Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Zwembad Diekman
Tekst van het document
Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bedrijfsactiviteiten en voorzieningen in het plangebied van het bestemmingsplan "Zwembad Diekman" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat op woningen of andere gevoelige functies in de omgeving. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van het zwembad op de omgeving. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast dient gekeken te worden of er bedrijfsactiviteiten en voorzieningen in de omgeving zijn die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat van functies binnen het plangebied (interne werking).
28
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
Uitgangspunt Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Deze afwijkingen moeten wel worden benoemd en gemotiveerd. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. Door een grote variatie aan functies in en rondom het plangebied kan het plangebied worden omschreven als 'gemengd gebied'. Milieuhinder van bestaande bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied op het plangebied Hierbij gaat het om de vraag of de functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Met het plan worden geen woningen of andere milieugevoelige functies in het plangebied mogelijk gemaakt. Het zwembad betreft geen milieugevoelig object. De interne werking vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Milieuhinder van bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied voor woningen in en rondom het plangebied Aan de J.J. van Deinselaan en de Kuipersdijk bevinden zich een aantal woningen. Beide rijen met woningen liggen tegenover het huidige en toekomstige zwembadterrein aan de overzijde van de weg. Het plangebied beschikt momenteel over de bestemming 'Sport' waarbinnen sportvoorzieningen zijn toegestaan binnen milieucategorieën 1 en 2. Met het nieuwe bestemmingsplan blijft dit hetzelfde. Voor voorzieningen met milieucategorie 2 geldt in 'gemengd gebied' een richtafstand van 10 meter tot milieugevoelige functies. In de omgeving bevinden zich geen milieugevoelige functies binnen deze richtafstand. Momenteel is ter plekke een overdekt zwembad en een openlucht zwembad aanwezig binnen de bestemming 'Sport'. Met het plan wordt het terrein binnen de sportbestemming anders ingericht waardoor de functieaanduidingen voor het overdekte en openlucht zwembad verschuiven. Voor overdekte zwembaden geldt op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' milieucategorie 3.1. Hierbij gelden in 'gemengd gebied' de volgende richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten: Geur: 0 meter Stof: 0 meter Geluid: 30 meter Gevaar: 0 meter De afstand van het nieuwe overdekte zwembad tot aan de dichtstbijzijnde woning aan de J.J. van Deinselaan bedraagt circa 85 meter.
De afstand tot de dichtstbijzijnde woning aan de Kuipersdijk bedraagt circa 83 meter. Daarmee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Voor een openlucht zwembad geldt op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' milieucategorie 4.1. Hierbij gelden in 'gemengd gebied' de volgende richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten: Geur: 10 meter Stof: 0 meter Geluid: 100 meter Gevaar: 0 meter De afstand van het openlucht zwembad tot aan de dichtstbijzijnde woning aan de J.J. van Deinselaan bedraagt circa 37 meter. De afstand van het openlucht zwembad tot aan de dichtstbijzijnde woning aan de Kuipersdijk bedraagt circa 35 meter. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstanden van de VNG voor het aspect geluid. Het betreft hier de afstanden van omliggende woningen tot de bijbehorende ligweide. De grootste geluidsbron van een openlucht zwembad zijn de baden zelf. De baden liggen op een afstand van 70 meter tot aan de dichtstbijzijnde woning aan de Kuipersdijk en circa 100 meter tot aan de dichtstbijzijnde woning aan de J.J. van Deinselaan. Omdat de omliggende woningen voor wat betreft het aspect geluid gelegen zijn binnen de richtafstand van het openlucht zwembad, is specifiek akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.1.4).
Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de omliggende woningen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
29
gewaarborgd blijft. 5.1.3
Bodemkwaliteit
Algemeen De nadruk op het bodembeleid in Nederland ligt op de mogelijkheden die de bodem en ondergrond biedt om een locatie te gebruiken. Daaronder vallen ook eventuele bodemverontreinigingen. Drie aspecten om te komen tot een veilig en gezond gebruik van de bodem en ondergrond staan daarbij centraal: 1. 2. 3.
Het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging of aantasting van de bodem en ondergrond. Het beheren en/of functiegericht saneren van een bodemverontreiniging bij het wijzigen of toekennen van een functie. Het beheren van overige bodemverontreinigingen. Dit geldt met name voor locaties waar de functie en/of bestemming niet wijzigt, maar waar door vroegere activiteiten een bodemverontreiniging is ontstaan.
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem speelt een rol om vast te stellen of een bestemmingsplanwijziging uitvoerbaar is. Dit is geregeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De Wet bodembescherming kan hierop eveneens van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Uitgevoerde bodemonderzoeken Het volgende bodemonderzoek is uitgevoerd: MOS Milieu B.V., 5 mei 2022, verkennend en aanvullend bodemonderzoek J.J. van Deinselaan 2 te Enschede, kenmerk R21032631-02. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.
Het onderzoek beschrijft de bodemkwaliteit ter plaatse van een drietal deelgebieden: 1. 2. 3.
