Bijlage bij RA21.0055 - Best.plan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 - Toelichting + Regels (RIS.10302)
Tekst van het document
Conclusie
De uitkomst van de uitgevoerde watertoets beschrijft dat er een korte procedure van toepassing is met betrekking tot de onderhavige ontwikkeling. Dit betekent dat er geen aanvullende maatregelen hoeven te worden genomen wat betreft water in het plangebied.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 25
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op de planregels en verbeelding
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op landelijk geldende standaarden, onder meer Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Het bestemmingsplan dient rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker.
5.2
Toelichting op de verbeelding
Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart BGT gehanteerd. De ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn. De op de verbeelding aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd. Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en / of aanduiding gekregen op de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld.
5.3
Toelichting op de regels
De regels zijn een juridische vertaling van het planologische -en ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is. Gebruiksregels Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor aanleiding voor bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn bedoeld en of waarvoor en op welke wijze de gronden wel gebruikt kunnen worden. Bouwregels In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen. Met deze bouwregels worden de bouwmogelijkheden gereguleerd. Uitgangspunt bij het bouwen van hoofdgebouwen is dat hoofdgebouwen altijd binnen een bouwvlak worden gebouwd en voorgevels van deze hoofdgebouwen in de gevellijn. Dit betekent dat indien er bebouwing wordt geprojecteerd, deze in de gevellijn moet worden teruggebouwd. Verder worden in de bouwregels onder andere regels ten aanzien van maximale bebouwing, bouwhoogtes en dakhelling opgenomen. Flexibiliteit Soms is het gewenst om af te wijken van de gestelde regels.
Hiervoor zijn in het bestemmingsplan flexibiliteitbepalingen opgenomen om op specifieke situaties in te kunnen spelen. De uitvoering van de flexibiliteitregelingen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Het toepassen van deze regelingen is geen automatisme. Voordat wordt besloten dat van de geldende regels in het 26 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
bestemmingsplan kan worden afgeweken zal eerst bekeken worden wat de consequenties zijn van de afwijking op de leefomgeving. In het bestemmingsplan diverse flexibiliteitregelingen opgenomen, deze zijn: Afwijken van de bouwregels; Afwijken van de gebruiksregels; Nadere eisen; Algemene afwijkingsregels; Wijzigingsbevoegdheden artikel 3.6 Wro; De afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming gehandhaafd dient te blijven. Door het inwerkingtreden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden verschillende vergunningen en besluiten, zoals de milieuvergunning, de bouwvergunning, afwijkingen van het bestemmingsplan en de kapvergunning gebundeld in een integrale omgevingsvergunning. Toestemming van burgemeester en wethouders voor een afwijking van de bouw- of gebruiksregels kan zodoende worden verkregen door het aanvragen van een omgevingsvergunning. Met de nadere eisen kunnen ondergeschikte zaken aan gebouwen worden aangepast. Het gaat hierbij om zaken zoals het aanpassen van de vorm of de situering van een bouwwerk of de inrichting van een terrein. Met 'nadere eisen' kunnen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden in de bestemmingen. Bij toepassing van een afwijking en / of nadere eisen wordt het beoordelingskader gehanteerd zoals in de onderstaande tabel is weergegeven.
Deze lijst geeft de afwegingscriteria aan die meegewogen moeten worden bij de afweging of een omgevingsvergunning wordt verleend en/ of het toepassen van de nadere eisen. Op deze wijze kunnen interpretatieproblemen worden vermeden en wordt aan gebruikers van de in het plangebied gelegen gronden zoveel mogelijk rechtszekerheid geboden. Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor het afwijken van de nadere eisen, de uitvoering van deze flexibiliteitsbepalingen zal plaatsvinden via de omgevingsvergunning. Bij toepassing van een afwijking en/ of nadere eis mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de volgende criteria: 1. Woonsituatie: Ten aanzien van de woonsituatie dient rekening gehouden te worden met het in stand houden en/ of garanderen van een goede woonsituatie, hierbij dient gelet te worden op: i. de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden; iv. het uitzicht; v. de aanwezigheid van voldoende privacy. 2. Straat- en bebouwingsbeeld: In het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en architectonische inpassing dient aandacht gegeven te worden aan: i. een goede verhouding tussen bouwmassa's en open ruimte, (landschappelijke inpassing); ii.
de verhouding tussen de hoogte breedte van gebouwen; iii. gevelbeelden; iv. de samenhang van de bouwvorm met nabij gelegen bebouwing; v. de hoogtedifferentiatie; vi. de situering van gebouwen op het perceel; vii. de geleding van de gebouwen indien de oppervlakte meer dan 1000 meter² bedraagt. 3. Culthuurhistorie i.
cultuurhistorische waarden en archeologische waarden;
4. Verkeersveiligheid
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 27
Ten waarborging van verkeersveiligheid dient rekening gehouden te worden met: i. verkeersaantrekkende werking, toename van de verkeersintensiteit en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. benodigde uitzichthoeken van wegen; iv. de aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg; v. de gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden; vi. de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte. 5. Sociale veiligheid Ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet-sociaal controleerbaar is dient rekening gehouden te worden: i. de mogelijkheden voor de verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een sociaal onveilige plek; ii. de mate waarin de toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte wordt ingeperkt. 6. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding Ten aanzien van de brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding dient rekening gehouden te worden met de volgende aspecten: i. aanwezigheid van kwetsbare objecten; ii. de aanwezigheid en routering van vluchtwegen; iii. de bereikbaarheid van de bouwwerken; iv. de beschikbaarheid en bereikbaarheid van adequate blusmiddelen. 7.
Milieusituatie: Ter waarborging en ter voorkoming van een milieukundig ongewenste situatie als gevolg van een ruimtelijke ingreep dient rekening gehouden te worden met: i. de mate van hinder voor de omliggende functies; ii. de gevolgen voor de externe veiligheid; iii. de gevolgen van de aanwezigheid van gevoelige functies voor de hinderlijke functies; iv. de gevolgen voor flora en fauna in relatie met de omgeving; v. de gevolgen voor de bodemkwaliteit; vi. de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit; vii. de situering van gebouwen ten opzichte van het water. 8. Gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen Ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken is het niet toegestaan op enig terrein zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, waarvan de toestand op dat moment overeenkomt met het plan, een situatie zou ontstaan die niet meer overeenkomt met het plan of waardoor een reeds bestaande afwijking van het plan zou worden vergroot. Figuur 5.1: Beoordelingscriteria afwijkingen en nadere eisen.
