeld worden, naar rato van het deel dat van biogene oorsprong is), voor een deel afkomstig uit biomassa en voor een klein gedeelte uit zonne-energie. Twence levert deze energie aan energie-intensieve bedrijvigheid in de omgeving en via het warmte- en elektriciteitsnet aan vele huishoudens in Twente. Twence is eigendom van een aantal gemeenten, waaronder Enschede en wordt onder andere gevoed door afval- en biomassastromen vanuit deze gemeenten.
Voor het bepalen van de bijdrage door Twence aan de energiedoelen van de aandeelhoudende gemeenten, hebben de gezamenlijke aandeelhouders ervoor gekozen om het deel van de energieopwekking toe te rekenen naar rato van het aandeel dat de betreffende gemeente bezit in het aandelenpakket van Twence. Deze aanpak betekent dat 24,17% van de duurzame energie geproduceerd door Twence, toegeschreven kan worden aan de hoeveelheid duurzame energie die de gemeente Enschede opwekt. Potentieel biomassa 2030 In dit MER wordt het uitgangspunt gehanteerd dat er een uitbreiding van de inzet van duurzame warmte zal plaatsvinden. Dit kan op twee manieren gerealiseerd worden. Allereerst door het realiseren van een biomassacentrale nabij het warmtenet, die gevoed wordt met biomassa uit
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
48
de gemeente en/of regio. Op basis van gegevens uit de Warmteatlas46 kan gesteld worden dat er in de regio nog voldoende biomassa reststromen voor handen zijn om deze hoeveelheid energie te kunnen produceren. Ten tweede kan deze uitbreiding mogelijk worden gevoed door aanvullende warmteproductie vanuit Twence. Twence heeft de mogelijkheid om vanaf 2018 met de biomassaenergiecentrale (BEC) meer warmte te produceren met ongeveer dezelfde hoeveelheid biomassa47. Verwacht wordt dat de warmteproductie van Twence met ongeveer 770 TJ toeneemt. Gezien de methode van toerekening van duurzame energie naar rato van aandeelhouderschap, betekent dit dat hiervan dan 186 TJ toe te schrijven is aan de gemeente Enschede. In het Twence Publieksjaarverslag 2017 wordt gepresenteerd dat er een forse toename aan duurzame warmteproductie uit de biomassaenergiecentrale wordt verwacht. Onderstaande figuur laat de productieverwachting uit het verslag zien; dit zou de toename van 186 TJ in 2030 kunnen dekken. Figuur 4.8 Verwachte toename in productie van duurzame warmte van Twence
Doorkijk inzet biomassa 2050 De inzet van biomassa in de periode 2030-2050 in Enschede is op dit moment lastig in te schatten. Enerzijds is het een veelbelovende energiebron die op veel plaatsen voorhanden en inzetbaar is, anderzijds zal de situatie niet snel veranderen dat het niet eenvoudig is om duurzame biomassastromen te vinden met een grote omvang. Bestaande biomassastromen in 46
Zie http://rvo.b3p.nl/viewer/app/Warmteatlas/v2 De BEC produceerde in 2017 alleen elektriciteit. Bij de productie van elektriciteit door middel van een thermische centrale treedt er conversieverlies op in de vorm van restwarmte. Bij de ombouw van de BEC werd deze in staat gesteld om de restwarmte van de elektriciteitsproductie af te kunnen zetten op het warmtenet. 47
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
49
Enschede en regio Twente vinden over het algemeen op dit moment al een toepassing waarmee energieopwekking in zekere zin concurrerend zal zijn. Afval/reststromen uit de industrie maar ook huishoudelijk afval, nemen af en deze trend zet waarschijnlijk door als de economie meer circulair wordt. Wellicht dat biomassastromen uit speciaal hiervoor gekweekte energiegewassen een vlucht zullen nemen en grootschalige energieopwekking mogelijk gaan maken. Denkbaar is evenwel ook goed dat biomassa niet zozeer voor energieopwekking maar eerder voor de biochemische productie van duurzame materialen wordt ingezet. Een beknopt overzicht van toekomstige ontwikkelingen op het gebied van biomassa (niet zozeer regionaal maar landelijk en internationaal) geeft het Planbureau voor de leefomgeving in: https://themasites.pbl.nl/biomassa/.
Ambitieniveaus voor 2030 In dit MER worden twee ambitieniveaus voor 2030 onderzocht, namelijk een basisniveau en de maximaal mogelijk opbrengst. Het bereiken van beide ambitieniveaus is onderzocht aan de hand van een verschillende inzet van duurzame energiebronnen; in de alternatieven in hoofdstuk 6 is dit uitgewerkt. In deze paragraaf worden de ambitieniveaus verder beschreven.
Toekomstig energieverbruik Om het procentuele aandeel duurzame energie te kunnen berekenen, is een inschatting van het verwachte energieverbruik in 2030 nodig. Volgens de studie van ECN48 waarin het potentieel voor hernieuwbare energie in de gemeente Enschede is verkend, wordt volgens het ‘businessas-usual’ scenario in 2030 een totaal jaarlijks energieverbruik verwacht van 10,2 PJ (=10.200 TJ); binnen dit scenario wordt al uitgegaan van jaarlijkse energiebesparingen. Dit energieverbruik wordt in dit MER als uitgangspunt gehanteerd.
