CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

B3 BOPA onderbouwing Dijk 90-92 Enkhuizen

gemeenteraad 23 september 2025, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: Instemming met het realiseren van vijf woningen Dijk 90-9214.276 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.4 Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom (bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

3.5 Zorgplichten 3.5.1 Algemene zorgplicht In artikel 1.7 van de Omgevingswet is opgenomen dat iedereen die weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving: alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moet hij die gevolgen zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken; als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet hij die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Daarnaast is in artikel 1.7a van de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen. Daarin is vastgelegd dat het verboden is om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Het betekent bijvoorbeeld dat het verboden is onnodig dieren en planten te doden, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Verder is het op grond van artikel 2.1 van de Wet dieren verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Dat geldt ook voor in het wild levende dieren.

7

3.5.2 Specifieke zorgplichten Naast deze algemene zorgplichten gelden vanaf 2024 ook een aantal specifieke zorgplichten (artikel 4.3 van de Omgevingswet). Deze specifieke zorgplichten in relatie tot natuur staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Flora- en fauna-activiteiten Samengevat komen deze zorgplichten op het volgende neer: Een ieder die een activiteit wil gaan uitvoeren en waarbij hij of zij weet, of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden of soorten dan is hij/zij verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen of zelfs de activiteit niet uit te voeren. Is er toch noodzaak voor deze activiteit en kunnen de nadelige gevolgen niet geheel worden voorkomen dan moet er voor gezorgd worden die gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Meer specifiek geldt een plicht om: voorafgaand aan de activiteit na te (laten) gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op of nabij de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan: van nature in Nederland in het wild levende vogels; van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX bij het Bal of in de (Nederlandse) Rode lijsten; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; Wanneer dit het geval is dient de initiatiefnemer op objectieve wijze (laten) vaststellen dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Kan dat niet dan zal moeten worden nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten en moet er (aantoonbaar) passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen, wordt gemonitord of de maatregelen werken en worden zo nodig herstelmaatregelen uitgevoerd.

1 Met het stikstofregistratiesysteem is depositieruimte gecreëerd door maatregelen die de stikstofdepositie verminderen. Een deel van deze depositieruimte kan worden ingezet voor het verlenen van een natuurvergunning. Voorlopig is het stikstofregistratiesysteem alleen beschikbaar voor woningbouwprojecten en een beperkt aantal infrastructurele projecten.

2 Dit is een onderzoek waaruit naar voren komt dat er geen Alternatieven zijn voor het project, er Dwingende reden van groot openbaar belang zijn en waarbij Compensatie voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt.

8

4 4.1 Inleiding/Locatie omschrijving Het pand betreft een historisch pand gelegen op de Dijk, langs een gracht van Enkhuizen. Langs de gracht zijn bomen in een rij aanwezig. Het pand is opgetrokken uit steens metselwerk en heeft verschillende dakvlakken belegd met keramische pannen. Rondom het pand is alleen verharding aanwezig. Onderstaand een impressie:

Afb. 3: Het pand In onderstaande paragrafen wordt omschreven voor welke (beschermde) soorten het perceel geschikt is. In hoofdstuk 5 wordt per soort/soortgroep getoetst aan de Natuurwetgeving.

4.2 Planten 4.2.1 Waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en/of eerder gedane onderzoeken Op de projectlocatie zijn geen waarnemingen van beschermde flora geregistreerd.

4.2.2 Geschiktheid/resultaten van de projectlocatie Rondom het pand, op het bijgbehorende perceel is geen beplanting aanwezig. Bovendien, aangezien de werkzaamheden zich alleen beperken tot werkzaamheden aan de bebouwing, worden er geen schadelijke effecten voor beschermde flora verwacht.

4.3 Vogels Alle vogels zijn beschermd volgens het europees bepaalde beschermingsregime Vogelrichtlijn. Daarnaast zijn de nest(plaats)en van diverse vogelsoorten jaarrond beschermd (categorie 1-4). Voor enkele soorten moet beoordeeld worden of voldoende alternatieve nest(plaats)en in de omgeving aanwezig zijn (categorie 5).

