Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600_Motivering wijzigingsbesluit
Tekst van het document
24 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Wegverkeerslawaai Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. De instructieregels bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Het plan maakt op Erve Kromhof aan de Heutinkstraat 600 in Enschede de realisatie van nieuwe woningen mogelijk. Nabij de geplande woningen liggen de gemeentelijke wegen Heutinkstraat en de Schukkinkweg. Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport “Plan Heutinkstraat 600, Enschede, Akoestisch onderzoek wegverkeer; projectnummer 23.168; kenmerk B02.23.168-RM; d.d. 19 juni 2023” (zie bijlage 3). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de woningen op minimaal 16 meter uit de wegas van de Heutinkstraat en op minimaal 104 meter uit de wegas van Schukkinkweg gerealiseerd worden. Indien de woningen op minimaal de genoemde afstanden van de Heutinkstraat en de Schukkinkweg gerealiseerd worden dan wordt vanwege het wegverkeer op beide wegen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh) uit de Wgh voldaan. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd onder de Wet geluidshinder die per 1 januari 2024 vervallen is.
De bepalingen ten aanzien van het aspect geluid zijn opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende Amvb's. Onder de Omgevingswet biedt de Omgevingsregeling technische en administratieve regels om hetgeen is opgenomen in de 4 Amvb's (Bkl, Bal, Bbl, Omgevingsbesluit) te bundelen en harmoniseren. In bijlage IVc. bij artikel 3.5 van deze Omgevingsregeling (rekenmethode geluidaandachtsgebied) is vermeldt dat een geluidsaandachtsgebied kan gelden indien de verkeersintensiteit op de nabij het plangebied gelegen weg hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Voor het aandachtgebied geldt bij een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur een afstand van 100 meter. In het akoestisch onderzoek wordt qua verkeersintensiteiten op de Heutinkstraat (na splitsing richting zuiden) uitgegaan van circa 300 mvt per etmaal. Dit is ruim lager dan de gestelde ondergrens van 1.000 mvt per etmaal. Gezien de lage verkeersintensiteiten van de Heutinkstraat is deze weg niet relevant om te bepalen of aspect geluid van invloed is op geluidgevoelige functie. De Heutinkstraat ten noorden, voor de aftakking naar de Schikkinkweg en de Schikkinkweg zelf liggen op ruimere afstand dan 100 meter. De woningen liggen niet in een geluidsaandachtgebied. Ook onder de Omgevingswet vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Railverkeerslawaai Het plangebied van het plan Erve Kromhof aan de Heutinkstraat 600 in Enschede is niet gelegen aan of in de nabijheid van een spoorlijn.
Industrielawaai Het plangebied van het plan Erve Kromhof aan de Heutinkstraat 600 in Enschede maakt geen onderdeel uit van een gezoneerd industrieterrein en is niet gelegen binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het plan niet in de toevoeging van een geluidzoneringsplichtige werkingsgebied.
Luchtvaartlawaai Het plangebied van het plan Erve Kromhof aan de Heutinkstraat 600 in Enschede is niet gelegen binnen de geluidszone van het vliegveld.
Overig geluid bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600 (vastgesteld) 25
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels waaraan de direct werkende regels in het omgevingsplan moeten voldoen. Deze regels zijn nodig voor het bereiken van de gewenste geluidkwaliteit. Vanuit een evenwichtig toedeling van functies aan locaties dienen ook overige mogelijke geluidshinder te worden beschouwd die niet als een instructieregels zijn opgenomen. Hierbij valt o.a. te denken aan stemgeluid. In voorliggende situatie zijn er geen geluidsbronnen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie geluid Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. 3.2.3
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Algemeen Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. Bij de toetsing of een omgevingsplanwijziging uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.
Bodemkwaliteit en het plangebied Algemeen De nadruk op het bodembeleid in Nederland ligt op de mogelijkheden die de bodem en ondergrond biedt om een locatie te gebruiken. Daaronder vallen ook eventuele bodemverontreinigingen. Drie aspecten om te komen tot een veilig en gezond gebruik van de bodem en ondergrond staan daarbij centraal: 1. 2. 3.
