CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Milieueffectrapport Energievisie

Raadsvergadering 15 mei 2023, gemeente enschedeBij agendapunt: Aanwijzen zoekgebied voor windenergie34.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Verder wordt ingezet op bodemenergie en onder andere warmtepompen. De belangrijkste knelpunten voor de realisatie van geothermieprojecten zijn op dit moment enerzijds de (voor)financiering van projecten en anderzijds ruimtelijke en beleidsmatige beperkingen in het gebruik van de ondergrond, zoals de aanwezigheid van boringvrije zones voor grondwaterbescherming.

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

19

Bij het uitvoeren van de uitvoeringsstrategie wordt onder andere aandacht besteedt aan het vergroten van maatschappelijk draagvlak, innovatie en ruimtelijke ordening om meer ruimte te bieden aan met name zon- en windparken. Interprovinciaal Overleg Provincies spelen een belangrijke rol bij het versnellen van de energietransitie. Zij kunnen op regionaal niveau de betrokken partijen met elkaar verbinden. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft in 2017 samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen de investeringsagenda ‘Naar een Duurzaam Nederland’ opgesteld. In deze agenda staan de energietransitie, klimaatadaptie en circulaire economie centraal. Van het Rijk wordt een faciliterende houding gevraagd waardoor gemeenten, provincies en waterschappen de handschoen op kunnen pakken. De maatregelen voor energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie worden voor een belangrijk deel op regionale of lokale schaal gerealiseerd. Op dat schaalniveau moeten deze opgaven ruimtelijk ingepast en verbonden worden met andere opgaven zoals vestigingsklimaat, stedelijke vernieuwing, landschap en mobiliteit, zodat ‘werk met werk’ gemaakt kan worden. De uitdagingen verschillen van regio tot regio. Het IPO kan decentrale overheden ondersteunen bij het leveren van maatwerk.

Regionaal beleid Regionale Energiestrategieën Vanuit het Klimaatakkoord is de Regionale Energie Strategie (RES) voortgekomen. De nationale doelen en afspraken vragen om regionaal maatwerk. Hoe passen hernieuwbare opwek, opslag en de infrastructuur voor warmte en elektriciteit in de leefomgeving van mensen en dieren? Zowel boven als onder de grond? Ruimte is schaars. De nationale doelen zijn alleen te halen door regionaal samen te werken. Afspraken over bijvoorbeeld grote zonprojecten in de ene gemeente, hebben invloed op een buurgemeente. Ook op regionaal niveau hebben overheden, inwoners, bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties elkaars vakkennis, kunde of wettelijke bevoegdheden nodig. In het Interbestuurlijke Programma (februari 2018) spraken de overheden af een meerjarige programmatische nationale aanpak uit te werken met landsdekkende regionale energiestrategieën. Nederland is voor de uitwerking verdeeld in 30 ‘energieregio’s’. Afgesproken is dat de uit te werken strategieën uiteindelijk ruimtelijk geborgd worden via het omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk en via het beleid van de waterschappen. Elke energieregio geeft invulling aan de afspraken uit het Klimaatakkoord, die zijn gemaakt aan de sectortafels voor Elektriciteit en Gebouwde omgeving.

Samen met maatschappelijke partners, bedrijfsleven, overheden en inwoners wordt per energieregio gekomen tot een regionaal gedragen RES. De RES geeft inzicht in: •

mogelijkheden voor regionale opwek en besparing;

•

die mogelijkheden vertaald naar keuzes in concrete plekken, projecten en planning;

•

de afstemming omtrent warmtebronnen;

•

de gevolgen voor de energie-infrastructuur;

•

al gerealiseerde projecten en plannen.

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

20

De RES is een instrument om de ruimtelijke inpassing van de energietransitie met maatschappelijke betrokkenheid te organiseren. De RES is ook een manier om langjarige samenwerking tussen alle regionale partijen te organiseren, onder andere bij de voorbereiding en de realisatie van projecten. De samenwerking tussen provincie, waterschappen, gemeenten, de netbeheerders, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven, kan gezamenlijk gedragen keuzes bevorderen. De samenwerking kan daarnaast ook helpen bij het formuleren en vaststellen van omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk, waarvoor de RES een bouwsteen is. In het omgevingsbeleid van met name gemeenten vindt integrale besluitvorming over de fysieke leefomgeving plaats, op grond waarvan vergunningen kunnen worden verleend. Bedrijven en burgers krijgen meer zekerheid voor het doen van investeringen door de integrale besluitvorming. De RES is ten slotte een document waarin elke regio beschrijft welke energiedoelstellingen zij wil halen, op welke termijn en welke aanpak/strategie de regio hanteert om deze energiedoelstellingen te bepalen en te halen. De RES Twente moet op 1 juli 2021 worden opgeleverd aan het Nationaal Programma RES. Uiteindelijk stellen de volksvertegenwoordigers (gemeenteraden) de RES Twente 1.0 vast. De gemeente Enschede valt onder de RES regio Twente20.

De RES Twente heeft voor 2030 twee hoofddoelstellingen: •

Twente ontwikkelen als warmteregio;

•

50% van het huidige elektriciteitsverbruik in 2030 duurzaam opwekken: dat is 1,5

terawattuur (TWh). Voor het duurzaam opwekken van elektriciteit wordt gekozen voor een combinatie van wind- en zonne-energie. De gemeenteraad van Enschede heeft uitgesproken dat de inhoud van de Energievisie kaderstellend is voor de inbreng van de gemeente in de RES.

Energiebeleid en doelstellingen gemeente Enschede Structuurvisie Enschede De Structuurvisie Enschede, vastgesteld op 26 september 2011, legt de hoofdlijnen van het langjarig ruimtelijk beleid van de Gemeente Enschede vast. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen en nieuw stedelijk beleid, wordt de structuurvisie aangevuld om zo mee te kunnen gaan in de dynamiek van stedelijke ontwikkeling en een actueel kader te vormen voor burgers en bedrijven. De structuurvisie beoogt geen sectorale of gebiedsgerichte beleidsstukken te vervangen, maar de hoofdlijnen van al dit beleid in samenhang te presenteren. Actieplan duurzaamheid Op 8 juni 2015 stelde de gemeenteraad van Enschede het Actieplan duurzaamheid vast. Het Actieplan duurzaamheid bevat een opsomming van de speerpunten van beleid en een aanpak voor de realisatie daarvan. De gemeente Enschede werkt aan duurzaamheid volgens de visie: “Duurzaam, samen, sterker! Enschede ontwikkelt zich als een stad waar duurzaamheid altijd onderdeel is van het afwegingskader. Voor welk vraagstuk of uitdaging wij ook staan, wij 20

De regio Twente bestaat uit de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

21

schuiven de rekening niet door naar volgende generaties. Dit uitgangspunt geldt voor de belasting van het milieu, maar ook op sociaal en financieel gebied”. De missie van de gemeente is om samen met inwoners, bedrijven en partners werkgelegenheid en betaalbaar wonen te realiseren. Hiervoor ziet de gemeente een grote kans in duurzaamheid. De speerpunten van het Enschedese beleid zijn: biodiversiteit, circulaire economie, duurzame mobiliteit, energie, groene groei, klimaatadaptie en WEconomy. Binnen Enschede is energie een speerpunt van beleid, omdat: •

de gemeente een bijdrage wil leveren aan de reductie van de uitstoot van broeikasgassen en

•

de gemeente de beschikbaarheid van betaalbare energie van essentieel belang vindt voor de economie.

