B3 BOPA onderbouwing Dijk 90-92 Enkhuizen
Tekst van het document
DEFINITIEF
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Inhoudsopgave
Ruimtelijke motivering
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Toets wet- en regelgeving 1.4 Leeswijzer
4 4 4 6 7
Hoofdstuk 2 Beoogde ontwikkeling 2.1 Bestaande situatie 2.2 Beschrijving toekomstige situatie in het plangebied
7 7 9
Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan en regelgeving 3.1 Instructieregels van het Rijk 3.2 Instructieregels van de provincie Noord Holland 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
11 11 12 14 14
Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 4.1 Veiligheid 4.2 Water 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geluid door wegen 4.6 Bodemkwaliteit 4.7 Verkeer en parkeren 4.8 Cultuurhistorie en archeologie 4.9 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.10 Ecologie 4.11 M.e.r.-beoordeling
15 15 16 16 17 18 19 20 20 21 22 23
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Financieel economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
23 23 23
Bijlagen
25
Bijlage 1
Quickscan natuurwaarden Dijk 90
25
Bijlage 2
AERIUS-berekening
46
3
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Ruimtelijke motivering Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De initiatiefnemers van dit project hebben het voornemen om 5 appartementen te realiseren aan de Dijk 90 te Enkhuizen. De appartementen zullen gerealiseerd worden in een bestaand pand waar zich in het verleden een discotheek bevond. Het gebouw staat al een aantal jaar leeg en verkeert in slechte staat. Er is gekozen om het planvoornemen middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. Hiervoor zijn verschillende redenen: Het plan is niet vergunningsvrij; De activiteit is in strijd met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning wordt verleend: 1. 2.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; Als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit het Bkl. De beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
Met het oog op de vergunningverlening worden in de volgende hoofdstukken de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de beoordelingsregels nader uitgewerkt.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in de gemeente Enkhuizen, in de stad Enkhuizen. Deze aanvraag betreft het gebied op de kadastrale percelen EHZ00-F-3322 en EHZ00-F-3708. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven. De percelen hebben samen een oppervlakte van 455 m².
4
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Begrenzing plangebied
5
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Ligging plangebied
1.3
Toets wet- en regelgeving
Omgevingsplan Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en vanaf dat moment beschikt iedere gemeente over een gemeentedekkend omgevingsplan. Het gemeentelijk omgevingsplan bestaat vooralsnog uit het omgevingsplan van rechtswege. Dit betreft het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit (art. 22.1 Ow): de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet; de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan. De besluiten, kaarten en regels die voor dit planvoornemen relevant zijn komen hieronder nader aan de orde. Bestemmingsplan Binnenstad en Havens In het bestemmingsplan heeft de locatie de bestemmingen 'horeca' en 'wonen'. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied binnen het bestemmingsplan 'Binnenstad en Havens' (vastgesteld op 20 augustus 2014) weergegeven. Het plan voorziet in de realisatie van een vijftal appartementen op de locatie die nu bestemming horeca heeft. Hiermee is dit voornemen in strijd met het bestemmingsplan en zal er van het bestemmingsplan afgeweken moeten worden.
6
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Uitsnede bestemmingsplan met ligging plangebied (rode lijnen) Parapluplan Enkhuizen (2016) Onderhavig parapluplan zorgt voor een algemene regeling voor parkeren, die voor de bestemmingsplannen binnen het grotere plangebied geldt. Verder regelt dit plan een aantal wijzigingen in de vigerende bestemmingsplannen, waaronder het regelen van de gewenste parkeersituatie. De onderhavige planontwikkeling voldoet aan deze regels (zie paragraaf 4.7.2).
1.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2, wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In wordt Hoofdstuk 3 het relevante beleid en regelgeving beschreven en in Hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. Tot slot beschrijft Hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 2 2.1
Beoogde ontwikkeling
Bestaande situatie
Het plangebied bevindt zich in het centrum van Enkhuizen. Het pand waarin de appartementen gerealiseerd worden is aangemerkt als gemeentelijk monument. Tot 2006 was het pand in gebruik als discotheek. Sinds de sluiting van de discotheek is het pand niet meer in gebruik. In de bijna 20 jaar dat het pand niet in gebruik is geweest, is de staat van het gebouw verslechterd. Dit is aan alle zijden van het pand goed zichtbaar. Aan de achterzijde van het pand bevindt zich een schuurtje en een schutting. Op onderstaande afbeeldingen is te zien hoe het pand er in de huidige situatie uitziet.