4.3.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie 4.3.1.1 Vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1-4) In de stadse omgeving zijn de volgende soorten te verwachten uit categorie 1-4. Tevens zijn waarnemingen van deze soorten in de Nationale Databank Flora en Fauna terug te vinden. Huismus Gierzwaluw De pannen op de dakvlakken betreffen kruispannen. Dit type pan sluit strak aan op elkaar en ligt vlak op de panlatten. Hierdoor is er geen ruimte voor vogels om onder de pannen te komen. Dit geldt voor toegang vanuit de goten en toegang in het dakvlak zelf. 9

Daarnaast liggen pannen zonder scheefstand en schade en nokvorsten zijn afgesmeerd met een specie. Overige aansluiting, zoals bij schoorstenen en dakkapellen zijn ook dicht. Op één dakvlak lagen oud hollandse pannen. Dit dakvlak was volgens de initiatiefnemer dermate doorgezakt dat deze uit veiligheidsoverwegingen reeds verwijderd zijn.

Afb 4: Type pan betreft kruispan, sluit strak op elkaar aan en ligt vlak op panlatten. Aansluitingen dicht. Tpv blauwe folie zaten hollandse pannen

Afb 5: Ook pannen achterzijde zijn dicht. Vorsten afgesmeerd 4.3.1.2 Vogels waarvoor beoordeeld moet worden of er voldoende alternatieve nestplaatsen zijn (categorie 5) In het projectgebied zijn de volgende vogelsoorten van deze categorie gerapporteerd in het Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF): 10

Boerenzwaluw Huiszwaluw Spreeuw Net als voor vogels uit categorie 1-4 zijn de pannen te dicht/ongeschikt voor vogels (Spreeuw uit deze categorie) om onder de pannen te komen. Onder dakoverstekken ontbreken nesten van Huiszwaluw en Boerenzwaluw. 4.3.1.3 Overige vogels/algemene broedvogels De pannen zijn ongeschikt voor overige vogels. Ook ontbreken richels en openingen voor vogels in gevels waarop / waarin vogels kunnen nestelen.

4.4 Vleermuizen Het functioneel leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Gedurende het jaar hebben verblijfplaatsen verschillende functies. We kunnen onderscheiden: winter-, zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen. Vleermuizen zijn globaal in te delen naar het type verblijfplaatsen dat ze gebruiken: gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn ook soorten de in beide biotopen verblijven. Veel vleermuissoorten komen in heel Nederland voor.

4.4.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie De toegepaste kruispannen liggen, net als voor vogels strak zonder scheefstand en schade. Ook overige aansluitingen van het dak en de gevels zijn dicht. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor vleermuizen om onder de pannen te komen. Boven de gracht/langs de bomen op de Dijk zullen vleermuizen langs vliegen/foerageren.

4.5 Overige zoogdieren In de stadse omgeving op deze locatie ontbreekt geschikt habitat voor besschermde soorten.

4.5.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie Op het perceel ontbreekt verromeling, ruige delen en takkenhopen/rillen. Hierdoor is het onaantrekkelijk voor de beschermde soorten om te verblijven. Algemene soorten waarvoor een vrijstelling geldt, zullen voorkomen op het perceel, denk hierbij aan algemene soorten muizen en ratten.

4.6 Amfibieën en reptielen In de stadse omgeving op deze locatie ontbreekt geschikt habitat voor beschermde soorten.

4.6.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie Op de locaite ontbreken watergangen. Hierdoor is het niet aannemelijk dat dichtbij de bebouwing kikkers voorkomen. Ook overig habitat voor deze categoriën ontbreekt.

4.7 Vissen Door het ontbreken van watergangen dichtbij de te bebouwing is deze soortgroep niet van toepassing.

4.8 Insecten en andere ongewervelden Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde insecten en andere ongewervelden in het NDFF in een omtrek van 2,5km van het projectgebied. De te slopen bebouwing zal geen significant risico vormen voor beschermde vlinders en libellen. Beschermde insecten, zoals bepaalde vlinders, bijen en libellen, zijn bovendien vaak afhankelijk van specifieke biotopen zoals bloemenweiden, oeverzones, graslanden of bossen. Deze biotopen komen op het projectterrein niet voor en zullen met de werkzaamheden niet aangetast worden.

