CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 Bouwen noodopvang

gemeenteraad 22 oktober 2024, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: Tijdelijke huisvesting Immerhornpolder19.771 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Bouwen noodopvang Enkhuizen Enkhuizen

DATUM IMRO IDN

31-7-2024 NL.IMRO.0388.20230866-0001

PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20230886.002

AUTEUR STATUS

concept

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging projectgebied

6

1.3

Planologische regeling

7

1.4

Leeswijzer

8

Projectbeschrijving

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Beschrijving van de ontwikkeling

10

Beleidskader

12

3.1

Algemeen

12

3.2

Rijksbeleid

12

3.3

Provinciaal beleid

13

3.4

Gemeentelijk beleid

17

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

20

4.1

Algemeen

20

4.2

Bodem

20

4.3

Water

20

4.4

Geluid

22

4.5

Bedrijven en milieuzonering

23

4.6

Verkeer en parkeren

25

4.7

Licht

25

4.8

Luchtkwaliteit

26

4.9

Archeologie

26

4.10

Cultuurhistorie

27

4.11

Ecologie

27

4.12

Kabels en leidingen

30

4.13

Externe veiligheid

30

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

31

Economische uitvoerbaarheid

31

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

5.1

3/181

Hoofdstuk 6

Afweging en conclusie

Bijlagen toelichting

32 33

Bijlage 1

Locatieonderzoek

35

Bijlage 2

Memo Ruimtelijke Kwaliteit en Waterveiligheid

57

Bijlage 3

Verslag ARO

69

Bijlage 4

Bodemonderzoek

79

Bijlage 5

Memo verkeersontsluiting

131

Bijlage 6

Advies Veiligheidsregio

135

Bijlage 7

Advies Archeologie

137

Bijlage 8

Quickscan Ecologie

143

Bijlage 9

Stikstofonderzoek

169

4/181

Toelichting

5/181

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Enkhuizen wil op de sportvelden van Immerhorn in Enkhuizen een (tijdelijke) woonlocatie ontwikkelen ten behoeve van tijdelijke huisvesting. Het betreft voor de eerste twee jaar tijdelijke huisvesting voor ontheemde Oekrainers. Vervolgens zullen de woningen worden gebruikt voor de tijdelijke opvang van woningbehoeftigen in verband met de wooncrisis. Het bouwen van tijdelijke woningen is op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan omdat op de gewenste locatie de enkelbestemming 'Sport' geldt. Het project is daarmee in strijd met de geldende planologische regeling. Voor het project is een omgevingsvergunning nodig voor het afwijking van het bestemmingsplan. Bij het aanvragen van een dergelijke vergunning moet worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2

Ligging projectgebied

Enkhuizen is gelegen aan het IJselmeer. Het projectgebied ligt in het buitendijkse gebied in het oosten van Enkhuizen. De noodwoningen zullen worden gerealiseerd op sportpark Immerhorn op een voetbalveld van s.v. Enkhuizen. Ten noorden van het projectgebied ligt de camping Enkhuizer Zand en vakantiepark EuroParcs Enkhuizer Strand. Het projectgebied wordt ontsloten door de Immerhornweg. De ligging van het projectgebied is weergegeven op figuur 1.1.

6/181

Figuur 1.1 Ligging projectgebied (bron: Cyclomedia)

1.3

Planologische regeling

Voor het projectgebied geldt het Bestemmingsplan Enkhuizerzand en IJsselmeergebied, dat is vastgesteld op 20 december 2012. In figuur 1.2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven. Het projectgebied heeft in het geldende bestemmingsplan de enkelbestemming 'Sport'. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor: a. sport- en speelterreinen; b. aan de in a genoemde functie gerelateerde activiteiten zoals ondersteunende horeca, horecabedrijf categorie 1 en beheersvoorzieningen; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen. In artikel 13.2. zijn bouwregels voor hoofdgebouwen opgenomen. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mag ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m) aagegeven bouwhoogte bedragen. De bouwoogte van overige bouwwerken mag ten hoogste 5 meter bedragen. Het projectgebied is tevens gelegen op gronden met gebiedsaanduiding 'milieuzone-drinkwaterwinning'. Op deze gronden geldt, behalve voor de de voorkomede bestemmingen(en), dat deze mede zijn aangewezen voor behoud van de kwaliteit van het oppervlaktewater als onderdeel van de drinkwatervoorziening. Ter plaatse van

7/181

deze gronden is geen gebruik van gronden en bouwwerken toegestaan met nadelige effecten voor de drinkwatervoorziening. Ook is het projectgebied gelegen op gronden met gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor overige bouwwerken geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 10 meter mag bedragen. Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de werking van de waterkering, bij het verlenen van een omgevingsvergunning hiervan afwijken en toestaan dat bouwwerken worden gebouwd, mits vooraf positief advies is ontvangen van het Hoogheemraadschap.

Figuur 1.2

1.4

Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de gewenste ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt economische uitvoerbaarheid van het project besproken. Tot slot worden in hoofdstuk 6 een beknopte samenvatting en conclusie van de ruimtelijke onderbouwing weergegeven.

8/181

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige en gewenste situatie in het projectgebied. De gewenste situatie is het uitgangspunt voor de te verlenen omgevingsvergunning en moet op een goede manier in de huidige situatie worden ingepast.