De bevoegdheid ex. artikel 3.6 Wro om het bestemmingsplan te wijzigen ligt eveneens bij burgemeester en wethouders. De wijzigingsbevoegdheid maakt een wijziging van een bestemming in een andere bestemming mogelijk. Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt dat deze niet kan worden uitgevoerd, voordat onderzoek is uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om nader onderzoek zoveel mogelijk op de concrete situatie af te stemmen. Opzet regels De planregels van dit bestemmingsplan zijn opgedeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1. Inleidende regels; Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3. Algemene regels;
28 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Hoofdstuk 4. Overgangs - en slotregels. De inhoud van de verschillende hoofdstukken wordt als volgt toegelicht: 5.3.1
Hoofdstuk1 Inleidende regels
In hoofdstuk 1 worden diverse begrippen welke in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Artikel 1 Begrippen De begripsbepalingen in dit artikel zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begrippen die hierin zijn opgenomen zijn terug te vinden in de bestemmingsbepalingen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Met uitzondering van de eerste twee begrippen (plan en bestemmingsplan) zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt. De begrippen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt. Artikel 2 Wijze van meten De bepalingen over de wijze van meten zijn in dit artikel opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogteen andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.3.2
Hoofdstuk2 Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 worden artikelsgewijs de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot gebruik of bouwen. 5.3.2.1 Groen Artikel 3 Groen De op de verbeelding voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor openbare groenvoorziening, bos, (erf)toegangswegen, fietsstroken, voetpaden, voorziening ten behoeve van de waterhuishouding en nutsvoorzieningen. Voorzieningen ten behoeve van sport- en speelgelegenheden en andere bouwwerken mogen binnen deze bestemming opgericht worden. Binnen de bestemming groen is geen bouwmogelijkheid opgenomen. Het is niet mogelijk om parkeergelegenheden in het groen te realiseren. 5.3.2.2 Tuin Artikel 4 Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende andere bouwwerken. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd. Voor erfafscheidingen gelden specifieke hoogtematen, andere bouwwerken mogen maximaal 3 meter hoog zijn op basis van het bestemmingsplan.
5.3.2.3 Wonen Artikel 5 Wonen - Aaneengebouwd Binnen de bestemming 'Wonen - Aaneengebouwd' is als hoofdgebouw aaneengebouwde rijwoning toegestaan, bijbehorende bouwwerken en de daarbij behorende voorzieningen. Dit laatste is tevens bedoeld om ondergeschikte, aan de woonfunctie grenzende voorzieningen (bijvoorbeeld groenvoorzieningen of toegangswegen), waarvan de feitelijke begrenzing niet exact blijkt samen te vallen met de bestemmingsgrens, onder de woonbestemming te brengen. bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 29
Het hoofdgebouw dient in het bouwvlak te worden opgericht. De totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag maximaal 35 m2 bedragen. De bouwhoogte van het hoofdgebouw mag maximaal 4 meter bedragen. Het hoofdgebouw dient plat te worden afgedekt. In de bestemming zijn afwijkingen van de bouwregels opgenomen om het bestemmingsplan flexibeler te maken. 5.3.2.4 Wonen - Vrijstaand Artikel 6 Wonen - Vrijstaand Binnen de bestemming 'Wonen - Vrijstaand' is een vrijstaande woning, bijbehorende bouwwerken en de daarbij behorende voorzieningen toegestaan. Dit laatste is tevens bedoeld om ondergeschikte, aan de woonfunctie grenzende voorzieningen (bijvoorbeeld groenvoorzieningen of toegangswegen), waarvan de feitelijke begrenzing niet exact blijkt samen te vallen met de bestemmingsgrens, onder de woonbestemming te brengen. Het hoofdgebouw dient in het bouwvlak te worden opgericht. Het achtererf mag voor 50% worden bebouwd. De bouwhoogte van het hoofdgebouw mag maximaal 4 meter bedragen. Het hoofdgebouw dient plat te worden afgedekt. In de bestemming zijn afwijkingen van de bouwregels opgenomen om het bestemmingsplan flexibeler te maken. 5.3.3
Hoofdstuk3 Algemene regels
Hoofdstuk 3 van de regels bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in afzonderlijke artikelen onder te brengen. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en wisselen. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere bouwplannen. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen van ondergeschikte bouwonderdelen. De genoemde onderdelen mogen de in de regels bepaalde maximale bouwhoogte overschrijden met de in artikel genoemde maten. Hiervoor is bewust gekozen omdat dit duidelijkheid en enige vrijheid aan ontwerpers biedt. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Afwijkingsregels zijn regels waardoor aan de bestemmingsbepalingen de nodige extra flexibiliteit wordt meegegeven. Toestemming voor afwijking gebeurt door het verlenen van een omgevingsvergunning.
Het college van burgemeester en wethouders kan bijvoorbeeld een omgevingsvergunning verlenen voor het 10% vergroten van de bouwmogelijkheden voor goot- en nokhoogte en het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de voorgevel van het hoofdgebouw. Daarnaast kan afgeweken worden van het bestemmingsplan om op medische indicatie te bouwen op- of achter de gevellijn en specifiek voor het oprichten van 30m² bebouwing voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Daarnaast zijn ten aanzien van het gebruik afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de uitoefening van een aan huis gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten voor alle woningen of het uitoefenen van bed and breakfast. De omgevingsvergunningen mogen alleen gebruikt worden indien niet op grond van een andere bepaling in deze regels omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit betekent dat niet twee keer omgevingsvergunning kan worden verleend van eenzelfde bepaling of dat bepalingen die extra bouwmogelijkheden geven niet cumulatief gebruikt mogen worden. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Het bestemmingsplan bevat in een aantal gevallen een mogelijkheid tot het wijzigen van het plan op basis van de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 3.6 Wro. De procedure van de
30 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
wijzigingsbevoegdheid is geregeld in de Wro. 5.3.4
Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels bestaat uit 2 artikelen, de eerste is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing en de tweede de slotregel waarin de citeertitel van het bestemmingsplan wordt aangehaald. Artikel 11 Overgangsrecht regelt het overgangsrecht ten aanzien van legaal bestaand gebruik en legale bestaande bouwwerken die afwijken van de (nieuwe) bestemming. Het overgangsrecht beschermt de gevestigde belangen of rechten bij een nieuwe, van de bestaande situatie afwijkende regeling. Dit betekent dat bestaand gebruik en bestaande bouwwerken welke in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet, met als doel het uiteindelijk beëindigen van de afwijkende situatie. Voorheen illegale bebouwing en illegaal gebruik worden met het overgangsrecht niet gelegaliseerd. Artikel 12 Slotregel is de Slotregel van het bestemmingsplan. In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als "Regels van het bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)".