Ambitieniveau ‘Basis’ In het basis ambitieniveau wordt uitgegaan van de doelstelling van het huidige coalitieakkoord van een jaarlijkse stijging van het aandeel hernieuwbare energie met 2% per jaar gedurende de raadsperiode (2018-2022); een eventuele groei in opwekking na 2022 wordt hierbij niet meegenomen49. Dit betekent dat ten opzichte van het huidige aandeel duurzame energie er 8% groei gerealiseerd dient te worden in 2030. In de onderstaande tabellen wordt de resterende opgave in 2030 voor dit ambitieniveau inzichtelijk gemaakt. De bijdrage van energie uit biomassa is vastgesteld op 186 TJ, zoals toegelicht in paragraaf 4.6. (Dit geldt ook voor het ambitieniveau ‘maximale opbrengst’). Tabel 4.13 Benodigde duurzame energie voor ambitieniveau Basis in 2030 Resterende opgave Basisniveau
Hoeveelheid in TJ
Aandeel
Prognose energieverbruik 2030
10.200
100%
Benodigde productie duurzame energie 2030
1.693
16,6%
Huidige productie duurzame energie
873
8,6%
Benodigde toename duurzame energie
820
8,0%
48
ECN, 2015. Verkenning potentieel hernieuwbare energie Gemeente Enschede Het MER gaat niet specifiek in op de snelheid waarmee de doelstelling gerealiseerd wordt (dat kan dus ook in 2022 zijn voor zover realistisch) maar zet het percentage van 8% duurzame energie af tegen het verwachte energieverbruik in 2030. 49
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
50
Tabel 4.14 In te zetten duurzame energiebronnen om ambitieniveau Basis te bereiken in 2030 Inzet van Energiebronnen 2030 op Basisniveau
Hoeveelheid in TJ
Benodigde toename duurzame energie
820
Toename Zon op dak
50
127
Energieproductie uit geothermie
0
Inzet biomassa (levering aan warmtenet)
186
Resterende opgave voor windturbines en zonnevelden in 2030
507
Om het basisniveau te bereiken dient derhalve 507 TJ per jaar aan wind- en/of zonne-energie gerealiseerd te worden.
Ambitieniveau ‘Maximale opbrengst’ In het ambitieniveau ‘maximale opbrengst’ wordt er vanuit de hoogst mogelijke inzet van zonneen windenergie in de gemeente Enschede teruggerekend naar een percentage duurzame energie dat maximaal in 2030 gerealiseerd kan worden. De maximale inzet van zonne-energie in veldopstellingen leidt tot een maximale opbrengst van 1.555 TJ (zie ook paragraaf 4.3). Voor windenergie zijn er maximaal circa 17 turbines mogelijk (zie ook paragraaf 4.4) die een maximale bijdrage kunnen leveren van 782 TJ aan duurzame energie. Voor biomassa wordt evenals bij het basisniveau uitgegaan van een toename van 186 TJ. In de onderstaande tabel worden bovenstaande gegevens gepresenteerd en wordt het aandeel duurzame energie voor het ambitieniveau ‘maximale opbrengst’ berekend. Tabel 4.15 Maximale opbrengst duurzame energiebronnen in 2030 Bijdrage energiebronnen 2030 o.b.v. Maximale opbrengst
Hoeveelheid in TJ
Aandeel
Prognose energieverbruik 2030
10.200
100,0%
Huidige productie duurzame energie
873
8,6%
Toename zon op dak
127
1,2%
Uitbreiding warmtenet o.b.v. biomassa
186
1,8%
Energieproductie uit geothermie
0
0,0%
Maximale bijdrage zonne-energie
1.555
15,2%
Maximale bijdrage windenergie
782
7,7%
Totale bijdrage duurzame energie
3.523
34,5%
Bij de uitwerking van alternatieven in het volgende hoofdstuk worden verschillende combinaties van de inzet van duurzame energiebronnen gepresenteerd om de doelstelling basisniveau te bereiken en na te gaan in hoeverre de maximale duurzame energieproductie bereikt kan worden.
In dit MER wordt het uitgangspunt gehanteerd dat in 2030 10% van de potentie van ‘zon op dak’ is benut. Dit staat volgens het rapport van ECN gelijk aan 171 TJ. Echter, in 2017 werd er reeds 44 TJ door zonneenergie in de gemeente Enschede opgewekt. Dit betekent dat er een toename benodigd is van 127 TJ in de periode tot 2030 om te voldoen aan 10% benutting van het potentieel in 2030. 50
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
51
ALTERNATIEVEN Nu duidelijk is welke omvang aan energieopwekking nagestreefd wordt (ambitieniveaus) en welke duurzame bronnen daarvoor mogelijk in te zetten zijn (vorige hoofdstuk), kunnen verschillende alternatieven met inzet van verschillende energiebronnen samengesteld worden om de doelstellingen zo goed mogelijk te bereiken. De haalbaarheid en de milieueffecten van de verschillende alternatieven worden vervolgens in dit MER onderzocht en beoordeeld (hoofdstuk 6). Op basis van informatie uit het MER en andere overwegingen zoals bestuurlijk-politieke haalbaarheid, financiële overwegingen en draagvlakargumenten kunnen vervolgens keuzes gemaakt worden (het voorkeursalternatief) die in de energievisie worden verankerd. Alternatieven op basis van verschillende thema’s Aan de hand van een aantal thema’s zijn alternatieven samengesteld. Deze thema’s komen voort uit discussies die lopen binnen de gemeente Enschede en daarbuiten ten aanzien van de inzet van duurzame energiebronnen, en zijn in overleg met de gemeente gekozen. De thema’s hebben betrekking op het rekening houden met natuur en landschap, met netaansluitingsmogelijkheden, met de leefomgeving (hinder beperken), met de landbouwsector in de gemeente en met de evenredigheid van de bijdrage vanuit de verschillende buurtkringen in Enschede.