2.1

Huidige situatie

Het projectgebied ligt in het buitendijkse gebied ten oosten van Enkhuizen. De noodwoningen zullen worden gerealiseerd op Sportpark Immerhorn op een voetbalveld van s.v. Enkhuizen. De locatie ligt aangrenzend aan het recreatieterrein van Europarcs en wordt begrenst door hoogopgaande beplanting. Het projectgebied wordt ontsloten door de Immerhornweg. Ten westen van het projectgebied ligt een fabriek van Peijnenburg en woonwijk 'Kadijken'. Ten zuiden van het projectgebied is pretpark Sprookjeswonderland gevestigd. De ligging van het projectgebied en haar omgeving is weergegeven op figuur 2.1.

Figuur 2.1

9/181

Locatie projectgebied

2.2

Beschrijving van de ontwikkeling

In het projectgebied komen 39 woningen te staan. Het betreffen super-flexwoningen (Chalets Europarcs). In totaal kunnen 156 mensen worden gehuisvest. In de eerste twee jaar zullen de woningen ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de huisvesting van ontheemde Oekraïners. Daarna worden de woningen ten behoeve van sociale huur aangeboden aan woningbehoeftingen in verband met de wooncrisis . Op het terrein zal ook een multifunctioneelcentrum worden gerealiseerd. In het multifunctioneelcentrum wordt ruimte gecreëerd voor o.a. opslag, wasserette, ontvangstruimte, kantoor, dokter en recreëren. Figuur 2.2 toont de situatietekening van de gewenste situatie.

Figuur 2.1

Situatietekening gewenste situatie

Het project voorziet in verschillende chalets variërend voor 2 tot 6 personen. De oppervlakte van de chalets bedragen tussen de 27 m2 en 68 m2. Omdat de chalets buitendijks worden gerealiseerd zullen deze waarschijnlijk worden gefundeerd op betonplaten. Het terrein wordt verhoogd tot ongeveer 30 cm boven de huidige hoogte, waardoor de chalets 50 cm boven het huidige maaiveld komen te liggen. Het gebied krijgt een groene inrichting met daarin ruimte voor recreatie. De woningen worden ontsloten via twee tijdelijke ontsluitingen op de Immerhorn met behulp van de aanleg van twee dammen in de bestaande waterloop. Hierdoor wordt de bereikbaarheid van het gebied verbeterd.` Aan de noordzijde wordt een speciale opstelplaats voor de brandweer gerealiseerd, zonder een directe aansluiting op de noordelijk gelegen weg langs de camping. In de noordwesthoek wordt een trafo geplaatst op vier heipalen. De trafo zal tevens worden aangesloten op de

10/181

voorzieningen van Europarcs.

11/181

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Algemeen

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het voor het projectgebied van toepassing zijnde beleid dat een direct verband houdt met de gewenste ontwikkeling. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal- en gemeentelijke beleid. Indien van toepassing kan dit beleid nadere uitgangspunten voor de gewenste ontwikkeling in het projectgebied opleveren.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Het projectgebied is niet in een NOVI-gebied gelegen. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften In de Nationale Omgevingsvisie zijn 21 nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich richt.

Een van de omschreven nationale belangen betreft het 'zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften'. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte is van nationaal belang. De overheid dient hierbij op te treden bij excessen. Het voorzien van huisvestig voor asielzoekers is onderdeel van dit belang. Het Rijk is hierin resultaatverantwoordelijk en dient bij fluctaties in onderkomen te voorzien. Conclusie Het projectgebied is niet gelegen in een NOVI-gebied. De ontwikkeling valt te scharen onder het nationale belang 'zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften'. Het voorzien van huisvestig voor asielzoekers is onderdeel van dit belang. De woningvoorraad dient te voorzien in de huidige en toekomstige woonbehoefte. Dit project voorziet in de tijdelijk in de vraag naar woonruimte.

12/181

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Het artikel is op 12 mei 2017 gewijzigd en op 1 juli 2017 in werking getreden. Voor dit project wordt getoetst aan deze nieuwe regeling, die inhoudt dat de toelichting bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien de omgevinsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het projectvoornemen betreft de ontwikkeling van 39 tijdelijke woningen. Voor het project, waarbij tijdelijke huisvesting voor een periode van 10 jaar wordt gerealiseerd, is volgens jurisprudentie geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Uit locatieonderzoek (zie bijlage 1) blijkt dat de gekozen locatie de beste optie is. In het locatieonderzoek zijn meer dan 30 locaties in Enkhuizen geëvalueerd op criteria zoals planologische inpassing, maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak, infrastructuur en verkeerssituatie.

De top 10 locaties zijn zorgvuldig geselecteerd op basis van hun totale score en geschiktheid voor het project. Volgens jurisprudentie kunnen sportvelden en andere onbebouwde gronden als bestaand stedelijk gebied worden aangemerkt wanneer ze onderdeel zijn van openbare en sociaal-culturele voorzieningen. Dit project valt daarom onder bestaand stedelijk gebied en veroorzaakt verder geen verstening, maar tijdelijke bebouwing met verplaatsbare units. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de nationale woningebehoefte voor ontheemde Oekrainers en de tijdelijke opvang van woningbehoeftigen in verband met de wooncrisis. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op een voetbald van een sportpark en wordt op een zorgvuldige wijze ingepast. Hiermee voorziet het project in de nationale woningbouwbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een duurzame verstedelijking.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 2050 en Omgevingsverordening NH2020 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Omgevingsvisie 2050. In de omgevingsvisie geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. Het toekomstbeeld is als volgt gedefinieerd: 'De provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik. De provincie wil met de Omgevingsverordening NH2020 ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet daarbij in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Zij zoekt hierbij naar een balans tussen economische groei en leefbaarheid. Nieuw is dat 32 landschappen worden aangewezen als 'Bijzonder Provinciaal Landschap'. Dit zijn landschappen waarop de