Toekomstig binnenzwembad; Toekomstige ligweide; Een bodemverontreiniging met zware metalen (Tauw, januari 2022).
1.
Toekomstig zwembad
Ter plaatse van het toekomstig zwembad blijkt dat de grond voldoet aan de landelijke achtergrondwaarde. Dit geldt voor zowel de bovenste halve meter als daaronder. De bodem is tot drie meter minus maaiveld onderzocht. De boringen naar de diepte zijn geplaatst ter plaatse van het huidige zwembad. Daar waar grond vrijkomt. 2.
Toekomstige ligweide
De toekomstige ligweide bestaat uit een gebied dat nu al als ligweide gebruikt wordt en een gebied dat in gebruik is als openbaar groen. Het deel waar nu nog het huidige zwembad staat is omwille van de aanwezigheid van het zwembad niet onderzocht. Ter plaatse van de huidige ligweide voldoet de grond aan de landelijke achtergrondwaarde. Ter plaatse van het openbaar groen zijn enkele licht verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond. Het gaat hier om de stoffen PCB, PAK en cadmium. Deze stoffen leveren bij de aangetoonde concentraties geen risico's op bij het gebruik als ligweide. 3.
Bodemverontreiniging met zware metalen (Tauw, januari 2022)
Deze bodemverontreiniging is aangetoond op een diepte van een halve meter minus maaiveld en één meter minus maaiveld. Uit het aanvullende onderzoek is gebleken dat de verontreiniging zich volledig onder de toekomstige grondwal bevindt. Een grondwal wordt aangelegd om het zicht van de openbare weg op de ligweide te onttrekken. De grondwal kan zonder aangelegd worden bovenop deze verontreiniging. Daarvoor zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Aanvullende maatregelen zijn alleen noodzakelijk als men gaat graven in verontreinigde grond. Conclusie bodemkwaliteit De grond op de locatie van het zwembad is geschikt voor de voorgenomen herinrichting van de locatie (bouw nieuw zwembad, wijziging ligweide). Wel is het advies om voorafgaande aan de uitvoering een grondstromenplan op te stellen dat als basis dient om vrijkomende grond op de juiste en meest gewenste
30
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
plaats op de locatie opnieuw te gebruiken. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.4
Wet geluidhinder
In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidsgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder. Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wet geluidhinder genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen en geen nieuwe wegen of spoorwegen mogelijk gemaakt. Bovendien voorziet het bestemmingsplan niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. Daarmee is de Wet geluidhinder op het plan niet van toepassing. Ook is luchtvaart voor het plan niet relevant. De in de omgeving gelegen woningen liggen binnen de invloedssfeer van het geluid van het zwembad.
Ondanks dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening hier aandacht aan te worden besteed. Toetsingskader Op het zwembad is het Activiteitenbesluit van toepassing. In artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit zijn geluidsnormen opgenomen. Op grond van het Activiteitenbesluit blijven bij de beoordeling van het geluid van het zwembad het stemgeluid van bezoekers van het buitenbad en de maximale geluidsniveaus vanwege laden en lossen tussen 07.00 tot 19.00 uur buiten beschouwing. Bij een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten deze echter wel worden meegenomen. In aanvulling hierop is van belang dat de gemeente Enschede gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om geluidbeleid vast te stellen. Dit beleid is opgenomen in de Geluidnota Enschede. Bij besluit van 3 april 2018 is door Burgemeester en Wethouders een (gedeeltelijke) herziening van de Geluidnota vastgesteld. In de Geluidnota zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau per gebiedstype de toegestane geluidsniveaus (richt- en grenswaarden) vastgesteld. Volgens de bij de Geluidnota behorende gebiedstypenkaart is voor de woningen aan de J.J. van Deinselaan en de Kuipersdijk het gebiedstype "Verkeersinfrastructuur" bepalend voor de richt- en grenswaarden.
In de onderstaande tabel zijn de voor het zwembad geldende richt- en grenswaarden opgenomen.
Dagperiode (07.00 uur - 19.00 uur)
Avondperiode (19.00 uur - 23.00 uur)
Nachtperiode (23.00 - 07.00 uur)
Richtwaarde
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
Grenswaarde
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
Van de richtwaarde kan volgens de Geluidnota gemotiveerd worden afgeweken tot de grenswaarde. De richten grenswaarden uit de Geluidnota vormen het beoordelingskader bij beoordeling van geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In de Geluidnota zijn geen normen voor het maximale geluidsniveau opgenomen. Voor de beoordeling van het maximale geluidsniveau wordt aangesloten bij de in het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarde van 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Voor de beoordeling van het geluid van verkeer van en naar de inrichting wordt aangesloten bij de circulaire bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
31
"Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wet milieubeheer (29 februari 1996)" Akoestisch onderzoek Om inzicht te krijgen in de geluidsbelasting die woningen in de omgeving van het zwembad zullen ondervinden is door Deerns een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Beoordeling akoestiek Zwembad 'Sportaal' te Enschede; rapportnummer 21.027.01; versie 7.0; d.d. 2 juni 2022". Het rapport is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. In het akoestisch onderzoek is ervan uitgegaan dat rond het buitenbad een aarden wal aanwezig is. De aarden wal waarmee rekening is gehouden is 1 meter hoger dan in eerste instantie door de architect is aangegeven. De aarden wal zal in het ontwerp 1 meter worden opgehoogd. In het Activiteitenbesluit is bepaald dat het stemgeluid van bezoekers van het buitenbad en de maximale geluidsniveaus vanwege laden en lossen tussen 07.00 tot 19.00 uur buiten beschouwing blijven. Echter bij de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen deze geluiden wel te worden meegenomen. In het onderzoek is zowel de situatie met als zonder stemgeluid en laden/lossen onderzocht. In het kader van dit bestemmingsplan is uitsluitend de situatie met stemgeluid en laden/lossen relevant.