De gemeente Enschede wil energiebesparing stimuleren en wil decentrale opwekking van duurzame energie faciliteren. Daarbij wordt zowel gekeken naar mogelijkheden binnen de eigen gemeente, als kansen in de regio. Kansen worden gezien in het opwekken van energie middels mestvergisting, zonnepanelen op daken, warmteboilers, kleine windmolens en biomassa. Daarnaast staat de gemeente open voor de plaatsing van windturbines en zonnepanelen in vrije veldopstellingen. Enschede wekt op De bevolking is via de campagne ‘Enschede wekt op’ actief betrokken bij de uitvoering van het Actieplan duurzaamheid. Enschede wekt op is een initiatief van verschillende partners, variërend van onderwijsinstellingen tot het bedrijfsleven en de overheid. Doel van deze campagne was tweeledig: de samenleving stimuleren energie te besparen/zelf duurzaam op te wekken en meedenken bij de zoektocht naar locaties voor grootschalige opwek van duurzame energie. Hiervoor zijn diverse participatie- en ontwerpsessies georganiseerd die goed bezocht zijn. De informatie die verzameld is, is vastgelegd21 en gepresenteerd aan de gemeenteraad. Campagne “Enschede wekt op” en de gemeenteraad Bij de bespreking van de resultaten van de campagne ‘Enschede wekt op’ heeft de gemeenteraad besloten om voortvarend aan de slag te gaan met de resultaten van de campagne.

De Raad heeft wat dit betreft het volgende besluit genomen22: Een structuurvisie energie (Energievisie) te ontwikkelen waarmee de kaders worden gecreëerd om in Enschede de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening te realiseren, en waarin in ieder geval de volgende thema's centraal dienen te staan: •

waar mogelijk naast zon en wind ook andere bestaande en nieuwe duurzame energietechnieken te benutten, zoals geothermie, warmte-koude opslag, warmtenetten, etc.;

•

het vergroten van draagvlak voor duurzame energieprojecten;

•

ruimte bieden aan (kleinschalige) energie-initiatieven vanuit de maatschappij;

•

energiebesparing;

•

mogelijkheden voor kort- en langdurige opslag van duurzaam opgewekte energie.

21 22

In de nota ‘Enschede wekt op’, 14 maart 2017 Besluitenlijst gemeenteraad, 10 april 2017

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

22

Coalitieakkoord 2018 – 2022 In juli 2018 hebben Burgerbelangen Enschede, D66, VVD, PvdA en ChristenUnie het coalitieakkoord ‘Trots, Lef, Bouwen, Kansrijk Enschede’23 gepubliceerd. Met betrekking tot duurzaamheid heeft de coalitie de doelstelling om Enschede in 2050 klimaatneutraal te laten zijn. Om dit te bereiken zijn er plannen om zonneparken en windmolens te realiseren. Ten aanzien van zonneparken wil het college deze raadsperiode een gemiddelde van 40 hectare aan zonneparken per jaar faciliteren. Daarnaast zet het college in op initiatieven uit de markt om in totaal 3 windmolens in 3 zoekgebieden (A35 bij de Grolsch, A35 Boeldershoek en industrieterrein Marssteden) mogelijk te maken. Voor alle duurzame energieopwekking zal van initiatiefnemers worden gevraagd projecten zo vorm te geven dat er een acceptabele verdeling tussen lusten en lasten voor omwonenden is. In de gemeenteraad zijn inmiddels diverse debatten gevoerd over het opstellen van de Energievisie. Eén van de mijlpalen is de vaststelling van de nota Uitgangspunten Energievisie (7 september 2020)24. Bestaande ideeën en initiatieven voor energieprojecten De gemeente Enschede heeft zich aanmerkelijk ingespannen om de bevolking te betrekken bij de energietransitie via het traject van ‘Enschede wekt op’. Ook is zij in gesprek met diverse maatschappelijke organisaties.

Onder andere vanuit deze organisaties maar ook vanuit particuliere initiatiefnemers komen ideeën voort over duurzame energieprojecten. Bij het opstellen van het MER wordt rekening gehouden met bij de gemeente bekend zijnde concrete initiatieven voor energieprojecten.

23

Geraadpleegd via https://www.enschede.nl/bestuur/organisatie/beleid/coalitieakkoord-enschede-20182022 24 https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/enschede/4ceb860d-8b4c-45df-a743-fa782b4cd93c

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

23

DUURZAME ENERGIEBRONNEN EN AMBITIENIVEAUS In dit hoofdstuk wordt allereerst de scope van het MER beschreven, met aanduiding van het onderzoeksgebied en de duurzame energiebronnen die worden onderzocht. Daarna volgt de huidige energieopwekking met duurzame energiebronnen in de gemeente Enschede. De inzet van duurzame energiebronnen in 2030 wordt vervolgens op basis van twee ambitieniveaus uitgewerkt. Allereerst wordt een basis ambitieniveau gekwantificeerd dat aansluit bij de doelstellig van het huidige coalitieakkoord en beleid van de gemeente Enschede. In een tweede ambitieniveau wordt de maximaal mogelijk inzet van duurzame energiebronnen onderzocht.

Bepalen van de scope van het MER-onderzoek In deze paragraaf wordt beschreven welke gebied en welke duurzame energiebronnen in dit MER onderzocht en beoordeeld zullen worden met het oog op het bereiken van de doelstelling voor 2030.

Afbakening plan- en studiegebied Het plangebied bestaat uit de gemeente Enschede en dit vormt ook het studiegebied voor de m.e.r. Uitzondering hierop vormen effecten die zich buiten de gemeentegrenzen zouden kunnen voordoen ten gevolge van ontwikkelingen binnen de gemeentegrenzen. Ook die effecten worden onderzocht. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om effecten ten aanzien van ecologie (natuur). Voor het realiseren van een volledig duurzame energievoorziening wordt ook gekeken naar de inzet van duurzame energie van buiten de gemeentegrenzen. Een voorbeeld hiervan is de situatie van Twence (dat overigens voor een deel in gemeente Hengelo ligt maar nagenoeg alle installaties liggen in gemeente Enschede). De milieueffecten van de inzet van duurzame energie afkomstig van buiten de grenzen van de gemeente Enschede worden echter niet onderzocht in deze m.e.r. Binnen de gemeentegrens van de Gemeente Enschede wordt het studiegebied voornamelijk beperkt tot het buitengebied en de bedrijventerreinen van Enschede, het overig bebouwd stedelijk gebied wordt niet beschouwd. Op voorhand wordt namelijk uitgesloten dat daar ruimte zal zijn voor grootschalige energieopwekking zoals grote windturbines of zonneparken. Wel wordt het potentieel van opwekking in overig bebouwd gebied (zoals woonwijken) meegerekend in het doelbereik, omdat dit in het totaalplaatje wel relevant is.

Denk bijvoorbeeld aan zonnepanelen op daken (zie hierna).

Zon op dak en energiebesparing Het benutten van dakoppervlak voor het plaatsen van zonnepanelen is van belang om de doelstellingen te bereiken, het potentieel van zonnepanelen op daken is namelijk groot, echter de milieueffecten daarvan op de omgeving zijn beperkt. De milieueffecten van zonnepanelen op daken worden daarom niet in de m.e.r. onderzocht. Wel wordt de bijdrage van deze energiebron aan het halen van de duurzame energiedoelen van de gemeente Enschede bepaald.

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

24

Uitgangspunt voor het MER is dat een bepaalde hoeveelheid zonne-energie middels fotovoltaïsche (PV) systemen op daken gerealiseerd wordt. De groei van de inzet van zonnepanelen is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de ontwikkeling van de energieprijs, de prijs van zonnepanelen en stimuleringsmaatregelen van de overheid. Dit bemoeilijkt het maken van een adequate inschatting van de elektriciteitsproductie van zon op dak op een bepaald moment. Op basis van de volgende redenering en aannames is dit evenwel voor 2030 en 2050 geraamd als uitgangspunt voor het MER. Op basis van het onderzoek van ECN uit 201525 is een inschatting gemaakt van de benutting van de potentie van het dakoppervlak in de gemeente Enschede. Op dit moment (2017-2018) is circa 2,5-3% van dit potentieel benut. In een in 2017 door ECN uitgebracht rapport wordt de verwachting uitgesproken dat in het meest gunstige geval (continuering van de huidige fiscale regeling) de productie van zonnestroom (PV op koopwoningen) in de periode 2018 tot 2030 met een factor 4 toeneemt. Per 1 januari 2017 waren er 3821 geregistreerde zonne-installaties, met een gezamenlijk vermogen van 14,23 Megawattpiek, van bedrijven en particulieren binnen de gemeentegrenzen aanwezig. Bij een verviervoudiging van de capaciteit resulteert dit in circa 57 megawattpiek in 2030.