13/181

provincie extra zuinig wil zijn vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier. Het projectgebied behoort niet tot één van deze landschappen. De belangrijkste ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. In artikel 6.3 is geregeld dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. De provincie heeft met de gemeenten in Westfriesland, waar de gemeente Enkhuizen onder valt, regionale afspraken gemaakt in een afwegingskader wonigbouw. In dit kader heeft over onderhavig woningbouwplan overleg plaatsgevonden in de regionale ambtelijke werkgroep. Vervolgens is in het bestuurlijke overleg (VVRE) instemming gekregen, waardoor er voor dit project sprake is van regionale afstemming. Het project is daarmee in overeenstemming met artikel 6.3. Ingevolge artikel 6.59 wordt bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b.

bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. Het project valt te definieren als een ontwikkeling in stedelijk gebied. In bijlage 2 wordt ingegaan op de ruimtelijke kwaliteitseis waarbij rekening is met artikel 6.59. Vervolgens heeft hierover overleg plaatsgevonden met de de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling. Het verslag hiervan is opgenomen in bijlage 3. De ARO kan instemmen met het project en heeft geconcludeerd dat met dit project sprake is van een goede ruimtelijke inpassing. Er wordt voldaan aan de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 6.59. In artikel 6.62 staat dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het project rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. Thema's die besproken moeten worden zijn wateroverlast, overstroming, hitte en droogte. Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat rekening wordt gehouden met wateroverlast, overstroming, hitte en droogte.

Het projectgebied bevindt zich in een groen raamwerk met hoogopgaande beplanting aan weerzijden. In de toekomstige situatie blijft dit groene raamwerk behouden. In de memo waterveiligheid en ruimtelijke kwalitieit wordt verder ingegaan op dit thema (bijlage 2). Er wordt voldaan aan artikel 6.62.

3.3.2 Structuurvisie Noord-Holland 2040 De Provinciale Structuurvisie is in 2010 vastgesteld. Op 28 september 2015 is de meest recente actualisatie vastgesteld. In de Structuurvisie geeft de provincie aan welke doelen zij zich in de periode tot 2040 stelt. Hoofddoel is dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik.

14/181

De aspecten waarop de structuurvisie zich richt zijn de volgende: klimaatbestendigheid: de provincie zorgt voor een gezonde en veilige leefomgeving in harmonie met water en gebruik van duurzame energie; ruimtelijke kwaliteit: de provincie zorgt voor behoud van het Noord-Hollandse landschap door verdere ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit; duurzaam ruimtegebruik: de provincie zorgt voor een regionale ruimtelijke hoofdstructuur waarin functies slim gecombineerd worden en goed bereikbaar zijn nu en in de toekomst. Toetsing Voor de beoogde ontwikkeling zijn de thema's 'klimaatbestendigheid' en 'duurzaam ruimtegebruik' het meest relevant. Binnen het project wordt aandacht besteed aan de klimaatbestendigheid vanwege de ligging naast het IJsselmeer. Om die reden wordt het gebied 30 cm opgehoogd alvoren de woningen worden gerealiseerd. Door de woningen te realiseren op een bestaand sportpark wordt duurzaam omgegaan met het ruimtegebruik. Voor een motivering van de ruimtelijke kwaliteit wordt verder verwezen naar paragraaf 3.3.4. Verder is in dit project sprake van duurzaam ruimtegebruik gezien op de locatie reeds sprake is van een stedelijke voorziening gelegen in het stedelijk netwerk van Enkhuizen. Daarnaast is hier sprake van een tijdelijke situatie en wordt na deze periode in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht. Hier is ook reeds sprake van een goede bereikbaarheid.

Nieuwe, ingrijpende, infrastructurele voorzieningen zijn hierin niet nodig. 3.3.3 Woonakkoord 2020-2025 regio Westfriesland en Provincie Noord-Holland Voor de regio West-Friesland is een Woonakkoord opgesteld. Deze zijn door alle gemeenteraden in de regio vastgesteld. Het Woonakkoord draagt samen met het afwegingskader Wonen Westfriesland 2019 bij aan de binnen het Pact van West-Friesland uitgesproken ambitie om tot de top 10 woonregio’s van Nederland te behoren. Samen met het Woonakkoord wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden. In het Woonakkoord voor WestFriesland werken de Westfriese gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Opmeer, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec samen met de provincie aan een evenwichtig en afgestemd woningbouwprogramma in de regio. Naast deze gemeenten hebben ook betrokken marktpartijen zoals woningcorporaties, zorgpartijen, bouwers, ontwikkelaars en huurdersvereniging input geleverd voor dit Woonakkoord.

De speerpunten uit het woonbeleid zijn: versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woonaanbod voor iedere doelgroep; het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad; leefbaar en bereikbaar Westfriesland tot in de kern; onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten; langer zelfstandig wonen bevorderen; werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven.