11

4.9 Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ligt op circa 1,6km afstand (Markermeer).

Afb 6: Afstand van het projectgebied tot natura2000 gebied. Bron: Aerius.nl Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen licht op circa 22 km afstand (in Friesland).

Afb 7: Afstand van het projectgebied tot natura2000 gebied met stikstofgevoelige habitattypen. Bron: Aerius.nl

4.10 Natuur Netwerk Nederland Op ruime afstand liggen gebieden welke zijn aangewezen als Natuur Netwerk Nederland gebieden (NNN-gebieden). Zie onderstaande afbeelding.

12

Afb 8: De afstand van het projectgebied (rode ster) tot Natuur Netwerk Nederland (in groen aangegeven) is ruim.

13

5

Op grond van de resultaten van het veldbezoek en het literatuuronderzoek wordt in dit hoofdstuk beoordeeld wat de verwachtte effecten van de ingreep zijn op beschermde soorten. Negatieve effecten worden vervolgens getoetst aan de verbodsbepalingen van de geldende wetgeving. Daarnaast geeft de toetsing aan of een aangepaste werkwijze, aanvullend onderzoek dan wel een ontheffing is vereist.

5.1 Vaatplanten Gezien de terreinomstandigheden op het projectgebied in comabinatie met de geplande werkzaamheden aan bebouwing zijn beschermde plantensoorten niet te verwachten. Door de beoogde werkzaamheden worden geen beschermde planten verwijderd, vernield of beschadigd, zoals bedoeld in Art. 11.46 lid 1 onderdeel e Bal en Art. 11.54 lid 1 onderdeel c Bal

5.2 Vogels 5.2.1 Algemene broedvogels, vogels uit categorie 1-4 en vogels uit categorie 5 Door het type dakpannen, dichte aansluitingen en het ontbreken van enige begroeiing op het perceel is het uitgesloten dat er genesteld kan worden door algemene broedvogels, vogels uit categorie 1-4 en vogels uit categorie 5. Ook ontbreekt begroeiing dat gebruikt kan worden als essentieel functioneel leefgebied voor Huismussen. Door de beoogde werkzaamheden worden geen (bezette) nesten verwijderd, vernield of beschadigd. Ook wordt geen functioneel leefgebied weggenomen zoals bedoeld in Art. 11.37 lid 1 onderdeel b Bal

5.3 Vleermuizen 5.3.1 Vliegroute/foerageergebied De gracht en de bomenrij daar langs is mogelijk essentieel foerageergebied en fungeert als vliegroute. Tijdens de renovatiewerkzaamheden dient hier rekening mee gehouden te worden door bouwverlichting niet richting de bomenrij en de gracht te schijnen.

5.3.2 Verblijfplaatsfunctie: zomer-, winter-, paarverblijf In de bebouwing zijn geen mogelijkheden aanwezig voor vleermuizen om te gebruiken als verblijfsplaats. Negatieve effecten van de ingreep op zomer-, winter en/of paarverblijfplaatsen zijn uitgesloten. Door het uitvoeren van de werkzaamheden worden, rekening houdend met bovenstaande, geen dieren gedood of verstoord en worden vaste voortplantings- of rustplaatsen niet vernield of beschadigd zoals bedoeld in Art. 11.46 lid 1 onderdeel a Bal, Art. 11.46 lid 1 onderdeel d Bal en Art. 11.46 lid 1 onderdeel b Bal

5.4 Overige zoogdieren Bij werkzaamheden op het perceel in de begroeiing, in ruige delen en in de gebouwen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige kleine zoogdieren door: Rustig en vanuit 1 richting te werken zodat de dieren de kans hebben om te vluchten. Habitat voor beschermde soorten ontbreekt op het perceel. Door het uitvoeren van de werkzaamheden worden geen dieren gedood of verstoord en worden vaste voortplantings- of rustplaatsen niet vernield of beschadigd zoals bedoeld in Art. 11.46 lid 1 onderdeel a Bal, Art. 11.46 lid 1 onderdeel d Bal en Art. 11.46 lid 1 onderdeel b Bal

5.5 Amfibieën, vissen en reptielen Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van beschermde amfibieën en vissen in het projectgebied kan worden uitgesloten. Er is geen geschikt biotoop wat aangestast wordt door de werkzaamheden.