Dit correspondeert met een elektriciteitsproductie van circa 48.000 megawattuur (circa 174 TJ) in 2030. Dit is circa 10 procent van het door ECN berekende potentieel. Bij een gelijkmatige ontwikkeling van de groei van zonne-installaties op daken en een toename van de efficiëntie van zonnepanelen van ongeveer 5 tot 6% per jaar, zal dit percentage dan in 2050 circa 30% van het potentieel bedragen. De benutting van het potentieel van ‘zon op dak’ van 10% in 2030 en 30% in 2050 wordt, op basis van bovenstaande redenering, voor het MER als gegeven beschouwd. De milieueffecten van zon op dak worden niet onderzocht in het MER; reden hiervoor is dat deze milieueffecten van realisatie op daken heel beperkt is en de gemeente dit op voorhand steunt en waar nodig mogelijk zal maken. Energiebesparing Ook energiebesparing blijft om dezelfde reden buiten beschouwing van het onderzoek in het MER. Het is een belangrijk aspect binnen de energietransitie, maar heeft niet direct milieueffecten die in dit MER aan de orde komen. Ook voor energiebesparing doen we een aanname voor de gerealiseerde mate van besparing in 2030 en 2050. Uitgegaan wordt namelijk van het business-as-usual scenario in de studie van ECN (2015) voor het energieverbruik in 2030 en 2050 dat aansluiting zoekt bij de Nationale Energieverkenning.

De Nationale Energieverkenning bevat projecties tot en met 2030; in de studie voor Enschede is dit verloop geëxtrapoleerd om te komen tot een schatting van het gebruik in 2050 bij voortzetting van het voorgenomen beleid. Het energiebesparingstempo in dit scenario is over een periode van tien jaar gemiddeld 1,2% per jaar in 2020 en 0,7% in 2030.

Energieopslag Balanceren van vraag en aanbod Duurzame energiebronnen zoals zonne-energie en windenergie hebben een fluctuerend aanbod, omdat zon en wind niet altijd in dezelfde mate aanwezig zijn. Een mogelijkheid om deze fluctuatie op te vangen kan zijn door het flexibel sturen van de energievraag (Demand

25

Verkenning potentieel hernieuwbare energie Gemeente Enschede, ECN, 2 april 2015

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

25

Response). Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het strategisch laden van een elektrische wagenpark of andere stroomafnemers, waarbij een slim elektriciteitsnetwerk vraag en aanbod op elkaar afstemt (een zogenaamd ‘smart grid’). Een andere mogelijkheid is om thermische buffers te gebruiken, in bijvoorbeeld de industrie of koelhuizen. Een goed geïsoleerd koelhuis blijft langere tijd op temperatuur waardoor in periodes van energieoverschot koude geladen kan worden en in periode van energietekort juist tijdelijk kan worden afgeschakeld. Echter alleen vraagsturing is niet voldoende om ook tijdens (langdurige) periodes van laag wind- en zonaanbod voldoende energie voor handen te hebben. Ook het niet kunnen afvoeren van energie in een moment van piekaanbod aan stroom (bijvoorbeeld van een groot zonneveld) vanwege het bereiken van de grenzen van de netaansluiting, vraagt om structurele maatregelen om de energie te kunnen opslaan. Daarom is de opslag van energie in de toekomst waarschijnlijk een belangrijk onderdeel bij het balanceren van vraag en aanbod en (het bijdragen aan) het oplossen van netwerkproblemen. Energieopslag: tot 2030 naar verwachting nog geen grote rol Opslag van energie kan plaatsvinden op verschillende manieren, bijvoorbeeld in batterijen (accu’s), in de vorm van perslucht of in de productie van waterstof.

Op grote schaal zullen accu’s in 2030 waarschijnlijk nog geen grote bijdrage leveren voor energieopslag in de gemeente Enschede, daarvoor zijn de kosten van accu’s naar verwachting nog te hoog. Wellicht dat het aandeel elektrische auto’s wel toeneemt (en dit zou mogelijk een rol kunnen spelen bij het balanceren van vraag en aanbod), maar grote accu-opslagsystemen in combinatie met zonne- en windenergie zullen in 2030 naar verwachting (nog) niet economisch aantrekkelijk zijn. In de gemeente Enschede zijn zoutcavernes aanwezig die volgens onderzoek door TNO26 mogelijk geschikt zijn voor energieopslag in de vorm van perslucht en waterstof. Voor zover ons bekend, zijn de cavernes van Nouryon in Enschede en Hengelo door hun relatief geringe diepte en hun vorm niet geschikt om gassen of perslucht in op te slaan. Het is niet waarschijnlijk dat deze technieken in 2030 toegepast kunnen worden in combinatie met de zoutcavernes in de gemeente Enschede. Persluchtopslag wordt momenteel nog maar op twee plaatsen in de wereld toegepast en kent een beperkte efficiëntie (42-54%), vanwege het warmteverlies bij compressie. Volgens het onderzoek van TNO is de te verwachte inzet van persluchtbuffers nog onbekend. Daarnaast beschouwt het onderzoek de periode tot 2030 als een fase waarin voornamelijk demonstratieprojecten met betrekking tot waterstof als energiedrager uitgevoerd zullen worden.

Daarmee is het aannemelijk dat het gebruik van de zoutcavernes in de gemeente Enschede voor opslag van (duurzame) energie in 2030 (nog) geen rol zal spelen. In het MER wordt niet verder ingegaan op energieopslag, vanwege de verwachting dat het in 2030 nog geen noemenswaardige rol zal spelen in de energie-infrastructuur en dat daarmee de milieueffecten van energieopslag niet significant zullen zijn. Doorkijk naar de rol van energieopslag in 2050 De noodzaak om duurzame energie van bronnen met een wisselend aanbod zoals wind- en zonne-energie op te slaan, wordt groter naar mate deze bronnen een groter deel van de

26

Ondergrondse Opslag in Nederland - Technische Verkenning, TNO-rapport, TNO 2018 R11372, 1 november 2018.

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

26

energievoorziening uit maken. Daarom zal richting 2050 energieopslag zeer belangrijk worden. Het is lastig in te schatten welke vormen van opslag dominant gaan worden, maar gezien de verschillende voor en nadelen, capaciteiten en kosten zal waarschijnlijk een mix van accu’s en waterstof gebruikt worden. Daarnaast is het aanpassen van energie-intensieve productie aan de beschikbaarheid van energie eveneens een vorm van ‘opslag’ (in de vorm van energieintensieve producten) die het grote voordeel heeft dat geen of minder omzettingsverliezen optreden. Het is denkbaar dat in de verdere toekomst, richting 2050, de zoutcavernes in Enschede mogelijk een rol krijgen in de opslag van energie in de vorm van perslucht of waterstof.

Duurzame energiebronnen Voor het bepalen van de mogelijkheden om de doelstellingen van de gemeente Enschede te verwezenlijken wordt gekeken naar de energiebronnen die de grootste bijdrage kunnen leveren. Onder meer op basis van de inschatting van de potentie van een veelheid aan energiebronnen door ECN (2015) zijn dit: •

Zonne-energie in veldopstellingen (zonneparken); ‘zon-op-dak’ heeft eveneens een groot potentieel en wordt meegerekend in het doelbereik, maar dit valt buiten het effectenonderzoek in het MER (zie paragraaf 4.1.2).

•

Windenergie met behulp van grote windturbines; het windklimaat in Enschede vraagt om de toepassing van turbines die geschikt zijn voor dit deel van het land, dat zijn hoge turbines met grote rotoren.

•

Geothermie; de potentie van deze bron is nog grotendeels onbekend; dit wordt nader verkend.

•

Biomassa; ook de potentie van deze bron wordt nader in beeld gebracht.