5.4
Handhaving
In dit bestemmingsplan heeft actueel beleid zijn doorwerking in de regels gekregen. Hierdoor is het juridisch kader van het bestemmingsplan voor gemeente als publiek beter toepasbaar geworden. Van de gemeente mag verwacht worden dat opgetreden wordt als de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd. Bestemmingsplannen zijn immers bindend voor overheid en publiek ter bescherming van een goede ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving. Het college van de gemeente Emmen heeft het beleidsplan Vergunningverlening Toezicht en Handhaving (VTH) vastgesteld. Dit beleidsplan VTH beschrijft de visie en ambitie op het terrein van de gemeentelijke VTH-taken, waaronder ook valt het toepassen en naleven van de regels in het bestemmingsplan. Daarnaast geeft het beleidsplan VTH invulling aan de wettelijke plicht om vastgesteld VTH-beleid te hebben. Voor wat betreft handhaving kan de gemeente onmogelijk continu alles controleren. De gemeente vertrouwt erop dat inwoners en bedrijven de regels naleven en zij er alles aan doen om risico's en nadelige effecten voor de maatschappij te voorkomen. Risico's bepalen de inzet van de beschikbare capaciteit. Op basis van kennis en ervaring is vastgesteld welke bedrijfscategorieën en activiteiten het grootste risico vormen voor fysieke veiligheid, leefbaarheid, volksgezondheid, milieu en imago.
Deze uitgangspunten zijn gebruikt bij het opstellen van dit bestemmingsplan en worden ook toegepast bij de naleving van de regels van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 31
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke betrokkenheid
6.1
Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro
6.1.1
Overleg
Het bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie) is voor overleg ex. artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verzonden naar verschillende overlegpartners. De ontvangen adviezen en reacties worden gebundeld in de Nota van beantwoording overleg ex artikel 3.1.1 Bro behorende bij het bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie) (zie bijlage 1). In deze nota is tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de verschillende overlegreacties opgenomen. Waar de adviezen en reacties leidden tot aanpassingen van het bestemmingsplan, zijn de aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Voor de inhoud van de overlegreacties en het standpunt van het college wordt verwezen naar voornoemde nota. De Nota van Beantwoording reacties overleg maakt deel uit van het bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie).
6.2
Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan
Tegen het bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie) zijn geen zienswijzen ingediend.
32 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uit dit artikel blijkt dat onder een bouwplan o.a. wordt verstaan de bouw van een woning of de uitbreiding van een gebouw van 1000 m2 of meer. De kosten van het maken van het voorliggend bestemmingsplan worden in dit geval gedekt op grond van de legesverordening. Voor dit plan zijn door de gemeente geen aanvullende kosten voor onderzoek begroot en gemaakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zodoende niet nodig, aangezien het kostenverhaal nu anderszins verzekerd is.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 33
34 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 35
Bijlage 1 Nota van beantwoording
36 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Nota van beantwoording behorende bij bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (NL.IMRO.0114.2021005-B301)
Inhoudsopgave 1
Overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro.......................................................................... 3
2
Kopie reacties ............................................................................................... 4
1.1 1.2 1.3 1.4
Provincie Drenthe ...................................................................................................... 3 VRD (brandweer) ....................................................................................................... 3 RUD Drenthe .............................................................................................................. 3 Waterschap Hunze en Aa’s ......................................................................................... 3
1
Overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het artikel 3.1.1. Bro overleg is het bestemmingsplan “Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26” naar de wettelijk verplichte en andere door de gemeente erkende overlegpartners verzonden. In dit geval is op 23 april 2021 provincie Drenthe, Waterschap Hunze en Aa’s , EOP van BargerCompascuum, RUD Drenthe en de Veiligheidsregio Drenthe (brandweer) op de hoogte gebracht. In het kader van het overleg hebben wij een reactie terug ontvangen van de Veiligheidsregio Drenthe. De Provincie Drenthe, de Veiligheidsregio Drenthe en waterschap Hunze en Aa’s geven aan geen opmerkingen op het plan te hebben. De EOP heeft geen reactie gegeven. Bij de beantwoording wordt onder A een samenvatting van de reactie gegeven. Onder B staat het gemeentelijke antwoord hierop en- indien van toepassing - onder C de eventuele doorvertaling ervan in het bestemmingsplan.
1.1
Provincie Drenthe
1a
De provincie geeft aan dat er geen provinciaal belang is gemoeid omdat sprake is van de herstructurering van woningen in het bestaand stedelijk gebied, waarmee dus een klein herstructureringsproject kan worden uitgevoerd binnen de gemeentelijke woonvisie. Het bestemmingsplan zal verder in procedure worden gebracht. Voor kennisgeving aangenomen.
1b 1c
1.2
VRD (brandweer)
2a
De VRD geeft aan dat de locatie wel gelegen is in een gebied dat binnen de dekking van het WAS-systeem valt. De tekst suggereert dat de locatie buiten de dekking valt. De tekst wordt aangepast zodat duidelijk is dat de locatie gelegen is binnen de dekking van het WAS-Systeem. Paragraaf 4.3 wordt aangepast.
2b 2c
1.3
RUD Drenthe
3a 3b 3c
De RUD Drenthe geeft aan dat er ten aanzien van externe veiligheid geen opmerkingen zijn. Het bestemmingsplan zal verder in procedure worden gebracht. Voor kennisgeving aangenomen.
1.4
Waterschap Hunze en Aa’s
4a 4b 4c
Het waterschap geeft aan de locatie als ‘geen belang voor waterbeheer’ zal aanmerken. Het bestemmingsplan zal verder in procedure worden gebracht. Voor kennisgeving aangenomen.
2
Kopie reacties
provinciehuis Westerbrink i. Assen postadres Postbus 122, 9400 ac Assen www.drenthe.nl O59i - 36 55 55
000095 12.05.2021 12:15
provincie T/renthe
Aan: Gemeente Emmen t.a.v. mevrouw S. Wegkamp Postbus 30001 7800 RA EMMEN
Assen, 11 mei 2021 Ons kenmerk 202101233-00938931 Behandeld door de heer Y.S. Scheringa (0592) 36 5760 Onderwerp: Vooroverlegreactie bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)
Geacht college, In het kader van het overleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, heeft u ons college om een reactie gevraagd over het voorontwerp bestemmingsplan ‘Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)’. Provinciaal belang Op basis van huidige Omgevingsvisie Drenthe is gebleken dat er geen provinciaal belang in het plan is opgenomen. Indien het plan overeenkomstig dit voorontwerp in procedure wordt gebracht, mag u er vanuit gaan dat Gedeputeerde Staten geen reden zal zien om vanuit provinciaal belang in te grijpen in de verdere procedure.