14

Door het uitvoeren van de werkzaamheden worden geen dieren gedood of verstoord en worden vaste voortplantings- of rustplaatsen niet vernield of beschadigd zoals bedoeld in Art. 11.46 lid 1 onderdeel a Bal, Art. 11.46 lid 1 onderdeel d Bal en Art. 11.46 lid 1 onderdeel b Bal

5.6 Insecten en andere ongewervelden Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde insecten of andere ongewervelden in de omgeving van het plangebied en er

15

6

Op grond van de resultaten van het veldbezoek en het literatuuronderzoek wordt in dit hoofdstuk beoordeeld wat de verwachtte effecten van de ingreep zijn op beschermde gebieden. Negatieve effecten worden vervolgens getoetst aan de verbodsbepalingen van de geldende wetgeving. Daarnaast geeft de toetsing aan of een aangepaste werkwijze, aanvullend onderzoek dan wel een ontheffing is vereist.

6.1 Algemeen In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen (significante aantasting) vanuit natuurwetgeving voor beschermde gebieden. Beschermde gebieden die hieronder vallen zijn: Natura2000 gebieden Natuurnetwerk Nederland Voorbeelden van significante aantasting: Wegnemen van een deel van het gebied Verstoring door licht, geluid en trillingen Verdroging van het gebied Waterpeil daling of stijging (door de werkzaamheden) Stikstofdepositie In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

6.2 Natura2000 Effecten op Natura 2000-gebieden bestaan uit verlies aan habitat, negatieve effecten op soorten en verstorende effecten. In de effectenindicator (https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12) worden 19 verschillende storende factoren onderscheiden, waaronder effecten door geluid, trilling, visuele verstoring, verdroging en vermesting. Onder vermesting valt ook stikstofdepositie. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effecten als licht, geluid, trilling, verdroging, vernatting etc. tot gevolg. Het gebruik van eventuele werktuigen, aan-en afvoer van materiaal en werkverkeer vindt in de aanlegfase stikstofuitstoot plaats. Ook tijdens het gebruik vindt stikstofuitstoot plaats door onder andere verkeersbewegingen van- en naar de locatie. Echter Natura2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen liggen op grote afstand. Hierdoor is het uitgesloten dat er negatieve effecten optreden op stikstofgevoelige habitattypen.

6.3 Natuurnetwerk Nederland In tegenstelling tot Natura 2000-gebieden hebben de natuurwaarden in NNN-gebieden geen externe werking. Daarom sluit de afstand tot deze gebieden mogelijke negatieve gevolgen uit.

16

7

Uit ecologisch oogpunt is er geen bezwaar om de werkzaamheden uit te voeren. Met betrekking tot de gebiedsbescherming is er ook geen bezwaar om de werkzaamheden uit te voeren. Verder geldt dat er rekening gehouden moet worden met de algemene zorgplicht. Dit betekend onder andere dat er rustig en vanuit 1 richting gewerkt dient te worden zodat dieren de kans hebben om te vluchten.

17

De Hout 42A 1607 HD Hem

Tel

: 06 228 418 78

info@vonkecologie.nl www.vonkecologie.nl 18

BOPA Dijk 90, Enkhuizen

Bijlage 2 AERIUS-berekening

46

Berekening stikstofdepositie Dijk 90 te Enkhuizen

DEFINITIEF

Berekening stikstofdepositie Dijk 90 te Enkhuizen

DEFINITIEF

Inhoud Rapport en bijlage

20 maart 2025 Projectnummer P003533

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Wettelijk kader

4

3

Ligging projectgebied

5

4

Invoergegevens AERIUS

6

4.1

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

6

4.2

Werkverkeer (bron 2, 3 en 4)

7

4.3

Verkeersgeneratie appartementen (bron 5 en 6)

8

4.4

Gasverbruik (bron 7)

9

4.5

Totale emissie

9

5

Model

10

6

Rekenresultaten en conclusie

11

Bijlage

20 maart 2025

1

Inleiding In het kader van de ruimtelijke ontwikkeling aan de Dijk 90 te Enkhuizen de depositie van stikstof ten gevolge van de renovatie en het gebruik van 5 woningen in de gemeente Enkhuizen berekend. Het project maakt de renovatie van 5 woningen mogelijk op een locatie in het matig stedelijk woonmilieu. De omvang van het project is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (20 maart 2025). Dit rapport vormt een toelichting op de berekening.