Onderzoeksresultaten Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het zwembad het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de dichtstbijzijnde woningen aan de J.J. van Deinselaan en Kuipersdijk ten hoogste 54 dB(A) in de dagperiode, 38 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Daarmee wordt in de dagperiode de richtwaarde met 4 dB(A) (overschreden. Wel wordt in de dagperiode voldaan aan de grenswaarde. In de avond- en nachtperiode wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde. De overschrijding van de richtwaarde in de dagperiode vindt plaats op de zolderverdieping van woningen aan de Kuipersdijk. Voor de beoordeling van geluidsniveaus geldt dat deze beoordeeld moeten worden op de plaats en de hoogte waar hinder wordt of kan worden ondervonden. Als regel (voor de standaard eengezinswoning) betekent dat, dat in de dagperiode een beoordelingshoogte kan worden aangehouden van 1,5 meter boven maaiveld, aangezien de buitenruimten en de woonkamers dan voornamelijk de te beschermen ruimten zijn. In de avond- en nachtperiode kan dat een hoogte van 5 meter zijn, ter bescherming van slaapruimten. De woningen aan de Kuipersdijk zijn standaard eengezinswoningen. Bij beoordeling op 1,5 meter hoogte bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 50 dB(A) in de dagperiode.
Daarmee wordt in de dagperiode op de woningen aan de Kuipersdijk op begane grondniveau aan de richtwaarde voldaan. De woningen aan de J.J. van Deinselaan zijn gestapelde woningen. Daar moet op iedere beoordelingshoogte getoetst worden. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de hoogste geluidsbelasting wordt ondervonden op de bovenste etage. In de dagperiode bedraagt de geluidsbelasting op de woningen aan de J.J. van Deinselaan ten hoogste 50 dB(A). Daarmee wordt op de woningen aan de J.J. van Deinselaan aan de richtwaarde voldaan. In de dagperiode wordt de geluidsbelasting bepaald door het stemgeluid van bezoekers van het buitenbad. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Kuipersdijk en J.J. van Deinselaan de geluidsbelasting op de woningen varieert van 60-63 dB in de dagperiode. In de dagperiode ligt op alle beoordelingshoogten de geluidsbelasting vanwege wegverkeer ten minste 8 dB hoger dan de geluidsbelasting vanwege het zwembad. Het geluid van het zwembad zal daarmee grotendeels gemaskeerd worden door het geluid vanwege het wegverkeer. Op de dichtstbijzijnde woningen aan de J.J. van Deinselaan en Kuipersdijk bedraagt het maximale geluidsniveau ten hoogste 70 dB(A) in de dagperiode. Daarmee wordt voldaan aan de waarde van 70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit.
In de avond- en nachtperiode worden geen relevante maximale geluidsniveaus veroorzaakt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het verkeer van en naar de inrichting de geluidsbelasting op alle beoordelingspunten lager is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Circulaire voor beoordeling van geluid vanwege verkeer van en naar de inrichting. Het verkeer van en naar de inrichting vormt derhalve geen belemmering voor dit plan. Conclusie geluid Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat vanwege het zwembad bij woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om het woon- en leefklimaat te borgen moet rond het buitenbad een aardenwal worden aangelegd met tenminste het afschermende effect waarmee in het
32
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
akoestisch onderzoek rekening is gehouden. 5.1.5
Luchtkwaliteit
Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. b. c. d. e.
er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg.
Luchtkwaliteit en het plangebied “Zwembad Diekman” Het bestemmingsplan “Zwembad Diekman” beoogt het planologisch mogelijk te maken dat het bestaande zwembad wordt gesloopt en op andere plek op het perceel kan worden teruggebouwd. Het betreft slechts een andere indeling van het bestaande plangebied met dezelfde functie waarbij het zwemoppervlak kleiner wordt. De nieuwe functie gebruikt geen gas maar verbruikt alleen elektriciteit. Verwacht wordt dat het aantal bezoekers / verkeersbewegingen gelijk blijft (en mogelijk iets daalt). Op voorhand kan daarmee worden gesteld dat het project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is geen nader onderzoek nodig. In de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2020 blijkt dat op het plangebied in alle zichtjaren (2019, 2020 en 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Conclusie luchtkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.6
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.
Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
33
Ten behoeve van het bestemmingsplan "Zwembad Diekman" is door Tritium het rapport "Quickscan Externe Veiligheid t.b.v. zwembad aan de J.J. van Deinselaan 2", kenmerk 2201/162/CW-01, d.d. 29 maart 2021 opgesteld. Het rapport is als Bijlage 5 bij de toelichting gevoegd.. De bevindingen uit het rapport worden hieronder per aspect meegenomen. Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Zwembad Diekman" zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi van toepassing is. Ten zuiden van het plangebied is, zoals ook in het rapport van Tritium is aangegeven, een LPG tankstation gelegen. De PR-contour en het invloedsgebied reiken niet tot over het plangebied. Het Bevi vormt daarmee geen belemmering voor dit plan en bovendien wordt de vestiging van risicovolle inrichtingen in dit bestemmingsplan expliciet uitgesloten. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Zwembad Diekman" zijn geen buisleidingen gelegen waarop het Bevb van toepassing is.
Ten zuiden van het plangebied en parallel aan de A35 zijn, zoals ook in de rapport van Tritium is aangegeven, 6 buisleidingen gelegen waarop het Bevb van toepassing is. De leidingen, A-646, K-583 N-528-50, N-528-57 van de Gasunie, 1 leiding van Enexis en 1 leiding van Nuon. Ter hoogte van het plangebied wordt geen plaatsgebondenrisico-contour 10-6 berekend. Het plangebied is niet gelegen binnen de 100%- of 1%-letaliteitszone van de buisleidingen. Het groepsrisico hoeft daarom niet te worden berekend. De leidingen vormen nu en na realisatie van het plan, overeenkomstig het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Enschede, geen belemmering. Geconcludeerd kan worden dat het Bevb geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water is de Wet Basisnet het wettelijk kader. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg. Basisnet Weg Ten zuiden van het plangebied "Zwembad Diekman" is, zoals ook in de rapportage van Tritium is opgenomen, de Rijksweg A35 gelegen. De weg is in het Basisnet Weg aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. De weg kent, zie onderstaande tabel, geen plaatsgebonden risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied reikt niet over het plangebied.
Ook ligt het plangebied buiten de 200 meter zone van het Basisnet weg. Voor wat betreft het groepsrisico vinden binnen het invloedsgebied geen bestemmingswijzigingen plaats die een verandering in het aantal aanwezigen voorziet. Het Basisnet Weg vormt dan ook, overeenkomstig het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Enschede, geen belemmering voor dit plan. In de rapportage van Tritium wordt geadviseerd het binnenbad lucht- en lekdicht uit te voeren. Gezien het risico en de afstand tot het plangebied wordt dit advies niet overgenomen. Het uit kunnen schakelen van de ventilatievoorzieningen is bij Bouwbesluit verplicht en hoeft niet als aparte verplichting in dit plan worden opgenomen. Wel wordt het advies van de Brandweer Twente overgenomen ten aanzien van vluchtroutes, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid.
34
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Zwembad Diekman" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Een nadere toetsing aan het Basisnet Water kan daarmee achterwege blijven. Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Zwembad Diekman" of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Een nadere toetsing aan het Basisnet Spoor kan daarmee achterwege blijven. Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Voor het advies ten aanzien van vluchtroutes, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid wordt het advies van de Brandweer Twente overgenomen.
5.2
Water
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Hemelwater en afwatering a.
b.
c. d.
e. f.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de oppervlakte van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in voorzieningen voor het bergen en/of in de bodem infiltreren van hemelwater afkomstig van bebouwing, bij beperkte infiltratiemogelijkheden in combinatie met drainage. De minimum bergingsopgave hemelwater als bedoeld onder a bedraagt 0,055 m (55 mm). Voor de berekening wordt het grondoppervlak van de te realiseren bebouwing vermenigvuldigd met het aantal meters bergingsopgave, zodat het aantal kubieke meters berging ontstaat ( .. m2 x 0,055 m = .. m3) De onder a bedoelde berging of infiltratie van hemelwater dient het (teveel aan) water af te wateren op een voorziening voor de ontvangst van hemelwater in het openbaar toegankelijk gebied; Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder b indien berging of infiltratie van hemelwater op eigen terrein redelijkerwijs niet op doelmatige wijze mogelijk is. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken en/of activiteiten te ondernemen die de waterkwaliteit negatief beïnvloeden. Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend hemelwater problemen veroorzaakt gelden de volgende adviezen: 1.
het vloerpeil minimaal 0,30 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); 2. het perceel vlak of van het pand af laten lopen, bijvoorbeeld richting de weg; 3. de maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.
Afvalwater a. b. c.
Het ontstaan van afvalwater wordt zoveel mogelijk beperkt door In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) het afvalwater gescheiden van het hemelwater aan te bieden en af te voeren. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van hemelwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht.
Grondwater en ontwatering a. b.