Hiermee is, wat ons betreft, voldaan aan het vooroverleg als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening.
Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Drenthe, namens dezen.
J. de Boer, Teammanager Ruimte, Energie en Wonen
A
Gemeente Emmen t.a.v. mevrouw S. Wegkamp Postbus 30001 7800 RA EMMEN
Veiligheidsregio Drenthe Postbus 402 9400 AK ASSEN brandweeradvies@vrd.nl www.vrd.nl
ons kenmerk U210562
uw kenmerk
datum 29 April 2021
inlichten bij Gijs van den Hengel
telefoonnummer 06-52490041
email gijs.vandenhengel@vrd.nl
onderwerp Conceptontwerpbestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocaties)
Geachte mevrouw Wegkamp, Op 23 april stuurde u het verzoek om een advies uit te brengen op bovengenoemd bestemmingsplan. In deze brief vindt u mijn advies. De toetsing Ten aanzien van de paragraaf 4.3 Fysieke Veiligheid zijn er geen aanvullingen. Wel één opmerking over paragraaf 4.3.2 het 2e punt. Hierin is een tegenstrijdigheid beschreven. De eerste zin geeft aan dat de locatie binnen de dekking van het WAS-systeem valt, terwijl de 2e zin suggereert dat het er buiten valt! De situatie is dat de voormalige schoollocatie en daarmee de toekomstige woningen binnen de dekking van het WAS-systeem valt. Wij adviseren de volgende maatregelen -
Tekstueel aanpassen van paragraaf 4.3.2. 2e punt dat de locatie binnen de dekking van het Waarschuwings- Alarmeringssysteem valt.
Tot slot Heeft u nog vragen over deze brief, dan kunt u contact met mij opnemen. De contactgegevens vindt u bovenaan deze brief. Met vriendelijke groet, namens het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Drenthe,
Team Risicobeheersing
Bijlage:
-
Algemene tekst t.b.v. het bestemmingsplan
Bijlage – Teksten ten behoeve van bestemmingsplan Vanuit Veiligheidsregio Drenthe (brandweer) is richting gegeven aan het beoogde veiligheidsniveau van (de gebouwen in) het plangebied van het betreffende bestemmingsplan. Hierbij is getoetst aan: bestaande regelgeving en normen voor (externe) veiligheid; bereikbaarheid; bluswatervoorziening; dekkingsplan; alarmsystemen die onderdeel zijn van de veiligheidsketen.
Algemeen Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dat in oktober 2004 van kracht werd, verplicht het bevoegd gezag de externe veiligheid mee te wegen in het beleid. Het Bevi stelt grenzen aan het risico dat bedrijven mogen veroorzaken voor hun omgeving (het 'plaatsgebonden risico'). Zo moet er tussen risicovolle bedrijven en risicogevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen, scholen) een bepaalde afstand blijven, om mensen in de omgeving te beschermen. Daarnaast gaat het besluit in op de kans op een ramp waarbij een groep mensen betrokken is (het 'groepsrisico'). Voor het groepsrisico geldt dat onderbouwing van het risico plaats dient te vinden als er besluiten genomen moeten worden die vermeld zijn in de artikelen 4 en 5 van het Bevi. Voor het vaststellen van het besluit dient het bestuur van Veiligheidsregio Drenthe in de gelegenheid gesteld te worden advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Het Bevi dient te worden toegepast voorafgaande aan de vaststelling van een bestemmingsplan. Beoordeeld dient te worden of voor burgers het minimum beschermingsniveau gehandhaafd wordt. Een nadere concretisering van het besluit is opgenomen in de (ministeriële) "Regeling externe veiligheid inrichtingen" (Revi).
Hierin zijn onder andere de LPG-afstanden (Plaatsgebonden Risicocontouren) opgenomen. Basisnet Naast Bevi is per 1 april 2015 ook het Basisnet van kracht geworden. De Wet basisnet, het Bevt, de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, de Regeling basisnet en de Beleidsregel voor de beoordeling van externe veiligheid bij tracébesluiten, zijn gelijktijdig in werking getreden. In het Basisnet zijn bepaalde zones langs spoor, weg en water vastgelegd (de zogenaamde basisnetafstand), waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten meer mogen worden gebouwd, gezien de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Woningen, scholen en zorginstellingen zijn voorbeelden van kwetsbare objecten, maar ook grotere hotels en grotere kantoorgebouwen worden aangemerkt als kwetsbare objecten. Het Basisnet garandeert omwonenden dat het risico niet hoger wordt dan de vastgestelde norm, door grenzen te stellen aan vervoer over en bebouwing langs de infrastructuur. In het Basisnet wordt onder andere gesproken over: veiligheidszones; plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Deze begrippen worden hieronder verder toegelicht. Veiligheidszones Een veiligheidszone is de zone – gemeten vanaf het midden van de transportas – waarbinnen het plaatsgebonden risico meer bedraagt dan 10-6. Nieuwbouw van kwetsbare objecten binnen een veiligheidszone is niet toegestaan.
Veiligheidszones Drenthe: rijkswegen A28, A32 en A37: spoorlijn Zwolle–Emmen: spoorlijn Zwolle–Groningen: langs de N33:
geen geen varieert van 1 tot 6 meter varieert van 15 tot 20 meter
In het kader van de vergunningverlening spelen de veiligheidszones langs het spoor Zwolle– Groningen en langs de N33 zelden een rol, omdat binnen die korte afstand niet snel objecten zullen worden gerealiseerd. Voor plasbrandaandachtsgebieden ligt dat anders. Plasbrandaandachtsgebieden Een plasbrandaandachtsgebied is het gebied waarbinnen voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten rekening gehouden moet worden met de gevolgen van incidenten met brandbare vloeistoffen. Plasbranden vormen een bedreiging voor objecten die langs de transportas zijn gebouwd. Brandoverslag naar een gebouw als gevolg van een plasbrand is daarbij een aanwezig risico. Een plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 meter vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorrails. Plasbrandaandachtsgebieden zijn in Drenthe te vinden langs: - rijksweg A28 - rijksweg N33 - spoorlijn Groningen–Zwolle Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt o.a. welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Handboek buisleiding in bestemmingsplannen VROM heeft het Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen gepubliceerd, waarin praktische informatie en voorbeelden staan hoe buisleidingen in bestemmingsplannen opgenomen kunnen worden. Dit handboek dient als handleiding voor teksten in nieuwe bestemmingsplannen. Hogedrukaardgasleidingen Alle gegevens over hogedrukaardgasleidingen binnen de gemeente kunnen op de provinciale risicokaart worden gevonden. Er worden alleen externe veiligheidsafstanden vastgesteld voor hogedruk aardgasleidingen. Voor leidingen met een ontwerpdruk lager dan 16 bar is geen externe veiligheidsbeleid van kracht. Volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), van kracht per 1 januari 2011, zijn gemeenten verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Daarnaast dient in elk bestemmingsplan ruimte gereserveerd te worden voor onderhoud aan de leiding door een belemmerende strook op te nemen van minimaal 5 meter aan weerszijden van de leiding met een bouwverbod en een aanlegvergunningenstelsel. Conform het Bevb dient in de regels rekening gehouden te worden met de belemmerende strook van minimaal 5 meter aan weerszijden van de leiding waarbinnen tevens de PR 10-6 gelegen moet zijn.