Afbeelding 1 Omvang projectgebied (bron: pdokviewerpdok.nl, d.d. 20-03-2025)

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Omgevingswet bij vergunningaanvragen of de wijziging van het omgevingsplan. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Nature 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.

20 maart 2025

3

2

Wettelijk kader De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat het onderdeel gebiedsbescherming een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een wijziging van het omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Ondanks dat bij een wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet het niet langer noodzakelijk is om de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen, moet wel onderzocht worden of een ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Hiernaast geldt op grond van artikel 1.6 Omgevingswet in samenhang met artikel 11.6 Bal een zorgplicht voor omgevingsvergunningen en het wijzigen van het omgevingsplan. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat de wijziging van het omgevingsplan niet kan worden vastgesteld indien dit negatief effect niet kan worden voorkomen door bijvoorbeeld de toepassing van mitigerende maatregelen. Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden

toegestaan.

In

gebieden

waar

de

kritische

depositiewaarde

hoger

is

dan

de

achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie.

20 maart 2025

4

3

Ligging projectgebied Zoals in de inleiding is aangegeven, ligt het projectgebied aan de Dijk te Enkhuizen. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Afbeelding 2 Ligging projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -

IJsselmeer, gelegen op een afstand van circa 1,1 km;

-

Markermeer & IJmeer, gelegen op een afstand van circa 1,4 km.

Hierbij dient wel te worden vermeld dat het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer niet stikstofgevoelig is.

20 maart 2025

5

4

Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NO x en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling dient te worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden.

Ten behoeve van de werkzaamheden en de verkeersgeneratie van de woningen zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (zie afbeelding 3).

4.1

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen. Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof.

20 maart 2025

6

Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie

Woningen

Aantal

Werktuig

5 5 5 5 5

graafmachine kraan heistelling betonstorter verreiker Verharding 200 m2 graafmachine 200 m2 wals 200 m2 trilplaat Totale emissie in kg NOx /jaar

kW

Stage

Eenheid

200 200 200 200 60 100 100 10

Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV

8 u/ 8 u/ 4 u/ 4 u/ 4 u/ 4 u/ 2 u/ 2 u/

won. won. won. won. won. 50 m2 50 m2 50 m2

Draaiuren

Verbruik liters /uur

Totaal Verbruik liters

Emissie NOx

40 uur 40 uur 20 uur 20 uur 20 uur 16 uur 8 uur 8 uur

19,81 19,81 19,81 19,81 6,32 10,18 10,18 2,5

792 792 396 396 126 163 81 20

4,3 4,3 2,1 2,1 0,6 0,9 0,4 0,4 15,1

kg kg kg kg kg kg kg kg kg

De totale emissie van mobiele werktuigen bedraagt 15,1 kg NOx/jr en 0,7 kg NH3/jr.

4.2

Werkverkeer (bron 2, 3 en 4)

Werkverkeer, rijdend verkeer (bron 2 en 3) Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Voor het stationair draaien van het middelzwaar en zwaar vrachtverkeer zijn we uitgegaan van 100% in file. Tabel 2. Ritproductie werkverkeer Functie Woningen en appartementen Verharding

Aantal

Verkeer

Eenheid

Aantal

5 5

Licht verkeer

100/won.

500

Middelzwaar verkeer

20/won.

100

5

Zwaar verkeer

4/won.

20

200 m2

Licht verkeer

40/100 m2

80

200 m2

Middelzwaar verkeer

0/100 m2

0

200 m2

Zwaar verkeer

40/100 m2

80

Totaal

Licht verkeer

580

Middelzwaar verkeer

100

Zwaar verkeer

100

Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van Informatiepunt leefomgeving (IPLO, tabel 3). Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (IPLO) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen

-

Middelzware motorvoertuigen

-

kleine

-

voertuigen

met

voertuiggewicht

kleiner dan 20 ton Zware motorvoertuigen

-

voertuigen

met

voertuiggewicht

groter dan 20 ton

De totale emissie van het rijdend werkverkeer bedraagt 1,2 kg NOx/jr minder dan één kg NH3/jr.