Achtereenvolgens zijn op basis hiervan vijf alternatieven uitgewerkt die alle in meer of mindere mate de energiedoelstellingen kunnen realiseren. Het gaat om de volgende alternatieven: 6. Landschap en natuur centraal 7. Netaansluiting centraal 8. Leefomgeving centraal 9. Landbouw centraal 10. Evenredige bijdrage. Ambitieniveaus Uitgangspunt is dat elk alternatief in ieder geval het ambitieniveau ‘basis’ moet realiseren dat neerkomt op 16,6% duurzame energie in 2030 (zie paragraaf 4.7.2) door de inzet van de duurzame energiebronnen zon, wind, geothermie en biomassa. Dit komt overeen met de ambitie uit het coalitie-akkoord voor de periode 2018 – 2022, Vervolgens wordt per alternatief nagegaan hoeveel energie maximaal geleverd kan worden vanuit de hiervoor genoemde bronnen aan het ambitieniveau ‘maximale opbrengst’. Aangezien de bijdrage van biomassa op een vooraf bepaald niveau is gesteld (zie paragraaf 4.6) en een bijdrage vanuit geothermie in 2030 verondersteld wordt (nog) niet te zijn gerealiseerd, gaat het er bij de alternatieven om de bijdrage vanuit zon en wind vast te stellen. Uitgangspunt voor de inzet van zonne-energie vormt de verkenning die gedaan is in hoofdstuk 4 (paragraaf 4.3) en voor windenergie de uitkomst van de verkenning die beschreven is in paragraaf 4.4.
Het effect van de inzet van extra capaciteit aan biomassa wordt wel onderzocht op effecten, maar verschilt niet per alternatief. Geothermie is geen onderdeel van de alternatieven en wordt niet onderzocht.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
52
De alternatieven en varianten bestaan aldus allemaal uit een vast onderdeel biomassa (vast aandeel en zelfde manier waarop biomassa wordt ingezet) en een variërende hoeveelheid en manier van inzet van windenergie en zonne-energie Coalitie-akkoord 2018 – 2022: relatie met onderzochte alternatieven In het coalitie-akkoord worden als zoeklocaties voor de bouw van een windturbine genoemd: Boeldershoek, het Grolsch-terrein en bedrijvenlocatie De Marssteden. Bij de voorbereiding van dit MER-rapport werd geconstateerd dat de locatie Boeldershoek niet geschikt is voor het bouwen van een windturbine. Door luchthavengerelateerde beperkingen bedraagt de maximale bouwhoogte ter plaatse 130 meter (tiphoogte). Deze locatie is om die reden in het MER niet verder op geschiktheid voor de bouw van een windturbine onderzocht (zie ook paragraaf 4.4). Voor de overige zoeklocaties voor windenergie geldt dat ze in de alternatieven in dit hoofdstuk als mogelijke bouwlocatie voor windturbines zijn meegenomen. Over de Usseler Es wordt in het coalitie-akkoord aangegeven dat de bolling en de oostkrans van de Usseler Es niet gebruikt worden voor het opwekken van energie.
In het rapport van H+N+S Landschapsarchitecten wordt vermeld dat op de Usseler Es (bedoeld wordt het gebied dat wordt begrensd door de Rijksweg 35, de Westerval en de Usselerrondweg) ruimte is voor zonnevelden met een oppervlakte van (in totaal) 10 hectare. Binnen de alternatieven Leefomgeving centraal (scenario ‘maximale opbrengst’) en Netwerk centraal (‘basisniveau’ en ‘maximale opbrengst’) is rekening gehouden met benutting van dit potentieel. Van opname in het alternatief Landschap en natuur centraal en Landbouw centraal is daarvan afgezien, vanwege de aanwezige (resterende) kwaliteiten van het landschap, respectievelijk de kwaliteit van de landbouwgrond. In het alternatief evenredige verdeling is alleen gekeken naar de mogelijkheden binnen het landschapstype jonge ontginningslandschappen omdat dit type landschap verreweg het grootste potentieel voor zonnevelden heeft.
Alternatief 1. Landschap en natuur centraal Binnen dit alternatief houden we bij het toekennen van ruimte voor het opwekken van duurzame energie zo veel mogelijk rekening met in het buitengebied voorkomende landschapstypen en de staat waarin dat landschap verkeert. Ook met natuur wordt zoveel mogelijk rekening gehouden. Rekening houden met landschap en natuur kan soms conflicteren (bijvoorbeeld als een windturbine vanuit landschap op een locatie komt die vanuit natuur minder wenselijk is). Dit zal bij de effectbeoordeling in hoofdstuk 6 duidelijk worden, waarbij ook aanpassingen via mogelijke mitigatie (verzachten of teniet doen van effecten) nader onderzocht worden. Onderstaand is beschreven wat ‘Landschap en natuur centraal’ concreet betekent voor de verschillende energiebronnen.