Wet informatie uitwisseling ondergrondse netten (WION) Van belang bij Buisleidingen is ook de Wet informatie uitwisseling ondergrondse netten (WION), ook wel ‘Grondroerdersregeling’ (afspraken over graven), die per 1 juli 2010 officieel in werking is getreden. Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontouren zijn weergegeven op de plankaart of dienen te worden weergegeven. Hieraan dienen planregels te worden verbonden. Met deze regels worden kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten binnen de op de plankaart aangegeven plaatsgebonden risicocontouren 10-6/ per jaar uitgesloten en voldoet het bestemmingsplan aan de normstelling voor plaatsgebonden risicocontouren zoals die zijn opgenomen in het Bevi. Groepsrisico Is of wordt (door een extern bureau of de RUD) een groepsrisico berekend, dan stuurt de aanvrager van het adviesverzoek deze mee aan de VRD. Dit gebruikt de VRD bij het formuleren van te adviseren maatregelen.
Gegevens ten behoeve van nadere inrichting en ontwikkeling in het plangebied Zodra plannen ontwikkeld worden dient de brandweer in een vroeg stadium bij de plannen betrokken te worden om op basis van het beoogde veiligheidsniveau een advies te kunnen uitbrengen op de inrichting en ontwikkeling van het gebied. Hiervoor zijn de volgende zaken van belang: 1.
Bluswatervoorziening Voor het bestrijden van een brand is de brandweer afhankelijk van een goede bluswatervoorziening. Conform de Wet op de Veiligheidsregio’s moet een gemeente zorgen voor een openbare bluswatervoorziening. Bij locaties waar geen toereikende openbare bluswatervoorziening kan worden aangelegd, zal de eigenaar moeten zorgen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening in overleg met de brandweer. Vanaf 1 januari 2014 maakt de brandweer in Drenthe gebruik van tankautospuiten en tankwagens, aangevuld met vulpunten voor de tankwagens, als primaire bluswatervoorziening.
2. Waarschuwings- en alarmeringssysteem Op grond van de Wet op de veiligheidsregio’s (okt. 2010) is de Veiligheidsregio Drenthe, in geval van calamiteit, verantwoordelijk voor het waarschuwen en alarmeren van de bevolking door middel van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem[1]. Als gevolg van deze taak zijn binnen de gemeente sirenes geplaatst op een zodanige wijze dat een optimale dekking gerealiseerd is binnen de gemeente.
Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) uitfasering De sirenes die elke eerste maandag van de maand precies om 12:00 uur overal in het land loeien als test, is de verwachting dat deze op den duur verdwijnen. Dit vanwege het gegeven dat de minister J&V voornemens is tot uitfasering van dit systeem. Hierover is nog geen definitief besluit genomen maar verwachting was dat najaar 2020 een besluit genomen kon worden of het WAS per 1 januari 2022 wordt uitgefaseerd wordt. Dit was voorheen januari 2020. In de toekomst wordt bij grote rampen alarm geslagen via onder meer calamiteitenzenders, geluidswagens, NL-Alert en sociale media. Het voordeel van deze communicatiemiddelen is dat ze veel gerichter kunnen worden ingezet. “Daardoor weten mensen niet alleen wat er aan de hand is, maar ook wat ze op dat moment het beste kunnen doen'', aldus het ministerie.
3. Bereikbaarheid Het is belangrijk dat in geval van calamiteiten hulpverleningsdiensten direct ter plaatse kunnen komen en zonder beperkingen hulp kunnen verlenen. Om die reden dienen alle objecten in het plangebied via twee onafhankelijke wegen bereikbaar te zijn voor de hulpverleningsdiensten. 4. Opkomsttijd Het dekkingsplan van Veiligheidsregio Drenthe is vastgesteld in december 2013. Hierin staat beschreven dat het brandverloop tegenwoordig zo snel verloopt, dat drie zaken zeer belangrijk zijn om slachtoffers te voorkomen: 1. het voorkomen van brand 2. het ontdekken van brand 3. het vluchten bij brand [1]
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/11/12/tk-uitfasering-van-hetwaarschuwings-en-alarmeringssysteem
Bij het vluchten bij brand heeft men een eigen verantwoordelijkheid of is men aangewezen op een BHV–organisatie. De brandweer heeft in beginsel als taak het houden van een brandscheiding ter voorkoming van branduitbreiding en het beschermen van niet-zelfredzame personen achter die scheiding.