Achtereenvolgens worden in de volgende paragrafen de bovenstaande bronnen nader toegelicht en wordt de maximale opbrengst voor 2030 ingeschat. Overige duurzame productiemethode In het voorgenoemde onderzoeksrapport van ECN (2015) worden ook kleinschalige, stedelijke windturbines (urban wind turbines, windturbines met een rotoromvang van enkele meters) en zonneboilers als duurzame energiebronnen beoordeeld. Met een maximaal potentieel van 5 TJ is de mogelijke bijdrage van de urban wind turbines zeer beperkt. Daarnaast is deze techniek financieel gezien geen aantrekkelijke optie (zeer lange terugverdientijden), waardoor het niet aannemelijk is dat deze urban windturbines grootschalig toegepast gaan worden. Voor de ontwikkeling van de bijdrage van zonneboilers in 2030 wordt dezelfde ontwikkeling gehanteerd als voor zon-PV op dak. Hierbij wordt uitgegaan van een benutting van 10% van het maximale potentieel. Dit komt neer op 18,7 TJ. Beide technieken (urban windturbines en zonneboilers) bij elkaar opgeteld kennen een mogelijke bijdrage van slechts 0,23% op de totale verwachte energievraag in 2030. Gezien de geringe bijdrage van deze energiebronnen worden deze niet verder beschouwd in dit MER.

Ten aanzien van zonneboilers kan nog opgemerkt worden dat deze concurreren met zonne-PV installaties om geschikt dakoppervlak, immers beide worden op daken gerealiseerd en worden – in ieder geval op dit moment – nog niet of nauwelijks in een geïntegreerd hybride systeem

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

27

(zon-PVT, Photo Voltaïsch Thermisch) toegepast. Het aantal zon-PV systemen dat op dit moment gerealiseerd wordt is vele malen groter dan het aantal zonneboilersystemen. In paragraaf de volgende paragraaf wordt ook ingegaan op enkele andere technieken, namelijk warmte-koudeopslag (WKO) en riothermie (het benutten van thermische energie uit riooleffluent). De bijdrage van deze technieken is naar verwachting beperkt en wordt over het algemeen eerder onder energiebesparing dan onder energieproductie geschaard, Daarom wordt dit verder niet beschouwd in het MER. Verder wordt aangenomen dat in 2030 de energieproductie vanuit overige bronnen die in de volgende paragraaf genoemd worden (biogas RWZI, biomassa ketels bij bedrijven, houtkachels in woningen, gebruik van houtskool en biobrandstoffen voor transport) ongeveer gelijk blijft. Tevens wordt er vanuit gegaan dat er in de periode tot 2030 geen wezenlijke doorbraken komen die nu nog onbekende innovatieve energieopwekkingsmethoden beschikbaar doen komen.

Huidige duurzame energieproductie Om het vertrekpunt te bepalen voor de ambitieniveaus dient eerst het huidige aandeel duurzame energie in het totale energiegebruik te worden vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan van de gegevens zoals gepresenteerd in de Klimaatmonitor27. Normaliter wordt in de Klimaatmonitor het aandeel duurzame energie gebaseerd op de hoeveelheid energie die duurzaam op het eigen grondgebied wordt opgewekt (de grondgebied-benadering). In de situatie van de gemeente Enschede speelt daarnaast ook nog het aandeelhouderschap in afvalverwerkingsbedrijf Twence B.V. (hierna: Twence). De gezamenlijke aandeelhouders van Twence hebben afgesproken om de prestatie van Twence met betrekking tot duurzame energie onderling te verdelen op basis van het percentage aandelen dat de betreffende gemeente bezit. Deze hoeveelheid duurzame energie kan vervolgens worden opgeteld bij de overige duurzame energie die binnen de gemeentegrenzen wordt opgewekt door andere partijen dan Twence. Gezien de beschikbaarheid van gegevens wordt 2017 als uitgangspunt genomen in het bepalen van het huidige aandeel duurzame energie. Allereerst wordt de productie van duurzame energie in de gemeente Enschede (exclusief Twence) inzichtelijk gemaakt.

Vervolgens wordt de duurzame energieproductie door Twence toegelicht en het aandeel dat hiervan op basis van aandeelhouderschap kan worden toegewezen aan Enschede. Hieruit volgt de totale huidige hoeveelheid duurzame energie. Door deze hoeveelheid duurzame energie te delen door het totale energieverbruik van de gemeente Enschede in 2017 kan het huidige aandeel duurzame energie bepaald worden.

Huidige productie duurzame energie binnen gemeente Enschede Op basis van de Klimaatmonitor kunnen meerdere duurzame energiebronnen worden onderscheiden voor de toepassingen elektriciteit, warmte en transport28. In de onderstaande tabel worden deze hoeveelheden weergegeven in TJ (terrajoules).

27

Rijkswaterstaat, Klimaatmonitor rapportage Hernieuwbare Energie, Hernieuwbare Energie in Gemeente Enschede. Geraadpleegd via: Klimaatmonitor.databank.nl 28 Duurzame energie met betrekking tot transport betreft het bijmengen van biobrandstoffen als toevoeging bij bijvoorbeeld brandstoffen voor het wegverkeer (zie bijvoorbeeld: https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaamondernemen/duurzame-energie-opwekken/bio-energie/beleid-bio-energie/beleid-biobrandstoffen).

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

28

Tabel 4.1 Productie duurzame energie binnen gemeente Enschede in 2017 Energiebron

Toepassing

Productie in TJ (2017)

Zonne-energie

Elektriciteit

44

Biogas RWZI

Elektriciteit

19

Biogas RWZI

Warmte

32

Biomassa ketels bij bedrijven

Warmte

3

Houtkachels in woningen

Warmte

121

Gebruik van houtskool

Warmte

2

Warme-koude opslag (WKO) utiliteitsbouw

Warmte

1

Biobrandstoffen

Transport

Totale duurzame energie

71 294

De totale bijdrage aan het aandeel duurzame energie afkomstig van Enschedees grondgebied bedroeg in 2017 ongeveer 294 TJ. In bovenstaand overzicht is een aantal kleinere duurzame energiebronnen niet opgenomen zoals kleine windturbines, zonneboilers en riothermie (het benutten van thermische energie uit riooleffluent). De bijdrage van deze kleine energiebronnen, voor zover deze in Enschede toegepast worden, is in 2017 erg gering en verdwijnt daarmee ‘achter de komma’. Hierbij geldt ook de kanttekening dat riothermie eerder energiebesparing betreft dan dat het een duurzame energiebron is, immers de warmte die in het rioolwater terecht komt vanuit warmwatergebruik wordt teruggewonnen, er wordt geen nieuwe duurzame energie geproduceerd. Ook bij warmtekoudeopslag geldt dat dit meestal als energiebesparing wordt gezien omdat vooral de warmte die vrijkomt bij koelen van een gebouw in de zomer in de ondergrond (in een aquifer) wordt opgeslagen en in de winter benut om het gebouw deels te verwarmen. Energiebesparing valt buiten de scope van het MER maar wordt wel meegenomen in de doelstelling omdat er vanuit gegaan wordt dat er jaarlijks een energiebesparing wordt gerealiseerd waardoor de energievraag in 2030 en 2050 lager uitvalt.

Toewijzing van productie duurzame energie Twence In het geval van Twence wordt de voorgenoemde grondgebied-benadering losgelaten en wordt de energieproductie verdeeld op basis van aandeelhouderschap. Het financiële jaarverslag van 2017 van Twence29 toont dat de gemeente Enschede 24,17% van de aandelen in bezit heeft. Op basis hiervan wordt het betreffende gedeelte van de duurzame energieproductie van Twence aan Enschede toegewezen. De Klimaatmonitor beschikt over gegevens met betrekking tot de productie van duurzame energie door Twence en verdeling van de energie naar aandeelhouderschap 30. In de onderstaande tabel wordt de productie van duurzame energie door Twence in 2017 weergegeven per productie-installatie in TJ.