15/181

Het projectvoornemen draagt bij aan de versnelling van de woningbouwopgave en aan een betaalbaar, aantrekkelijk een duurzaam woonaanbod voor iedere doelgroep. Het projectvoornemen bestaat voornamelijk uit tijdelijke woningen die geschikt zijn voor ontheemden en woningbehoeftigen. Omdat het tijdelijke woningen betreffen wordt er gewerkt binnen een flexibel kader dat aansluit op de vraag naar woningen vanuit de maatschappij. 3.3.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018, vastgesteld op 10 april 2018, is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft gebiedsgerichte en ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Noord-Holland is onderverdeeld in 20 gebieden, de zogenaamde ensembles. Het projectgebied ligt in het gebied 'West-Friesland Oost'. West-Friesland Oost is een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten.

De ligging van de linten is afhankelijk van de richting van de ontginningen en vaak sterk gerelateerd aan de ondergrond (de hooggelegen kreekruggen). Ingevolge de overzichtskaart van de Leidraad (zie figuur 3.1) ligt het projectgebied in 'zeekleilandschap met hoogteverschil kreekrug' en aan een dorpsrand.

Figuur 3.1

Overzichtskaart Leidraad Cultuurhistorie

De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid; en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.

16/181

Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: het behouden/versterken van de beplantingsstructuur en het patroon van sloten en weteringen in de polder. Voeg langs wegen met erven (voornamelijk in oost-westelijke richting) eventuele opgaande beplanting alleen op de erven toe. Voorkom hier nieuwe wegbeplanting. Versterk de groene aankleding van verbindingswegen zonder erven (voornamelijk in noord-zuidelijke richting) door wegbeplanting. Deze verbindingswegen vormen zo de voornaamste beplantingsstructuren (kans). Benut de benodigde waterbergingsruimte (compensatie verharding) voor verbreding van de noord-zuid sloten in het gebied (kans). De maximale diepte van nieuwe bebouwing is een derde van de polderslag (de ruimte tussen twee linten). Houd het doorzicht over de watergangen richting de polder achter het lint. Houd bij nieuwe bebouwing minstens driemaal de breedte van de watergang (een slootbreedte aan beide zijden van de sloot) vrij van bebouwing. De erven hebben een representatieve uitstraling naar de weg. Situeer aan de voorzijde van het erf de woonfunctie/siertuin/representatieve ruimte. In bijlage 2 wordt ingegaan op de ruimtelijke kwaliteitseis waarbij rekening is gehouden met de uitgangspunten voor ruimtelijke kwaliteit van het gebied 'West-Friesland Oost' zoals beschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

In de huidige situatie zijn de sportvelden landschappelijke ingepast door hoogopgaande beplanting. Het projectgebied bevindt zich in een groen raamwerk met hoogopgaande beplanting aan weerzijden. In de toekomstige situatie blijft dit groene raamwerk behouden. Ook blijft de bestaande verkavelingsstructuur behouden. Er vinden hier geen ingrepen in plaats. In de leidraad staat dat het zicht vanaf de Westfriese Omringdijk op het kleinschalige landschap en op het open water zoveel mogelijk vrijgehouden moet blijven. Daar de toekomstige bebouwing binnen het bestaande groene raamwerk wordt gerealiseerd, doet de ontwikkeling geen afbreuk aan het zicht op het landschap en het open water.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Stadvisie Enkhuizen 2030 In 2030 is Enkhuizen modern met een zichtbaar rijke geschiedenis als waterstad. Het is een functionele en overzichtelijke stad, door slimme zonering van gerichte gebieden voor toerisme, wonen en werken. De drie pijlers van het Enkhuizen van 2030 zijn: 1. een uniek historisch hart dat in de eerste plaats een rustige plek is voor bewoners; 2. een sterke toeristische functie die zich ook uitstrekt naar het buitengebied; 3. Seed Valley: grootschalige werkgelegenheid in de buitenste ring van Enkhuizen, zoals op Krabbersplaat en de Schepenwijk. Op het gebied van wonen en bouwen zijn de volgende doelen in de Stadsvisie geformuleerd: Enkhuizen streeft naar een balans in sociale woningbouw en koopaanbod; Enkhuizen verkent mogelijkheden voor verdere benutting van de ruimte bij groei, zoals de mogelijkheden op het IJsselmeer; Enkhuizen verkent in hoeverre bij bevolkingskrimp soepele woningonttrekking mogelijk is. Ook

17/181

maatregelen tegen leegstand worden onderzocht. Toetsing De ontwikkeling die met dit project mogelijk wordt gemaakt past binnen het eerste doel dat is geformuleerd bij wonen en bouwen. Met de ontwikkeling worden nieuwe sociale woningen mogelijk gemaakt onder andere in verband met de wooncrisis. 3.4.2 Structuurvisie Enkhuizen De structuurvisie beperkt zich tot het ruimtelijk beleid en is daarmee de ruimtelijke vertaling van de Stadsvisie. Op de structuurvisiekaart ligt het projectgebied binnen Enhuizerzand. De economische pijlers van Enkhuizen zijn het toerisme, de zaadteeltbedrijven, de kunststofindustrie, de nautische bedrijvigheid en de middenstand.