20 maart 2025

7

Werkverkeer, koude start (bron 4) Voor de koude start is er bij het werkverkeer vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein. Voor de koude start wordt uitgegaan van de helft van het aantal verkeersbewegingen omdat een voertuig naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is uitgegaan van 290 koude starts van lichte motorvoertuigen per jaar. Voor het vrachtverkeer wordt ervan uitgegaan dat deze naar de locatie komen om te laden en te lossen. Er wordt ervan uitgegaan dat deze voertuigen kort op de locatie aanwezig zijn, en daarmee geen koude start maken. De totale emissie van het werkverkeer koude start bedraagt minder dan één kg NOx/jr en minder dan één kg NH3/jr.

4.3

Verkeersgeneratie appartementen (bron 5 en 6)

Verkeersgeneratie, rijdend verkeer (bron 5) In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROWpublicatie 744, augustus 2024. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor koop appartementen >100 m2 (7,2 ritten per appartement) en koop appartementen tussen 75-100 m2 (5,5 ritten per appartement) in het centrum. De ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de realisatie van 1 appartement >100 m2 en 4 appartementen tussen 75-100 m2. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 30 ritten per etmaal. Voor bezorgingen en afvalverwerking is tevens rekening gehouden met 2 verkeersbewegingen middelzwaar vrachtverkeer. De totale emissie van de verkeersgeneratie rijdend verkeer van de appartementen in de gebruiksfase bedraagt in dat geval 5,3 kg NOx/jr en 0,2 kg NH3/jr. Verkeersgeneratie, koude start (bron 6) Voor de koude start is er bij de verkeersgeneratie vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein.

Voor de koude start wordt worstcase uitgegaan van de helft van het aantal verkeersbewegingen omdat een voertuig naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is rekening gehouden met 15 koude starts van lichte motorvoertuigen per etmaal. Voor het vrachtverkeer wordt ervan uitgegaan dat deze naar de locatie komen om te laden en te lossen. Er wordt ervan uitgegaan dat deze voertuigen kort op de locatie aanwezig zijn, en daarmee geen koude start maken. De totale emissie van de verkeersgeneratie koude start bedraagt 1,5 kg NOx/jr en 0,2 kg NH3/jr.

20 maart 2025

8

4.4

Gasverbruik (bron 7)

In het projectgebied worden 5 appartementen gerealiseerd die worden verwarmd en van warm water worden voorzien door middel van cv ketel. Op basis van CBS gegevens (De energierekening januari 2024, 15-02-2024) kan ervan worden uitgegaan dat een woning in Nederland gemiddeld 1.160 m3 aardgas (jaar 2022) verstookt. Voor appartementen ligt dit verbruik veel lager. Dit uitgangspunt betreft dus een worstcase uitgangspunt. Op basis van de 5 appartementen kan er vanuit worden gegaan dat in de toekomstige situatie par jaar 5.800 m3 gas wordt verbruikt. Het bestaande programma stoot derhalve 2,9 kg NOx/jr uit. De kentallen voor het omrekenen van het verbruik zijn afkomstig uit het TNO-onderzoek over installaties huishoudens1. Voor de uittreedhoogte is het dak van de bestaande bebouwing aangehouden, circa 5 meter.

4.5

Totale emissie

De totale emissie van het project in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt 26,1 kg NOx/jr en 1,1 kg NH3/jr.

1

TNO. (2014), Update NOx-emissiefactoren kleine vuurhaarden

20 maart 2025

glastuinbouw en huishoudens

9

5

Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (20 maart 2025). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2025. Indien het project later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.

Afbeelding 3 - AERIUS-model

Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie

2024.1.2_20250219_fdfc2529a9

Database versie

2024.1_fdfc2529a9_calculator_nl_stable

20 maart 2025

10

6

Rekenresultaten en conclusie De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf-bestand is als bijlage toegevoegd.

Afbeelding 4 - Rekenresultaat

Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

20 maart 2025

11

Bijlage

Colofon

BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Vaart NZ 48-50 9401 GN Assen T 0592-31 62 06 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15895658/1