Verantwoording groepsrisico Bij een advies van de Veiligheidsregio op de verantwoording van het Groepsrisico, waarover het bevoegd gezag een besluit dient te nemen, neemt de Veiligheidsregio een aantal aspecten in haar beoordeling mee. Voor een extra toelichting op deze aspecten wordt verwezen naar de volgende website: http://www.ontwerpveiligeomgeving.nl/
De aspecten waarop beoordeeld kan worden en waar vervolgens maatregelen, ter beperking van het gevaar/risico of effect, voor voorgesteld worden, richten zich op: -
de Hulpverlening o
bereikbaarheid
o
bestrijdbaarheid
o
bluswatervoorzieningen
-
de Zelfredzaamheid i.c.m. vluchtmogelijkheden en kwetsbare groepen
-
Maatregelen ter beperking van het groepsrisico, bijv. verplaatsen bron – beperken populatiedichtheid
-
Maatregelen aan het gebouw of aan de bron
-
risicocommunicatie
Sharita Wegkamp Van: Verzonden: Aan: Onderwerp:
Henk Zwiers maandag 26 april 2021 10:03 Sharita Wegkamp RE: Conceptontwerpbestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocaties)
Dag Sharita, Ik heb geen opmerkingen ten aanzien van externe veiligheid. Met vriendelijke groet, Henk Zwiers Adviseur externe veiligheid
Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe Team Advies (Werkdagen RUD ma t/m do, Fumo vrijdag) Postbus 1017 t 0800 - 9102 9400 BA Assen m 06 11617942 bezoekadres www.ruddrenthe.nl adres Raadhuisplein 1 Emmen adres Westerbrink 1 Assen
Van: Sharita Wegkamp <S.Wegkamp@emmen.nl> Verzonden: vrijdag 23 april 2021 09:06 Aan: 'post@drenthe.nl' <post@drenthe.nl>; 'waterschap@hunzeenaas.nl' <waterschap@hunzeenaas.nl>; Henk Zwiers <h.zwiers@ruddrenthe.nl>; Info RUD <Info@ruddrenthe.nl>; 'Gijs.vandenhengel@vrd.nl' <Gijs.vandenhengel@vrd.nl>; 'info@barger-compascuum.com' <info@barger-compascuum.com> CC: Jantje Kort <J.Kort@emmen.nl> Onderwerp: Conceptontwerpbestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocaties) Geachte heer, mevrouw, In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening laten wij u weten dat vanaf vrijdag 23 april 2021 het conceptontwerpbestemmingsplan “Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)” te vinden is op www.ruimtelijkeplannen.nl . Uw reactie met betrekking tot het conceptontwerpbestemmingsplan zien wij graag binnen 5 weken met belangstelling tegemoet. Indien u binnen deze termijn niet heeft gereageerd gaan wij er vanuit dat u zich kunt vinden in het conceptontwerpbestemmingsplan. Het conceptontwerpbestemmingsplan “Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)” heeft het nummer “NL.IMRO.0114.2021005-B301”. Met vriendelijke groet, Sharita Wegkamp Juridisch planologisch medewerker Team Ruimtelijke Ontwikkeling tel. 0591-685339 1
2
Sharita Wegkamp Van: Verzonden: Aan: CC: Onderwerp:
Heijnen, Wilfried <W.Heijnen@hunzeenaas.nl> maandag 22 februari 2021 12:45 Sharita Wegkamp Secretariaat Z30449 - plan Pastoor Vroomstraat 26, Barger-Compascuurm
Beste Sharita, In reactie op dit plan deel ik u mee dat het waterschap de locatie als ‘geen belang waterbeheer’ zal aanmerken. De verharding zal hier niet toenemen en het hemelwater zal op het gemengd stelsel worden afgevoerd. Een definitieve Uitgangspuntennotitie zal daarom niet worden afgegeven. Wel kunnen tekstpassages uit de ontvangen voorlopige uitgangspuntennotitie gebruiken voor de waterparagraaf in de Ruimtelijke Onderbouwing van het plan. Het waterschap kan instemmen met het plan. Met vriendelijke groet, Wilfried Heijnen Wilfried Heijnen
Aquapark 5
www.hunzeenaas.nl
Beleidsmedewerker Planvorming Veendam instagram.com/hunze.en.aas Telefoon: (0598) 69 3402
Postbus 195
twitter.com/hunzeenaas
Algemeen: (0598) 69 3800
9640 AD Veendam
facebook.com/waterschap
1
Bijlage 2 Ingediend bouwplan
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 51
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 53
VERKENNEND BODEMONDERZOEK Pastoor Vroomstraat 26 in Barger-Compascuum
ORTAGEO Noordoost B.V.
ORTAGEO Zuidoost B.V.
ORTAGEO West B.V.
ORTAGEO Asbest B.V.
TITELBLAD
Opdrachtgever:
Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe Postbus 1017 9400 BA Assen
Rapportnummer:
211750/R01
Status rapport:
Definitief
Datum:
7 februari 2020
Projectomschrijving:
Verkennend bodemonderzoek Pastoor Vroomstraat 26 in Barger-Compascuum
Rapport opgesteld door:
Ortageo Noordoost B.V. Einsteinstraat 12a 7601 PR Almelo Tel: +31 546 53 20 74 E-mail: info@ortageo.nl
STD_R012_v014_20180420
INHOUDSOPGAVE 1 2
3
4
5
6
Inleiding ........................................................................................................................................................... 1 Vooronderzoek ................................................................................................................................................ 2 Bronnen .................................................................................................................................................... 2 Algemene gegevens................................................................................................................................. 2 Bodemgebruik .......................................................................................................................................... 3 Uitgevoerde bodemonderzoeken ............................................................................................................. 3 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................................. 4 Gebiedsspecifiek toetsingskader .............................................................................................................. 5 Hypothese en onderzoeksstrategie ...............................................................................................................
6 Hypothese ................................................................................................................................................ 6 Onderzoeksstrategie ................................................................................................................................ 6 Veldwerkzaamheden ....................................................................................................................................... 7 Uitvoering ................................................................................................................................................. 7 Resultaten ................................................................................................................................................ 8 Laboratoriumonderzoek ................................................................................................................................. 9 Analyseprogramma .................................................................................................................................. 9 Analyseresultaten ..................................................................................................................................... 9 5.2.1 Grond .................................................................................................................................................
10 5.2.2 Grondwater......................................................................................................................................... 11 Toetsing aan de hypothese .................................................................................................................... 11 Toetsing aan de noodzaak tot nader onderzoek .................................................................................... 11 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen ............................................................................................. 12
Bijlagen: 1) Regionale ligging onderzoekslocatie en uittreksel kadastrale kaart 2) Situatietekening met onderzoekspunten 3) Bodemprofielbeschrijvingen 4) Analysecertificaten 5) Overschrijdingstabellen 6) Gegevens vooronderzoek 7) Foto’s onderzoekslocatie Appendix Kader en verantwoording
211750/R01
1
INLEIDING
In opdracht van de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe is door Ortageo Noordoost B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Pastoor Vroomstraat 26 in Barger-Compascuum (gemeente Emmen). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen transactie van de locatie. Het doel van het onderzoek is om door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast te stellen of er door een eventuele bodemverontreiniging consequenties zijn voor de voorgenomen transactie. In dit rapport worden de resultaten van het vooronderzoek weergegeven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 zijn de hypothese en de onderzoekstrategie beschreven. De veldwerkzaamheden zijn in hoofdstuk 4 en het laboratoriumonderzoek is in hoofdstuk 5 beschreven. Het rapport wordt besloten met een samenvatting, de conclusies en de aanbevelingen (hoofdstuk 6). In de appendix zijn de verschillende kaders van het onderzoek beschreven (waaronder wet-/regelgeving en toetsingskader) en is de verantwoording opgenomen.