In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de navolgende ontwateringshoogtes aan te houden:
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
35
c.
d.
1. Primaire wegen en bouwwerken met kruipruimten: 0,7 m 2. Overige wegen, bouwwerken zonder kruipruimten en groen: 0,5 m De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren. Uitgangspunt bij ontwikkelingen is geen toename van de afvoer van grondwater, dus ook geen grondwater afvoeren naar de riolering. Grondwaterstandspieken aftoppen en afvoeren via een schoonwatersysteem is wel toegestaan.
Oppervlaktewater a. b. c.
d.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen blijft bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies.
5.2.1
Water gerelateerd beleid
Watervisie Enschede Op 27 mei 2013 is de Watervisie 2013-2025 vastgesteld Deze sectorale structuurvisie richt zich op het samen met partners aanpakken van knelpunten in Enschede op het gebied van hemelwateroverlast, grondwateroverlast, grondwaterverontreiniging en waterkwaliteit. De Watervisie heeft twee sporen, het oplossen van knelpunten en het realiseren van een zestal waterambities. De op te lossen knelpunten zijn: Overbelasting van het rioolstelsel. Grondwateroverlast. Problemen met waterkwaliteit.
De Enschedese waterambities zijn: Daar waar het kan is het regenwater afgekoppeld van het gemengde riool. De beleving van de groene en blauwe kwaliteit van Enschede versterken door water zichtbaar te maken. Water in de buitenruimte wordt zoveel mogelijk benut voor het opvangen van extreme regenbuien en om bij warme perioden de stad te verkoelen. De watergerelateerde component van de (woon)lasten blijft beheersbaar. Enschedeërs gaan bewuster met water om en zijn meer betrokken bij de watervoorzieningen in de stad. De waterpartners zorgen samen voor een goede waterkwaliteit en - kwantiteit in Enschede.
Water- en klimaatadaptatieplan gemeente Enschede 2022-2026 De gemeenteraad heeft 25 oktober 2021 unaniem het Water- en Klimaatadaptatieplan 2022-2026 aangenomen. Dit beleidsplan beschrijft hoe Enschede toewerkt naar een waterrobuuste, klimaatbestendige en biodiverse gemeente in 2050. Enschede wordt nog 'groener' en 'blauwer' om goed voorbereid te zijn op een nattere, hetere en drogere toekomst. Water de ruimte geven en stenen vervangen door planten en bomen gaan wateroverlast, hittestress en verdroging tegen. Zo werkt Enschede verder aan een aantrekkelijke 'duurzame en groene stad' waar mensen graag wonen, leven en werken! Nu en in de toekomst. In het plan zijn nieuwe waterbergingsnormen opgenomen. Waterhuishouding en het bestemmingsplan “Zwembad Diekman” Realisatie verhard oppervlak Op het terrein wordt een nieuwe zwembad gerealiseerd met rondom verharding. In totaal wordt aan dakoppervlak en open verharding 5.009 m2 verhard oppervlak gerealiseerd. Dit leidt bij een bergingsopgave van 55 mm tot een waterberging voor hemelwater van minimaal 275 m3. 36
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
Hemelwaterafvoer Uit geohydrologisch onderzoek blijkt dat op basis van de bodemopbouw infiltratie mogelijk is. Vanwege de hogere grondwaterstanden in een deel van het jaar zal infiltratie moeten plaatsvinden op ten hoogste 70 cm onder maaiveld. In de nieuwe inrichting van het gebied is een wadi opgenomen voor het bergen van een deel van het hemelwater van het dak en (terrein)verhardingen. Onder de wadi worden waterbergende steenwolelementen aangebracht voor het resterende deel van de benodigde berging. Lediging van wadi en steenwolelementen vindt plaats via infiltratie in de bodem en/of via de drainage onder de wadi. Ten zuiden van, en zo mogelijk in, het gebied wordt oppervlaktewater gemaakt waarop de afvoer van de drainage en de overstort van de steenwolelementen kan aansluiten. Door de helling in het terrein ligt de oostkant van het gebied hoger dan de westzijde. Het vloerpeil van het zwembad 30 cm hoger leggen dan de verharding aan de oostzijde, in verband met water dat vanuit het oosten richting het zwembadgebouw loopt, lukt niet omdat er dan geen goede aansluiting wordt verkregen met het bestaande buitenbad dat aan de westzijde aan het nieuwe gebouw grenst. Daarom wordt geadviseerd een greppel tussen de fietsenstalling (aan de oostzijde) en het gebouw te realiseren die afvoert in zuidelijke richting.