Het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging of aantasting van de bodem en ondergrond. Het beheren en/of functiegericht saneren van een bodemverontreiniging bij het wijzigen of toekennen van een functie. Het beheren van overige bodemverontreinigingen. Dit geldt met name voor locaties waar de functie en/of bestemming niet wijzigt, maar waar door vroegere activiteiten een bodemverontreiniging is ontstaan.
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem speelt een rol om vast te stellen of een omgevingsplanwijziging uitvoerbaar is. Dit is geregeld in de instructieregels van het Rijk in paragraaf 5.1.4.5. Uitgevoerde bodemonderzoeken Binnen het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd: Ortageo, 7 september 2023, verkennend en nader bodemonderzoek Heutinkstraat 600 Enschede, kenmerk 219637/R02 (zie bijlage 4). In de bodem is verspreid over de locatie bodemvreemde bijmengingen aan puin en kolengruis aangetoond. De bovenste halve meter is overwegend licht verontreinigd met zware metalen en PAK. In de grond dieper dan een halve meter zijn, op een enkele uitzondering na, geen verontreinigingen aangetoond. Ten zuiden van de schuur en ten noorden van de vijver is een sterke verontreiniging aangetoond met de metalen lood en zink. De omvang is geschat op 15-20 m³.
26 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
Conclusie De sterke verontreiniging met lood en zink dient gesaneerd te worden om dit deel van de locatie geschikt te maken voor de functie wonen met tuin. Daarbij zal voor de parameter lood een terugsaneerwaarde van 90 mg/kg (gecorrigeerd naar droge stof) moeten gelden. Dit is overeenkomst het advies van de landelijke GGD-werkgroep (2 november 2020) om te komen tot een voldoende bodemkwaliteit voor de functie wonen met tuin met betrekking tot lood in bodem. De omvang deze bodemverontreiniging en de daaraan gekoppelde bodemsanering zal geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. Het thema 'bodem' vormt na uitvoering van de sanering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 3.2.4
Luchtkwaliteit
Bij de toetsing of een plan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen is geregeld in artikel 5.54 Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen bij gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 woningen als niet in betekenende mate zijn aan te merken. De realisatie van 11 woningen is daarmee zondermeer een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit In de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2021 blijkt dat op het plangebied voor het zichtjaar 2030 aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan.
Conclusie luchtkwaliteit Het plan draagt niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De planwijziging voldoet aan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor deze wijziging van het Omgevingsplan. 3.2.5
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.
Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) zijn het bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600 (vastgesteld) 27
wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi en/of het BRZO van toepassing is. Bovendien is geen vestiging van risicovolle inrichtingen mogelijk in het plan. Een nadere toetsing aan het Bevi en/of het BRZO kan daarmee achterwege blijven. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 160 meter ligt buisleiding van de Gasunie. Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 180 meter liggen 3 buisleidingen van de Gasunie, Nuon en Enexis. De buisleidingen liggen op ruime afstand en buiten de vaste te hanteren veiligheidsafstanden. Een nadere toetsing aan het Bevb kan daarmee achterwege blijven.
Figuur 3.2 Risicokaart (b ron: Atlas Leefomgeving) Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water De basis van de regelgeving voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg. Binnen het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen of waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Ten zuiden van het plangebied ligt op een afstand van circa 410 meter de Rijksweg A35. Over deze weg kan transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Hiervoor gelden veiligheidsafstanden vanuit brand en explosiegevaar. De zonering vanuit het aspect brand eindigt op ruim 375 meter en de veiligheidszonering vanuit het aspect explosiegevaar eindigt op circa 210 meter vanaf het plangebied. Gezien deze ruime afstanden kan een nadere toetsing aan het Basisnet Weg, het Basisnet Water en het Basisnet Spoor daarmee achterwege blijven. 28 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
Gebruik van luchthavens Het plangebied van het bestemmingsplan ligt hemelsbreed op circa 7,5 kilometer van het vliegveld Twente gelegen. Dit betekent dat de kans op een luchtvaartongeluk in het plangebied (zeer) klein is. Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.3
Toetsing aan de relevante overige omgevingsaspecten
3.3.1
Waterhuishouding en klimaatadaptatie
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven.
Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600 (vastgesteld) 29
uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027) en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden.
Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.
Water- en klimaatadaptatieplan gemeente Enschede 2022-2026 De gemeenteraad heeft 25 oktober 2021 unaniem het Water- en Klimaatadaptatieplan 2022-2026 aangenomen. Dit beleidsplan beschrijft hoe Enschede toewerkt naar een waterrobuuste, klimaatbestendige en biodiverse gemeente in 2050. Enschede wordt nog ‘groener’ en ‘blauwer’ om goed voorbereid te zijn op een nattere, hetere en drogere toekomst. Water de ruimte geven en stenen vervangen door planten en bomen gaan wateroverlast, hittestress en verdroging tegen. Zo werkt Enschede verder aan een aantrekkelijke ‘duurzame en groene stad’ waar mensen graag wonen, leven en werken! Nu en in de toekomst. De nieuwe norm is van toepassing op het plangebied en is als planregel opgenomen.
Gemeentelijk Water- en rioleringsplan 2024-2028 Het rapport Gemeentelijk Water- en rioleringsplan 2024-2028 landt als instrument van de Omgevingswet nadat deze in werking is getreden. Het plan geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de voorzieningen waarmee de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor de inzameling, transport en verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater. In het plan wordt ook rekening gehouden met de effecten van klimaatverandering en de bestrijding van wateroverlast en droogte. Door de klimaatadaptatie mee te nemen bij de invulling van de watertaken blijft de leefomgeving ook in de toekomst op niveau.
Weging van het waterbelang in voorliggend plan Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Hemelwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt 30 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet derhalve op eigen terrein worden verwerkt. De bergingsopgave bedraagt 55 millimeter, gerekend over het verharde oppervlak (daken en bestrating). Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken. Verder zijn de artikelen 22.142 tot en met 22.144 uit de Bruidsschat Omgevingswet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. In het plangebied is ruim voldoende bergings- en infiltratiecapaciteit aanwezig om te voldoen aan de bergingsopgave van 55 millimeter over het verharde oppervlak. Het hemelwater stroomt via oppervlakkige afvoer naar een stelsel van greppels en een retentievijver. In het hemelwaterstelsel worden enkele wijzigingen doorgevoerd om de afwatering en ontwatering van het geheel te verbeteren. Aandachtspunt bij een nadere uitwerking is hoe het hemelwater in de retentievijver terechtkomt.
Afvalwater In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht. Bij lozing op oppervlaktewater is het waterschap Vechtstromen bevoegd gezag. Bij infiltratie in de ondegrond is de gemeente Enschede bevoegd gezag.
Oppervlaktewater Er is oppervlaktewater op het perceel aanwezig. Om de werking van het oppervlaktewaterstelsel te verbeteren worden er enkele nieuwe greppels, duikers en een nieuwe retentievijver aangelegd. Met de aanleg van de duikers en de nieuwe greppels wordt het de instandhouding van het oppervlaktewater gewaarborgd. Daarnaast zijn er geen negatieve invloeden op omliggende oppervlaktwateren. Voor deze omgevingsplanwijziging geldt dat de vijvers (zie de erfinrichtingstekening 2) ten noordwesten en ten zuiden van het erf een waterbergingsfunctie hebben.