211750/R01
1/12
2
VOORONDERZOEK
Voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd. Doel van het vooronderzoek is het achterhalen van (potentieel) bodemverontreinigende activiteiten die nu plaatsvinden of in het verleden hebben plaatsgevonden op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
Bronnen In onderstaande tabel zijn de in het kader van het vooronderzoek geraadpleegde bronnen weergeven. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Nr.
Bron
Verwijzing/toelichting
1
Topografische kaart, kadastrale gegevens
Kadaster, opgenomen in bijlage 1
2
Mondelinge / schriftelijke informatie van opdrachtgever / eigenaar / gebruiker onderzoekslocatie
Verwerkt in dit hoofdstuk
3
Gemeente Emmen
Verwerkt in dit hoofdstuk
Internetbronnen: A. Actuele luchtfoto’s en straatoverzichten
www.google.nl/maps
B. Historische topografische kaarten
www.topotijdreis.nl
C. TNO-NITG (gegevens bodemopbouw / grondwater)
www.dinoloket.nl
D. Bodemloket (dossiervermelding onderzoek / sanering)
www.bodemloket.nl
E. Provinciale bodematlas
https://www.ruddrenthe.nl/zoeken.html
F. Digitaal gemeentelijk bodeminformatiesysteem
website betreffende gemeente
G. Ligging kabels en leidingen
Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC)
H. Gemeente
www.gemeenteemmen.nl
5
Locatiebezoek, foto's onderzoekslocatie
Gecombineerd met uitvoering veldwerk en verwerkt in dit hoofdstuk
6
Eigen archief Ortageo
Verwerkt in dit hoofdstuk
4
Algemene gegevens De algemene gegevens over de locatie zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2: Algemene locatiegegevens Adres
Pastoor Vroomstraat 26 in Barger-Compascuum
Kadastrale aanduiding
Gemeente EMN00, sectie I, nummer 8.970
Eigenaar
Gemeente Emmen
Gebruiker
Geen, voormalig basisschool
Oppervlakte
Circa 2.570 m²
Algemene omschrijving
Braakliggend, schoolgebouw buiten gebruik
Bebouwing
Schoolgebouw en fietsenstalling
Terreinverharding
Schoolplein en pad verhard met elementenverharding (klinkers en tegels)
De situering van de onderzoekslocatie is globaal weergegeven op afbeelding 1 op de volgende pagina.
211750/R01
2/12
Afbeelding 1: Luchtfoto onderzoekslocatie (bron: Regionale Uitvoeringdienst Drenthe)
Bodemgebruik Op de kaart van 1815 is te zien dat de onderzoeklocatie bestond uit veengebied. De kaart van 1890 laat een ontgonnen veenlandschap zien. Het gebied bestond uit percelen omsloten door sloten. Vanaf 1900 is er lichte bebouwing rondom de onderzoeklocatie. Bij de bebouwing zijn sloten gedicht. De school wordt voor het eerst op de kaart van 1975 weergegeven. Bij het bouwrijp maken van het terrein voor de bouw van de basisschool is ook een sloot gedempt c.q. dichtgeschoven. Aangenomen wordt dat het dempingsmateriaal bestaat uit gebiedseigen grond dan wel grond met een vergelijkbare bodemkwaliteit zoals deze ook elders binnen de onderzoekslocatie verwacht kan worden.
Uitgevoerde bodemonderzoeken Op de locatie Voor zover bekend is op de onderzoekslocatie niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd.
211750/R01
3/12
Directe omgeving In de directe nabijheid van de onderzoekslocatie is het volgende onderzoek uitgevoerd: ‘Indicatief onderzoek Meester van Den Boschstraat 1992 (bron: Bodemloket, 2019 ) Uit het historisch onderzoek uitgevoerd door Ecoloyse in 1992 blijkt dat de activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming (bron Bodemloket, 2019). Vanwege de ligging (geen overlap met huidige onderzoekslocatie), gedateerdheid en realisatie van woonbebouwing nadien zijn er geen aanvullende gegevens opgevraagd en worden er geen noemenswaardige verontreinigingen verwacht die van invloed kunnen zijn (geweest) op de onderzoeklocatie.
Bodemopbouw en geohydrologie De regionale geo(hydro)logische bodemopbouw is weergegeven in de volgende figuren.
1)
Diepte (m -mv)
Lithologie
Geologische formatie
0,00 – 14,5
Zandige eenheid1
Formatie van Boxtel, tweede zandige eenheid
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
Figuur 1: Geohydrologisch model gebaseerd op REGIS II.1 (bron Dinoloket)
De grondwaterstand van het eerste watervoerende pakket bedraagt regionaal gezien circa 1,0 – 1,5 m –mv. Regionaal gezien is de stromingsrichting van het freatisch grondwater zuidoostelijk. Lokale omstandigheden zoals waterlopen, drainagesystemen, (lekke) rioleringen en dergelijke kunnen de regionale stromingsrichting van het freatisch grondwater beïnvloeden. De locatie ligt voor zover bekend is niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied. Voor zover bekend wordt er op en in de directe omgeving van de locatie niet op relevante schaal grondwater door bedrijven en particulieren onttrokken.
211750/R01
4/12
Gebiedsspecifiek toetsingskader De gemeente Emmen heeft lokale achtergrondwaarden waarden voor PFAS vastgesteld op basis van de regionale Bodemkwaliteitskaart PFAS. In de volgende tabel zijn de achtergrondwaarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landboden boven grondwaterniveau in dit deelgebied weergegeven. Tabel 3: Toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem boven grondwaterniveau Parameter
Lokale achtergrondwaarden (µg/kg ds)
Overige PFAS
0,10
PFOA
0,60
PFOS
0,80
211750/R01
5/12
3
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE Hypothese
Op basis van de momenteel beschikbare informatie is uitgegaan van een 'verdachte locatie' omdat door de ligging in een van oudsher bebouwd gebied lichte verontreinigingen worden verwacht. Deze diffuse verontreinigingen zijn waarschijnlijk heterogeen verspreid aanwezig. Het grondwater bevat waarschijnlijk van nature licht verhoogde concentraties aan zware metalen. Bij het bouwrijp maken van het terrein voor de bouw van de basisschool is een sloot gedempt c.q. dichtgeschoven. Aangenomen wordt dat het dempingsmateriaal bestaat uit gebiedseigen grond dan wel grond met een vergelijkbare bodemkwaliteit zoals deze ook elders binnen de onderzoekslocatie verwacht kan worden.