Daarmee wordt voorkomen dat water tegen het gebouw blijft staan en mogelijk tot wateroverlast leidt. Afvalwaterafvoer Onder het toekomstige zwembad bevindt zich een (gemengd) riool dat verwijderd moet worden. Het is echter niet bekend wat er op dit riool is aangesloten. Daardoor is ook niet aan te geven of dit riool vervangen moet worden. Dit zal nader onderzocht worden. Oppervlaktewater In het kader van de herontwikkeling van het sportpark ten zuiden van het zwembad wordt een greppel of watergang aangelegd. Dit moet nog verder worden uitgewerkt waarbij moet blijken of het een watervoerende watergang wordt of een (droogvallende) greppel. Op deze watergang/greppel mag de overloop van de wadi en steenwolelementen aangesloten worden. De nieuwe watergang/greppel wordt verbonden met de bestaande watergang langs de Kuipersdijk ter hoogte van de Tiemeister. Grondwater, ontwatering en afwatering De locatie ligt, door toedoen van de ligging van de stuwwal, hellend van oost naar west. Ten zuiden van het zwembad liggen enkele sportvelden die lager liggen ten opzichte van het plangebied en de Kuipersdijk. Het plangebied ligt aan de noordoostkant op ca. NAP + 41,30 m en aan de zuidkant op NAP + 40,70 m. Rondom de buitenzwembaden en ligweiden aan de zuidzijde van het plangebied liggen grondwallen.
De bovenste twee meter van de bodem bestaat uit matig fijn zand, met daaronder een leemlaag van minstens één meter. De doorlatendheid van de bovengrond wordt ingeschat op 5,00 m/dag. Het grondwater bevindt zich in de winterperiode op circa 1,10 m onder maaiveld (RHG) en in de zomerperiode op ongeveer 2,50 m onder maaiveld (RLG). Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.3
Natuur
5.3.1
Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
37
(plan-MER) te worden opgesteld. Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd. Beschermde natuurgebieden en het plangebied “Zwembad Diekman” Het plangebied ligt aan de zuidoostzijde van Enschede. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Aamsveen en ligt op ca. 3,6 km ten zuidoosten van het plangebied. De voor dit gebied aangewezen habitattypen en habitats van soorten zijn voor een deel gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Andere Natura 2000 gebieden in de omgeving zijn gelegen op meer dan 5 kilometer afstand van het plangebied. Andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie Eventuele negatieve effecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Voor andere verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kan een nadere toetsing aan hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming achterwege blijven. Stikstofdepositie In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is door Eelerwoude een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase bepaald. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Stikstofberekening Zwembad; projectnummer 202887; d.d. 22 augustus 2022". Het rapport is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
Conclusie Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft beschermde natuurgebieden op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.2
Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten
In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.
Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden. Beschermde soorten en het plangebied “Zwembad Diekman” In het kader van de beoogde realisatie van woningbouw op de locatie van het zwembad is in 2022 door De Slijpkruik Ecologie B.V. een ecologische quickscan (Bijlage 7) uitgevoerd.
38
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied een potentieel geschikte verblijfplaats is voor vleermuizen. Om dit vast te kunnen stellen is er nader onderzoek nodig naar gebouwbewonende vleermuissoorten met de focus op gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Ingrepen aan de groenstructuren in het noordwestelijk deel van het plangebied kunnen leiden tot aantasting van leefgebied van steenmarter, wezel en egel. Om vast te stellen of het terrein een belangrijke functie heeft voor egel, steenmarter en wezel is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op basis van de conclusies uit de ecologische quickscan is er nader soortgericht onderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van verblijfsplaatsen van de vleermuis, egel, steenmarter en wezel. Dit onderzoek is wordt momenteel uitgevoerd. Op basis van de voorlopige resultaten kan met voldoende aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de voorgenomen herontwikkeling van de locatie kan worden uitgevoerd zonder verbodsbepalingen uit hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming) en hoofdstuk 3 (beschermde planten- en diersoorten) van de Wet natuurbescherming te overtreden. 5.3.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald. Het NNN en het plangebied “Zwembad Diekman” Het plangebied van het bestemmingsplan “Zwembad Diekman” is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN zijn op ca. 1,4 kilometer ten zuidoosten van het plangebied gelegen. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven. Conclusie NNN Op grond van het voorgaande is het zeker dat het NNN geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
39
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planopzet
Algemeen
Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a.
een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen.
b.
c. d.
Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen. Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan bestemmingsplan.
"Zwembad
Diekman"
is
te
typeren
als
een
traditioneel
gedetailleerd
Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 6.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Zwembad Diekman" is gekozen.
6.2
Indeling planregels
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c. d.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels; Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 - Algemene regels; Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het
40
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
bestemmingsplan “Zwembad Diekman”. In Artikel 1, Begrippen, zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee wordt een eenduidige interpretatie van de begrippen vastgelegd. Artikel 2, Wijze van meten, geeft bepalingen hoe onder meer de hoogtes van gebouwen en de inhoud van gebouwen gemeten moeten worden en hoe bepaalde eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 geeft een omschrijving - de juridische vertaling - van de verschillende in het plangebied voorkomende en op de verbeelding opgenomen bestemmingen. Bij de indeling van de bestemmingsregels wordt conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: a. b. c. d. e. f. g.
h.
i.
bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); nadere eisen (regels op grond waarvan nadere eisen aan bouwwerken en de situering daarvan kunnen worden gesteld); afwijken van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); specifieke gebruiksregels (regels die aangeven welk specifiek gebruik verboden is); afwijken van de gebruiksregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk is); omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden er een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk noodzakelijk is); wijzigingsbevoegdheid (regels die aangeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden onderdelen van het plan gewijzigd kunnen worden).
Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, bestaande uit de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik van gronden. Deze artikelen bevatten regels die als doel hebben de rechtstoestand tijdens de overgang naar een nieuw bestemmingsplan vast te leggen. De "Slotregel" geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
6.3
Beschrijving van het plan
De gronden gelegen binnen het bestemmingsplan Zwembad Diekman bevat de hieronder toegelichte bestemming en functieaanduidingen. 6.3.1
Bestemmingen
Sport (artikel 3) Aan het hele terrein is de bestemming 'Sport' toegekend. Binnen de bestemming "Sport" zijn sportvoorzieningen toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 uit de hoofdgroep Sport van de Lijst van bedrijfstypen in de bijlagen bij de planregels. Sportvoorzieningen die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 zijn door hun aard en invloed van de milieubelasting toelaatbaar in de onmiddellijke nabijheid van woningen. Daar waar op de verbeelding een functieaanduiding is opgenomen voor een openlucht en/of overdekte zwembad zijn specifiek deze voorzieningen toegestaan.
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
41
6.3.2
Overige aanduidingen en figuren
Binnen de in het plan voorkomende bestemmingen en dubbelbestemmingen kunnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden worden geregeld door het gebruik van functieaanduidingen, bouwaanduidingen, maatvoeringsaanduidingen en figuren. Bouwvlak: Het bouwvlak is het gebied binnen de grenzen waarvan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bebouwing overwegend gerealiseerd dient te worden. Functieaanduidingen: Functieaanduidingen worden gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een gedeelte van een bestemming nader in te kaderen. Zo kan met een functieaanduiding worden aangegeven dat ter plaatse een bepaalde, met name genoemde, functie is toegestaan. In het bestemmingsplan Zwembad Diekman zijn de volgende functieaanduidingen opgenomen: specifieke vorm van sport - openlucht zwembad; specifieke vorm van sport - overdekt zwembad. Maatvoeringsaanduidingen: Maatvoeringsaanduidingen zijn alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen (goothoogte, bouwhoogte, bouwdiepte, inhoud, breedte), percentages (bebouwd oppervlak, gebruiksoppervlak) en dakhellingshoeken van gebouwen. In het onderhavig bestemmingsplan is de maximale bouwhoogte van bebouwing als maatvoering opgenomen. 6.3.3
Algemene regels
anti-dubbeltelregel (artikel 4) De anti-dubbeltelregel is een wettelijk voorgeschreven regel die bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan bij de beoordeling van latere bouwplannen voor die grond buiten beschouwing blijft. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt. algemene bouwregels (artikel 5) In de algemene bouwregels zijn de bouwregels opgenomen voor het onderkelderen van gebouwen en terreinen en voor het bouwen van nutsvoorzieningen. Daarnaast kunnen in de algemene bouwregels ook bouwregels zijn opgenomen voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, bebouwing buiten het bouwvlak en overige bouwwerken met de daarbij behorende afwijkingsregels. Deze algemene bouwregels zijn alleen van toepassing voor zover dat in de bouwregels van een bestemming expliciet is bepaald. algemene gebruiksregels (artikel 6) In de algemene gebruiksregels zijn naast een algemeen gebruiksverbod ook enkele op specifieke situaties gerichte gebruiksregels opgenomen.
In het algemeen gebruiksverbod is geregeld dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel dat niet in overeenstemming is met de in dit bestemmingsplan aan die gronden en bouwwerken gegeven bestemming(en). Van deze regel uitgezonderd is het van het afwijkend gebruik dat door burgemeester en wethouders is toegestaan bij een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met ruimtelijke regelgeving. De op specifieke situaties gerichte gebruiksregels hebben betrekking op het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in combinatie met wonen, het verbod op de verkoop, vervaardiging, verwerking en opslag van vuurwerk, het verbod op het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidzoneringsplichtige inrichting en het verbod op het gebruik van gronden en bouwwerken als risicovolle inrichting. algemene afwijkingsregels (artikel 7) In de algemene afwijkingsregels is geregeld onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders in 42
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
concrete gevallen bij een omgevingsvergunning kunnen afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen (algemene) bouw- en/of gebruiksregels algemene procedureregels (artikel 8) De algemene procedureregels bevat het afwegingskader voor de toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheden. 6.3.4
Overige regels
In het hoofdstuk 'overige regels' zijn regels opgenomen die aanvullende werking hebben op de bouw- en gebruiksregels in het bestemmingsplan. Parkeren en laden en lossen (artikel 9.1) Dit artikel bevat de regels voor het op eigen terrein realiseren van voldoende voorzieningen voor parkeren, van zowel auto's en fietsen als parkeervoorzieningen voor mindervaliden. Dit artikel bevat ook de regels voor het op eigen terrein in voldoende mate voorzien in voorzieningen voor het laden en lossen van goederen. Bij de beoordeling of in voldoende mate wordt voorzien in parkeer- en/of laad- en losvoorzieningen wordt getoetst aan de parkeernormen zoals die zijn vastgelegd in de beleidsregel 'Parkeernormennota Enschede 2017'. Het artikel bevat een dynamische verwijzing voor het geval de parkeernormennota tussentijds mocht worden gewijzigd of vervangen door een nieuwe parkeernormennota. Bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater (artikel 9.2) Dit artikel bevat de regels voor het bij nieuwbouw op eigen terrein realiseren van voldoende voorzieningen voor het bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater. Deze regeling is de ruimtelijke vertaling van het gemeentelijke beleidskader zoals dat is vastgelegd in de Watervisie, Gemeentelijk Rioleringsplan en Water en Klimaatadaptatieplan. 6.3.5