Zonne-energie Bij de plaatsing van zonnevelden wordt in dit alternatief zo veel mogelijk rekening gehouden met landschap en natuur. Uitgangspunt voor de plaatsing van zonnevelden is de draagkracht van het landschap zoals uitgewerkt in de studie ‘Verkenning zonneparken in het landschap van Enschede’ (H+N+S, 2019) en de studie ‘Waardering buitengebied Enschede’ (H+N+S, 2019). In deze studies is
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
53
uitgewerkt hoeveel zonnevelden in de verschillende landschapstypen toelaatbaar zijn, uitgaande van de karakteristieken en de waardering van de verschillende landschapstypes (zie ook paragraaf 4.3). Dit leidt voor het alternatief Landschap en natuur centraal tot de volgende plaatsingsprincipes en invullingen: 1. Geen zonnevelden in Natura 2000-gebieden (Aamsveen); 2. Geen zonnevelden binnen het Natuurnetwerk Nederland; 3. In de meest kwetsbare landschapstypen (bv. essen, beekdalen, hoogveen en oude hoevenlandschappen) is geen ruimte voor aanleg van zonnevelden; 4. Inzetten op het meervoudig benutten van ruimte door zonnevelden te plaatsen langs grote infrastructuur (bermen) en vliegveld51. 5. Zonnevelden op een landschappelijk verantwoorde manier inpassen in het landschap door 6.
7.
8.
het creëren van randen om de zonnevelden die passend zijn bij het landschap Eisen stellen aan de inrichting van de zonnevelden door de paneelhoogte indien dit vanuit landschappelijk oogpunt nodig is, te begrenzen (zichtbaarheid) en rekening te houden met de effecten op de bodemkwaliteit (-ecologie) door dichte oost-west opstellingen te voorkomen. Het gedeeltelijk benutten van het Rutbekerveld voor het plaatsen van PV-panelen op de wateroppervlakte (‘zon op water’)52; door de ligging van dit water langs de nieuwe N18 en wijze van aanleg (efficiënt benut voor zandwinning) kent benutting voor zonnepanelen landschappelijk weinig negatief effect. De waterbekkens van Vitens in het Noorden van Enschede worden in dit alternatief niet benut in verband met de meer natuurlijk uitstraling van die wateren en de landschappelijke aantasting die benutting hierdoor met zich meebrengt. Een deel van de zonneparken kan in dit alternatief mogelijk ingezet worden als tijdelijke invulling van gebieden in een transformatie van de betreffende gebieden van landbouw naar natuurgebied.
Basisniveau 9.
In de minst kwetsbare landschapstypen (jonge veldontginningen) wordt op het basisambitieniveau er vanuit gegaan dat (slechts) 25% van de mogelijkheden binnen de jonge veldontginningen wordt benut. 10. Meervoudig benutten van ruimte door zonnevelden te plaatsen langs grote infrastructuur (bermen) en vliegveld met een omvang van 11 hectare voor het basisniveau. Maximale opbrengst 11. In de minst kwetsbare landschapstypen (jonge veldontginningen) wordt op het niveau van maximale bijdrage binnen dit alternatief met het oog op de landschappelijke kwaliteit niet verder gegaan dan 50% van de mogelijkheden binnen de jonge veldontginningen.
51
De mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen in één of meer zonnevelden op het vliegveld zijn in dit alternatief beperkt in verband met natuurwaarden. 52 Op Rutbekerveld gaat ruimte geboden worden voor natuurontwikkeling en voor het initiatief Fishing Adventures (sportvisserij): het bestemmingsplan daarvoor gaat binnenkort in procedure. Hier wordt als uitgangspunt genomen dat daarnaast nog steeds (enige) ruimte beschikbaar blijft voor het plaatsen van zonnepanelen op het wateroppervlakte zonder de natuurontwikkeling en recreatiemogelijkheden negatief te beïnvloeden.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
54
12. Meervoudig benutten van ruimte door zonnevelden te plaatsen langs grote infrastructuur (bermen) en vliegveld voor maximaal 23 hectare aan zonnevelden op het ambitieniveau van maximale opbrengst. Tabel 5.1 Zonne-energie binnen Alternatief 1 Landschap en natuur centraal Omschrijving
Aantal hectare
TJ per hectare
TJ totaal
Grote waterplassen
Opstelling in het Rutbekerveld
10
3,2
32
Vliegveld en grote infrastructuur
Ca. 25% van potentieel benutten
11
2,6
29
Jonge veldontginningen
Ca. 30% van potentieel benutten
131
2,6
341
Oude hoevelandschap
0
2,3
0
Bosgebieden
0
1,7
0
Landgoederen
0
1,7
0
Stadsrandzone
0
0,9
0
Essen, heidevelden, beeklopen en hoogveennatuur
0
2,3
0
Totaal
152
Zonnevelden per landschapstype Basisniveau
401
Maximale opbrengst Grote waterplassen
Opstelling in het Rutbekerveld
10
3,2
32
Vliegveld en grote infrastructuur
Ca. 50% van potentieel benutten
23
2,6
60
Jonge veldontginningen
Ca. 50% van potentieel benutten
222
2,6
577
Oude hoevelandschap
0
2,3
0
Bosgebieden
0
1,7
0
Landgoederen
0
1,7
0
Stadsrandzone
0
0,9
0
Essen, heidevelden, beeklopen en hoogveennatuur
0
2,3
0
Totaal
255
669
Windenergie Bij de plaatsing van windturbines wordt in dit alternatief zo goed mogelijk rekening gehouden met landschap en natuur. Dit leidt tot de volgende plaatsingsprincipes en invullingen: 1.