7
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Aanzicht voorgevel
8
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Aanzicht achterzijde
2.2
Beschrijving toekomstige situatie in het plangebied
Zoals omschreven in paragraaf 1.1 voorziet het initiatief in de realisatie van vijf appartementen in een voormalige discotheek. In de kelder van het pand zal een appartement gerealiseerd worden. Op de begane grond en de eerste verdieping zullen twee appartementen gerealiseerd worden. De oppervlakten per appartement zijn hieronder weergegeven: 1. 2. 3. 4. 5.
Woning 1 - kelder = 128m² Woning 2 - begane grond = 77,7 m² Woning 3 – begane grond = 82,1 m² Woning 4 – 1e verdieping = 81,3 m² Woning 5 – 1e verdieping = 79,7 m²
Doordat de voorzijde van het pand hoger ligt dan de achterzijde van het pand, is het mogelijk om in de kelder een goed belicht appartement te realiseren. In het bouwplan is rekening gehouden met de monumentale waarden van het pand. Aan de achterzijde van het pand worden 6 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op deze manier wordt voldaan aan de parkeernormen van gemeente Enkhuizen. Ook zal er in de kelder een fietsenstalling gerealiseerd worden.
9
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Aanzicht voorgevel
Aanzicht achtergevel
10
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Perceelindeling
Hoofdstuk 3
Toetsing aan omgevingsplan en regelgeving
3.1
Instructieregels van het Rijk
3.1.1
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Rijk heeft instructieregels gegeven waar het omgevingsplan aan moet voldoen. De regels zijn hoofdzakelijk opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Niet alle instructieregels zijn relevant voor elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan. In het wijzigingsbesluit zijn voor zover nodig regels opgenomen met het doel om aan de instructieregels te voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's: Thema
Paragraaf Bkl
Relevant voor besluit?
Verwijzing paragraaf H4
Veiligheid
5.1.2
Ja
4.1
Waterbelangen
5.1.3
Ja
4.2
Luchtkwaliteit
5.1.4.1
Ja
4.3
Geluid door Activiteiten
5.1.4.2
Ja
4.4
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein
5.1.4.2a
Ja
4.5
Slagschaduw van windturbines 5.1.4.4a
Nee
-
Trillingen
5.1.4.4
Nee
-
Bodemkwaliteit
5.1.4.5
Ja
4.6
Geur
5.1.4.6
Nee
-
11
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.1.5.4
Ja
4.9
Cultureel erfgoed en werelderfgoed
5.1.5.5
Ja
4.8
Behoud ruimte voor 5.1.6.2 autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen
Nee
-
Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang
5.1.6.3
Nee
-
Elektriciteitsvoorziening
5.1.7.3
Nee
-
Rijksvaarwegen
5.1.7.4
Nee
-
Toegankelijkheid openbare ruimte
5.1.8
Nee
-
Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkwegen
5.2
Nee
-
Lozen industrieel afvalwater in 5.2 openbaar vuilwaterriool
Nee
-
Bebouwingscontour jacht
5.2
Nee
-
Bebouwingscontour houtkap
5.2
Nee
-
Geluid rond luchthavens
5.1.4.3
Nee
-
Vrije horizon kust
5.1.5.2
Nee
-
Waddenzee en Waddengebied 5.1.5.3
Nee
-
Landsverdediging
5.1.7.2
Nee
-
Communicatie burgerluchtvaart
5.1.7.5
Nee
-
Landelijke fiets- en wandelroutes
5.2
Nee
-
Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
5.2
Nee
-
3.2
Instructieregels van de provincie Noord Holland
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie.
12
BOPA Dijk 90, Enkhuizen Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. Toetsing Deze ontwikkeling sluit aan op de beweging 'sterke kernen, sterke regio's'. Deze beweging richt zich op het behouden en versterken van het voorzieningenniveau, het stimuleren van woningbouw en het versterken van de economie in deze gemeenten, zodat ze een centrale rol kunnen blijven spelen in hun omgeving. Tegelijkertijd wordt er gestreefd naar het behouden van de herkenbare identiteit van deze kernen. Door een leegstaand horecapand te transformeren tot appartementen wordt de leefbaarheid en economische vitaliteit van de kern Enkhuizen versterkt. Nieuwe bewoners brengen leven in de buurt, ondersteunen lokale voorzieningen en kunnen bijdragen aan een levendige gemeenschap. Daarnaast helpt het hergebruiken van bestaande panden met het tegengaan van verloedering en draagt het bij aan het oplossen van het woningtekort. Conclusie Dit planvoornemen past binnen de doelen die gesteld worden in de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. 3.2.2
Omgevingsverordening Noord-Holland
Omgevingsverordening Noord-Holland De omgevingsverordening van Noord-Holland vormt de juridische uitwerking van de doelen van de provincie. De omgevingsverordening heeft als doel: Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; Het behoud en herstel van de biologische diversiteit; en Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Toetsing Artikel 6.75 is van toepassing op deze ontwikkeling. Volgens dit artikel moet er bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden worden met de aanwezige en de te verwachten klimaatrisico's binnen het plangebied. De volgende onderwerpen moeten hierbij in beeld worden gebracht: Wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, natuurinclusiviteit en biodiversiteit en ecologische en chemische waterkwaliteit. Als er uit de risicoanalyse risico's naar voren komen, moet het plan maatregelen bevatter ter voorkoming of beperking van de risico's. De verschillende onderwerpen worden hieronder toegelicht. Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas blijkt dat er in het projectgebied weinig risico is als gevolg van hevige neerslag. Het plangebied is reeds volledig verhard, dit blijft het geval in de toekomstige situatie.