Figuur 3.4 Uitsnede Structuurvisie 2020 In de binnenstad zal, als gevolg van het geringe aandeel huurwoningen en de ontwikkelingen in de bevolkingssamenstelling (zowel qua leeftijd als qua welvaartsniveau), de nadruk liggen op koopwoningen. Beleid is behoud van de woonfunctie in de binnenstad en respect voor het historisch erfgoed. In de buitenstad is de woonfunctie primair. In deze woongebieden is het aandeel huurwoningen groter. Het beleid is hier gericht op bouwen voor doelgroepen (senioren, starters; architectonische vernieuwing). Naast het bouwen voor de ‘eigen’ behoefte is er de mogelijkheid een concurrerend woonmilieu aan te bieden, gericht op mensen wier woonwensen gericht zijn op uitzonderlijke omgevingen, waarbij ook het

18/181

water een rol kan spelen. Toetsing Het project sluit aan bij het gericht bouwen van woningen voor starters. Door het realiseren van de tijdelijke woningen groeit het aandeel huurwoningen in de buitenstad. Hiermee wordt ingespeeld op de grote vraag naar woningen en wordt er tijdelijk ingespeeld op de wooncrisis.

19/181

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het project. Meer concreet wordt beoordeeld hoe het project zich verhoudt tot de diverse ruimtelijke aspecten (zoals archeologie, bodem, externe veiligheid, geluid, flora en fauna, luchtkwaliteit en water).

4.2

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Toetsing Voor het project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zie daarvoor bijlage 4. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan nikkel, kobalt en molybdeen aangetoond. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen nieuwbouw. De gronden zijn geschikt voor de toekomstige woonfunctie.

4.3

Water

Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige projectgebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Voor de projectontwikkeling heeft afstemming plaatsgevonden tussen tussen de gemeente Enkhuizen en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Verharding en compenserende maatregelen

20/181

Een dusdanige toename van het verharde oppervlak heeft negatieve gevolgen voor het watersysteem. Het hemelwater stroomt versneld af en komt direct tot afvoer. Compensatie in de vorm van waterberging of infiltratie is noodzakelijk om deze negatieve effecten op te heffen. Bij een verhardingstoename van meer dan 2000 m2 berekent het hoogheemraadschap aan de hand van diverse projectgebiedkenmerken een specifiek compensatiepercentage. De verharding in het projectgebied neemt toe. Omdat de locatie buitendijks is bedraagt de minimale watercompensatie 6%. Dit betreft circa 250 m2 water. Omdat de locatie gedraineerd is kan de compenstatie eis lager uitvallen. Het hoogheemraadschap zal een berekeing uitvoeren voor de mate van watercompensatie. Inmiddels is watercompensatie (ca. 300 m2) gerealiseerd (zoals vergund in de watervergunning). Daarbij zijn natuurlijke oevers toegepast (oevers zonder beschoeiing). Waterkwaliteit en riolering In het projectgebied wordt regenwater zoveel mogelijk vastgehouden. Bij alle nieuwbouw wordt regenwater van woningen bovengronds afgevoerd naar de openbare ruimte. Drinkwaterwinning Het projectgebied ligt volgens het bestemmingsplan binnen de aanduiding 'milieuzone - drinkwaterwinning. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - drinkwaterwinning' is geen gebruik van gronden en bouwwerken toegestaan met nadelige effecten voor de drinkwatervoorziening.

Het project met tijdelijke huisvesting voor een periode van 10 jaar heeft geen nadelige effecten op de drinkwatervoorziening. Uit de bestaande watervergunning blijkt dat het project geen invloed heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. Dit bevestigt dat de maatregelen en voorschriften in de vergunning voldoende bescherming bieden voor de waterkwaliteit. De huisvesting is verder tijdelijk en bestaat uit niet-permanente, verplaatsbare units. Dit betekent dat de impact op de grond en het milieu minimaal is en dat er geen langdurige veranderingen in de waterhuishouding plaatsvinden. Het project omvat geen verstening van het gebied, waar ervoor zorgt dat het natuurlijke infiltratievermogen van de bodem behouden blijft, wat cruciaal is voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Daarnaast is sprake van adequate voorzieningen voor de afvoer en behandeling van afvalwater. Dit voorkomt dat vervuilende stoffen het oppervlakte- of grondwater kunnen bereiken. Deze redenen tezamen zorgen ervoor dat het project geen nadelige effecten heeft op de drinkwatervoorziening, en de kwaliteit van het oppervlaktewater als onderdeel van de drinkwatervoorziening blijft behouden. Waterveiligheid Omdat de locatie buitendijks is gelegen kan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier geen garantie geven op waterveiligheid en overlast.

Normaal gesproken worden woningbouwlocaties ontworpen op een overstromingskans van 1:4000. Het tegenovergelegen Europarcs is ontworpen op een kans van 1:1250 (overstromingsrisico eens in de 1250 jaar). In de polder achter de dijk is sprake van een overstromingskans van 1:10.000. In het kader van de waterveiligheid mag de locatie niet afgegraven worden. Het is wel toegestaan om de locatie op te hogen. Het terrein wordt verhoogd tot ongeveer 30 cm boven de huidige hoogte, waardoor de chalets 50

21/181

cm boven het huidige maaiveld komen te liggen. In het kader van rioolaansluiting richting bestaand gebied is het niet toegestaan een haakse doorsteek met boring onder de dijk uit tevoeren omdat dit een veiligheidsrisico vormt bij hoog water. De woningen worden aangesloten op de bestaande stedelijke riolering. Waterhuishouding Voor nieuwbouw geldt in principe dat dakoppervlak 100% moet worden afgekoppeld. Waar mogelijk wordt minimaal 25% van de oevers aangelegd als natuurlijkvriendelijke oever of plasberm (minimaal 0,5 meter breed, bij voorkeur 1 meter breed). Taluds zijn onder water 1:2 of flauwer, boven water 1:3 of flauwer. In het ontwerp wordt rekening gehouden met afwateren en het vasthouden van water in het projectgebied. Zo wordt hittestress tegengegaan. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de projectontwikkeling.