Bij de opstelling van windturbines een heldere structuur creëren door de turbines in een lijnopstelling of een duidelijk afgebakend cluster te plaatsen. Plaatsing van turbines langs duidelijke landschappelijke dragers heeft de voorkeur, zoals langs hoofdinfrastructuur of op bedrijventerreinen. Vanuit dit laatste principe wordt op het basisniveau gekozen voor turbines op bedrijventerreinen Binnenhaven en Grolsch en langs Marssteden (Windmolenweg).
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
55
2.
3.
4.
Afstanden tussen de (lijn- of cluster-)opstellingen van turbines voldoende groot houden (afhankelijk van locatie en omgeving groter dan circa 3 kilometer) om storende visuele interferentie te beperken. Op het maximaal ambitieniveau wordt aanvullend aan de drie turbines op de bedrijventerreinen (zie bij 1) gekozen voor een lijnopstelling van drie turbines in het gebied Eschmarke (alternatief hiervoor is drie turbines bij Het Rutbeek, echter hier is geen duidelijke lijnopstelling mogelijk). Geen windturbines in Natura 2000-gebieden (Aamsveen); nabijheid van Natura 2000gebieden vormt geen probleem omdat de gebieden in en in de nabijheid van de gemeente Enschede niet specifiek zijn aangewezen voor vogels waardoor de externe werking (effecten vanuit de omgeving op een Natura 2000-gebied) beperkt is; Geen windturbines binnen het Natuurnetwerk Nederland.
Tabel 5.2 Windturbines binnen alternatief 1 Landschap en natuur centraal Windturbines
Omschrijving
Aantal turbines
TJ per turbine
TJ totaal
turbines op/nabij bedrijventerreinen Binnenhaven, Grolsch en Marssteden
3
46
138
Lijnopstelling van 3 turbines in ZO Enschede (Eschmarke) en turbines op/nabij bedrijventerreinen Binnenhaven, Grolsch en Marssteden
6
46
276
Basisniveau Windturbines (190 - 230 m tiphoogte) Maximale opbrengst
Windturbines (190 - 230 m tiphoogte)
Verbeelding alternatief 1 Landschap en natuur centraal Onderstaande figuur geeft een kaartbeeld met een voorbeeld van de invulling van dit alternatief. De kaart betreft slechts een voorbeeld, maar zeker in dit geval waar aandacht voor landschap centraal staat, moet opgemerkt worden dat de windturbines hier niet in een lijn geplaats zijn, terwijl dit in het betreffende gebied wel mogelijk is en voor dit alternatief landschappelijk gezien ook zeker gewenst.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
56
Figuur 5.1 Voorbeeld invulling Alternatief 1 Landschap en natuur centraal op ambitieniveau Maximale opbrengst
Samenvatting alternatief 1 Landschap en natuur centraal Bovenstaande energiebronnen produceren gezamenlijk een bepaalde hoeveelheid duurzame energie. Onderstaande tabel vat dit samen en geeft tevens aan in welke mate de bronnen bijdragen aan het bereiken van de doelstelling op basisniveau en in hoeverre het maximaal mogelijke niveau wordt gehaald. Tabel 5.3 Energieproductie en doelbereiking in 2030 met alternatief 1 Landschap en natuur centraal Energiebron
Basisniveau
Maximale bijdrage
Veldopstellingen Zon
401
669
Windenergie
138
276
Geothermie
0
0
Biomassa
186
186
Totaal
725
1131
Benodigd voor basisniveau resp. mogelijk op maximaal niveau (TJ)
693
2523
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
57
Energiebron Percentage doelbereiking duurzame energie op basisniveau resp. maximaal niveau (%)
Basisniveau 16,9%
Maximale bijdrage 20,9%
Alternatief 2. Netaansluiting centraal Binnen dit alternatief houden we bij de aanwijzing van locaties voor het opwekken van duurzame energie optimaal rekening met de ligging van het elektriciteitsnetwerk en de (maatschappelijke) kosten en mogelijkheden om dit netwerk uit te breiden en te verzwaren. Voor alle duurzame energieprojecten die elektriciteit opwekken geldt: de opgewekte energie moet ook kunnen worden afgevoerd door het elektriciteitsnet om te worden getransporteerd naar de eindgebruiker. Alleen als de elektrische energie kan worden opgeslagen in accu’s of wanneer de energie wordt omgezet in bijvoorbeeld waterstof is de netaansluiting minder of niet nodig. De verwachting is echter niet dat dit op grote schaal zal gebeuren in de periode tot 2030. Hooguit zullen accu’s de piek in opwekking door bijvoorbeeld zonnevelden aftoppen zodat een gelijkmatigere levering aan het net ontstaat. Met regionale netbeheerder Enexis is gesproken over de beschikbare capaciteit en aansluitmogelijkheden in Enschede. Deze mogelijkheden zijn beperkt en zullen onvoldoende zijn om grote hoeveelheden duurzame elektriciteit uit zon en wind af te voeren, zeker als de opwekking gebeurt in gebieden met beperkte aansluitmogelijkheden.