29

Twence Holding B.V., 2017. Passie! Financieel jaarverslag 2017 Twence Holding B.V. Rijkswaterstaat, Klimaatmonitor rapportage Hernieuwbare Energie naar Aandeelhouderschap Twence, Hernieuwbare Energie naar Aandeelhouderschap Twence: Gemeente Enschede. 30

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

29

Tabel 4.2 Productie van duurzame energie door Twence in 2017 Productie-installatie Twence

Toepassing

Productie in TJ (2017)

Afvalverbrandingsinstallatie

Elektriciteit

596,6

Afvalverbrandingsinstallatie

Warmte

1.158,2

Biomassa-energiecentrale

Elektriciteit

565,3

Biomassa-energiecentrale32

Warmte

0

Biogas WKK

Elektriciteit

37,0

Biogas WKK

Warmte

32,1

Zonne-energie

Elektriciteit

3,5

Totale duurzame energie

100%

2.392,6 TJ

Aandeel Enschede

24,17%

579 TJ

31

De totale bijdrage aan het aandeel duurzame energie op basis van het aandeelhouderschap in Twence bedroeg in 2017 ongeveer 579 TJ.

Huidig energieverbruik en huidig aandeel duurzame energie Wanneer we de productie van duurzame energie binnen de gemeente Enschede (294 TJ) optellen bij de hoeveelheid duurzame energie van Twence (579 TJ), toegewezen op basis van aandeelhouderschap, resulteert dit in een hoeveelheid duurzame energie in 2017 van in totaal 873 TJ. De Klimaatmonitor33 laat zien dat het energieverbruik van de gemeente Enschede in 2017 in totaal 10.116 TJ bedroeg. Dit betekent dat het aandeel duurzame energie in 2017 in totaal 8,6% was. In de onderstaande tabel worden de bovengenoemde gegevens samengevat. Tabel 4.3 Aandeel duurzame energie in de gemeente Enschede in 2017 Onderwerp

Hoeveelheid in TJ

Aandeel

Duurzame energie binnen gemeente

294

2,9%

Duurzame energie Twence

579

5,7%

Totaal duurzame energie (2017)

873

8,6%

Totaal energieverbruik gemeente Enschede (2017)

10.116

100%

Het aandeel duurzame energie in 2017 van 8,6% wordt beschouwd als het huidige aandeel duurzame energie en vormt het vertrekpunt voor de resterende opgave (nog te realiseren duurzame energie voor 2030). Sinds 2017 zijn er nog wel enkele duurzame energieprojecten gerealiseerd (zonneparken). Deze zijn onderdeel van de referentiesituatie voor het MER (zie paragraaf 6.1.2).

31

Deze gegevens betreffen alleen de duurzame energieproductie. Het aandeel van de energieproductie van de afvalverbrandingsinstallatie dat als duurzaam wordt aangemerkt is afhankelijk van het percentage van het afval dat biogeen van oorsprong is. In dit geval betreft het 54%, zoals vermeld in het Twence Publieksjaarverslag 2017. 32 Inmiddels heeft er een ombouw van de biomassa-energiecentrale plaatsgevonden waardoor er ook warmtelevering plaats zal vinden. In 2017 was dit nog niet het geval. 33 Rijkswaterstaat, Klimaatmonitor rapportage Energiegebruik, Energiegebruik in Gemeente Enschede.

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

30

Zonne-energie Zonneparken voor de productie van duurzame elektriciteit dienen ergens gepositioneerd te worden binnen de gemeente Enschede. De zonneladder van de provincie Overijssel geeft sturing aan de locatie waar zonneparken gerealiseerd mogen worden en onder welke voorwaarden dit is toegestaan. Verder zijn er weinig harde wettelijke bepalingen die de plaatsing van zonneparken beperken (anders dan de voorwaarden die het bestemmingsplan stelt). Tegelijkertijd is het evident dat zonneparken niet overal in onbeperkte mate toegepast kunnen worden, met name omdat zij dan erg overheersend en allesbepalend aanwezig zullen zijn in het landschap. Voor het plaatsen van zonneparken ten behoeve van het onderzoek in het MER, is daarom nagegaan wat de mogelijkheden zijn om vanuit landschappelijk perspectief zonneparken te plaatsen zonder de landschappelijke waarden in onaanvaardbare mate aan te tasten. Op basis van landschappelijke waarden is het ‘maximale laadvermogen’ van het landschap voor zonneparken bepaald. Ten behoeve hiervan zijn de verschillende landschapstypes in de gemeente Enschede door H+N+S Landschapsarchitecten in kaart gebracht en geanalyseerd.

Het landschap rond Enschede wordt door H+N+S onderverdeeld in 1) jonge veldontginningen; 2) oude hoevelandschappen (erven en velden en essen); 3) beken, beekdalen en matenlandschap; 4) bos- en natuurgebieden; 5) landgoederen en buitenplaatsen; 6) hoogveenlandschap; 7) vliegveld; 8) stadsrandzone; 9) infrastructuur; en 10) grote wateren. Elke landschapstype heeft eigen kenmerken en kwaliteiten. De mogelijkheden om zonneparken aan te leggen binnen de in Enschede aanwezige landschapstypen is daarbij bepaald. Zij concluderen dat meer grootschalige landschappen (zogenaamde jonge veldontginningen) binnen de gemeente zich beter lenen voor een groter aantal zonnevelden en ook op zich grotere zonnevelden, terwijl kleinschalige landschappen (zogenaamde oude hoevelandschappen) beter kleine zonnevelden faciliteren. Dit onderscheid is weergegeven in onderstaande figuur. De linker figuur toont een grootschalig zonnepark die past binnen het rationele landschap van de jonge veldontginningen. Het oude hoevelandschap in de rechter figuur kent een onregelmatige structuur waar grote zonneparken landschappelijk niet passen in de schaal van het landschap. Figuur 4.1 Zonneparken in jonge veldontginningen (links) en oude hoevelandschappen (rechts)

Bron: H+N+S Landschapsarchitecten (zie bijlage 6a)

Landgoederen, essen en bosgebieden stellen nog meer beperkingen aan omvang en aantal zonnevelden. Aan de hand van een landschappelijk onderzoek door H+N+S is dit nader

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

31

uitgewerkt en is per landschapstype bepaald hoeveel zonnevelden van welke omvang toelaatbaar zijn. H+N+S heeft daarnaast per landschapstype bepaald wat de theoretische energieopbrengst per hectare kan zijn. Hierbij is gekeken naar onder andere de potentiële omvang, vorm en inpassing van een mogelijk zonnepark in een bepaald landschapstype. Zo is op de grote wateren de hoogste opbrengst per hectare voorzien van 3,2 TJ per hectare per jaar. In bijlage 6 is de rapportage34 te vinden, die hier gedetailleerd op ingaat. In een vervolgonderzoek is ingezoomd op landschappelijke waarden van concrete gebieden in Enschede, waaronder van het landschapstype jonge veldontginningen en oude hoevelandschappen (Waarderingskaart buitengebied Enschede, H+N+S, 2019). De waarde die een landschapstype krijgt is gebaseerd op de intrinsieke waarde van het landschapstype in combinatie met een beoordeling van de kwaliteit van de huidige situatie in het veld. Bij de waardering is gebruik gemaakt van de kwalificaties ‘zeer hoge waarde’, ‘hoge waarde’ en ‘basiswaarde’. De reden voor toekenning ligt in onderliggende kenmerken van het landschap. Onderliggende kenmerken zijn bijvoorbeeld de morfologie, een rijke geschiedenis, de ecologische betekenis, de betekenis als aantrekkelijk en toegankelijk uitloopgebied of de betekenis als landbouwgebied.

Vooral of, en de wijze waarop deze afzonderlijke kenmerken met elkaar in samenhang tot expressie komen, is van belang bij de waardering. In onderstaande kaart is door N+N+S per gebied aangegeven wat de waardering is.