4.4

Geluid

Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidbelasting van geluidsgevoelige gebouwen en terreinen door drie verschillende geluidbronnen: wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. Indien er binnen een geluidzone een geluidgevoelige functie gerealiseerd wordt, dient getoetst te worden aan de randvoorwaarden van de Wgh. Langs alle (spoor)wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /uur-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. Toetsing wegverkeerslawaai In eerste instantie zullen vluchtelingen worden opgevangen in de flexwoningen. De flexwoningen hebben op dat moment een logiesfuncties. Logies zijn conform de Wet geluidhinder niet geluidgevoelig. Objecten die niet geluidgevoelig zijn hoeven niet getoetst te worden aan de geluidnormen horende bij de Wet geluidhinder.

Na vertrek van de vluchtelingen zullen de flexwoningen echter worden toegevoegd aan de voorraad sociale huurwoningen en bieden deze verblijf voor woningbehoeftigen in verband met de wooncrisis. Op dat moment wijzigt de bestemming van een 'logiesfunctie' naar de functie 'wonen' en is sprake van geluidgevoelige objecten op basis van de Wet geluidhinder. Het betreffen tijdelijk woningen die ten hoogste 10 jaar bewoond zullen worden. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. De realisatie van de flexwoningen hoeft daarom niet getoetst te worden aan de geluidnormen horende bij de Wet geluidhinder zoals het aspect wegverkeerslawaai. Wel dient te

22/181

gemotiveerd te worden of er sprake is van een aanvaardbaard woon- en leefklimaat en of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De locatie waar de flexwoningen geplaatst zullen worden ligt aan de Immerhornweg. Op deze weg geldt een maximum rijsnelheid van 30 km/uur. Op basis van de Wet geluidhinder hebben deze wegen geen zone en geldt er geen verplichting tot toetsing. De Immerhornweg is een rustige weg bestemd voor bestemmingsverkeer richting het sportpark en het recreatieterrein. Tevens is het een doodlopende weg. Gelet op de ligging aan de Immerhornweg is het aannemelijk dat de geluidbelasting op de flexwoningen vanwege het verkeer op de Immerhornweg zodanig laag is dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten westen van de projectlocatie ligt op circa 150 meter afstand de Oosterdijk. Dit is een rustige landelijke gelegen weg waar een maximumrijsnelheid van 60 km/uur geldt. De projectlocatie en de Oosterdijk wordt gescheiden door een dijk van circa 3 meter hoog. Het is daarom aannemelijk dat de geluidbelasting van deze weg gezien de locatie en de tussenliggene dijk voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er zal derhalve sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Warmtepompen/airco's De flexwoningen zullen worden uitgerust met een warmtepomp/airco. Warmtepompen, en dan met name lucht-/water warmtepompen, kunnen geluid produceren.

In artikel 3.8, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking (dus ook airco's). Op de perceelsgrens mag het geluidniveau niet meer bedragen dan 40 dB(A), bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en het gestelde in bijlage VIII bij de Regeling Bouwbesluit 2012. Op basis daarvan geldt dat indien een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur), dat het gemeten geluidsniveau in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) gecorrigeerd dient te worden met -5 dB. Dit betekent dat 45 dB(A) is toegestaan in de dagperiode. De flexwoningen staan op minimaal 5 meter afstand van elkaar. Aangenomen dat de perceelsgrens tussen de flexwoningen in het midden ligt. Uitgaande van de situatie dat er wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit (40 dB(A) tussen de woningen) zal het geluid ter plaatse van een flexwoning en afkomstig van een andere flexwoning altijd lager zijn door de grotere afstand en daarmee aanvaardbaar. Een cumulatief effect wordt niet verwacht (ook niet naar de omgeving) vanwege de eisen op de perceelsgrens. In de uitvoering (vergunningverlening) kan rekening worden gehouden met de opstelling van warmtepompen. Trafostation Ten noordwesten van de flexwoningen zal een trafostation worden geplaatst.

Deze zal op minimaal 20 meter tot de dichtstbijzijnde flexwoning worden geplaatst. Het trafostation maakt geen waarneembaar geluid en zal derhalve geen belemmering vormen.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

23/181

ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit project gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Onderzoek Het sportveld waar de flexwoningen op worden gerealiseerd maakt nu onderdeel uit van de sportvelden van Sportvereniging Enkhuizen. Voor een veldsportcomplex met verlichting geldt een richtafstand van 50 meter. Omdat de flexwoningen op het sportcomplex worden gebouwd kan niet worden voldaan aan deze richtafstand Zoals paragraaf 4.4 is benoemd zullen in eerste instantie vluchtelingen worden opgevangen in de flexwoningen. De flexwoningen hebben op dat moment een logiesfunctie en zijn conform de Wet geluidhinder niet geluidgevoelig.