Grondwater, ontwatering en ontwatering Het maaiveld stroomt vanuit oostelijke richting af naar het westen en kent een hoogteverloop van 54.50+ naar 53.30. De afwatering geschiedt oppervlakkig naar de aanwezige greppels. Voor de bebouwing geldt dat de begane grondvloerpeilen dienen te worden afgestemd op het omliggende maaiveld. Dit dient bij een andere uitwerking nog te gebeuren. Hiermee samen hangt tevens de ontwatering van de nieuwe gebouwen, hierin wordt als eis gesteld dat deze een ontwateringsdiepte van 70 cm ten opzichte van de bovenzijde van het begane grondvloerpeil indien er een kruipruimte aanwezig is. Zonder kruipruimte geldt een eis van 50 cm. Deze uitgangspunten vormen in dit stadium geen belemmering vormen voor de ontwikkeling.
Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat door de aanleg en instandhouding van waterbergende en afvoerende voorzieningen planologisch te waarborgen in voldoende mate rekening wordt gehouden met de waterhuishouding. Ten aanzien van klimaatadaptatie kan aangegeven worden dat er geen extra verharding wordt toegestaan in het plangebied. Er voldoende ruimte voor waterretentie wordt geboden door de aanleg en instandhouding van 2 vijvers. Daarmee vormt de waterhuishouding geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan en zijn er voldoende voorzieningen voor klimaatadaptatie getroffen.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600 (vastgesteld) 31
3.3.2
Beschermde planten- en diersoorten
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Met een quickscan (zie bijlage 8) heeft een toetsing plaats gevonden van de geplande ontwikkeling op de Wet natuurbescherming. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied.
Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in de beplanting, bebouwing en in de nestkast. De bebouwing is voor vogels toegankelijk en geschikt om een nestplaats in te bezetten. Als gevolg van het slopen van bebouwing, het verbouwen van de twee schuren en het verwijderen van beplanting en de nestkast tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Vleermuizen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Door het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Er wordt echter geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast.
Grondgebonden zoogdieren Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Amfibieën Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
32 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
3.3.3
Beschermde natuurgebieden
Natura 2000 Onder de Omgevingswet vinden er voor activiteiten die met de natuur te maken hebben (gebiedsbescherming en soortenbescherming) weinig inhoudelijke wijzigingen plaats ten opzichte van het oude recht. Op grond van artikel 5.1, lid 1, onder e, Ow is een omgevingsvergunning nodig voor een activiteit die in het kort significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 nadere bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Het plangebied ligt in het oosten van de gemeente Enschede. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is Aamsveen op ca. 2,3 km ten zuidoosten van het plangebied. De voor dit gebied aangewezen habitattypen en habitats van soorten zijn allen gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Andere Natura 2000 gebieden in de omgeving zijn gelegen op meer dan 4 kilometer afstand van het plangebied.
Andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie Eventuele negatieve effecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden als gevolg van andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kunnen op voorhand worden uitgesloten. Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied. Voor andere verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kan een nadere toetsing achterwege blijven.
Stikstofdepositie In het kader van voorliggende planwijziging is door BJZ.nu een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase bepaald. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport “AERIUS-berekening Heutinkstraat 600; november 2025”. Het rapport is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000 gebieden.
Conclusie Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat voor wat betreft beschermde natuurgebieden op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de planwijziging.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. In afdeling 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de provincie verplichten tot het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden (artikel 7.8 Bkl, eerste lid). Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600 (vastgesteld) 33
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN liggen op meer dan 370 meter ten oosten van het plangebied. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven. Het NNN vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 3.3.4
Archeologische waarden
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Op grond van de archeologische beleidskaart valt de locatie Heutinkstraat 600 binnen 'onderzoeksgebied A'. Archeologisch onderzoek in deze gebieden is noodzakelijk wanneer de verstoorde oppervlakte groter is dan 250 m2 en dieper dan 50 cm. Het voorliggende plan zal gerealiseerd worden ter plaatse van bestaande bebouwing met uitzondering van een enkele woning die hergesitueerd wordt om een zo een logische inrichting van het erf te realiseren.
Hiermee zal de verstoorde oppervlakte niet ruimer worden dan 250 m2 en nader archeologisch onderzoek niet noodzaakelijk wordt geacht. Toevalsvondsten moeten op grond van de Monumentenwet worden gemeld bij de gemeente Enschede. 3.3.5
Cultuurhistorische waarden
Erve 't Kromhof is gebouwd in het begin van de 19e eeuw. Erve 't Kromhof wordt reeds genoemd in het jaar 1280 in de toenmalige belastinglijsten. Tot voor kort bestond het complex uit een kleine boerderij, tegenwoordig in gebruik als een schuur en een tweekaps boerderij met voorhuis uit 1950. Op het erf zijn twee branden geweest. Bij de eerste is de kleine boerderij gedeeltelijk afgebrand. Bij de tweede brand in juni 2022 is de tweekaps boerderij nagenoeg geheel verloren gegaan. Na de tweede brand is op locatie een uitgebreide inspectie van de staat van de gebouwen uitgevoerd door de monumentenorganisatie ‘Het Oversticht’ (zie bijlage 6). Tijdens deze inspectie werden naast de al beschermde kleine boerderij, een oude schuur en delen van de oorspronkelijke erfaanleg ontdekt. Door nieuwe bouwplannen en de twee branden op het erf werd het noodzakelijk om de bescherming te herzien en een aangepaste redengevende omschrijving op te stellen. In deze nieuwe omschrijving worden de kleine boerderij, de oude schuur en de oorspronkelijke erfaanleg aangegeven als objecten met hoge monumentwaarden. Deze redengevende omschrijving (zie bijlage 7) vervangt daarmee de redengevende omschrijving die nu aan de monumentale status van de kleine boerderij is gekoppeld.
De monumentwaarden van de tweekapsschuur (afgebrand) als gebouw komt te vervallen, maar de “footprint” als plek voor nieuwbouw blijft wel beschermd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de historie de leidraad vormen. Het college heeft besloten naar advies van de monumentencommissie de bescherming van het monument aan te passen en uit te breiden op grond van de redengevende omschrijving.
34 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
Figuur 3.3 Erfkaart
Erfkaart erve Kromhof met gebouwen (situatie mei 2023): 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Grote tweekapboerderij (afgebrand) Schuur van 1913 (afgebrand) Oude schuur (deels ingestort) Kleine boerderij, (deels afgebrand) Klein veldschuurtje Jonge schuur (afgebrand en gesloopt)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600 (vastgesteld) 35
Figuur 3.4 Gewijzigde monumentale status erf Heutinkstraat 600 In figuur 3.4 is met een rood vlak de te beschermen/behouden gebouwen en in oranje de beschermde footprint van de oude boerderij afgebeeld. Het rode kader geeft de grens aan van het deel van het erf dat met de herziening van de monumentale waarde beschermd wordt. Het voorliggende plan geeft invulling aan de beschermwaardige bebouwing door deze toekomstbestendig te maken met een nieuwe invulling. De eis tot behoud van de footprint zal in de verbeelding gekoppeld worden aan een strikte omlijning van het bouwvlak. 3.3.6
Gezondheid
Algemeen Het omgevingsplan moet een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevatten. De gemeente moet daarbij de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarborgen. Dat belang krijgt een bredere invulling dan het belang van een goede ruimtelijke ordening (in de situatie vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet). In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bereiken van een gezonde fysieke leefomgeving is één van de doelstellingen van de wet (artikel 1.3, onder a, van de Omgevingswet). Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen. Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt. Als gevolg kan het verschillende onderwerpen raken. Naast milieunormen om de volksgezondheid te beschermen, kunnen overheden ook eigen gezondheidsambities uitwerken en vastleggen. Gemeente Enschede heeft echter nog geen uitgewerkt gemeentelijk kader voor het thema gezondheid. In algemene zin wordt vereist dat bij de een evenwichtige toedeling van functies rekening gehouden dient te worden met het beschermen van de gezondheid (art. 2.1 lid 4 Omgevingswet)
36 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
Spuitzone Binnen het plangebied liggen gronden met een agrarische functie en ook grenst het plangebied aan agrarische percelen. Op deze agrarische percelen is het planologisch toegestaan dat er gewassen kunnen worden geteelt. Bij agrarisch grondgebruik is de kans groot dat gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Deze middelen beschermen de planten tegen ongedierte, maar de verspreiding ervan kan ook gezondheidsproblemen veroorzaken. Om deze reden geldt vanuit vaste rechtspraak de regel dat er een afstand moet zijn tussen agrarisch grondgebruik en gevoelige functies (zoals woningbouw), de zogenaamde spuitzone. Er is geen wettelijke bepaling over de minimale afstand die hierbij gehanteerd dient te worden. De Raad van State heeft hierover diverse uitspraken (o.a. uitspraak op 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4506) gedaan. Op basis van deze jurisprudentie geldt dat een zone van minimaal 50 meter wordt aangehouden tussen bebouwing (woningen én verblijfsplaatsen) en agrarische grond waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt. Voor de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de ‘uitwaartse benadering’. Hier ligt de nadruk op het creëren van een bufferzone rondom de gevoelige functie (beoogde woningbouw).