Overstroming Uit de klimaateffectatlas blijkt dat het projectgebied niet in overstromingsgevoelig gebied ligt. Hitte Door de ligging van het plangebied aan het water is er volgens de klimaateffectatlas slechts minimaal sprake van hittestress door het stedelijk hitte eiland effect. Daarnaast wordt er geen verharding toegevoegd of verwijderd met dit planvoornemen, waardoor de hittestress niet zal toenemen. Droogte Volgens de Klimaatatlas is droogte geen risico voor het projectgebied. Door de hoeveelheid water om het plangebied bestaat er geen risico op verdroging. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit Het projectgebied bevindt zich in een sterk verstedelijkt gebied. In de huidige situatie is het projectgebied volledig verhard. Dit zal ook in de toekomstige situatie zo blijven. Er is dus geen sprake van afname van de biodiversiteit. Ecologische en chemische waterkwaliteit In het projectgebied worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de waterkwaliteit in of om het perceel kunnen aantasten. Conclusie Deze ontwikkeling past binnen de regels gesteld in de omgevingsverordening van de provincie
13
BOPA Dijk 90, Enkhuizen Noord-Holland.
3.3
Regionaal beleid
Woondeal 2.0 Regio Noord-Holland Noord De Woondeal Regio Noord-Holland Noord is een samenwerking tussen het Rijk, de provincie Noord-Holland en de gemeenten in de regio, met betrokkenheid van marktpartijen en woningcorporaties. Het hoofddoel is om woningbouw te versnellen en voldoende (betaalbare) woningen in de regio te realiseren. De partijen leggen hun wederzijdse verantwoordelijkheden en inspanningen vast en erkennen de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven en de randvoorwaarden die nodig zijn voor realisatie. Een centrale strategie is de nauwe koppeling tussen woningbouw en mobiliteit/bereikbaarheid. De gemeenten en provincie zetten in op het prioriteren van woningbouw bij OV-knooppunten en het beter benutten van bestaande infrastructuur. Dit volgt de "Ladder van Verdaas" voor mobiliteit, waarbij vermindering van verkeer, duurzame mobiliteit en beter benutten van bestaande infrastructuur voorrang hebben boven aanleg van nieuwe infrastructuur. Belangrijke focuspunten zijn de ontwikkeling van stationsgebieden en mobiliteitshubs, Conclusie Dit project omvat de realisatie van vijf appartementen op een binnenstedelijke locatie in Enkhuizen. De woningen worden gerealiseerd binnen een bestaand pand dat al geruime tijd leegstaat, waarmee hergebruik van vastgoed wordt gestimuleerd.
De locatie ligt op slechts vijf minuten loopafstand van station Enkhuizen, en bevindt zich daarmee nabij een belangrijke mobiliteitshub. Hiermee sluit het project aan bij de ambities rondom bereikbaarheid en binnenstedelijk verdichten en draagt het bij aan de doelstellingen zoals vastgelegd in de Woondeal 2.0.
3.4
Gemeentelijk beleid
Stadvisie Enkhuizen 2030 De Stadsvisie Enkhuizen 2030 is op 2 december 2009 vastgesteld door de gemeenteraad. De Stadsvisie Enkhuizen 2030 schetst een toekomstbeeld waarin de stad haar historische karakter behoudt, terwijl zij zich ontwikkelt tot een levendige, duurzame en sociaal sterke gemeenschap. De visie is opgebouwd rond zes hoofdthema’s: identiteit, sociaal, economie, wonen, toerisme en mobiliteit. Met het thema 'wonen en bouwen' geeft de gemeente aan dat Enkhuizen een gewilde woonplaats is door de combinatie van kleinschaligheid en levendigheid. De kwaliteit van woningen is gezien het historische karakter van Enkhuizen een belangrijk aandachtspunt. Het historische karakter van de stad is dus een uitgangspunt bij het ontwikkelen van nieuwe woningen. In de visie worden richtinggevende uitspraken gedaan die speerpunten vormen voor het beleid. Een aantal uitspraken die aansluiten bij het planvoornemen zijn: Enkhuizen gaat uit van haar kernkwaliteiten en benut haar cultuurhistorisch erfgoed en de unieke ligging aan het water. De binnenstad wordt alleen vernieuwd op vlakken waar dit aansluit bij de cultuurhistorische waarden en waar dit leidt tot kwaliteitsverbetering. Enkhuizen stimuleert het gebruik van alternatieve vervoerswijzen zodat de (binnen)stad autoluw kan zijn. De ligging aan het water is een belangrijke kernkwaliteit van Enkhuizen.