Er zijn in grote lijn twee mogelijke strategieën te onderscheiden voor het plannen van zonnevelden en windturbines als het gaat om rekening houden met de netaansluitingsmogelijkheden, namelijk: 1. uitgaan van de bestaande aansluitingspunten en beschikbare aansluit- en afvoercapaciteit,: 2. (daarbovenop) uitgaan van het realiseren van meer aansluit- en afvoercapaciteit door uitbreidingen van stations en het realiseren van nieuwe aansluitmogelijkheden door Enexis (in afstemming met landelijke netbeheerder TenneT) in de vorm van een nieuw station, waardoor (veel) meer capaciteit beschikbaar komt. Bestaande aansluitingsmogelijkheden op het elektriciteitsnet Voor de aansluiting van energieprojecten staan verschillende schakel- en transformatorstations van Enexis ter beschikking, met verschillende vermogens uitgedrukt in MVA (megavoltampère); zie onderstaande kaart voor de ligging van de stations en voor nadere toelichting paragraaf 4.3.1. Onderscheid kan gemaakt worden in 6 MVA MS-T stations (dit zijn middenspanningtransport stations die verbonden zijn met HS/MS stations) en 10 MVA HS/MS stations (dit zijn hoogspanning/middenspanningstations die het Enexis netwerk (middenspanning) verbinden met het hoogspanningsnetwerk van TenneT). Kleinere projecten van 1 tot 3 windmolens of circa 6 tot 8 hectare zonnepark kunnen op 6 MVAstations worden aangesloten.
Hiervan zijn er vijf in de gemeente Enschede. De grotere projecten kunnen alleen op 10 MVA-stations worden aangesloten. Daarvan zijn er vier in de gemeente Enschede. Zowel de 6 MVA-stations als de 10 MVA-stations zijn middenspanningstations (MS-station). Daarnaast zijn er ook veel kleinere aansluitingen in de gemeente waar hooguit 1 tot 2 hectare zon aangesloten kan worden. Dit zijn kleinschalige
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
58
projecten die dermate weinig bijdragen aan het behalen van de doelstellingen, dat deze buiten beschouwing blijven van deze studie die als scope grootschalige energieopwekking heeft. Het is daarnaast ook belangrijk voor de haalbaarheid van wind- en zonprojecten wat de afstand van het project tot de aansluiting is; is deze afstand te groot dan zijn de kosten voor de netaansluiting zo hoog dat de projecten niet realiseerbaar zijn. Dit speelt met name bij zonnevelden een rol omdat daar het aandeel netaansluitingskosten op de totale kosten relatief groot is. Onderstaande kaart geeft met contouren rondom de stations aan waarbinnen aangenomen wordt dat nog rendabele zonprojecten mogelijk zijn. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.3. Figuur 5.2 Aansluitmogelijkheden op het elektriciteitsnetwerk en afstandscontouren zonnevelden
Binnen het alternatief ‘netaansluiting centraal’ wordt op het basis ambitieniveau alleen uitgegaan van de bestaande aansluitingsmogelijkheden op het elektriciteitsnetwerk waarbij hooguit de capaciteit van enkele stations wat uitgebreid wordt, maar er geen nieuwe stations gebouwd worden. Invulling van dit alternatief gaat uit van bestaande netaansluitingspunten en realisatie van projecten binnen afstanden die de haalbaarheid van de projecten niet in de weg staan, zoals voor zonnevelden aangegeven in bovenstaande kaart. Voor windenergie speelt de afstand tot de aansluiting een minder grote rol dan bij zonneprojecten, omdat de kabelkosten relatief lager zijn ten opzichte van de gehele investering en de business case ‘robuuster’ is; hier wordt het uitgangspunt gehanteerd dat een windturbine aan te sluiten is indien deze binnen één van de contouren ligt van aansluitpunten van 6 MVA en hoger (dus op de kaart binnen één van de in geel aangegeven contouren), ook als het maar om een enkele windturbine gaat. Voorwaarde daarbij is natuurlijk wel – net als bij zonnevelden –
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
59
dat het betreffende aansluitpunt (station) voldoende aansluitcapaciteit beschikbaar heeft om het project aan te sluiten en voldoende afvoercapaciteit om de stroom ook te kunnen afvoeren. Nieuwe aansluitingsmogelijkheden op het elektriciteitsnet Het is in sommige gevallen mogelijk om bestaande stations te verzwaren zowel op transportcapaciteit en/of op aansluitcapaciteit. Wanneer er een schaarste aan transportcapaciteit dreigt kan de netbeheerder verschillende tools inzetten om deze capaciteit te vergroten. Dit kan zowel door het uitbreiden van bestaande stations, maar bijvoorbeeld ook door het bouwen van een nieuw station. Dit wordt door de netbeheerder (Enexis in samenspraak met TenneT) situationeel bekeken waarbij de noodzaak voor dergelijke uitbreidingen aangetoond dient te worden, bijvoorbeeld door een grote hoeveelheid aan aanvragen vanuit duurzame opwekprojecten in een specifiek gebied. De tijd die nodig is voor uitbreidingen of verzwaringen van het net varieert van 2 (verzwaring) tot 10 jaar (nieuwe stations). De kosten die hiermee gepaard gaan variëren tussen de 2 en 50 miljoen euro, afhankelijk van de gekozen optie.