Na vertrek van de vluchtelingen zullen de flexwoningen echter worden toegevoegd aan de voorraad sociale huurwoningen en bieden deze verblijf voor woningbehoeftigen in verband met de wooncrisis. Op dat moment wijzigt de bestemming van een 'logiesfunctie' naar de functie 'wonen' en is sprake van geluidgevoelige objecten op basis van de Wet geluidhinder. Vanuit de sportvereniging moet men op de flexwoningen voor de woningbehoeftigen ook voldoen aan de normering uit het Activiteitenbesluit. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op het noordelijke gedeelte van het sportpark. Ten westen van de ontwikkeling ligt een voetbalveld zonder wedstrijdbelijning en verlichting. Dit veld zal om die reden minder vaak worden gebruikt dan de andere velden. Er hangen hier tevens geen muziekinstallaties. Stemgeluid is de enige bron van geluid. Stemgeluid kan in het kader van toetsing aan het Activiteitenbesluit buiten beschouwing worden gelaten. Het is derhalve aannemelijk dat voldaan kan worden aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. De sportvereniging wordt daarmee niet bepekt in haar bedrijfsvoering. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het stemgeluid wel beoordeeld te worden.

Gezien de afstand tot de flexwoningen en het feit dat dit veld minder gebruikt wordt ten opzichte van de andere velden kan voldoende aannemelijk worden gemaakt dat bij de flexwoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle andere sportvelden en sportkantine liggen ten zuiden van de ontwikkeling. De ontwikkeling en de zuidelijke sportvelden en kantine worden gescheiden door een dubbele bomenrij. Gezien de afstand tot de zuidelijk gelegen sportvelden en de sportkantine is het aannemelijk dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De sportvereniging wordt met de realisatie van deze woningen niet beperkt omdat stemgeluid niet wordt getoetst vanuit het Activiteitenbesluit. Ten noorden van de projectontwikkeling ligt een kampeerterrein en vakantiepark. Daarvoor geldt een richtafstand van 50 meter. Omdat de omgeving gezien de aanwezige functiemenging kan worden getypeerd als gemengd gebied kan de richtafstand worden verkleind naar 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De afstand tussen de buitenste rij chalets op Immerhornpolder en die van Europarcs bedraagt 40 meter. De geluidproducerende functies van het vakantiepark liggen daarentegen ruim verder dan 50 meter. De

24/181

ontwikkeling zorg er niet voor dat het vakantiepark in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd en ter hoogte van de tijdelijke woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarendeerd.

4.6

Verkeer en parkeren

Verkeer De hoogste verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling vindt plaats op de Immerhornweg (zie bijlage 5). Op deze weg zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 149 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De Immerhornweg is ingericht als een erftoegangsweg-type 1 binnen de bebouwde kom. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor een erftoegangsweg-type 1 aangehouden dat een verkeersomvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Ten opzichte van de capaciteit van de Immerhornweg is de beoogde verkeerstoename dermate laag dat de invloed op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid verwaarloosbaar is. Het aspect verkeer leidt dan ook niet tot knelpunten voor de beoogde ontwikkeling. Parkeren Voor het project zijn de volgende parkeernormen gehanteerd: Opvang Oekraïners: 0.6 parkeerplaats per woning Beheerdersonderkomen: 5 parkeerplaatsen Flexwoningen (na doorontwikkeling naar sociale huur): 1.6 parkeerplaats per woning Momenteel zijn er 51 parkeerplaatsen voor de chalets en 5 voor het beheergebouw, in totaal 56. Na de doorontwikkeling zijn er 63 parkeerplaatsen nodig. Het verschil van 7 parkeerplaatsen wordt gerealiseerd bij het MFC-gebouw. Deze plekken zijn op de lange termijn haalbaar binnen de locatie. De ruimte voor deze extra plekken is aanwezig.

Daarom is er voor het project voldoende parkeergelegenheid. Conclusie Omdat de ontsluiting van het projectgebied goed is, de afwikkeling van verkeer zonder belemmeringen kan verlopen en de parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden voorzien, is de verkeers- en parkeersituatie in orde. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk.

4.7

Licht

Lichtmasten op sportvelden kunnen voor hinder zorgen. Deze hinder beperkt zich niet alleen tot verblinding of verstoring door de lichtbron zelf; ook het feit dat de nachtelijke duisternis verminderd wordt, kan als een vorm van lichthinder worden beschouwd. Toetsing Op grond van het Activiteitenbesluit moet verlichting op sportvelden zijn uitgeschakeld tussen 11 uur 's avonds en 7 uur 's ochtends, op de tijden dat er geen sport wordt beoefend en op de tijden dat er geen onderhoud wordt uitgevoerd. Hierdoor kan op voorhand worden gesteld dat een gedeelte van de lichthinder wordt weggenomen.

25/181

In het onderhavige geval bevinden zich aan de west- en zuidzijde van het veld lichtmasten. De verlichting op het aangrenzende westelijke veld wordt verwijderd en zal derhalve geen lichthinder opleveren in de avond. De verlichting op de velden ten zuiden van het project richten zich niet naar de chalets. Verder worden deze lichtmasten dermate afgesteld dat van uitstraling van licht buiten de velden niet ot nauwelijks sprake is. Tevens bevinden deze zich op grotere afstand. Ook bevindt zich tussen de nieuw te realiseren chalets en de zuidelijke velden een lint met bomen dat een gedeelte van het licht blokkeert. Hierdoor is er van lichtuitstraling vanaf de zuidelijke velden naar de chalets toe geen sprake. Gelet op het bovenstaande wordt verwacht dat van lichthinder ter hoogte van de chalets geen sprake zal zijn.