34

Verkenning zonneparken in het landschap van Enschede, H+N+S Landschapsarchitecten, Definitief, 27 februari 2019

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

32

Figuur 4.2 Waardering landschappen gemeente Enschede (H+N+S)

Bron: H+N+S Landschapsarchitecten (zie bijlage 7)

Uit het vervolgonderzoek (zie bijlage7) komt naar voren dat er binnen de jonge veldontginningen en oude hoevelandschappen deelgebieden aanwezig zijn met een dermate hoge waarde dat de ontwikkeling van zonneparken niet gewenst is. Alleen bij het basis kwaliteitsniveau zijn zonneparken vanuit landschapsperspectief toelaatbaar, bij hoge en zeer hoge kwaliteit niet. Dit leidt er toe dat de gevonden mogelijkheden voor zonneparken in de eerste studie (zie bijlage 6a en 6b) naar beneden bijgesteld dienen te worden. In jonge veldontginningen is circa 13% van het areaal van hoge en zeer hoge kwaliteit en in oude hoevelandschappen 30%. Onderstaande tabel geeft per landschapstype weer wat de maximale mogelijkheden zijn indien ook rekening gehouden wordt met deze ‘afslag’ voor hoge en zeer hoge kwaliteit. Tabel 4.4 Mogelijkheden voor de inzet van zonnevelden per landschapstype o.b.v. landschappelijk onderzoek Landschapstype

Maximaal aantal en omvang zonnevelden (1)

Grote waterplassen

Opstelling op het water in Rutbekerveld en Vitens waterbekkens

26 hectare

Vliegveld en grote infrastructuur

Circa 10 hectare vliegveld, 30 hectare A35, 8 hectare N18

48 hectare

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Totaal aantal hectare

Pondera Consult

33

Landschapstype

Maximaal aantal en omvang zonnevelden (1)

Jonge veldontginningen

27 velden van 15 hectare

405 hectare

Oude hoevenlandschap

25 velden van 6,5 hectare

162,5 hectare

Bosgebieden

5 velden van 7,5 hectare

37,5 hectare

Landgoederen

4 velden van 7,5 hectare

30 hectare

Stadsrandzone

5 velden van 7 hectare

35 hectare

Essen, heidevelden, beeklopen en hoogveennatuur

Usseler es

10 hectare

Totaal aantal hectare

Bron H+N+S, 2020, zie bijlage 6 en 7

Het maximum aan zonne-energie met behulp van zonnevelden dat gerealiseerd kan worden bedraagt aldus circa 754 hectare met een totale energieopbrengst van circa 1.555 TJ per jaar, rekening houdend met de geschiktheid van gebieden op basis van de hiervoor beschreven landschapsanalyses. In de landschapsstudie van H+N+S Landschapsarchitecten is ook aangegeven welke gebieden in welke mate minder ingezet zouden worden als in toenemende mate rekening gehouden wordt met het aspect landschap. Dit vormt bouwstenen voor de inzet van zonnevelden bij het invullen van de alternatieven die verderop in dit MER zijn uitgewerkt (hoofdstuk 5).

Netaansluiting Naast ruimtelijke beperkingen speelt bij zonneweiden35 ook de afstand tot een mogelijke aansluiting op het elektriciteitsnet en de beschikbare transportcapaciteit een rol. Als deze afstand te groot is, brengt de netaansluiting dermate hoge kosten met zich mee dat het zonnepark niet realiseerbaar is. Binnen de gemeente Enschede zijn stations te onderscheiden met de verschillende vermogens en aansluitmogelijkheden. Onderstaande kaart geeft de netaansluitingspunten weer met daar omheen een afstandscirkel waarbinnen ingeschat wordt dat zonnevelden nog rendabel gerealiseerd kunnen worden (uiteraard is dit van een veelheid van factoren afhankelijk, het betreft hier een globale inschatting). Grote zonnevelden dienen op zwaardere stations aangesloten te worden waarvan er minder in de gemeente zijn gelegen. Door de schaalgroottevoordelen kunnen grotere zonneweiden met een langer kabeltracé nog gerealiseerd worden dan kleinere zonnevelden. Onderstaande tabel geeft de afstanden en vermogens van zonnevelden weer waar in de kaart vanuit gegaan is.

35

De benamingen zonneparken, zonneweiden, zonnevelden worden door elkaar gebruikt en zijn niet onderscheidend; in alle gevallen worden grondgebonden opstellingen van zonnepanelen bedoeld die over het algemeen niet in bebouwd (stedelijk) gebied gelegen zijn.

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

34

Tabel 4.5 Netaansluitingsmogelijkheden, vermogens en aansluitafstanden Vermogen van netaansluitingsstation

Omvang en vermogen van aan te sluiten zonnevelden

Maximale afstand waarbinnen dit rendabel kan (globale inschatting)

1750 kVA

Circa 2 - 3 Ha (circa 2 MWpiek)

800 meter

6 MVA

Circa 6 Ha (tot circa 7 MWpiek)

1.100 meter

10 MVA

circa 10 hectare (tot circa 12 MWpiek)

2.100 meter

10 MVA (MS/HS station)

Boven 10 hectare

3.000 meter

Figuur 4.3 Aansluitmogelijkheden op het elektriciteitsnetwerk en afstandscontouren zonnevelden

Overigens betekent het kunnen aansluiten van een park nog niet dat er ook transportcapaciteit beschikbaar is. Dit is in de praktijk voornamelijk voor parken groter dan 10 MWpiek (groter dan circa 10 hectare) een probleem. Enexis geeft aan dat er op dit moment (momentopname april 2019) op de hoogspanning-/middenspanningstations (HS/MS-stations) nog de volgende capaciteit beschikbaar is: •

HS/MS station Vechtstraat: 57 MVA

•

HS/MS station Heekstraat: 66 MVA

•

HS/MS station Wesselerbrink: 15 MVA

•

HS/MS station Marssteden: 20 MVA

Totaal is aldus op dit moment 158 MVA beschikbaar (afhankelijk van diverse technische parameters ongeveer vergelijkbaar met 158 MW) in Enschede.

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

35

Doorkijk inzet zonnevelden 2050 Technische innovaties en verdere verbetering van de efficiency van zonnepanelen zijn te verwachten in de komende decennia. Ook is de ontwikkeling en inzet van zonnepanelen van flexibel materiaal en doorzichtige panelen een mogelijke ontwikkeling. In combinatie met een mogelijk sterke prijsdaling zou dit tot een veel grotere en meer verspreide inzet kunnen leiden, waarbij veldopstellingen slechts één van de grootschalige toepassingen zou kunnen zijn.

Windenergie Bij het plaatsen van windturbines dient rekening gehouden te worden met specifieke wet- en regelgeving ten aanzien van bijvoorbeeld geluid, slagschaduw en externe veiligheid (afstanden tot woningen, wegen, buisleidingen etc.). Om de plaatsingsmogelijkheden voor windturbines in beeld te brengen wordt uitgegaan van bestaande wet- en regelgeving. In hoofdstuk 5 worden de alternatieven beschreven. Daarin is sprake van verschillende alternatieve opstellingen van windturbines. Vervolgens worden de milieueffecten van het plaatsen van windturbines onderzocht in deze verschillende alternatieve opstellingen. De milieueffecten van windparken worden bepaald door een combinatie van factoren waaronder de locatie van het windpark, de posities van de windturbines, het aantal windturbines en de afmetingen daarvan. Er zijn windturbines met verschillende vermogens en afmetingen (ashoogte en rotordiameter) op de markt beschikbaar. Een aantal categorieën daarvan wordt in deze paragraaf besproken. In bijlage 2 zijn berekeningen opgenomen van de energieopbrengst van een grote turbine.

Grote windturbines (circa 200 meter tiphoogte) De trend is dat windturbines steeds groter en efficiënter worden met een steeds groter wordende rotor en hogere ashoogte, groter vermogen en een hogere energieproductie per turbine. Uitgangspunt voor de verkenning van de mogelijkheden voor windenergie in de gemeente Enschede vormen windturbines die volgens de huidige stand der techniek een grote hoeveelheid energie uit de beschikbare wind op een locatie halen. Dit betekent toepassen van turbines met een grote rotor en een hoge tiphoogte. Naar huidige maatstaven betreft dit een turbine met een tiphoogte van 200 tot 250 meter en een rotordiameter van 120 tot 160 meter. In gebieden met minder hoge windsnelheden zoals in de gemeente Enschede wordt daarbij een relatief kleine generator toegepast van bijvoorbeeld 3 tot 4 MW, zodat de turbine vaak het optimale vermogen levert (voor een zware generator met meer vermogen is meer wind nodig). Dit resulteert in optimale kosten per kWh zodat ook relatief per euro subsidie veel energie wordt opgewekt; dit is conform de methodiek die de stimuleringsregeling duurzame energie, de SDE+, hanteert. Aangezien er in de gemeente enige gebieden zijn met hoogtebeperkingen in verband met luchthaven Twente, wordt uitgegaan van een range aan turbineafmetingen van (circa) 190 tot 230 meter tiphoogte.