Flexibiliteit
De planregels vormen het juridisch bindend kader dat aangeeft waar en hoeveel er gebouwd mag worden en waar het voor gebruikt mag worden. De planregels kunnen niet in alle ontwikkelingen voorzien. In sommige gevallen is een bepaalde ontwikkeling wenselijk, maar niet passend binnen de planregels. In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze invulling gegeven wordt aan de diverse flexibiliteitsbepalingen in de planregels. Afwijkingsregels De afwijkingsregels van de bouw- of gebruiksregels maken het mogelijk dat burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij om afwijkingen van geringe aard en omvang. De bestemming van de grond waarop de afwijking betrekking heeft, wijzigt daardoor niet. Om hiervan gebruik te kunnen maken, moet een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'handelen in strijd met ruimtelijke regelgeving' aangevraagd worden. Burgemeester en wethouders maken vervolgens de afweging of de vergunning verleend kan worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het afwegingskader dat in deze paragraaf verder wordt toegelicht. Daarnaast kunnen bij een afwijkingsbevoegdheid specifieke toepassingscriteria genoemd zijn, waar aan moet worden voldaan. Afwegingskader Bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid wordt het algemene beoordelingskader gehanteerd zoals in onderstaand overzicht is weergegeven.
Daarnaast kunnen voor toepassing van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid nog specifieke toepassingscriteria gelden. Op deze wijze worden aanvragen zoveel mogelijk op dezelfde criteria beoordeeld en geeft het gebruikers/eigenaren van gronden in het plangebied meer duidelijkheid en rechtszekerheid over de toepassing van de flexibiliteitmogelijkheden in de planregels. Bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de volgende criteria: Woon- en leefklimaat:
bestemmingsplan Zw embad Diekman (vastgesteld)
43
Er dient rekening gehouden te worden met het in stand houden van een goed woon- en leefklimaat, hierbij dient gelet te worden op: - de verkeersaantrekkende werking, deze mag geen onevenredige gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van de locatie en zijn directe omgeving; - de parkeerbehoefte mag niet tot gevolg hebben dat de parkeerdruk op de openbare ruimte wordt vergroot; - overlast door lawaai, stank en/of trillingen; - lichttoetreding en bezonning, waarbij rekening moet worden gehouden met de uitstraling naar (bebouwing op) aangrenzende gronden; - de eventuele gevolgen voor het aanwezige uitzicht; - de aanwezigheid van voldoende privacy; - mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater; - mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor het voorkomen van hittestress; - mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor een duurzame energievoorziening.
Straat- en bebouwingsbeeld: In het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en architectonische inpassing dient aandacht gegeven te worden aan: - een goede verhouding tussen bouwmassa's en open ruimte, (stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing); - de verhouding tussen de hoogte breedte van gebouwen; - gevelbeelden; - de samenhang van de bouwvorm met nabij gelegen bebouwing; - de hoogtedifferentiatie; - de situering van gebouwen op het perceel. Bepalend daarbij is de specifieke situatie ter plaatse van de locatie waarop de beoogde ontwikkeling betrekking heeft en hoe zich die verhoudt tot zijn directe omgeving. Een hoekpand aan een belangrijke stedenbouwkundige structuur vraagt immers om een andere benadering dan een woongebouw in een woonhofje ergens in een groene buitenwijk. Verkeersveiligheid: Ter waarborging van de verkeersveiligheid moet rekening gehouden worden met: - de toename van de verkeersintensiteit; - overlast door lawaai, stank en/of trillingen; - benodigde uitzichthoeken van wegen; - de aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg; - de gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden; - de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte.
Sociale veiligheid: Ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet-sociaal controleerbaar is moet rekening gehouden worden met: - de mogelijkheden voor de verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een sociaal onveilige plek; - de mate waarin de toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte wordt ingeperkt. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding Voor de brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding moet rekening gehouden worden met de volgende aspecten: - aanwezigheid van kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten; - de aanwezigheid en routering van vluchtwegen; - de bereikbaarheid van de bouwwerken voor hulpdiensten; - de beschikbaarheid en bereikbaarheid van adequate blusmiddelen. Milieusituatie: