EP Bijlage 4 LIOR versie 1.1
Tekst van het document
R
Vergunningen - Afstemming
De aanleg van kabels en leidingen moet waar mogelijk in combinatie met werkzaamheden van andere nutsbedrijven worden uitgevoerd.
R
De aanleg van kabels en leidingen moet, in afstemming met de gemeente, vóór de aanleg van de rioolaansluitingen worden uitgevoerd (indien van toepassing).
R
Vergunningen - (Bron)bemaling Zie het hoofdstuk Grondwerk en milieu.
R
525
Brandkranen - Regelgeving
R
526
De aanleg van brandkranen is maatwerk. Voor waterwinning is de gemeente het bevoegd gezag. De regelgeving is in het Bouwbesluit opgenomen (art. 6.30). Het bevoegd gezag mag afwijken van het Bouwbesluit. De Veiligheidsregio Noord Holland Noord kan het bevoegd gezag adviseren. De veiligheidsregio toetst plannen op bereikbaarheid en blusvoorzieningen. De Veiligheidsregio heeft een handreiking in ontwikkeling, deze wordt naar verwachting in 2021 vastgesteld. Voor waterwinning (ondergrondse brandkranen) moet dan aansluiting gezocht worden op deze handreiking. Tot dan moet aansluiting gezocht worden bij de handreiking van Brandweer Nederland (zie bijlage).
63 / 93
R
132
09. Nutsvoorzieningen
Hoofdstuk
9
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Nutsvoorzieningen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Coördinator Ondergrondse infra
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Leidingprofiel - Normprofiel
Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Het normprofiel voor de gemeenten Stede Broec, Enkuizen en Drechterland is opgenomen in de bijlagen van de handboeken kabels en leidingen (zie bijlagen).
Bijlage 108, 129, 130
Bovengrondse Alle te plaatsen kasten, zowel boven als ondergronds, dienen gemeld te worden bij de gemeente. Indien de plaatsing van een kast niet vergunningsplichtig is, nutsvoorzieningen - Afstemming wordt de plaats bepaald in overleg met de gemeente. Hierbij dient o.a. aandacht besteed te worden aan het voorkomen van geluidsoverlast voor omwonenden (zie APV). Brandkranen - Afstemming Brandkranen dienen aangelegd te worden in overeenstemming met de Regionale Brandweer en in overleg met het waterschap i.v.m. de benodigde leidingdiameter en capaciteit en de ligging van het nutstracé. E.e.a. ter goedkeuring van de gemeente. Zie bijlage.
R
R
132
Brandkranen - Plaatsing
R
144
Brandkranen plaatsen in het trottoir. Niet plaatsen in het plantsoen, particuliere tuinen en hoofdrijbaan. Als er geen trottoir aanwezig is, dan de brandkraan in de berm plaatsen. Alleen bij hoge uitzondering in de hoofdrijbaan plaatsen. Voor aanbrengen brandkraanpot zie bijlage.
64 / 93
519, 518, 517
09. Nutsvoorzieningen
Hoofdstuk
9
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Nutsvoorzieningen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Coördinator Ondergrondse infra
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Uitvoeringsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Brandkranen - Plaatsing
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) Brandkranen in nieuwbouwwijken meteen op dezelfde hoogte plaatsen als toekomstige hoogte straatwerk.
Grondwerk - Uitvoering
De uitvoeringseisen van het grondwerk, waaronder de verdichting, zijn opgenomen in de handboeken kabels en leidingen van de gemeenten.
65 / 93
R
Bijlage
108, 129, 130
09. Nutsvoorzieningen
Nutsvoorzieningen Bijlage Nummer
Omschrijving 107 AVOI gemeente Dechterland 108 Handboek Kabels en Leidingen 2014 Drechterland 128 AVOI gemeente Enkhuizen 129 Handboek Kabels en Leidingen 2014 Enkhuizen 130 Handboek Kabels en Leidingen 2014 Stede Broec 132 Bluswatervoorziening en bereikbaarheid - Brandweer Nederland 144 Detailtekening aanlegsituatie brandkraanpot
Bronverwijzingen Nummer
Omschrijving 502 MVI-criteriatool 517 APV Stede Broec 518 APV Enkhuizen 519 APV Drechterland 522 Criteria maatschappelijk verantwoord inkopen - Grondwerk 525 Lozen onttrokken grondwater 526 Bouwbesluit art. 6.30 Bluswatervoorziening
66 / 93
09. Nutsvoorzieningen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Stedenbouwkundig niveau Categorie Onderwerp Alle woonkernen - Planontwikkeling Nieuwbouwlocaties Inrichtingsplan
Beleidseisen (en evt gebruikerseisen) Bij plantontwikkeling dient het ontwerp van de openbare ruimte gebaseerd te worden op het bestemmingsplan en op het stedenbouwkundige/beeldkwaliteitsplan (indien beschikbaar). Voor afwijkingen op de LIOR dient goedkeuring gegeven te worden door gemeentelijke beheerders.
Alle woonkernen Alle gebieden
Beleid - Biodiversiteit
De uitgangspunten met betrekking tot het beleid biodiversiteit zijn opgenomen in de bijlagen.
R
Beleid - Bomen beleidsplan
Bij externe communicatie voor ruimtelijke projecten met bomen dienen de boombeheerder en communicatieadviseur altijd aanwezig te zijn.
B
Nieuwe ontwikkelingen in de openbare ruimte - Intergraal plan
Bij nieuwe ontwikkelingen in de openbare ruimte dient een integraal plan uitgewerkt te worden waar groen onderdeel van is. Dit geldt vanaf de fase waarin het beeldkwalitietsplan opgesteld wordt tot en met de besteksfase. De initiatifenemer toont met dit integrale plan aan dat rekening is gehgouden met klimaatbestendigheid, duurzaamheid en biodiversiteit.
R
Duurzaamheid - Duurzaam inkopen Duurzaamheid - Duurzaam bouwen
De gemeente maakt gebruik van de website https://www.mvicriteria.nl/nl voor het realiseren van sociale, innovatieve en duurzame inkoop.
R
502
Bij de inrichting van de openbare ruimte dient gebruik gemaakt te worden van kostenefficiënte maatregelen met relevante en aantoonbare verbeteringen voor de leefomgeving, milieu en klimaat. Kostenefficiënt betekent dat de juiste afweging gemaakt wordt tussen verschillende mogelijke projecten en/of materialen en de trade offs in kaart gebracht worden.
B
502
Bijlage
124, 127, 126, 125
Relevant betekent dat het ook daadwerkelijk een belangrijk onderdeel van de milieuproblematiek en/of klimaatadaptatie aanpakt. Aantoonbaar betekent dat het aannemelijk gemaakt moet worden, d.m.v. bijvoorbeeld Milieukostenindicatoren of een levenscyclusanalyse. Gemeente Beleid - Groen beheerplan Drechterland - Alle gebieden Gemeente Beleid - Bomen beleidsplan Enkhuizen - Alle gebieden Beleid - Groen beleidsplan Gemeente Stede Broec - Alle gebieden
Beleid - Bomen beleidsplan
Het groenbeheerplan vormt de tactische en operationele uitwerking van de strategische beleidskaders zoals opgesteld in het groenbeleidsplan. Het beleidsplan is leidend, wanneer deze geen uitsluitsel geeft dient de LIOR gevolgd te worden of overlegd te worden met de gemeente.
B
In oktober 2021 is het bomenbeleidsplan Enkhuizen vastgesteld. Het gemeentelijke bomenbeleid inclusief alle bijlagen zijn te vinden in zaaknummer 891219. Voor gemeente Stede Broec en Enkhuizen komt het bomenbeleid met elkaar overeen.
B
Het groenbeleidsplan van de gemeente Drechterland voor 2015-2025 is van toepassing. Het beleidsplan is leidend, wanneer deze geen uitsluitsel geeft dient de LIOR gevolgd te worden of overlegd te worden met de gemeente. In oktober 2021 is het bomenbeleidsplan Stede Broec vastgesteld. Het gemeentelijke bomenbeleid inclusief alle bijlagen zijn te vinden in zaaknummer 891211. Voor gemeente Stede Broec en Enkhuizen komt het bomenbeleid met elkaar overeen.
B
67 / 93
112
111
B
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Controle Uitgever
DALI Uitgever
Versie
2
Eigenaar
Beheerder Groen
Onderwerp Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Groenplan - Ontwerprichtlijnen De initiatiefnemer vervaardigd een integraal plan voor de openbare ruimte waar het groen onderdeel van uit maakt. Dit plan bevat tevens een beplantingsplan en een beheerplan dat inzicht geeft in de beheerconsequenties.
Hardheid R
Bronverwijzing
Groen
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Regels m.b.t. hondenuitlaatroutes zijn voor Stedebroec en Enkhuizen in de APV beschreven. Bij nieuwbouwprojecten in deze twee gemeenten dienen aanslutiingen op de in de APV's genoemde routes te worden gecreeerd. Het Handboek Bomen geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van bomen in de openbare ruimte.
R
Houd rekening met de Lijst Monumentale bomen, Lijst Beeldbepalende bomen en het overzicht van kapvergunningplicht van bomen (zie bijlagen). In 2022 worden deze lijsten voor gemeente Drechterland, Stede Breoc en Enkhuizen geactualiseerd. Later in 2022 worden de lijsten naar verwachting bestuurlijk vastgesteld. Na vaststelling zijn de nieuwe waarde vollebomen etc. van toepassing, e.e.a. conform uitvoeringsplan bomenbeleid 2021. In geval van werkzaamheden dient bij de groenbeheerder te worden geverifieerd of de nieuwe lijsten reeds zijn vastgesteld.
B
Aanpassingen qua grond (samenstelling, diepte, hoeveelheid, etc.) in (toekomstige) plantvakken dienen altijd in overleg met, met toestemming van en onder toezicht van groenmedewerkers (beleid, beheer, toezicht) van de gemeente plaats te vinden. Plaats groen zoveel mogelijk in geconcentreerde plekken en voorkom versnipperd groen. Zie verder de afmetingen van plantvakken bij de verschillende beheergroepen. In het ontwerpstadium dient bekend te zijn wat de definitieve ophoging van het terrein zal zijn i.v.m. de gevolgen voor de te handhaven bomen en beplanting. Bij te handhaven bomen mag de maximale ophoging binnen de kroonprojectie niet meer bedragen dan 0,05 m. Indien meer ophoging is gewenst, is hiervoor toestemming nodig van de boombeheerder. Functioneel groen dient uit te nodigen om te spelen en te recreëren (siergroen is niet bestemd om in te recreeren en te spelen).
R
Ontwerp groenvoorzieningen zodanig dat doorsteken ("olifantenpaden") worden voorkomen.
R
Zorg dat de sortimentskeuze en plaatsing de verkeers- en openbare veiligheid niet in gevaar brengt of overlast veroorzaakt.
R
Klimaatbestendigheid Ontwerprichtlijnen Behoud groen Ontwerprichtlijnen Eindbeeld - Ontwerprichtlijnen
Houd in het ontwerp rekening met afwateren en vasthouden van water in het gebied.
R
Al het in en in de directe omgeving van het plangebied aanwezige groen dient vooraf gewaardeerd te worden om de behoudens waardigheid te bepalen.
R
Ontwerpen op eindbeeld, zodat alle soorten ook het einde van hun levensduur kunnen halen.
R
Overlast groen Ontwerprichtlijnen
Zorg dat groen (in volwassen stadium) geen overlast veroorzaakt in zijn direct omgeving. Houdt in het ontwerp rekening met: * Voorkomen van teveel schaduwvorming op omliggende bebouwing en particuliere terreinen (tuinen). * Beperken van overlast door vruchtvorming. * Voorkomen van schade aan verhardingen en particuliere eigendommen. Gebruik zoveel mogelijk sortiment dat aansluit bij lokale omstandigheden.
R
Voor het openbaar groen is de zorg voor beschermde soorten en bestrijding van invasieve exoten te allen tijde een aandachtspunt bij het groen.
R
Bomen - Ontwerprichtlijnen
Aanpassingen grond Ontwerprichtlijnen Snippergroen Ontwerprichtlijnen Ophoging - Ontwerprichtlijnen
Spelen en recreëren Ontwerprichtlijnen Olifantenpaden Ontwerprichtlijnen Veiligheid - Ontwerprichtlijnen
Biodiversiteit Ontwerprichtlijnen Soorten - Ontwerprichtlijnen
Plantmateriaal - Kwaliteitseisen Plantmateriaal dat onder keuring van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen NAK staat, moet met NAKcertificaat worden geleverd. Plantmateriaal moet van eerste kwaliteit, soortecht, goed gekweekt, op tijd verplant, zo nodig gesneden, ruim gerooid, afgerijpt, onbeschadigd, ziektevrij en zonder ongedierte zijn. Het wortelgestel van plantmateriaal moet goed ontwikkeld en dicht met wortelharen zijn bezet.
68 / 93
Bijlage
518, 517
R 151, 153, 152
R R
R
519, 518, 517
R
R R R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Controle Uitgever
DALI Uitgever
Versie
2
Eigenaar
Beheerder Groen
Onderwerp Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Plantmateriaal - Kwaliteitseisen Kluitgoed moet tot onder toe vertakt zijn en een vaste en goed doorwortelde kluit hebben.
Hardheid R
Bronverwijzing
Groen
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Er dient een goede verhouding te zijn tussen de lengte van de plant en de dikte van de wortelhals.
R
Plantmateriaal, waarvan het gebruikelijk is dit met kluit te verhandelen, moet in container, gaaslinnen of een 'elastieken net' worden geleverd.
R
Aan elke soort plant moet bij aankomst op het werk minimaal één label bevestigd zijn, waarop duidelijk leesbaar staat vermeld: het aantal, de soort, de variëteit, de kwaliteit en de maat. De nomenclatuur dient overeen te komen met de thans geldende benamingen volgens internationale regels.
R
Om een monocultuur te voorkomen mag het aandeel van een boomsoort en bosplantsoen nooit meer dan 15% van het totale aandeel in de stad bedragen en een cultivar nooit meer dan 5%. Besmettelijke ziekten als iepziekte, bacterievuur, watermerkziekte, roest, kanker, meeldauw, massaria, essentaksterfte en kastanjebloedingsziekte kunnen grote schade aanrichten onder openbaar groen. Het gebruik van resistente cultivars is verplicht voor alle groentypen.
R
R
R
Een ter zake kundig gemeentelijke medewerker controleert bij aflevering en/of aanschaf of het groen van eerste kwaliteit is, soortecht is, vrij van ziekten en plagen, goed gekweekt, op tijd verplant en afgerijpt. Beleid In maart 2016 is een wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden in werking getreden. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Gewasbeschermingsmiddelen - wordt daarmee op een aantal punten ingeperkt. Gebruik Gewasbeschermingsmiddelen
R
Differentiatie openbaar groen - Er wordt gedifferentieerd op grond van locatie langs hoofdweg, park, begraafplaats, centrum en wijkniveau. De beleidsmedewerker Groen maakt op basis van de Ontwerprichtlijnen politieke beslissingen en actuele gegevens in overleg hun beslissingen voor het openbare groen.
R
Groenstructuren Ontwerprichtlijnen
De stads-,wijk - en buurtgroenstructuren dienen te worden behouden en versterkt. Door goede inrichting van de omgeving in beeld en kwaliteit, aangepast naar het doel en gebruik van die omgeving, wordt de ruimtelijke kwaliteit, de oriëntatie, leefbaarheid en beleving vergroot.
R
Functiegebied Centra Inrichtingskwaliteit
Centrumgebied dient er redelijk verzorgd uit te zien (vergelijkbaar met CROW-niveau B of hoger). Qua inrichtingskwaliteit is groen op regulier niveau (vergelijkbaar met B) ingericht (in tegenstelling tot de verharding en het straatmeubilair op luxer niveau, vergelijkbaar met A).
R
Functiegebied Hoofdwegen groen - Inrichtingskwaliteit
Het groen langs de hoofdwegen heeft een redelijke inrichtingskwaliteit (vergelijkbaar met CROW-niveau B) en heeft een geleidende functie die past bij de locatie, waarbij het overzicht voor het verkeer goed is en blijft.
R
Functiegebied Wijkgroen Inrichtingskwaliteit Kapvergunning - APV
Het openbare groen in de wijken dient als aankleding, moet een redelijke kwaliteit hebben (vergelijkbaar met CROW-niveau B) en functioneel zijn.
R
In de APV van de gemeente is vermeld voor welke houtopstanden een kapverbod zonder vergunning geldt.
R
Bosplantsoen - Toepassing
Indien er niet voldoende ruimte is om de aanplant van bosplantsoen zoals bij "Omschrijving" is aangegeven mogelijk te maken, heeft de toepassing van voornamelijk struikvormers de voorkeur, zodat een struikbeplanting als mantel met een zoom van kruiden ontstaat. Deze vorm heeft geen kern en overwegend geen bomen. Bosplantsoen moet zijn voorzien van een goed ontwikkeld wortelgestel. Minimale planthoogte bij aanplant is 100-120 cm.
R
Bosplantsoen Ontwerprichtlijnen
69 / 93
Bijlage
R
519, 518, 517
R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Bosplantsoen Ontwerprichtlijnen
Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Afmetingen plantvak: * Oppervlakte minimaal 100 m2 * Breedte minimaal 5 m Plantafstand tussen aangeplante soorten bedraagt 1-2 m.
R
Randafstand: * Boomvormers minimaal 5 m uit de rand planten om zoom- en mantelbegroeiing te waarborgen. * Struikvormers minimaal 2 m uit de rand planten om zoombegroeiing te waarborgen. Plantvakken dienen een voldoende teelbaar profiel te hebben met minimaal 40 cm. verrijkte grond.
R
Verhouding oppervlak i.v.m. lichttoetreding: * Kruiden: 80% * Struikvormers: 20% * Boomvormers: 0% Verhouding oppervlak i.v.m. lichttoetreding: * Kruiden: maximaal 10% * Struikvormers: minimaal 80%, maximaal 100% * Boomvormers: maximaal. 10% Verhouding oppervlak i.v.m. lichttoetreding: * Kruiden: 0% * Struikvormers: minimaal 85% * Boomvormers: maximaal 15% Aanbrengen van 0,20 m. bemeste teelaarde, het plantvak doorspitten en mengen met de ondergrond tot een diepte van 0,40 m.
R
Het plantvak met voldoende overhoogte (rekening houdend met de lokale klink/zetting) en met 10% tonrondte aanbrengen.
R
Bij het planten dient een deugdelijk plantgat te worden gegraven waarin de wortels vrij staan.
R
Sierplantsoen - Toepassing
Heesters kunnen solitair, in groepen of in vakken worden toegepast. Bij het toepassen van afschermende beplanting dient rekening gehouden te worden met de sociale veiligheid. Dichte en hoge struiken langs straten en paden zijn doorgaans ongewenst.
R
Sierplantsoen Ontwerprichtlijnen
De dikte van het teelbaar profiel moet minimaal 0,40 m bedragen, grondverbetering dient te bestaan uit gecertificeerde GFT-compost.
R
Afmetingen plantvak: * minimale vakbreedte: 1,50 m In plantvakken van minder dan 2 m breed mag de heesterbeplanting niet hoger worden dan 0,8 m.
R
Losgestorte c.q. aangebrachte grond dient een overhoogte te hebben van 15% van de aangebrachte laagdikte. Het teelbaar profiel dient 0,40 m te worden doorgewerkt. Een plantvak dient binnen 2 jaar gesloten te zijn om onkruidgroei te beperken. De soort en de plantdichtheid moeten hierop worden afgestemd.
R
Helling van de ondergrond mag maximaal 1:3 bedragen.
R
Richt formele, niet-natuurlijk ingerichte speelplaatsen zo in dat hier geen beplanting op aanwezig is.
R
Houd bij uitzichthoeken rekening met een maximale eindhoogte van beplanting (hoogte zonder te snoeien) van 0,70 m. Hagen dienen erop ingericht te zijn dat zij 2 maal per jaar op 0,70 m. gesnoeid worden. Gebruik geen gedoornde struiken langs fietspaden en op speelplaatsen.
R
Bosplantsoen - Uitvoering
Bijlage
70 / 93
R
R
R
R
R
R
R
R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Sierplantsoen - Biodiversiteit
Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Hardheid Stem de soort en het aantal heesters af op de grootte van het plantvak om te voorkomen dat de beplanting gaat overhangen. Afhankelijk van de soort minimaal R 0,50 m1 uit kant verharding. Stem het sortiment heesters en bomen op elkaar af. Denk aan de lichtdoorlatendheid van de boomkroon.
R
Bodem bedekkende heesters en Met bodem bedekkende sierheesters kunnen ruimten en randen worden geaccentueerd. Ze worden uitsluitend in vakken of grotere groepen toegepast. Om een rozen - Toepassing afwisselend beeld te creëren worden vaak solitaire bomen of heesters toegepast in vakken.
R
Bodem bedekkende heesters en Afmetingen plantvak: rozen - Ontwerprichtlijnen * Minimale oppervlakte: 2,25 m2 * Minimale vakbreedte: 1,50 m * In plantvakken van minder dan 2 m breed mag de heesterbeplanting niet hoger worden dan 0,8 m. Een plantvak dient binnen 2 jaar gesloten te zijn om onkruidgroei te beperken. Plantafstanden dienen hierop te zijn afgestemd.
R
Hagen - Toepassing
Hagen - Ontwerprichtlijnen
R
Losgestorte c.q. aangebrachte grond dient een overhoogte te hebben van maximaal 15%. Het teelbaar profiel dient 0,40 m te worden doorgewerkt.
R
Een haag is een beplanting van een of meerdere rij(en) heesters van een of verschillende soorten, respectievelijk een uniforme of een gemengde haag genoemd. De haag is overwegend rechtlijnig van aard en vaak geknipt of geschoren. Bij een blokhaag wordt de haag geknipt of geschoren. Bij een losse haagvorm hoeft niet geknipt te worden.
R
Er zijn twee soorten toepassing mogelijk: * Afscherming: een dichte haag boven ooghoogte (1.80m.). Er is niet zichtbaar wat zich achter de haag bevindt. * Geleiding: een dichte haag op 0,70m. hoogte. Er vindt een geleiding plaats van mensen. Er is zichtbaar wat zich achter de haag bevindt.
R
Streef ernaar om zo min mogelijk te ontwerpen met hagen. Hagen rond parkeerkoffers zijn in ieder geval niet wenselijk. Beplanting heeft de voorkeur.
R
Haagplantsoen moet tenminste driejarig verplant en tot onder toe vertakt zijn.
R
De ontwerpeisen van een blokhaag (brede strakke haag) zijn gelijk aan die van de strakke haag.
R
Minimale breedte van een plantvak is 0,40 m.
R
Plantafstand strakke haag: * Plantafstand bedraagt 0,2 tot 0,6 m (afhankelijk van soort en formaat plantmateriaal). Plantafstand losse haag: * Voor een haag hoger dan 1,5 m bedraagt de plantafstand tussen de 0,6 m en 1,0 m. * Voor een haag kleiner dan 1,5 m bedraagt de plantafstand tussen de 0,3 en 0,6 m. De haag dient binnen 2 jaar een aaneengesloten geheel te vormen.
R
Randafstand: * Voor een strakke haag en een losse haag geldt een randafstand van 0,5 x de maximale haagbreedte. * Voor een haag lager dan 1,5 m is een minimale randafstand van 0,3 m voldoende. Afstand tot rijbaan/fietspad: * Minimale afstand tot de rijbaan is 0,30 m. * Minimale afstand tot een fietspad is 0,2 m.
R
71 / 93
Bijlage
R
Bodem bedekkende heesters en Bodem bedekkende heesters zijn struikachtige beplantingen met een eindhoogte van maximaal 1 m. De heesters worden voornamelijk geplant vanwege hun rozen - Omschrijving sierwaarde en hun vermogen om in relatief korte tijd plantvakken volledig te bedekken. Ook bodem bedekkende rozen behoren tot deze heestergroep.
Hagen - Omschrijving
Bronverwijzing
R
R
R
R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Vaste planten - Toepassing
Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Vaste planten worden uitsluitend toegepast om hun sierwaarde en alleen in specifieke situaties.
Vaste planten Ontwerprichtlijnen
Vaste planten mogen niet gescheurd of gesneden worden aangeplant.
R
De plantafstand is voor elke soort verschillend. De plantafstand en het plantformaat dienen zodanig te zijn dat het vak na het eerste groeiseizoen gesloten is.
R
Minimale afmeting van een plantvak is 5 m2, met een minimale breedte van 1 m1
R
Vaste planten volgens concept greentocolour.
R
Er mogen uitsluitend sterke soorten met een groot regeneratievermogen worden toegepast. De toegepaste soorten moeten bestand zijn tegen het gemeentelijke beheer dat o.a. inhoudt dat zij in het voorjaar heel kort boven het maaiveld afgemaaid worden.
R
De vaste planten moeten winterhard zijn.
R
Ruig gras is uitstekend geschikt voor toepassing in bermen, natuurvriendelijke oevers, taluds, grotere groengebieden en terreinen met een ecologische en/of ecologisch verbindende functie. Voor (tijdelijk) braakliggende terreinen is de toepassing eveneens geschikt.
R
Ook kunnen met ruig gras zoomvegetaties worden gecreëerd langs bosplantsoen (verruigd).
R
Afhankelijk van de plaatselijke situatie en groeiomstandigheden dient het beheer gericht te zijn op verschraling waardoor een evenwichtige samenstelling van gebiedseigen kruiden en grasachtigen ontstaat. Afmetingen: * Minimale breedte 2,0 m * Minimaal oppervlak 50 m2 * Helling: niet steiler dan 1:8 Voor het inzaaien van bermen dient, indien niet anders overeengekomen, ‘bermenmengsel B3’ gebruikt te worden.
R
Geen combinatie met heesters en/of bodembedekkers, tenzij anders overeengekomen met de groenbeheerder.
R
Belangrijk bij het uitkiezen van het mengsel is dat het gras weinig onderhoud behoeft, dat het gras een lage productie heeft met een voldoende open structuur, dat het gras zich snel vestigt en dat het gras goed wintervast is. Alle terreinen met ruig gras moeten bereikbaar en toegankelijk zijn voor machines met een werkbreedte van 3,0 m. Obstakels in ruig gras dienen vermeden te worden. Indien het niet anders kan dienen ze tegen de rand van de verharding geplaatst te worden tenzij anders wordt voorgeschreven.
R
De voor gras bestemde terreinen/terreingedeelten dienen te worden aangeheeld op zodanige wijze dat maaiwerk goed uit te voeren is. Langs verharding dient een strook van minimaal 2m aangeheeld te worden tot 1:5 of vlakker en met voldoende overhoogte om nazakkingen op te vangen.
R
De herstelde strook bewerken op de volgende wijze: voorafgaand aan inzaaien dient het terrein tot 0,50 m diep gespit te worden. Na het spitten dient het zaaibed onder profiel te worden aangebracht en licht te worden gefreesd tot 0,10 m diepte. Zaaibed dient vrij te zijn van puin, wortels en andere ongerechtigheden. Na het zaaien het graszaad onderwerken en het terrein rollen.
R
Verschraalde bermen en weiden: de dikte van de afdeklaag van verschralingszand (ten behoeve van ecologische oevers) moet minimaal in 0,60 m bedragen met een µ-fractie tussen de 180 en 220. Gazons hebben twee verschillende gebruiksdoelen: sier-/speelgazons en recreatieterreinen. Siergazons en speelgazons worden meestal aangelegd in woonwijken. Onder recreatieterreinen worden "sportvelden" en andere speelterreinen verstaan.
R
Vaste planten - Levensduur
Ruig gras / ruig gras taluds Toepassing
Ruig gras / ruig gras taluds Ontwerprichtlijnen
Ruig gras / ruig gras taluds Uitvoering
Gazons - Toepassing
72 / 93
Bijlage
R
R
R
R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Gazons - Ontwerprichtlijnen
Gemeente Stede Broec - Alle gebieden
Bijlage
R
Voor bloemrijk gras gebruik maken van mengsels die zijn afgestemd op de lokale abiotische omstandigheden.
R
Alle gazons moeten bereikbaar en toegankelijk zijn voor machines met een breedte van 2,5 m, de doorgangsbreedte moet minimaal 3,0 m bedragen. Obstakels in gazon dienen vermeden te worden. Indien het niet anders kan dienen ze tegen de rand van de verharding geplaatst te worden en maximaal 0,3 m uit de rand van verharding. Bestaande halfverhardingen die als schelpenpaden zijn aangelegd dienen in het kader van groot onderhoud/vervanging te worden vervangen door een halfverharding van Gralux. Nieuwe aanleg van halfverhardingen dient met Gralux uitgevoerd te worden. Zie bijlage.
R
R
145
De boomnorm toepassen bij nieuwe inrichting met bomen: * 15% kroonbedekking van de openbare ruimte (zie Bomenbeleidsplan Enkuizen bijlage 4). * 10% van de bomen krijgt een groeiplaats waarbij de ambitieleeftijd van 80 jaar haalbaar is (zie Bomenbeleidsplan Enkuizen bijlage 4) * Speelterreinen 50% kroonbedekking (zie Bomenbeleidsplan Enkuizen bijlage 7)
B
141
Richtlijnen voor aanplant met bomen, gelet op functie en beleidsstatus uit het handboek bomen (zie bijlage).
B
141
Lijst ‘Kiezen voor de juiste boomsoort’ en de Sortimentslijst uit nieuw bomen beleid expletie opnemen in de LIOR (zie bijlage en bijlagen 11 en 11.a uit het Bomenbeleidsplan Enkhuizen). Interne communicatie tussen disciplines bij projecten, activiteiten en werkzaamheden waarbij bomen betrokken zijn (zie bijlage en bijlage 8 uit het Bomenbeleidsplan Enkhuizen). Externe communicatie over bomen; zowel informerend als consulterend (zie bijlage en bijlage 8 uit het Bomenbeleidsplan Enkhuizen).
B
141
B
141
B
141
Richtlijnen voor het beschermen van bomen bij werkzaamheden (zie bijlage).
B
141
Richtlijnen voor het ontwerp waarbij het behoud van bestaande bomen als basis dient (zie bijlage).
B
141
Richtlijnen voor het planten van bomen (zie bijlage).
B
141
Werken vanuit Strategisch Bomenbeheer; een beheermethodiek met behulp van cyclisch onderhoud (zie bijlage 3 uit het Bomenbeleidsplan Enkhuizen).
B
141
Bomen - APV
De APV is van toepassing.
B
Bomen - Ontwerprichtlijnen
De boomnorm toepassen bij nieuwe inrichting met bomen: * 15% kroonbedekking van de openbare ruimte (zie Bomenbeleidsplan Stede Broec bijlage 4). * 10% van de bomen krijgt een groeiplaats waarbij de ambitieleeftijd van 80 jaar haalbaar is (zie Bomenbeleidsplan Stede Broec bijlage 4) * Speelterreinen 50% kroonbedekking (zie Bomenbeleidsplan Stede Broec bijlage 7)
B
142
Richtlijnen voor aanplant met bomen, gelet op functie en beleidsstatus uit het handboek bomen (zie bijlage).
B
142
Lijst ‘Kiezen voor de juiste boomsoort’ en de Sortimentslijst uit nieuw bomen beleid expletie opnemen in de LIOR (zie bijlage en bijlagen 11 en 11.a uit het Bomenbeleidsplan Stede Broec).
B
142
Halfverhardingen - Aanleg en omvorming Gemeente Enkhuizen - Alle gebieden
Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Afmetingen sier- en speelgazons: * Minimale gazonbreedte: minimaal 1 m, indien obstakels aanwezig zijn minimaal 3,0 m. * Minimale oppervlakte: 5 m2 * Helling: niet steiler dan 1:3 Graszaad: * Als zaadmengsel dient het mengsel ‘low maintenance’ gebruikt te worden, tenzij anders overeengekomen met de groenbeheerder. * Graszaad moet gemengd en in gesloten zakken worden geleverd, onder NAK-plombering.
Bomen - Ontwerprichtlijnen
73 / 93
518
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid B
Bronverwijzing
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Gemeente Stede Broec - Alle gebieden
Onderwerp Bomen - Ontwerprichtlijnen
Gemeente Bomen - Ontwerprichtlijnen Drechterland - Alle gebieden
Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Interne communicatie tussen disciplines bij projecten, activiteiten en werkzaamheden waarbij bomen betrokken zijn (zie bijlage en bijlage 8 uit het Bomenbeleidsplan Stede Broec).
Bijlage 142
Externe communicatie over bomen; zowel informerend als consulterend (zie bijlage en bijlage 8 uit het Bomenbeleidsplan Stede Broec).
B
142
Richtlijnen voor het beschermen van bomen bij werkzaamheden (zie bijlage).
B
142
Richtlijnen voor het ontwerp waarbij het behoud van bestaande bomen als basis dient (zie bijlage).
B
142
Richtlijnen voor het planten van bomen (zie bijlage).
B
142
Werken vanuit Strategisch Bomenbeheer; een beheermethodiek met behulp van cyclisch onderhoud (zie bijlage 3 uit het Bomenbeleidsplan Stede Broec).
B
142
De APV is van toepassing.
B
De boomnorm toepassen bij nieuwe inrichting met bomen: * 30% kroonbedekking van de openbare ruimte (zie Bomenbeleidsplan Drechterland bijlage 4). * 10% van de bomen krijgt een groeiplaats waarbij de ambitieleeftijd van 80 jaar haalbaar is (zie Bomenbeleidsplan Drechterland bijlage 4) * Speelterreinen 30% kroonbedekking (zie Bomenbeleidsplan Drechterland bijlage 7)
B
143
Richtlijnen voor aanplant met bomen, gelet op functie en beleidsstatus uit het handboek bomen (zie bijlage).
B
143
Lijst ‘Kiezen voor de juiste boomsoort’ en de Sortimentslijst uit nieuw bomen beleid expletie opnemen in de LIOR (zie bijlage en bijlagen 11 en 11.a uit het Bomenbeleidsplan Drechterland). Interne communicatie tussen disciplines bij projecten, activiteiten en werkzaamheden waarbij bomen betrokken zijn (zie bijlage en bijlage 8 uit het Bomenbeleidsplan Drechterland). Externe communicatie over bomen; zowel informerend als consulterend (zie bijlage en bijlage 8 uit het Bomenbeleidsplan Stede Broec).
B
143
B
143
B
143
Richtlijnen voor het beschermen van bomen bij werkzaamheden (zie bijlage).
B
143
Richtlijnen voor het ontwerp waarbij het behoud van bestaande bomen als basis dient (zie bijlage).
B
143
Richtlijnen voor het planten van bomen (zie bijlage).
B
143
Werken vanuit Strategisch Bomenbeheer; een beheermethodiek met behulp van cyclisch onderhoud (zie bijlage 3 uit het Bomenbeleidsplan Drechterland).
B
143
De APV is van toepassing.
B
74 / 93
517
519
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Uitvoeringsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Halfverhardingen - Overlaging schelpenpaden met Gralux
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) Schelpenpaden die worden overlaagd uitvoeren met 10 cm Gralux verharding. Voor de uitvoering dient de volgende werkwijze te worden toegepast: * Overgroei grasranden sijden, verwijderen en afvoeren naar een erkende verwerker * Vlakken ondergrond * Breedte varierend tussen 1 m en 1,50 m * Gralux verwerken volgens voorschriften leverancier * Paden verdichten met een wals * Paden dienen een tonrond profiel te hebben na verdichting, met een hoogteverschil van minimaal 3 cm van eht hart tot de zijkant van het pad * Laagdikte na verdichting dient ten minste 8 cm in het hart en 5 cm aan de kanten te bedragen
Halfverhardingen - Aanleg Nieuwe halfverhardingen aanleggen met Gralux. Voor de uitvoering dient de volgende werkwijze te worden toegepast: nieuwe paden in halfverharding * Leveren en verwerken 15 cm steenkorrel/granulaat inclusief gronddoek. * Leveren en verwerken Gralux incl. aanwalsen. Tonrond laagdikte na verdichting is ten minste 8cm in het hart en 5 cmaan de zijkanten * Vrijgekomen grond tegen pad afwerken indien nodig * Kopeggen en inzaaien berm als weersomstandigheden het toestaan
R
Contractvorming Moederbestek Gedragscode ecologisch werkprotocol - Uitvoering
De SED-organisatie heeft een moederbestek beschikbaar. Versie januari 2021 is als bijlage bijgevoegd; vraag altijd naar de laatste versie.
R
Op basis van de Wet natuurbescherming is een nieuwe gedragscode vastgesteld: Stadswerk Gedragscode soortenbescherming gemeente 2020 voor ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en bestendig beheer of onderhoud. Deze gedragscode is op 4 december 2020 vastgesteld en van toepassing op plannen en projecten die door/namens de SED-organisatie worden voorbereid en uitgevoerd.
B
Gazons - Uitvoering
Het in te zaaien graszaadmengsel moet goed gemengd zijn.
R
Het graszaad moet gelijkmatig over het in te zaaien terrein worden verdeeld en licht worden ondergewerkt.
R
Na afloop van de werkzaamheden moet gazon aangeheeld worden op zodanige wijze dat maaiwerk goed uit te voeren is. Langs verharding dient een strook van minimaal 2,0 m aangeheeld te worden tot 1:5 of vlakker en met voldoende overhoogte om nazakkingen op te vangen.
R
De herstelde strook bewerken op de volgende wijze: voorafgaand aan inzaaien dient het terrein tot 0,50 m diep gespit te worden. Na het spitten dient het gazon onder profiel te worden aangebracht en licht te worden gefreesd tot 0,10 m diepte. Zaaibed dient vrij te zijn van puin, wortels en andere ongerechtigheden. Na het zaaien het graszaad onderwerken en het terrein rollen.
R
Losgestorte c.q. aangebrachte grond dient een overhoogte te hebben van 0,05 m.
R
Aan te voeren grond, die bestemd is voor de bouwvoor, dient van een goede structuur en gelijkmatige kwaliteit te zijn, 5% organische stof te bevatten en vrij van verontreinigingen zoals puin, wortelonkruiden, onkruidzaden en dergelijke, te zijn. De aan te voeren grond dient voorzien te zijn van een schone grond verklaring. Organische stoffen/compost dient volledig gerijpt en gecomposteerd te zijn.
R
Nieuwe grond voor groenvakken kan pas beplant worden na goedkeuring van de grond door de groenbeheerder. Hierbij kan een bemonstering van de grond verlangt worden, zodat inzicht wordt verkregen in de samenstelling. De resultaten dienen overlegd te worden aan de groenbeheerder, er mag in dit geval niet eerder geplant/gezaaid worden dan na toestemming door de groenbeheerder. Door de groenbeheerder kan ter verbetering van de grond bemesting en/of andere (grond)bewerking voorgeschreven worden.
R
De µ-fractie van het te gebruiken zand mag geen verontreinigingen bevatten en niet te grof van samenstelling zijn (geen grof rivierzand).
R
Grondwerk - Grond voor groenvoorzieningen
Grondwerk - Zand voor groenvoorzieningen
75 / 93
Bijlage
133
R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Uitvoeringsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Grondwerk - Zand voor groenvoorzieningen
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) De µ-fractie dient tussen de 180 en 220 te liggen.
In de periode van 15 oktober tot 15 maart mag geen zand worden opgebracht, als geen afdoende middelen ter voorkoming van erosie worden toegepast. Het opbrengen dient te geschieden nadat het terrein volkomen vlak is afgewerkt en er geen nazakkingen zijn te verwachten. Het zand moet zodanig worden opgebracht, dat er geen spoorvorming en/of structuurbederf optreedt.
R
Grondwerk - Teelaarde
Teelaarde dient te bestaan uit zavelige grond. Zie ook de Standaard RAW-bepalingen 2015 (51.06.01)
R
Grondwerk - Grondbewerking nieuwbouw
Bovengrond (de originele bouwvoor) ter dikte van 0,30 m moet worden boven gehouden. (Dit geldt niet voor plantvakken en gazons). Voldoende diepspitten om storende laag, bijvoorbeeld a.g.v. bouwverkeer, te voorkomen (minimaal 60 cm). Een storende laag in de bodem dient altijd voorkomen te worden. Rapportage aanleveren a.d.v. penetrometer (bodem). Na ontgraven dient een plantplaats voor bomen te worden gespit tot een diepte van maximaal 0,20 m boven de grondwaterstand. De diepte van de plantplaats dient bewerkt te worden tot 0,20 m boven de hoogste grondwaterstand met een diepte tot maximaal 0,80 m beneden maaiveld alvorens de plantplaats aan te vullen met bomengrond of bomenzand. Om de kwaliteit van grondbewerking in het proces te borgen dienen verplichte stopmomenten in het bestek opgenomen te worden. Tijdens een stopmoment zal o.a. beoordeeld worden of er voldoende (diep) is gespit, zodat een eventueel aanwezige storende laag doorbroken is.
R
De te verwerken materialen moeten gelijkmatig over het terrein worden verdeeld.
R
Na egalisatie mag alleen plaatsvinden bij gunstige terreingesteldheid. Na deze egalisatie moet het terrein, overeenkomstig de aangegeven peilen, onder profiel, strak en goed aansluitend op aanwezige, of te maken bouwwerken en verhardingen zijn afgewerkt.
R
Grondwerk - Grondverbetering Voor de samenstelling van het toe te passen bomengrond, -zand en granulaat wordt verwezen naar de samenstelling zoals opgenomen in het Handboek Bomen van het Norminstituut bomen. In plantvakken mag teelaarde/tuingrond worden toegepast met een voldoende diep profiel per plantmateriaal. De aarde/grond moet schoon en vrij zijn van overblijvende onkruiden, onkruidzaden, puin en wortelresten. In overige situaties mag teelaarde/tuingrond worden toegepast met een voldoende diep profiel. De aarde/grond moet schoon en vrij zijn van overblijvende onkruiden, onkruidzaden, puin en wortelresten. Het toedienen van bodemverbeteringsmaterialen dient bij de juiste weers- en terreingesteldheid te geschieden.
R
Uitvoering aanleg - Transport
De duur van het transport van het plantmateriaal naar en op het werk moet zoveel mogelijk worden beperkt, waarbij uitdrogen dient te worden voorkomen. Transport mag niet geschieden tijdens vorst. Tijdens het vervoer moeten de planten met deugdelijke dekkleden volledig worden afgedekt. Alle bladverliezende bomen en heesters moeten voor het transport op natuurlijke wijze ontbladerd zijn.
R
Bomen en heesters dienen na transport na overleg met de directie te worden gesnoeid. Directie geeft dit aan na overleg met vakafdeling groen (team Openbare Ruimte). Bomen en struiken moeten zo diep worden geplant, als op de kwekerij het geval was. Rozen moeten met de oculatie 0,05 tot 0,10 m onder het maaiveld worden geplant. Bij kluitgoed moet het gaaslinnen worden losgemaakt nadat de kluit in het plantgat is geplaatst. Van containerplanten moet de plastic pot of zak of gaas worden losgeknipt en moet worden verwijderd uit het plantvak. Niet verteerbaar materiaal dient van het werk te worden verwijderd.
R
Grondwerk - Grondbewerking plantplaats bomen Grondwerk - Grondbewerking algemeen
76 / 93
Bijlage
R
R
528
R R R
R R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) Met het opkuilen moet direct na aanvoer worden begonnen. Opgebost plantmateriaal wordt losgemaakt en per bos naar soort en variëteit gescheiden gehouden. Opkuilen moet met gespreide wortels geschieden in enkele, evenwijdige rijen en bij voorkeur in de richting noordzij. Bomen moeten rechtstandig worden gekuild. De aanvulling tussen en op de wortels dient te geschieden met minimaal 0,15 m kruimelige grond, welke licht wordt aangetrapt. Bij strenge vorst of bij bestraling door de zon, moet de aannemer voor bescherming van het gekuilde materiaal zorgen. Graaf een ruim gat, verwijder de zak rondom de wortels, zet de boom of bosplantsoen in het midden van het gat en vul het gat met aarde.
Hardheid R
Bronverwijzing
Bij droog weer en/of droge grond moeten de bomen en struiken na het planten voldoende water krijgen. Kluitgoed dient voor het planten met water te worden verzadigd, zonder dat er schade aan de kluit ontstaat. Voor het planten moeten beschadigde wortels worden bijgesneden en wel zodanig, dat bij het planten de wortel op het snijvlak komt te rusten.
R
Bij hiervoor ongunstige weersgesteldheid mag niet worden geplant. De groenbeheerder kan in verband met ongunstige terreingesteldheid het plantwerk op staande voet stilleggen. De hieruit voortvloeiende schade wordt niet verrekend. Het planten dient in rijen te geschieden; bij meer dan één rij in driehoeksverband. De richting van de rijen dient in het algemeen evenwijdig te zijn aan de langste zijde van het plantvak. Bij gerende vakken moeten de buitenste rijen evenwijdig aan de randen worden geplant.
R
In overleg met de groenbeheerder bepalen of nieuw geplante bomen worden vastgezet met 2 boompalen of door middel van grondankers en biologisch afbreekbaar touw. De aanvulling van de plantplaats mag niet onder natte omstandigheden plaatsvinden. In de bomengrond wordt maximaal 16% vocht toegestaan bij verwerking.
R
Na het planten dient de beplanting te worden ingewaterd.
R
Struik- en parkrozen, die in het najaar of de winter worden geplant, dienen direct tot de helft te worden teruggenomen.
R
Voor het beschermen van te handhaven beplanting dienen de aanwijzingen op de meest actuele poster Werken rond bomen uit het Handboek Bomen. Deze poster dient op elk werk tijdens de uitvoering aanwezig te zijn.
R
Om de verankering van bomen niet in gevaar te brengen mogen wortels dikker dan 0,05 m niet worden doorgesneden.
R
Blootliggende haarwortels afdekken om uitdroging tegen te gaan. Bij droogte deze haarwortels vochtig houden d.m.v. besprenkeling.
R
In de APV zijn een aantal artikelen opgenomen ter bescherming van het openbaar groen. Deze zijn van belang bij oa. het werken en betreden van plantsoenen, parken, groenstroken. Dergelijke groenlocaties zijn voor onbevoegden zonder ontheffing verboden, evenals het rijden over bermen met voertuigen die geen rubberbanden hebben en het rijden door of staan in een park of plantsoen of dergelijke met een voertuig (ongeacht het type banden), tenzij het college ontheffing verleent. Tijdens de uitvoering doorgevoerde veranderingen in het areaal groen of een verandering van beplanting in een bestaand groenvak zorgen voor meer of ander groenbeheer. Wijzigingen dienen te worden aangegeven met in ieder geval de volgende gegevens: * Een tekening/kaart (BGT-ondergrond, incl. Noordpijl) met de wijzigingen duidelijk aangegeven, schaal maximaal 1:500. * De nieuwe soort(en) beplanting. * Gewijzigde oppervlakte per beplantingssoort (of andere terreinverharding). * Het benodigde beheer per soort beplanting (dit behoort voorafgaand aan aanleg al door de groenbeheerder te worden goedgekeurd en aansluiten op de bestaande werkpakketten) * Digitaal, in een algemeen leesbaar formaat (PDF). Aanvullend een bestand in .DXF of .DWG formaat en/of shape-file.
R
Objecten en eisen Stedenbouwkundig niveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Uitvoering aanleg Voorbereidende werkzaamheden voor het planten
Uitvoering aanleg - Planten
Uitvoering aanleg Nabewerking na het planten
Beschermen te handhaven beplanting - Algemeen
Beschermen te handhaven beplanting - APV
Revisie - Algemeen
77 / 93
Bijlage
R
R
R
528
519, 518, 517
R R
10. Groen
Hoofdstuk
10
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Groen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Groen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Stedenbouwkundig niveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Revisie - Algemeen
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) De laatste termijn (uitvoering) wordt voldaan nadat het opleverdossier door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever is geleverd en het dossier door de groenbeheerders voor akkoord is getekend. Een goedgekeurde eindoplevering van de uitvoering in het veld maakt onderdeel van het opleverdossier. Na aanleveren van het opleverdossier en het akkoord van de groenbeheerders gaat de onderhoudstermijn van start.
Revisie - Groenbeheersysteem
Ten behoeve van het gemeentelijk groenbeheersysteem moeten revisietekeningen volgens de gemeentelijke standaard worden vervaardigd en hoeveelhedenstaten worden ingevuld. Deze gegevens moeten voor de oplevering worden verstrekt. Overdracht en nazorg bomen en Voor alle aangebrachte bomen geldt een onderhoudstermijn van 3 jaar. Als de jonge aanplant tussentijds uitvalt, is inboet (vervangen aanplant) verplicht. De beplanting - Algemeen onderhoudstermijn gaat dan opnieuw in. Voor alle aangebrachte heesters, vasteplanten etc. geldt een onderhoudstermijn van 1 jaar.
N
Overdracht en nazorg bomen en De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de overdracht van het onderhoud naar de beheerder. beplanting - Afspraken bij nieuwbouw Overdracht vindt pas plaats na akkoord van zowel de directievoerder als de beheerder. De laatste termijn van uitvoering wordt voldaan wanneer de revisiegegevens aangeleverd zijn en geaccordeerd zijn door directievoerder. De overgangstermijn van overdracht naar regulier onderhoud beslaat voor bomen 3 jaar en voor beplanting 1 jaar. Op aanwijzen van de beheerder kunnen de termijnen worden verlengd. Gedurende de overgangstermijn is de initiatiefnemer (en via hem de groenaannemer) verantwoordelijk voor het uitvoeren van het benodigde dagelijks groenonderhoud. In ieder geval moeten dezelfde werkzaamheden per groenbeheergroep worden uitgevoerd en hetzelfde kwaliteitsniveau in stand worden gehouden zoals beschreven is in de onderhoudsbestekken groen. In ieder geval dienen de volgende onderhoudswerkzaamheden namens de initiatiefnemer/door de groenaannemer uitgevoerd te worden: * Gazons maaien * Bloemgras maaien en afvoeren * Onkruidvrij maken plantvakken * Water geven bomen en heesters * Inboeten
R
Voor inboet dienen de volgende percentages aangehouden te worden: * Bomen 10%. * Heesters 10%. * Hagen 10%. * Kruidachtige 10%. Per project kunnen onderbouwde wijzigingen worden voorgesteld.
Bijlage
R
R R R
R
R
78 / 93
10. Groen
Groen Bijlage Nummer
Omschrijving 111 Groenbeleidsplan Drechterland 112 Groenbeheerplan Drechterland 124 Algemeen beheerkader biodiversiteit SED organisatie 125 Beheerparagraaf biodiversiteit Stede Broec 126 Beheerparagraaf biodiversiteit Enkhuizen 127 Beheerparagraaf biodiversiteit Drechterland 133 Moederbestek Standaard 2020 januari 2021 141 Bomen Enkhuizen - Input LIOR (bijlage 5 Bomenbeleidsplan) 142 Bomen Stede Broec - Input LIOR (bijlage 5 Bomenbeleidsplan) 143 Bomen Drechterland - Input LIOR (bijlage 5 Bomenbeleidsplan) 145 Standaard detail halfverharding Gralux 151 Beeldbepalende bomen in de gemeente Stede Broec (2010) 152 Monumentale bomen in de gemeente Stede Broec (2007) 153 Bomenlijst met overzicht kapvergunningplicht
Bronverwijzingen Nummer
Omschrijving 502 MVI-criteriatool 517 APV Stede Broec 518 APV Enkhuizen 519 APV Drechterland 528 Handboek Bomen
79 / 93
10. Groen
Hoofdstuk
11
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Straatmeubilair
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Straatmeubilair
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Stedenbouwkundig niveau Categorie Onderwerp Alle woonkernen - Planontwikkeling Nieuwbouwlocaties Inrichtingsplan
Beleidseisen (en evt gebruikerseisen) Bij plantontwikkeling dient het ontwerp van de openbare ruimte gebaseerd te worden op het bestemmingsplan en op het stedenbouwkundige/beeldkwaliteitsplan (indien beschikbaar). Voor afwijkingen op de LIOR dient goedkeuring gegeven te worden door gemeentelijke beheerders.
Alle woonkernen Alle gebieden
Uitgangspunt is dat de objecten in de openbare ruimte functioneel zijn en dus gerelateerd worden aan het gebruik en de gebruikersdruk van die openbare ruimte. Ook is het leveren van een bijdrage in het schoon, heel en veilig houden van de openbare ruimte belangrijk.
R
Beleid - Algemeen
Houd bij de keuze voor straatmeubilair rekening met het voorkomen van waaihoeken en ophoping van zwerfvuil.
R
Beleid - Vormgeving
Qua vormgeving en uiterlijk is het straatmeubilair in harmonie met de directe omgeving.
R
Duurzaamheid - Duurzaam inkopen Duurzaamheid - Duurzaam bouwen
De gemeente maakt gebruik van de website https://www.mvicriteria.nl/nl voor het realiseren van sociale, innovatieve en duurzame inkoop.
R
502
Bij de inrichting van de openbare ruimte dient gebruik gemaakt te worden van kostenefficiënte maatregelen met relevante en aantoonbare verbeteringen voor de leefomgeving, milieu en klimaat. Kostenefficiënt betekent dat de juiste afweging gemaakt wordt tussen verschillende mogelijke projecten en/of materialen en de trade offs in kaart gebracht worden.
B
502
Bijlage
Relevant betekent dat het ook daadwerkelijk een belangrijk onderdeel van de milieuproblematiek en/of klimaatadaptatie aanpakt. Aantoonbaar betekent dat het aannemelijk gemaakt moet worden, d.m.v. bijvoorbeeld Milieukostenindicatoren of een levenscyclusanalyse.
80 / 93
11. Straatmeubilair
Hoofdstuk
11
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Straatmeubilair
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Straatmeubilair
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Inrichtingsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Plaatsing - Zwerfvuil
Ontwerp- en gebruikseisen (en evt prestatie-eisen) Houd bij plaatsing van straatmeubilair rekening met de verkeersveiligheid (alle objecten minimaal 30 cm buiten de rijbaan plaatsten).
Plaatsing - Toegankelijkheid
Houd bij plaatsing van straatmeubilair rekening met de toegankelijkheid (minimale doorgang 1,20 m, bij puntvernauwing minimaal 0,90 m).
R
Plaatsing - Algemeen
Straatmeubilair combineren en integreren, bijvoorbeeld door verkeersborden zoveel mogelijk op één paal te plaatsen.
R
Plaatsing - Kabels en leidingen
Houd bij plaatsing rekening met het tracé van de kabels en leidingen.
R
Plaatsing - Verhardingsstukken
Waar mogelijk bij het plaatsen van straatmeubilair verhardingspasstukken toepassen.
R
Plaatsing - Verkeersborden
Gebruik de richtlijnen voor bebakening van wegen uit de Richtlijnen voor Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Afvalbakken voor zwerfafval dienen geplaatst te worden waar de behoefte voldoende groot is, waar de bakken goed zichtbaar zijn en waar de bakken met een ondehroudsvoertuig bereikbaar zijn. Belijning dient aangebracht te worden conform CROW Richtlijnen voor bebakening en markering van wegen.
R
De eisen ten aanzien van blusvoorzieningen zijn opgenomen in het hoofdstuk 'Nutsvoorzieningen'.
R
Plaatsing - Afvalbakken Wegmarkering Ontwerprichtlijnen Brandkranen - Plaatsing
81 / 93
Bijlage
R R
539
11. Straatmeubilair
Hoofdstuk
11
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Straatmeubilair
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Straatmeubilair
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Uitvoeringsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Toegankelijkheid - Bediening
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) Bedieningspunten van vuilnisbakken, deurgrepen etc. bevinden zich op een hoogte tussen 0,9 m en 1,4 m.
Toegankelijkheid - Afwerking
Voegen rondom straatmeubilair afwerken met onkruidwerend voegmateriaal.
R
Algemene verkeersborden Materiaal
Verkeersborden dienen conform NEN 3381 te zijn vervaardigd van plaataluminium, aluminium hardheid 2S-hard, behandeld met 1e kwaliteit synthetische lak (resp. behandeld met retro-reflecterend materiaal).
R
Verkeersborden dienen voorzien te zijn van een reflectiefolie minimaal klasse III Ultimate Sign .
R
Algemene verkeersborden Bevestiging
Verkeersborden zijn voorzien van dubbel omgezette rand, geschikt voor Durabo klembeugels.
R
Straatnaamborden - Materiaal
Straatnaamborden dienen vervaardigd te zijn van aluminium kokerprofiel, systeem 2000. Ondergrond 3M High Intensity Grade retro-reflecterende folie klasse III. Straatnaamborden dienen vervaardigd te zijn conform NEN 1772.
R R
Straatnaamborden - Bevestiging Bevestigen op lichtmasten, waar mogelijk vlaggend. Het geheel dient gemonteerd te zijn met witte kunststof eindkap(pen). Bevestiging als vermeld bij verkeersborden. Bijzondere verkeersborden - 30 Zoneborden plaatsen in portalen als er voldoende ruimte is deze te plaatsen. km/u zone
R
Bijzondere verkeersborden Komborden
Plaatsen in geel portaal.
R
Bijzondere verkeersborden Verkeerszuil
Model D02ro_BB22, High Intensity met ronde koker.
R
Bord: ø 40 cm.
R
Bevestiging op fundatie, boven- en onderstuk d.m.v. breekbouten.
R
Bijzondere verkeersborden Voetgangersoversteekplaats
Naast de weg bord L02. Indien de oversteek zich op een gevaarlijk punt bevindt, wordt bord L02f geplaatst.
R
Bijzondere verkeersborden Rotondebord
Bord D01.
R
Verkeers- en straatnaambordpalen Algemeen Verkeers- en straatnaambordpalen Materiaal
Paallengte volgt uit de volgende berekening: paal 80 cm in grond plaatsen, onderzijde bord 2,25 m boven maaiveld, maximaal 2 borden op 1 paal (m.u.v. onderborden). De diameter van de borden bepaalt de paalengte. Dichtstbijzijnde standaardlengte kiezen (zie hieronder).
R
Lengte van de flespaal: 2,2 meter, 2,9 meter, 3,3 meter, 3,6 meter, 3,9 meter en 4,3 meter.
R
Flespalen moeten geleverd worden met 2 vaste grondankers.
R
82 / 93
Bijlage
R
11. Straatmeubilair
Hoofdstuk
11
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Straatmeubilair
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Straatmeubilair
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Uitvoeringsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Verkeersborden Uitvoeringsvoorschriften
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) Gebruik de uitvoeringsvoorschriften Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW).
Stalen verkeers- en straatnaambordpalen Materiaal
Getrokken flespalen zijn van staal en thermisch verzinkt conform NEN 1275.
R
Verzinkte, hals versterkte flespalen met grondanker toepassen.
R
Het onderstuk heeft een diameter van 76mm. Het bovenstuk heeft een diameter van 48mm. De paal is uit één geheel getrokken.
R
De wanddikte van de flespaal bedraagt 2mm.
R
Beugels/bevestigings-middelen - Uitsluitend aluminium bevestigingsbeugels met schroefwerk van gegalvaniseerd staal. Materiaal Beugeltypen: voor enkelvoudige bevestiging, voor dubbele (ruggelingse) bevestiging of voor klemband bevestiging. Alle bevestigingsmaterialen moeten voldoen aan NEN 3381 artikel 5.
R R R
Markeringen - Nieuwe figuratie Op asfalt: in wit reflecterend thermoplast, laagdikte 3 mm.
R
Overige verhardingen: figuratie straten in elementen of spuiten met markeringsverf (bv rolstoel op gehandicaptenparkeerplaats).
R
Op asfalt: thermoplast, laagdikte 3 mm of verf bij figuraties met minder dan 3 jaar restlevensduur.
R
Overige verhardingen: voor belijning in overleg met de wegbeheerder bepalen of wegenverf wordt toegepast of ingestrate markeringsstenen (afhankelijk van het doel: wit, blauw, geel). Figuratie straten in elementen. Op asfalt: thermoplast, laagdikte 3 mm of verf bij verharding met minder dan 3 jaar restlevensduur.
R
In elementenverharding: in overleg met de wegbeheerder bepalen of wegenverf wordt toegepast of ingestrate markeringsstenen (afhankelijk van het doel: witte, blauwe, gele verkeersstenen of halve tegels). Zie bijlage voor toe te passen fietspaalmarkering
R
Op asfalt: thermoplast, laagdikte 3 mm of verf bij figuraties met minder dan 3 jaar restlevensduur.
R
In elementenverharding: in overleg met de wegbeheerder bepalen of wegenverf wordt toegepast of ingestrate markeringsstenen (afhankelijk van het doel: witte, blauwe, gele verkeersstenen of halve tegels). Markering aanbrengen in gele wegenverf (1-1 of doorgetrokken).
R
Op asfalt: standaard parkeervak waarin met wegenverf figuratie is aangebracht. Geen kruis aanbrengen.
R
In elementenverharding: standaard parkeervak.
R R
Reflectorpalen - Plaatsing
Te gebruiken type(n), materiaal en kleur zijn weergegeven in de bijlage 'Assortiment straatmeubilair en OV gemeente '. Voor een toelichting op de in de bijlage genoemde gebieden en kwaliteitsniveaus wordt verwezen naar de UVOR. Reflectorpalen worden geplaats langs wegen in het buitengebied.
Reflectorpalen - Materiaal
Zwarte kunststof paaltjes met aan een zijde witte reflector en aan de andere zijde een rode reflector. Indien nodig met wildspiegel.
R
Markeringen - Onderhoud figuratie
Markeringen - Nieuwe lengtemarkering
Markeringen Fietspaalmarkering Markeringen - Onderhoud lengtemarkering
Markeringen - Stop/parkeerverbod Markeringen - Gehandicaptenparkeerplaats
Afzetpalen - Materiaal
Bijlage
83 / 93
R
R
R
R
11. Straatmeubilair
Hoofdstuk
11
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Straatmeubilair
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Straatmeubilair
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Uitvoeringsniveau Categorie Alle woonkernen Alle gebieden
Onderwerp Vlaggenmasten - Omschrijving
Prestatie-eisen, constructie-eisen, materiaaleisen, bouwstofeisen) Vlaggenmasten type kantelbaar anti vandalisme.
Vlaggenmasten - Masttype
Aluminium conisch 8 meter 114-60 blank.
R
Op de Boulevards een mastdikte van 5 mm in verband met windbestendigheid.
R
Baniermasten dienen altijd van het type “Twister “ ( top moet kunnen draaien ) te zijn.
R
Vlaggenmasten - Bevestiging
Kantelanker.
R
Vlaggenmasten - Uitvoering
Banierhouder-as aluminium incl. ringen en contragewicht.
R
Vlaggenmasten - Knopkleur
Zilver
R
Vlaggenmasten - Knopvorm
Tulp
R
Vlaggenmasten - Knopmateriaal Messing
R
Afvalbakken - Type
Afvalbakken toepassen type Bammens Capitole in kleur RAL 6009.
R
Afvalbakken - Plaatsing
Maak de afvalbak tevens bereikbaar voor mindervaliden door de bovenkant op een hoogte van 1 m boven de grond te stellen.
R
Uitgangspunt is dat minimaal om de 250 m een afvalbak geplaats wordt (bij kruisingen).
R
Plaats bij zitbanken, bushaltes, picknicktafels en speelplaatsen altijd een afvalbak.
R R
Banken - Plaatsing
Banken dienen te zijn van het type Heavy Duty van Stedon: • Type AS-2000 • Uitvoering: verzinkt en daarna gecoat in kleur RAL 9001 (donkergroen) • Fundering: bank wordt geplaatst op een betonnen (stelcon) plaat van 2m x 1m. Plaats een afvalbak bij een zitbank.
Fietsparkeren - Fietssluizen
Fietssluizen voorzien van een reflector.
R
Fietsparkeren - Fietsenrekken
Houd bij de plaatsing van fietsbeugels rekening met het uitrijden.
R
Houd bij plaatsing van de fietsbeugels rekening met het ruimtebeslag van de in gebruik zijnde voorzieningen. Zorg voor een vrije doorloopruimte.
R
Banken - Type
84 / 93
Bijlage
R
11. Straatmeubilair
Straatmeubilair Bijlage Nummer
Omschrijving
Bronverwijzingen Nummer
Omschrijving 502 MVI-criteriatool 539 CROW Richtlijnen voor bebakening en markering van wegen
85 / 93
11. Straatmeubilair
Hoofdstuk
12
Datum
25-03-22
Versie
2
Controle
Spelen
Uitgever
DALI Uitgever
Eigenaar
Beheerder Speelvoorzieningen
Hardheid R
Bronverwijzing
Objecten en eisen Stedenbouwkundig niveau Categorie Onderwerp Alle woonkernen - Planontwikkeling Nieuwbouwlocaties Inrichtingsplan
Alle woonkernen Alle gebieden
Beleidseisen (en evt gebruikerseisen) Bij plantontwikkeling dient het ontwerp van de openbare ruimte gebaseerd te worden op het bestemmingsplan en op het stedenbouwkundige/beeldkwaliteitsplan (indien beschikbaar). Voor afwijkingen op de LIOR dient goedkeuring gegeven te worden door gemeentelijke beheerders.
Beleid - Reservering speelruimte Bij nieuwe 'nieuwbouwontwikkelingen' 3% van de uitgegeven grond voor wonen reserveren voor speelruimte. Bij lopende plannen kijken wat optimaal nog mogelijk is, zoals vastgesteld in het Speelruimteplan.
R
Beleid - Informeel en natuurlijk spelen
De mogelijkheden voor informeel en natuurlijk spelen dienen vergroot te worden. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan autoluwe straten, klimbomen, etc. Voor natuurlijk spelen dient altijd een projectspecifiek programma van eisen te worden gemaakt.
R
Klimbomen dienen in overleg met de groenbeheerder te worden bepaald; niet ieder boom is geschikt als klimboom. Klimbomen op speelterrein dienen te voldoen aan het Warenwetbesluit Attractie- en speeltoestellen (WAS). Wanneer een klimboom wordt gepland op een speelterrein dient deze volgens de WAS ontworpen te zijn en gecertificeerd te zijn conform de uitgangspunten van het WAS. Wanneer een klimboom als dusdanig wordt ontworpen dient dit op de ontwerp- en revisietekening vastgelegd te worden. Een klimboom krijgt aparte categorie in het boombeheer programma i.v.m. onderhoudsmaatregelen.