De gemiddelde energieproductie die daaraan verbonden is wordt gesteld op circa 46 TJ per turbine per jaar (dit is een gewogen gemiddelde op basis van aantal mogelijke turbines met bepaalde afmeting). Samenvattend wordt uitgegaan van de volgende afmetingen en energieopbrengst per turbine.

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

36

Tabel 4.6 Uitgangspunten windturbines met hoge energieopbrengst Ashoogte (m)

Rotordiameter (m)

Tiphoogte (m)

Vermogen (MW)

Energieproductie (MWH / jaar)

Energieproductie (TJ / jaar)

125 - 160 meter

130 - 140 meter

190 - 230 meter

3 - 4 MW

9.700 - 13.500

35 – 49 TJ (gewogen gemiddelde: 46 TJ)

Belemmeringenscan/ verkenning plaatsingsmogelijkheden Windturbines kunnen niet overal geplaatst worden. Bij de inrichting van het gebied moet rekening worden gehouden met (fysieke) belemmeringen zoals woningen en wegen en voorwaarden die voortkomen uit natuur, landschap en wet- en regelgeving. Denk daarbij aan normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid (wegen en ondergrondse buisleidingen). Ook (wind)technische aspecten spelen een rol bij de inrichting van het gebied zoals de afstand tussen turbines onderling. Voor de turbines wordt vastgesteld waar deze mogelijk gerealiseerd kunnen worden aan de hand van een belemmeringenscan met behulp van een geografisch informatiesysteem (GIS). Hierbij worden criteria gehanteerd op basis van expert judgement, wet- en regelgeving en beleid; deze zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.7 Uitgangspunten belemmeringenscan turbines met 160 meter ashoogte en 140 meter rotordiameter Activiteitenbesluit / Richtlijn Aspect

Geluid- en slagschaduw bij

Effectafstanden

Expert judgement o.b.v. 400 meter

geluidsberekeningen in vele projecten

Hoogspanningsleidingen

230 meter

Ashoogte + halve rotordiameter

Externe veiligheid kwetsbare objecten

230 meter

Externe veiligheid beperkt kwetsbare

70 meter

geluidsgevoelige objecten36

objecten

Tiphoogte

Halve rotordiameter

Buisleidingen

230 meter

Ashoogte + halve rotordiameter

Risicobronnen + terreinen

230 meter

Ashoogte + halve rotordiameter

Hoofdwegen

70 meter

Halve rotordiameter

78 meter

Halve rotordiameter + 7,85 meter (afgerond naar 78 meter)

Vaarwegen

70 meter

Halve rotordiameter

Primaire waterkeringen

Beschermingszone

Buiten de beschermingszone

Enschede Airport Twente

Diverse specifieke hoogtebeperkingen afhankelijk van locatie

Luchtvaartbesluit/ NLR studie Enschede

Natura 2000-gebieden

Windturbines zijn uitgesloten

Provinciale verordening

NNN-gebieden

Windturbines zijn uitgesloten

Provinciale verordening

Spoorwegen

36

Handboek Risicozonering Windturbines

Hieronder vallen woningen en gebouwen met een gezondheids- of onderwijsfunctie.

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

37

Indien met deze uitgangspunten een scan wordt gemaakt van de mogelijkheden binnen de gemeente Enschede, dan komen de gebieden naar voren die in onderstaande kaart zijn weergegeven. Twee gebieden zijn nader beschouwd omdat dit voorkeursgebieden van de gemeente Enschede zijn. Het betreft de locaties Grolsch en Havengebied (Binnenhaven). Ook in die twee gebieden is eventueel een turbine mogelijk, al zijn er in die gebieden wel specifieke aandachtspunten ten aanzien van nabijgelegen bedrijven, bedrijfswoningen en buisleidingen. Figuur 4.4 Theoretisch mogelijke locaties (in groen) voor windturbines (190 – 230 meter tiphoogte) in Enschede o.b.v. harde belemmeringen

Molenaarswoningen (‘woningen in de sfeer van de inrichting’) Indien woningen, bijvoorbeeld agrarische woningen in het buitengebied, deelnemen in de ontwikkeling van een windturbine of een windmolenpark, dan behoeft geen rekening gehouden te worden met de geluidsnormering. Dat betekent dat de turbine(s) veel dichter bij een dergelijke woning geplaatst kan worden. Een dergelijke deelnemende woning wordt wel een molenaarswoning of ‘woning in de sfeer van de inrichting’ genoemd. Indien de belemmeringenscan wordt uitgevoerd waarbij alle verspreid liggende woningen slechts een contour van bijvoorbeeld 200 meter krijgen in plaats van 400 meter, er vanuit gaande dat 200 meter een minimale afstand zou zijn indien de woningen deelnemen in het windpark, dan ontstaat aanmerkelijk meer ruimte voor windenergie. Vrijwel elk windenergiegebied wordt groter en er komen nieuwe gebieden bij. In deze verkenning is dit echter niet toegepast omdat op voorhand niet te zeggen is welke woningen (of beter gezegd bewoners) mee zouden willen doen in een windparkontwikkeling en een turbine dichter bij hun woning zouden willen plaatsen.

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

38

Overigens moet wel opgemerkt worden dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk in uitspraken kritisch is geweest tegenover het teveel en met te weinig werkelijke binding toestaan van molenaarswoningen in windparkontwikkelingen. Maximale opbrengst windenergie in 2030 Voor het berekenen van de mogelijke energieopbrengst en later in het MER ook ten behoeve van het uitvoeren van de milieubeoordeling, is voor de locaties nagegaan hoeveel turbines er eventueel mogelijk zouden zijn indien een tussenafstand van circa 4 maal de rotordiameter wordt aangehouden. Dit is een maximaal – theoretisch – aantal, zonder rekening te houden met aspecten zoals draagvlak voor locaties, beïnvloeding van andere functies zoals bijvoorbeeld recreatie (bijvoorbeeld op Het Rutbeek) en landschappelijke waarden. Deze aantallen zijn als volgt; de nummers corresponderen met de cirkels in de kaart. Tabel 4.8 Theoretisch mogelijk aantal turbines per gebied o.b.v. scan harde belemmeringen Nr. van gebied op kaart

Gebied

Mogelijk aantal turbines (190-230 m tiphoogte)

1

Binnenhaven

1

2

Windmolenweg

2

3

Grolsch

1

5

Nieuwe en oude N18

2

4

Usseleres

1

6

Rutbeek

4

7

Eschmarke

5

8

Glanerbrug zuid

1

Totaal

17

Op basis van de bovenstaande gegevens kunnen er gebieden aangewezen worden voor de ontwikkeling van windenergie met in totaal 17 windturbines volgens de huidige stand der techniek (190 - 230 meter tiphoogte). Per locatie kan er naar verwachting gemiddeld 46 TJ aan duurzame energie per jaar worden geproduceerd. Dit resulteert in een totale maximale opbrengst voor windenergie in 2030 van ongeveer 782 TJ. In verschillende alternatieven wordt een diverse inzet van grote windturbines uitgewerkt (hoofdstuk 5) en vervolgens nader op effecten onderzocht (hoofdstuk 7).