De gemeente Enschede kan in overleg met Enexis (en Tennet) kijken naar de mogelijkheden om de afvoer- en aansluitcapaciteit te vergroten, waarbij de bouw van een nieuw HS/MS station onderdeel van een oplossing zou kunnen zijn, maar waarbij wellicht ook andere technische oplossingen een mogelijkheid tot vergroting van de capaciteit kunnen bieden, afhankelijk van de kenmerken van de grotere netinfrastructuur en de regelgeving (bijvoorbeeld toestaan van niet redundante aansluitingen (n-0)). Dit alles te bepalen na een goede studie op systeemniveau door de netbeheerders. Ambitieniveau basis en maximale opbrengst Op ambitieniveau basis wordt uitgegaan van het optimaal benutten van de huidige beschikbare aansluit- en afvoercapaciteit. Het realiseren van een nieuw station door Enexis op een strategische plaats waar veel duurzame energie opgewekt gaat worden in combinatie met het optimaal benutten en uitbreiden van de huidige aansluitmogelijkheden, vormt het uitgangspunt voor het ambitieniveau met maximale opbrengst. Slimme netten en opslag van energie Daarnaast kunnen op langere termijn opties in beeld komen om duurzame energie te gebruiken of op te slaan, bijvoorbeeld directe koppeling van opwekking en gebruik in slimme netwerken (‘smart grids’), grootschalige opslag in accu’s of het omzetten naar waterstof.
Voor 2030 wordt niet verwacht dat dit een grote vlucht zal nemen, op de langere termijn, richting 2050 kunnen deze opties wel een belangrijke rol gaan spelen. Omdat de focus op 2030 ligt, wordt hierop nu niet verder ingegaan. Onderstaand is beschreven wat de insteek om de netaansluiting centraal te stellen concreet betekent voor de verschillende energiebronnen.
Zonne-energie Bij de plaatsing van zonnevelden wordt in dit alternatief zo goed mogelijk rekening gehouden met de bestaande energie-infrastructuur. Dit leidt tot de volgende plaatsingsprincipes en invullingen.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
60
Basisniveau 1. Op dit niveau staat de bestaande energie-infrastructuur centraal; de gebieden binnen de aansluitcontouren zoals weergegeven in bovenstaande kaart worden daarom zo optimaal mogelijk benut in het ambitieniveau ‘basis’, rekening houdend met de beschikbare capaciteit van bestaande stations. 2.
3.
4.
Gebieden worden benut voor zonnevelden voor zover deze aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnet. Op basis van een combinatie van de kaarten met bestaande energieinfrastructuur en met landschapstypes en de resultaten van de studie naar mogelijkheden voor zonnevelden per landschapstype, kan afgeleid worden wat per landschapstype aan oppervlakte zonnevelden (waarvan de stroom nog afgevoerd kan worden) mogelijk is. Dit is opgenomen in onderstaande tabel. Uit deze analyse volgt dat een aantal stations niet volledig benut wordt omdat er te weinig mogelijkheden voor zonnevelden (en windturbines) in de nabijheid aanwezig zijn. (Dit zijn de stations Heekstraat en Vechtstraat; zie paragraaf 4.3.1.). Omdat de doelstelling op basisniveau ruim gehaald kan worden, wordt een deel van de meest kwetsbare landschappen niet benut (deel van oude hoevelandschap, bosgebieden, landgoederen, stadsrandzone, essen, heidevelden, beeklopen en hoogveennatuur.)
Maximale opbrengst 5. Op het ambitieniveau maximale opbrengst wordt de bestaande capaciteit nog verder benut
6. 7.
8.
door het ‘koppelen’ van stations met een overschot aan afvoercapaciteit met stations met een tekort aan afvoercapaciteit (extra capaciteit voor station Marssteden vanuit station Heekstraat) waardoor meer zonnevelden aangesloten kunnen worden. Ook wordt een transportstation (MS-T station) gebouwd in noord Enschede (Lonneker) zodat ook hier zonnevelden aangesloten kunnen worden. Tevens wordt er vanuit gegaan dat Enexis een nieuwe HS/MS station realiseert. (Dit uiteindelijke in afstemming met Enexis en Tennet te bepalen.) Dit wordt gedaan in gebieden die veel plaatsingsmogelijkheden voor zonnevelden en windmolens bieden. Wat betreft zonne-energie zijn vooral de gebieden met een grote aanwezigheid van het landschapstype jonge veldontginningen relevant omdat daar veruit de grootste mogelijkheden voor het realiseren van zonnevelden aanwezig zijn. Om te bepalen welk gebieden met een nieuw netaansluitingsstation het beste ontsloten zouden kunnen worden, wordt gezocht naar gebieden waar het realiseren van een nieuw station leidt tot het toevoegen van aansluitmogelijkheden voor zoveel mogelijk extra opwekcapaciteit.