Het waterfront en de havens worden verstevigd. Toetsing Met de realisatie van vijf appartementen in een leegstaand pand wordt er kwaliteitswinst behaald voor de omgeving. Met dit planvoornemen krijgt een gemeentelijk monument een invulling die past bij de aard en de ligging van het pand, en wordt er een duurzame invulling gegeven voor de toekomst. Door de ligging van de appartementen op korte afstand van het treinstation is het voor bewoners goed mogelijk om gebruik te maken van de trein als vervoersmiddel in plaats van de auto. Met deze ontwikkeling wordt het aanzicht van de Oude Haven naar de Dijk toe verbeterd. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de doelen die gesteld worden in de Stadvisie Enkhuizen 2030.
14
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Hoofdstuk 4 4.1
Veiligheid
4.1.1
Wettelijk kader
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van branden, ongevallen, rampen en crises, zoals omschreven in het provinciale risicoprofiel. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 4.1.2
Onderzoek
Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het besluitgebied is gebruik gemaakt van de Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid. Het besluitgebied is niet gelegen binnen of in de nabijheid van een risicobron. Ook ligt het perceel niet in of nabij een gebied dat is aangewezen als aandachtsgebied. Daarnaast maakt de ontwikkeling geen nieuwe risicobronnen mogelijk.
15
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
4.1.3
Conclusie
Het aspect veiligheid leidt niet tot beperkingen voor de te realiseren woningen.
4.2
Water
4.2.1
Wettelijk kader
Artikel 5.37 Bkl stelt dat in een ruimtelijk besluit rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels zoals gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. 2. 3.
het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. 4.2.2
Onderzoek
In het projectgebied vindt geen wijziging plaats van de waterhuishoudkundige situatie. Aangezien het projectgebied in de huidige situatie volledig verhard is, neemt de hoeveelheid verhard oppervlak met de realisatie van deze appartementen niet toe. De locatie is gelegen binnen de beschrmingszone A bij een waterkering. Binnen een dergelijke aanduiding gelden regels ter bescherming van de waterkering. Gezien de ontwikkeling enkel voorziet in inpandige transformatie van een bestaand pand, zal het plan geen negatieve invloed hebben op de waterkering. 4.2.3
Conclusie
In de huidige situatie is het terrein volledig verhard. Met de te bouwen tijdelijke appartementen zal de hoeveelheid verharding niet toenemen. Ook worden er geen watergangen gedempt voor de realisatie van dit initiatief. Hiermee leidt het aspect water niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). De instructieregels over luchtkwaliteit zijn echter alleen van toepassing op specifieke situaties, te weten: de aanleg van autowegen en tunnels; in 'aandachtsgebieden' voor stikstofdioxide en fijnstof.
16
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
4.3.2
Onderzoek
Voorliggende initiatief heeft geen betrekking op de aanleg van autowegen of tunnels. De gemeente Enkhuizen is in artikel 5.51 lid 3 sub e niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof. Een project moet in beginsel worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontrei-niging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool. Voor onderhavig project is mogelijkheid 1 aan de orde.
Voor onder andere woningbouw geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in artikel 5.54 grenzen aan. Als een activiteit binnen deze grenzen valt, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10). Want de activiteit draagt dan per definitie NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Woningen/woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen Met woningen wordt het netto aantal woningen bedoeld. Het gaat hierbij dus om het aantal woningen dat er (netto) bij komt, vergeleken met eerdere situaties. Met een toename van vijf woningen is het planvoornemen NIBM. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen en woonschepen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4). Om na te gaan of activiteiten aanvaardbaar zijn, is ervoor gekozen om de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, editie 2024 te raadplegen. Door middel van zogeheten milieuzonering waarborgt men doorgaans dat er voldoende afstand wordt gehouden tussen hinderveroorzakende functies en gevoelige functies. Richtlijnen voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-brochure zoals genoemd. De richtafstanden die hierin zijn opgenomen, hebben betrekking op geluid en geur.