Onderzoeksstrategie Op basis van de hypothese wordt de onderzoekslocatie onderzocht volgens de strategie voor een 'diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming' (VEDHE-NL). Het laboratoriumonderzoek is op verzoek van de opdrachtgever uitgebreid met PFAS. Voor het bepalen van het aantal analyses op PFAS is aangesloten bij de analysestrategie uit de NEN 5740 conform de strategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond is deze strategie voor de ondergrond gecombineerd met de strategie voor een 'onverdachte niet-lijnvormige locatie' (ONV-NL). Dat betekent dat één of meerdere boringen dieper worden doorgezet en de ondergrond analytisch wordt onderzocht. Ter plaatse van de voormalige sloot zal ter verificatie van de bodemsamenstelling een diepe boring of peilbuis uit het onderzoeksprogramma worden uitgevoerd.
211750/R01
6/12
4
VELDWERKZAAMHEDEN Uitvoering
Algemeen In onderstaande tabel zijn de uitvoeringsdata en de verantwoordelijke monsternemer van het veldonderzoek weergegeven. De onderzoekspunten zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Tabel 4: Uitvoeringsgegevens Datum
Werkzaamheden
Beoordelingsrichtlijn/ protocol
Erkende organisatie
Verantwoordelijk medewerker
5 december 2019
Uitvoeren handboringen, plaatsen peilbuis, maken boorbeschrijvingen, nemen grondmonsters en inmeten
2000/2001
Poelsema Veldwerkbureau
Johannes Jansen
17 december 2019
Nemen van grondwatermonsters
2000/2002
Sigma Bouw en Milieu
Marcel van Wuijkhuijse
De monstername voor onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform specifieke eisen volgens veldwerk-protocol “bemonstering PFAS-verbindingen in grond- en grondwater” vastgesteld door expertisecentrum PFAS (juli 2019). Hiervoor zijn in het veld één of meerdere mengmonsters samengesteld. In het veld is de vrijgekomen grond laagsgewijs beoordeeld en beschreven (textuur, kleur, humusgehalte). Daarnaast is gelet op het voorkomen van puin, slakken, kolengruis en dergelijke evenals op kleurafwijkingen die kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De opgeboorde grond is voor de onderzoekspunten met behulp van de olie-water-reactie getest op de aanwezigheid van olieachtige stoffen. Ook het maaiveld is visueel geïnspecteerd op indicaties die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Ten slotte is visueel specifiek aandacht besteed aan het voorkomen van asbest op het maaiveld en in de bodem. In verband met een gedempte sloot in het noorden van de onderzoekslocatie is hier de peilbuis geplaatst. Vanwege de slechte toestroming van water is de peilbuis dieper doorgezet. In de volgende tabel is een overzicht van het uitgevoerde veldwerkprogramma weergegeven. Tabel 5: Overzicht veldwerkprogramma Onderdeel
Aantal
Diepte (m –mv)
Nummers
6
0,5 à 0,6
02, 03, 07, 12, 13, 14
5
1,0 à 1,2
04, 06, 08, 10, 11
Boringen
2
2,0
01, 05
Boringen met peilbuis
1
4,3
09
Watermonstername uit peilbuis
1
3,3 – 4,3
09
Afwijkingen ten opzichte van BRL SIKB 2000 Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002.
211750/R01
7/12
Resultaten In bijlage 3 zijn de uitgetekende bodemprofielen weergegeven. Bodemopbouw Ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat de bodemopbouw uit sterk humeus zand tot 4,5 m -mv. De boorprofielen van boringen 01, 06, 08 en 11 bevatten tot circa 0,4 m -mv geen humus. In de boorprofielen van boringen 01, 04, 05, 06, 08, 10, 11 is er tussen circa 0,4 tot 0,7 m -mv een laag veen aanwezig. In boorprofiel 09 is een veenlaag aanwezig van 1,0 tot 3,3 m – mv. In de boorprofielen 03, 06, 13 en 14 is tot circa 0,5 m -mv grind aangetroffen. Opgemerkt wordt dat deze classificatie conform de NEN 5104 voor milieukundig onderzoek is beschreven. Het betreft geen classificatie voor civieltechnische hergebruiksmogelijkheden; hiervoor dienen de boorbeschrijvingen op de juiste wijze geïnterpreteerd te worden en kan (aanvullend) civieltechnisch onderzoek nodig zijn. Visueel waargenomen bijzonderheden In de volgende tabel zijn de visueel waargenomen bijzonderheden weergegeven. Einddiepte (m -mv)
Diepte (m -mv)
Waargenomen bijzonderheden
Grondsoort
09
4,5
0,5
sporen baksteen, resten plastic
zand
11
1,2
0,3 –0,5
sporen baksteen
zand
13
0,5
0,05 – 0,50
sporen baksteen
zand
Onderzoekspunt
Tussen de sporen baksteen is geen asbestverdacht (plaat)materiaal waargenomen. Grondwater Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn visueel waarnemingen gedaan en metingen verricht. De resultaten daarvan zijn weergegeven in onderstaande tabel. De zuurgraad en het geleidingsvermogen zijn als normaal te beschouwen voor de onderzochte locatie. Tabel 6: Bijzonderheden en resultaten veldmetingen grondwater Peilbuis
Monstercode
Filterstelling (m –mv)
Waargenomen bijzonderheden
09
09-1-1
3,30 – 4,30
Geen
211750/R01
Grondwaterstand (m -mv)
Zuurgraad (pH)
Geleidingsvermogen (µs/cm)
Troebelheid (NTU)
1,05
6,2
330
8,2
8/12
5
LABORATORIUMONDERZOEK Analyseprogramma
Op basis van de visuele waarnemingen (grondsoort, kleur, aard en hoeveelheid bodemvreemde bijmengingen e.d.) en de ruimtelijke verdeling van de onderzoekspunten zijn grond(meng)monsters samengesteld. Vanwege verhoogde gehalten PFAS in mengmonster MM01 zijn de deelmonsters nadien separaat geanalyseerd. In de volgende tabel is een overzicht van de samenstelling van de (meng)monsters en het uitgevoerde analyseprogramma weergegeven. Tabel 7: Samenstelling (meng)monsters en analyseprogramma Onderdeel
Monstercode
Bovengrond
Bovengrond (uitsplitsing MM01)
Traject (m -mv)
Deelmonsters
Waargenomen bijzonderheden
Analysepakket
MM01
0-50
09-1, 11-2, 13-1
Sporen baksteen, resten plastic
Standaardpakket grond1 PFAS2
09-1
0-50
09-1
Sporen baksteen, resten plastic
PFAS
11-2
30-50
11-2
Sporen baksteen
PFAS PFAS
13-1
5-50