Door de kaarten met netaansluitingsmogelijkheden, landschapstypen in relatie tot mogelijkheden voor zonnevelden en de kaart met mogelijkheden voor windturbines naast elkaar te leggen, wordt duidelijk welke gebieden het meeste potentieel hebben en op dit moment de minste aansluitmogelijkheden. Vier gebieden springen er dan uit: 1. het gebied in het westen van de gemeente, ten zuidwesten van Boekelo (ten noorden van de N18); 2. het gebied in het zuiden van de gemeente rondom het Rutbeek; 3. het gebied aan de oostkant van de gemeente ten zuiden van Glanerbrug (Eschmarke); 4. het gebied aan de noordoostkant van de gemeente (Lonneker); dit kan met een MS-T station echter al voorzien worden van afvoercapaciteit (zie punt 6 hierboven). De mogelijkheden voor zonnevelden in landschap van het type ‘jonge veldontginningen’
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
61
9.
zijn in deze gebieden min of meer vergelijkbaar; gebieden 2 en 3 hebben daarbovenop nog de mogelijkheid voor een aantal windturbines per gebied zodat gebieden 2 en 3 het meest voor de hand liggend zijn om uit te kiezen als locaties om nieuwe netaansluitingsstations te realiseren. Omdat speciaal netaansluitingsstations gerealiseerd worden, is het uitgangspunt dat deze
gebieden zo intensief mogelijk benut worden. Dit kan er toe leiden dat in de gebieden een zogenaamd ‘energielandschap’ ontstaat (energiewinning uit zon en/of wind is nadrukkelijk aanwezig). Uitgaande van maximale benutting kan in elk van beide gebieden dan circa 120 hectare aan zonnevelden gerealiseerd worden. Beide gebieden (Rutbeek en Eschmarke) hebben deelgebieden die ook in de waarderingsstudie van H+N+S Landschapsarchitecten zijn aangeduid als mogelijk transitiegebied; dit sluit hierop goed aan. 10. In onderstaande tabel is voor maximale opbrengst aangegeven welke landschapstypen in welke mate benut worden. Net als op basisniveau, is een aantal meest kwetsbare gebieden niet benut, hier is wellicht nog een (kleine) extra toevoeging mogelijk. Tabel 5.4 Zonne-energie binnen Alternatief 2 Netaansluiting centraal Zonnevelden per landschapstype
Omschrijving
Aantal hectare
TJ per hectare
TJ totaal
Grote waterplassen
Ca. 60% van potentieel benut
16
3,2
51
Vliegveld en grote infrastructuur
Ca. 60% van potentieel benut
28
2,6
74
Jonge veldontginningen
Ca. 5% van potentieel benut
26
2,6
68
Oude hoevelandschap
0
2,3
0
Bosgebieden
0
1,7
0
Landgoederen
0
1,7
0
Stadsrandzone
0
0,9
0
Essen, heidevelden, beeklopen en hoogveennatuur
0
2,3
0
Totaal
71
Basis ambitieniveau
193
Maximale opbrengst Grote waterplassen
Ca. 60% van potentieel benut
16
3,2
51
Vliegveld en grote infrastructuur
Ca. 60% van potentieel benut
28
2,6
74
120
2,6
312
Oude hoevelandschap
0
2,3
0
Bosgebieden
0
1,7
0
Landgoederen
0
1,7
0
Stadsrandzone
0
0,9
0
Jonge veldontginningen
Extra 1x 100 ha door bouw van nieuw netaansluitingsstation (min 6 ha overlappend in dit gebied met basisniveau, totaal 120 ha)
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
62
Zonnevelden per landschapstype
Aantal hectare
TJ per hectare
TJ totaal
Essen, heidevelden, beeklopen en hoogveennatuur
0
2,3
0
Totaal
165
Omschrijving
438
Windenergie Windturbines kunnen aangesloten worden met uitzondering van de turbines die ver verwijderd liggen van een netaansluiting (dus buiten de in geel aangegeven contouren op de kaart met netaansluitingspunten). Het gaat daarbij om de turbines bij Het Rutbeek (4 turbines), een deel van het potentieel bij Eschmarke (3 turbines niet aan te sluiten) en het gebied ten zuiden van Glanerbrug (1 turbine niet aan te sluiten). Dit is de situatie op basisniveau. Indien een nieuwe netaansluitingsstation wordt gerealiseerd op locaties in zuid of zuidwest Enschede dan zijn drie turbines extra aan te sluiten (maximale opbrengst). Tabel 5.5 Windturbines binnen alternatief 2 netaansluiting centraal Windturbines
Omschrijving
Aantal turbines
TJ per turbine
TJ totaal
8
46
368
Basisniveau
Windturbines (190 - 230 m tiphoogte)
Uitgaande van bestaande netaansluitingsmogelijkheden vallen 8 turbines af voor wat betreft aansluitingsmogelijkheid en resteren er nog 9
Totaal
8
368
Maximale opbrengst Windturbines (190 - 230 m tiphoogte)
Uitgaande van 2 nieuwe netaansluitingsstations in zuid en zuidoost Enschede
Totaal
11 11
46
506 506
Verbeelding alternatief 2 Netaansluiting centraal Onderstaande figuur geeft een kaartbeeld met een voorbeeld van de invulling van dit alternatief.
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0