17
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
4.4.2
Onderzoek
De locatie is gelegen in de binnenstad van Enkhuizen. Direct naast de locatie zijn woningen aanwezig. Aan de achterzijde aan de 't Zand 18 is een bestemming "bedrijf" aanwezig. In deze situatie zijn er al woningen dichter bij de bedrijfsbestemming aan 't Zand 18 aanwezig die maatgevend zijn voor dit bedrijf. Bovendien is hier bedrijvigheid toegestaan met een maximale milieucategorie 2.Dit is bedrijvigheid die goed samengaat met woonfuncties in gemengd centrumgebied. Zodoende vormt de aanwezigheid van deze bedrijfsbestemming geen belemmering. 4.4.3
Conclusie
Het onderzoeksaspect bedrijven en milieuzonering leidt niet belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Geluid door wegen
4.5.1
Wettelijk kader
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Geluidaandachtsgebied Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied.
Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden, zoals bedoeld in navolgende tabel. Tabel 5.1 Standaardwaarden geluid
De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling. De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van: a. wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; b. lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en verharde gemeentewegen en waterschapswegen
18
BOPA Dijk 90, Enkhuizen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde (overigens wordt deze norm naar alle waarschijnlijkheid opgerekt naar 2.500 mvt). 4.5.2
Onderzoek
Een woning is volgens het Bkl een geluidgevoelig gebouw (art. 3.21 lid 1). Vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom van belang dat de geplande woningen gerealiseerd worden op een plek waar de grenswaarde niet overschreden wordt. De vijf appartementen worden gerealiseerd aan de Dijk in Enkhuizen. De Dijk is een smalle straat waarop enkel eenrichtingsverkeer is toegestaan. Gelet op de inrichting van de weg in combinatie met de beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen is het niet nodig om een akoestisch onderzoek naar het geluid door wegen op de gevels uit te laten voeren. In de bouwplannen is verder rekening gehouden met de minimumeis voor geluidwering van de gevel, zijnde ten minste 20 dB. 4.5.3
Conclusie
Het aspect wegverkeerslawaai leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 4.6.2
Onderzoek
Niet in alle gevallen moet bij een omgevingsvergunning een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Uit de beschikbare informatie blijkt dat een vrijstelling voor bodemonderzoek aan de orde is aangezien: het bouwwerk de grond niet raakt. Op het achterrein van de appartementen wordt geen grond in gebruik genomen als buitenruimte of tuin. er geen sprake is van een wijziging naar een gevoeligere functie (bestaand bouwwerk). 4.6.3
Conclusie
Het aspect bodem leidt niet tot beperkingen voor de beoogde ontwikkeling.
19
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
4.7
Verkeer en parkeren
4.7.1
Verkeer
De komst van vijf appartementen aan de Dijk heeft een beperkt effect op de verkeerssituatie in de directe omgeving. De appartementen zullen direct ontsloten worden op de Dijk. Om inzicht te krijgen in de verkeersgeneratie die wordt veroorzaakt door de nieuwe appartementen is gebruikt gemaakt van de publicatie 744 'parkeerkencijfers - basis voor pakeernormering' van het CROW. Het gebied ‘Binnenstad en Havens’ moet gezien worden als ‘matig stedelijk centrum’. Een koopappartement >100 m2 heeft een gemiddelde verkeersaantrekkende werking van 6,8 motorvoertuigbewegingen (mvt) per etmaal en een koopappartement met een oppervlakte tussen de 75 en 100 m2 een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 5,1 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De totale verkeersaantrekkende werking van het plan is dan 27,2 mvt/etmaal. Dit is een zeer minimale verkeersaantrekkende werking die goed door het huidige verkeersnetwerk opgevangen kan worden. Bovendien is hierbij de verkeersaantrekkende werking van de horecafunctie die in dit pand mogelijk is nog buiten beschouwing gelaten. 4.7.2
Parkeren
Voor de beoogde ontwikkeling speelt ook de vraag wat de nieuwe woningen aan parkeerbehoefte met zich mee brengen. Het bestemmingsplan ‘Parapluplan Enkhuizen’ stelt m.b.t. de parkeervoorziening het volgende: “Bij nieuwbouw, uitbreiding en/of functieverandering van een gebouw, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, dient voor de bouw of functieverandering te worden aangetoond dat op het bouwperceel in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in dat deze in stand wordt gehouden. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de CROWpublicatie 317. Indien deze publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging”. Het gebied ‘Binnenstad en Havens’ moet gezien worden als ‘matig stedelijk centrum’ en de bandbreedte van de parkeernorm is ‘gemiddeld’. Voor een koopappartement >100 m2 geldt een parkeernorm van 1,4. Voor een koopappartement met een oppervlakte tussen de 75 en 100 m2 geldt een parkeernorm van 1,1. In totaal betekent dit dat er afgerond 6 parkeerplaatsen nodig zijn. Aan de achterzijde van het pand worden 6 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. Verder zorgt een inpandige fietsenstalling voor voldoende fietsparkeergelegenheid. 4.7.3
Conclusie
De realisatie van de vijf appartementen brengt geen knelpunten in de infrastructuur met zich mee. In het kader van verkeer en parkeren vormt de beoogde ontwikkeling geen belemmering.