Middelgrote windturbines (circa 150 meter tiphoogte) Naast de hierboven beschreven windturbines die voor dit MER als uitgangspunt genomen worden en die aansluiten bij de huidige praktijk en de stand der techniek vertegenwoordigen (hoewel turbines elk jaar groter worden en er al weer grotere turbines op de markt verschijnen), kan ook geprobeerd worden een ondergrens aan te geven van turbines die wellicht nog rendabel geëxploiteerd zouden kunnen worden. Door ook die turbines te beschouwen kan nagegaan worden of dan (veel) meer windturbines in Enschede of op geheel andere locaties geplaast zouden kunnen worden. Dit kan beschouwd worden als een gevoeligheidsanalyse voor het aspect van de grootte van windturbines. Om dit te onderzoeken is dezelfde analyse als voor de grote turbines hierboven, ook uitgevoerd voor turbines met een kleinere rotor en

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

39

lagere tiphoogte, die mogelijk op meer plaatsen gerealiseerd kan worden dan een grotere turbine, bijvoorbeeld dichter bij wegen of buisleidingen of in gebieden met een hoogtebeperking. Of dit turbines zijn die ook daadwerkelijk bedrijfseconomisch gerealiseerd kunnen worden, hangt van veel factoren af, zoals stroomprijs, benodigde financiële rendement om de financiering van de turbines rond te kunnen krijgen en animo van initiatiefnemers (particulier of coöperatief) om een dergelijke minder rendabele turbine te bouwen. Als ondergrens is aangehouden een turbine van circa 150 meter tiphoogte en 100 meter rotordiameter en een opgesteld generatorvermogen van 2 tot 3 MW; zie onderstaande tabel. Tabel 4.9 Uitgangspunten middelgrote windturbines Ashoogte

Rotordiameter

Tiphoogte

Vermogen

MWH / jaar

TJ / jaar

100 meter

100 meter

150 meter

2,5 MW

6.500

23,4

De energieopbrengst van deze windturbines bedraagt 67% tot 48% van die van grote turbines, zodat voor eenzelfde bijdrage anderhalf tot tweemaal zoveel turbines gerealiseerd zouden moeten worden (indien dat al economisch zou kunnen). Voor deze middelgrote windturbines is eenzelfde analyse (GIS-scan) uitgevoerd als voor grote turbines. Onderstaande kaart geeft de uitkomsten van de scan weer in de vorm van mogelijke locaties. Figuur 4.5 Theoretisch mogelijke locaties voor windturbines (circa 150 meter tiphoogte) in Enschede o.b.v. harde belemmeringen

Uit de kaart blijkt dat dezelfde gebieden naar voren komen als geschikt voor windenergie als bij de grote turbines, met een enkele locatie voor een enkele turbine extra (bijvoorbeeld ten noorden van het Rutbekerveld en op bedrijventerrein de Marssteden. Per locatie kan soms een enkele turbine extra geplaast worden omdat de onderlinge afstand (circa 4 x de rotordiameter)

Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

40

kleiner kan zijn. Het overall-beeld is echter niet anders dan bij de grote turbines. Daarom wordt uitgegaan van de grote turbines in de studie voor dit MER, omdat deze turbines het meest reëel zijn als het gaat om rendabele realisatiemogelijkheden (en dus het meest waarschijnlijk zijn om te worden gebouwd indien daar toestemming voor gegeven zou worden door het bevoegd gezag).

Kleinere windturbines (circa 60 - 100 meter tiphoogte) Een andere categorie wordt ingenomen door turbines die niet gerealiseerd worden door middel van de elektriciteitsprijs vermeerderd met SDE+ subsidie, maar op basis van vermeden energiebelasting. In deze constructie participeren omwonenden rechtstreeks in een windturbine door een koppeling met het energieverbruik van deze omwonenden. Dat kan door middel van een zogenaamde postcoderoosregeling, waarbij woningen (en andere stroomafnemers) in aangrenzende postcodegebieden (op papier) de energie afnemen en daarmee voor een deel zijn vrijgesteld van energiebelasting. Een dergelijke constructie is meer gangbaar bij zonneparken (veld- of grootschalige dakopstelling). De vermeden energiebelasting per kWh is meer dan de SDE+ subsidie, zodat hiermee ook kleinere turbines economisch mogelijk worden. Voorwaarde is wel dat er voldoende woningen in de omgeving zijn die mee doen (binnen de aangrenzende postcodes). Dat betekent in de praktijk dat een grote turbine op deze wijze niet mogelijk is omdat die teveel stroom produceert om kwijt te kunnen in de omringende postcoderoos. Daarom gaat het bij deze structuur over het algemeen om turbines met een tiphoogte van circa 60 tot maximaal 100 meter en een rotordiameter van 50 tot 65 meter.

Opgemerkt moet worden dat deze postcoderoosregeling (net als de mogelijkheid van salderen bij zon op dak) onder druk staat en niet bekend is hoelang deze wordt voortgezet. In deze categorie wordt uitgegaan van de volgende afmetingen en energieopbrengst per turbine. Tabel 4.10 Uitgangspunten kleine turbine

Ashoogte

Rotordiameter

Tiphoogte

Vermogen Vollasturen/jaar

MWH / jaar

TJ / jaar

69 meter

61 meter

100 meter

1,0 MW

1900

6,8

2100

Ten opzichte van de grote windturbines zijn ruim 5 tot 7 maal zo veel turbines nodig om dezelfde hoeveelheid energie te produceren. Door de kleinere afmetingen zijn er ook vele tientallen plekken in de gemeente waar – in theorie – dergelijke turbines geplaast zouden kunnen worden. Echter niet overal zal een geschikt postcodegebied aanwezig zijn om als basis voor de financiering te dienen en evenmin lijkt het erg aannemelijk dat ingestemd zal worden met de dominante aanwezigheid van vele tientallen van deze turbines binnen de gemeente. In voorkomende gevallen kan een dergelijk turbine evenwel een goede mogelijkheid zijn (met een vergelijkbare opwekcapaciteit als een groot dak met zon-PV-panelen. In het MER worden deze turbines verder niet beschouwd vanwege de relatieve geringe bijdrage aan de doelstellingen en de onzekere financieringsbasis.

716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0

Pondera Consult

41

(Zeer) kleine windturbines (tot circa 20 meter tiphoogte) Er zijn ook kleine windturbines op de markt. Dit zijn windturbines met een ashoogte van bijvoorbeeld 10 tot 15 meter en een opgesteld vermogen van bijvoorbeeld 2 tot 15 kW, die een jaarproductie kunnen leveren van ongeveer 2 - 30 MWh (megawattuur). Deze kunnen op kleine aansluitingen geplaatst worden, bijvoorbeeld bij landbouwbedrijven. De bijdrage die dergelijke windturbines kunnen leveren aan het bereiken van de doelstellingen van de gemeente Enschede is echter zeer beperkt in vergelijking met de grote windturbines. Om een energieopbrengst te leveren met kleine windturbines van 15 kW vergelijkbaar met de opbrengst van één grote windturbine van 3,4 MW en 230 meter tiphoogte, zijn er 320 tot 450 kleine windturbines nodig. In het kader van dit MER worden de kleine windturbines niet meegenomen vanwege de geringe bijdrage aan de doelbereiking en de beperkte gevolgen voor het milieu (effecten uitsluitend in de directe nabijheid – tientallen meters - van de turbine).

Doorkijk 2050 Windenergie is één van de bronnen die een belangrijk bijdrage kan leveren aan een uiteindelijk geheel CO2-vrije energievoorziening in Nederland (naast zonne-energie, biomassa, geothermie en wellicht uiteindelijk ook de inzet van vormen van kernenergie). Windturbines zijn de afgelopen jaren steeds groter geworden en het is niet de verwachting dat deze ontwikkeling binnenkort zal veranderen. Wel is het waarschijnlijk dat op een gegeven moment afmetingen worden bereikt die plaatsing op land moeilijker maken, in ieder geval in dichter bevolkte gebieden. De huidige ontwikkeling van offshore turbines (bijvoorbeeld de GE Haliade X met een tiphoogte van 270 meter en een rotordiameter van 220 meter) laten wel zien dat technisch de grens nog lang niet bereikt is. Daarnaast vinden andere ontwikkelingen plaats zoals generatoren op basis van supergeleiding die wellicht de efficiency van turbines verder kan doen toenemen, al is commerciële toepassing hiervan nog ver weg. Ook zijn er ontwikkelingen voor het benutten van windenergie met behulp van vliegers of zweefvliegtuigen (die ‘achtjes’ vliegen aan een katrol die op en afrolt en daarmee een generator aandrijft). Toekomstige ontwikkelingen op een heel ander gebied die voor windenergie van belang zijn, betreffen verdergaande participatiemodellen zoals het plaatsen van zogenaamde dorpsmolens waarin een hele buurt deelneemt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=9cde979e-3cc8-443f-9489-c2bcaf525053