4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3. Toetsing Er worden 39 tijdelijke woningen mogelijk gemaakt. De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.9

Archeologie

Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2024 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de

26/181

bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Toetsing In het kader van de voorbereiding van dit project heeft Archeologie West-Friesland een advies uitgebracht (d.d. 23 oktober 2023). Het advies is terug te vinden in bijlage 7. Het advies is hieronder beschreven. Het projectgebied ligt ter hoogte van een zone met een archeologische vrijstellingsgrens van 10.000 m2 en in het zuiden ter hoogte van een zone met een vrijstellingsgrens van 500 m2. De geplande ingrepen zullen de vrijstellingsgrenzen niet overschrijden. De ontwikkeling is in het advies vrijgegegeven. Bij de vrijgave horen de volgende regels: Indien de (grondroerende) plannen ongewijzigd blijven, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Vondstmateriaal dat bij het uitvoeren van het werk wordt aangetroffen is (conform de Erfgoedwet, § 5.4, artikel 5.10) eigendom van de Provincie Noord-Holland. Voor toevalsvondsten geldt een meldingsplicht; deze dienen via het Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van Nederland te worden gemeld. Vondstmateriaal kan bij Archeologie West-Friesland worden gemeld.

Archeologie West-Friesland zal het materiaal aanleveren aan het Provinciaal depot voor archeologie van Noord-Holland te Castricum en een melding via Archis maken.

4.10 Cultuurhistorie Toetsingskader De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Burgers krijgen hiermee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of er cultureel erfgoed wordt geraakt. Toetsing Er is met het stedenbouwkundig ontwerp rekening gehouden met de stedenbouwkundige karakteristieken van de omgeving. Er bevinden zich verder geen cultuurhistorische waardevolle elementen in het projectgebied waar rekening mee gehouden moet worden.

4.11 Ecologie Toetsingskader: Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

27/181

4.13.1 Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het project worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Toetsing Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De projectlocatie ligt op een afstand van ruim 20 kilometer vanaf het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen. De dichterbij gelegen Natura 2000-gebieden IJssel- en Markermeer betreffen gebieden zonder stikstofgevoelige habitattypen In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals dit project geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie is te verwachten, aangezien er gasloos gebouwd moet worden. Effecten van stikstof vanwege wegverkeer hebben een beperkt bereik.

Dergelijke bronnen zijn namelijk dicht bij de grond geplaatst, waardoor de stikstof snel neerslaat. Het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie is

28/181

daarnaast zeer minimaal. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling op voorhand geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden met zich meebrengt. Zekerheidshalve is voor het project een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de aanleg- en exploitatiefase. Dit onderzoek is als bijlage 9 toegevoegd. Uit de resultaten van de berekening voor de aanleg- en exploitatiefase blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Voor dit project geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). 4.13.2 Soortenbescherming De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.

Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke procedure moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het project niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Toetsing Ten behoeve van dit project is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.

Deze is terug te vinden in bijlage 8. Op en rond het terrein kunnen beschermde soorten verblijven of het terrein gebruiken. Denk aan vleermuizen, jaarrond beschermde vogels, algemene broedvogels, egels en marterachtigen. Mochten er in de toekomst werkzaamheden gepland worden aan de bosschages en bomenrijen, dan dient voorafgaand onderzoek plaats te vinden naar de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Voor de realisatie van de woningen zullen geen bosschages worden verwijderd en bomenrijen worden gekapt. Er worden dan ook geen beschermde soorten geschaad.

29/181

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het projectgebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het projectgebied. Omdat binnen het projectgebied geen hoofdleidingen en -kabels liggen en er geen relevante zones over het projectgebied liggen, vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor dit project.

4.13 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid, en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek De ontwikkeling bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle activiteiten. De herbestemming maakt geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk. Voor de ontwikkeling is advies gevraagd bij de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord.

Dit advies is terug te vinden in bijlage 6. In dit advies wordt bevestigd dat er geen externe veiligheidsissues van toepassing zijn op deze locatie.

30/181

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het project (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Dit project wordt uitgevoerd vanuit het initiatief van de gemeente. Financiële haalbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing vormt het toetsingskader voor de realisatie van 39 tijdelijke woningen in Enkhuizen. De gemeente heeft voldoende financiële middelen ter beschikkomg om deze ontwikkeling te realiseren. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De tijdelijke woningen worden gerealiseerd op sportpark Immerhorn op een voetbalvel van Sv Enkhuizen.

De gemeente heeft een overeenkomt afgesloten met de betrokken partijen om de ontwikkeling mogelijk te maken.

31/181

Hoofdstuk 6

Afweging en conclusie

Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning waarmee de ontwikkeling van 39 tijdelijke woningen voor ontheemde Oekraïners en woningbehoeftigen vanwege de wooncrisis kunn worden gerealiseerd. Afweging Het project past binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente. Verder leveren de omgevingsaspecten en/of sectorale wet- en regelgeving geen belemmeringen op voor realisatie van de ontwikkeling in het projectgebied. Andersom is ook nauwelijks sprake van impact van de ontwikkeling op de omgeving. Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14571726/1