4.8
Cultuurhistorie en archeologie
4.8.1
Wettelijk kader
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevings-plan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
20
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
4.8.2
Onderzoek
Cultuurhistorie In het bestemmingsplan hebben de gronden waarop het pand aan de Dijk 90 staat, de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht'. Deze gronden zijn 'bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het stadsgezicht,..'. Sinds 2006 staat de voormalige discotheek aan de Dijk 90 leeg. Sinds die tijd is de staat van het pand aanzienlijk verslechterd. Met dit planvoornemen worden er in een bestaand gemeentelijk monument vijf appartementen gerealiseerd. In het bouwplan is rekening gehouden met de monumentale waarden van het pand en zijn deze waar mogelijk duidelijker zichtbaar gemaakt. Doordat het pand deze nieuwe functie krijgt wordt er een toekomstbestendige invulling aan het pand gegeven, waardoor de monumentale waarden ook in de toekomst behouden kunnen blijven. Archeologie Op het perceel rust de bestemming 'waarde - archeologie 2'. Dit geeft aan dat deze gronden naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen tevens bestemd zijn voor het behoud van archeologische waarden. Omdat er in dit geval enkel sprake is van wijzigingen aan het pand en de bodem niet op grote schaal verstoord zal worden, is archeologisch onderzoek niet nodig. 4.8.3
Conclusie
Door de ontwikkeling worden er geen elementen van cultuurhistorische waarden aangetast. Het aspect archeologie vormt verder geen belemmering ten aanzien van het planvoornemen.
4.9
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.9.1
Wettelijk kader
Als voorzien wordt in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (artikel 5.219g Bkl). Dit wordt de 'Laddertoets' genoemd. Voor het toetsen aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
4.9.2
Onderzoek
1. Is er sprake van stedelijke ontwikkeling? In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van 5 appartementen in een bestaand bouwvolume. Daarmee kan dit plan niet beschouwd worden als een stedelijke ontwikkeling.
21
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
4.9.3
Conclusie
Op basis van het beantwoorden van bovenstaande vragen is voldaan aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Aangetoond is dat het planvoornemen niet ladderplichtig is.
4.10 Ecologie 4.10.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. 4.10.2
Onderzoek
Soortenbescherming In het plangebied is een natuurtoets uitgevoerd, zie Bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten op beschermde soorten kunnen worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden de zorgplichten van de Omgevingswet in acht worden genomen Houtopstanden Het projectgebied ligt binnen de bebouwingscontour houtkap, hierdoor zijn in het projectgebied geen provinciaal beschermde houtopstanden aanwezig. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied is het Markermeer en ligt op ca. 1,6km afstand. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen licht op circa 22 km afstand (in Friesland). Het projectgebied wordt van deze gebieden gescheiden door bebouwing, agrarisch gebied en wegen. Hierdoor kunnen de meeste negatieve effecten, zoals verstoring door licht of geluid, worden uitgesloten. Gezien de afstand tot het NNN, natuur buiten het NNN en weidevogelleefgebieden kunnen negatieve effecten hierop worden uitgesloten. Stikstof Als gevolg van het planvoornemen kan er in potentie sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase. Vanwege het planvoornemen is daarom een AERIUS-berekening gemaakt.
Uit de uitgevoerde berekening naar de beoogde situatie volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie. Stikstofemissies ten gevolgen van het gebruik en aanleg leiden derhalve niet tot stikstofdepositie in de beoogde eindsituatie. Een vergunning Natura 2000-activiteit is derhalve niet noodzakelijk. De stikstofberekening is toegevoegd in Bijlage 2. 4.10.3
Conclusie
Wat ecologie betreft is het voornemen in overeenstemming met de Omgevingswet en het provinciale ruimtelijke beleid op het vlak van natuur. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling op het vlak van ecologie niet evident onuitvoerbaar is en op aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden.