Binnen deze zone is het niet toegestaan om op het agrarische perceel gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, waar voorheen planologisch gezien het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wél was toegestaan. De percelen waarop agrarische functies zijn toegestaan blijven geschikt en beschikbaar voor agrarische functies, echter geldt er een beperking voor een specifieke activiteiten (gebruik chemische gewasbescherming) binnen de opgenomen zone, die slechts een beperkt deel van de betreffende percelen beslaat. Dit zal geen afbreuk doen aan het huidige feitelijke gebruik van de percelen als grasland en dus geen onevenredige gebruiksbeperking op de percelen leggen. Het gebruik van biologische gewasbeschermingsmiddelen blijft wél mogelijk. Met de opgenomen regeling wordt het woon- en leefklimaat en de gezondheidssituatie voor de toekomstige bewoners beschermd. De belangen van de betrokken eigenaren en die van de (toekomstige) bewoners zijn evenwichtig afgewogen, waarbij de eigenaren van de agrarische percelen vanuit participatie vooraf geïnformeerd zijn.
Geitenhouderijen Recente onderzoeken naar de gevolgen van veehouderijen op de gezondheid geven aan dat er in de gebieden met geitenhouderijen op een afstand tot 2 kilometer meer longontstekingen voorkomen. Wat deze verhoogde kans op longontsteking veroorzaakt is echter niet duidelijk en wordt de komende jaren nader onderzocht. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en er een integrale aanpak voor veehouderijen voorhanden is, is het advies van de GGD aan de gemeente om het voorzorgprincipe toe te passen en terughoudend te zijn in het plaatsen van gevoelige bestemmingen binnen 250 meter van een geitenhouderij. Kwetsbare groepen zoals kinderopvang en scholen dienen op een zo groot mogelijke afstand van een geitenhouderij gerealiseerd te worden. Bij het realiseren van dit planvoornemen wordt er rekening gehouden met de voorzorgsafstand van 250 meter ten opzichte van een geitenhouderij. Er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd binnen deze afstand.
3.4
Kostenverhaal
De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden moet de gemeente kosten maken. Dit zijn bijvoorbeeld kosten voor de aanleg van openbare voorzieningen en het wijzigen van het omgevingsplan. De gemeente is verplicht om in bepaalde gevallen deze kosten te verhalen. Het sluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. De beoogde ontwikkeling betreft een bouwplan zoals bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit waarvoor kostenverhaal wettelijk verplicht is. Met initiatiefnemer is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600 (vastgesteld) 37
Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat het kostenverhaal voldoende anderszins is verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het nu voorliggende bestemmingsplan voldoende aangetoond.
38 (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22B Heutinkstraat 600
Colofon Dit is een uitgave van: Afdeling Bestemmen Cluster Omgeving & Recht Gemeente Enschede
© December 2025, gemeente Enschede