22
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
4.11 M.e.r.-beoordeling 4.11.1
Wettelijk kader
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Onderdeel van de motivering is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Of een besluit over een (project-)m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. 4.11.2
Onderzoek
In bijlage V van het Omgevingsbesluit is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is (J11). Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In het planvoornemen is planologisch sprake van de realisatie van vijf woningen. In die zin is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit die afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. Op grond van voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten en is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling hier niet zinvol. 4.11.3
Conclusie
Omdat er geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een m.e.r.-procedure zinvol maken. Een m.e.r.- procedure wordt niet noodzakelijk geacht.
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Financieel economische uitvoerbaarheid
Het plan is een particulier initiatief dat wordt uitgevoerd en beheerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan het plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is uitvoerbaar.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om bij de aanvraag aan te geven: of de aanvrager aan participatie heeft gedaan; zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. Er is één uitzondering. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplichte
23
BOPA Dijk 90, Enkhuizen aanvraagvereiste is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is (artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet). De participatie is uitgevoerd door met directe omwonenden van het perceel in gesprek te gaan. Hierbij zijn ze geinformeerd over het plan en zijn de tekeningen voor de vijf appartementen voorgelegd. De omwonenden hebben door middel van een handtekening aangegeven geïnformeerd te zijn over het plan.
24
BOPA Dijk 90, Enkhuizen
Bijlagen Bijlage 1 Quickscan natuurwaarden Dijk 90
25
ECOLOGISCHE QUICKSCAN 30/04/2025 | PROJECTNUMMER: 25-156 In verband met de renovatie van een pand gelegen aan de Dijk 90 in Enkhuizen
Opdrachtgever: TPAHG Architecten in opdracht van de heer Molenaar Uitgevoerd door: Vonk Ecologie Contactpersoon: Dhr. D. Vonk
De Hout 42A 1607 HD Hem
Tel
: 06 29728200
info@vonkecologie.nl www.vonkecologie.nl
1 Inleiding
3
1.1 Doel van de quickscan en het plan
3
1.2 Projectlocatie
3
2 Werkwijze Quickscan
4
2.1 Bureauonderzoek/literatuuronderzoek
4
2.2 Locatiebezoek
4
2.3 Uitwerking
4
3 Wettelijk kader
5 5 5
3.3.1 Natura2000-gebieden 3.3.1.1 Stikstof 3.3.2 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid 3.3.2.1 Natuur Netwerk Nederland
6 6 6 7 7
3.4 Bescherming van houtopstanden
7
3.5 Zorgplichten 3.5.1 Algemene zorgplicht 3.5.2 Specifieke zorgplichten
7 7 8
4 Flora en Fauna op de locatie en in de omgeving 4.1 Inleiding/Locatie omschrijving
9 9
Het pand betreft een historisch pand gelegen op de Dijk, langs een gracht van Enkhuizen. Langs de gracht zijn bomen in een rij aanwezig. Het pand is opgetrokken uit steens metselwerk en heeft verschillende 9 dakvlakken belegd met keramische pannen. Rondom het pand is alleen verharding aanwezig. 4.2 Planten 4.2.1 Waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en/of eerder gedane onderzoeken 4.2.2 Geschiktheid/resultaten van de projectlocatie
9 9 9
4.3 Vogels 4.3.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie 4.3.1.1 Vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1-4) 4.3.1.2 Vogels waarvoor beoordeeld moet worden of er voldoende alternatieve nestplaatsen zijn (categorie 5) 4.3.1.3 Overige vogels/algemene broedvogels
9 9 9 10 11
4.4 Vleermuizen 4.4.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie
11 11
4.5 Overige zoogdieren
11 1
4.5.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie
11
4.6 Amfibieën en reptielen 4.6.1 Geschiktheid/resultaten projectlocatie
11 11
4.7 Vissen
11
4.8 Insecten en andere ongewervelden
11
4.9 Natura2000
12
4.10 Natuur Netwerk Nederland
12
5 Toetsing soortbescherming / Effectbeoordeling
14
5.1 Vaatplanten
14
5.2 Vogels 5.2.1 Algemene broedvogels, vogels uit categorie 1-4 en vogels uit categorie 5
14 14
5.3 Vleermuizen 5.3.1 Vliegroute/foerageergebied 5.3.2 Verblijfplaatsfunctie: zomer-, winter-, paarverblijf
14 14 14
5.4 Overige zoogdieren
14
5.5 Amfibieën, vissen en reptielen
14
5.6 Insecten en andere ongewervelden
15
6 Toetsing gebiedsbescherming 6.1 Algemeen
16 16 16
6.3 Natuurnetwerk Nederland
7 Conclusie
16
17
2
1 1.1 Doel van de quickscan en het plan Er is het voornemen om een pand te renoveren gelegen aan de Dijk 90 in Enkhuizen. De werkzaamheden vinden vooral inpandig plaats, echter dient ook het dak geisoleerd en verbeterd te worden. Hierdoor is het noodzakelijk om de dakpannen te verwijderen. Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op de Flora en Fauna ter plaatse is in deze voorliggende quickscan bepaald welke natuurwaarden er ter plaatse aanwezig zijn en welke mogelijke effecten daarop te verwachten zijn en/of daar dan aanvullend onderzoek voor nodig is.
1.2 Projectlocatie
Afb. 1: Projectlocatie, ligging in de omgeving
Afb. 2: Het pand gelegen aan de Dijk 90 in Enkhuizen
3
2 2.1 Bureauonderzoek/literatuuronderzoek Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een locatiebezoek/veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Er zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie opgevraagd. Door het raadplegen van actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en aan de hand van reeds verrichte ecologische onderzoeken in de omgeving is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. Deze gegevens worden bij het hoofdstuk resultaten van de betreffende soortgroepen besproken. De gegevens in de NDFF geven slechts een indicatie van het voorkomen van soorten, aangezien het vaak toevallige waarnemingen betreft en geen systematisch onderzoek. Het ontbreken van waarnemingen in de NDFF sluit niet uit dat soorten voorkomen.
2.2 Locatiebezoek Tijdens een locatiebezoek is een indruk verkregen van de aanwezige leefgebieden (ecotopen) voor flora en fauna, en is gekeken naar de aanwezigheid van eventuele beschermde planten en dieren (of sporen daarvan). Zie Tabel 1 voor de details van het locatiebezoek.
Datum locatiebezoek
11-04-2025
Ecoloog
Dave Vonk
Weersomstandigheden
14oC, 40% bewolkt, matige wind
Andere bijzonderheden
-
Tabel 1: Details locatiebezoek
2.3 Uitwerking Aan de hand van de gegevens uit het bureauonderzoek en het veldonderzoek kan een inschatting gemaakt worden welke invloed de beoogde plannen hebben op nabij gelegen en de op de locatie eventueel voorkomende beschermde soorten. Aanvullend wordt advies gegeven die betrekking hebben op de te volgen procedures en handelingen. Bijvoorbeeld, een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing. De ecologische quickscan is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn tijdens het locatiebezoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie/onderzoek beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4
3 3.1 Inleiding Het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet (Ow) bestaat uit drie onderdelen: bescherming van soorten, bescherming van gebieden en bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante regels waaraan voldaan moet worden.
3.2 Bescherming van soorten Conform de Omgevingswet is een flora- en faunargplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een vergunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zoals beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 1 staan de belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt. De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 11.37 Bal) Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal) Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal)
Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergunningsplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese soorten zijn letterlijk overge regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de vergunningsplichtige activiteiten per regime weergegeven. De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schadelijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Vogels (Art. 11.37 Bal)
Europees beschermde soorten (Art. 11.46 Bal)
Nationaal beschermde soorten (Art. 11.54 Bal)
Art. 11.37 lid 1 onderdeel a Bal Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Art. 11.46 lid 1 onderdeel a Bal Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art. 11.54 lid 1 onderdeel a Bal Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art. 11.37 lid 1 onderdeel b Bal Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art. 11.46 lid 1 onderdeel d Bal Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
Art. 11.54 lid 1 onderdeel b Bal Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art. 11.37 lid 1 onderdeel c Bal Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art. 11.46 lid 1 onderdeel c Bal Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Niet van toepassing
5
Art. 11.37 lid 1 onderdeel d en lid 3 Bal Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art. 11.46 lid 1 onderdeel b Bal Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art. 11.46 lid 1 onderdeel e Bal Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 11.54 lid 1 onderdeel c Bal Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Tabel 2: Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelingen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend.
3.3 Bescherming van gebieden 3.3.1 Natura2000-gebieden De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden. 3.3.1.1 Stikstof Met de Omgevingswet worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen.
Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van het voorgenomen plan worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende situaties ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Als uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan afgerond 0,00 mol N/ha/jaar) dan is er voor het onderdeel stikstofdepositie geen vergunningplicht Wet natuurbescherming. Als uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) is er meestal wel een vergunningplicht Wet natuurbescherming.
Alleen indien verslechtering van habitattypen of habitats van stikstofgevoelige soorten volledig kan worden uitgesloten in een ecologische beoordeling, ondanks een toename van de depositie, is er geen vergunningplicht. Een Wnb-vergunning kan in de volgende situatie verleend worden: Uit een ecologische beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten op de betreffende Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
6
-
In het stikstofregistratiesysteem is voldoende depositieruimte om de effecten van het project te compenseren 1 instandhoudings-doelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Na het succesvol doorlopen van de ADC-toets2
3.3.2 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. 3.3.2.1 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.