Bijlage bij RA21.0055 - Best.plan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 - Toelichting + Regels (RIS.10302)
Tekst van het document
Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan 1.2 Ligging plangebied 1.3 Huidige planologische regelingen 1.4 Opzet bestemmingsplan 1.5 Overzicht verricht onderzoek
5 5 5 6 7 7
Hoofdstuk2 Beleid 2.1 Gemeentelijk beleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Rijksbeleid 2.4 Conclusie
9 9 11 13 13
Hoofdstuk3 Planbeschrijving 3.1 Ontstaansgeschiedenis 3.2 Huidige situatie 3.3 Planbeschrijving
14 14 15 16
Hoofdstuk4 Onderzoeken en milieubeoordeling 4.1 Archeologie en monumenten 4.2 Ecologie 4.3 Fysieke veiligheid 4.4 Milieu 4.5 Waterparagraaf
18 18 18 20 21 24
Hoofdstuk5 Toelichting op de planregels en verbeelding 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels 5.4 Handhaving
26 26 26 26 31
Hoofdstuk6 Maatschappelijke betrokkenheid 6.1 Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro 6.2 Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan
32 32 32
Hoofdstuk7
33
Economische uitvoerbaarheid
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Nota van beantwoording Bijlage 2 Ingediend bouwplan Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4 Watertoets Bijlage 5 Publicatie ontwerpbestemmingsplan Bijlage 6 Reactie provincie Drenthe op ontwerpbestemmingsplan Bijlage 7 Reactie Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe op ontwerpbestemmingsplan
35 36 51 53 135 140 142 144
Regels
147
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
148 148 151
Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
152
2 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Groen Tuin Wonen - Aaneengebouwd Wonen - Vrijstaand
152 154 155 157
Hoofdstuk3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
159 159 160 161 163
Hoofdstuk4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
164 164 165
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 3
4 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan
Aan de Pastoor Vroomstraat 26 in Barger-Compascuum staat het voormalige schoolgebouw De Hille. In 2020 is voor dit voormalig schoolgebouw een reguliere vergunning verleend om het gebouw te transformeren naar vier woningen. Op het voormalige schoolplein is het voornemen twee grondgebonden vrijstaande woningen te realiseren. De voormalige Christelijke Basisschool De Hille is medio 2015 gesloten. Reeds is het schoolgebouw en het schoolterrein door de gemeente verkocht onder voorbehoud van een onherroepelijk bestemmingsplan. Koper heeft een aanvraag ingediend om het bestemmingsplan aan te passen om de herontwikkeling van de locatie naar vier wooneenheden in het voormalige schoolgebouw en twee grondgebonden woningen planologisch mogelijk te maken.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied wordt aan de oost- en zuidzijde begrensd door de Pastoor Vroomstraat en aan de noordzijde door de Meester van den Boschstraat. De westzijde van het plangebied wordt begrensd door rijwoningen voor de doelgroep senioren. Het plangebied van het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)' met planidentificatienummer NL.IMRO.0114.2021005-B501 ligt op de percelen kadastraal bekend als gemeente Emmen, sectie I, nummers 16928, 16939, 16940, 16941, 16942, 16943 en 16944.
Figuur 1.1: Ligging plangebied in omgeving (rood omcirkeld indicatief het plangebied).
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 5
Figuur 1.2: Begrenzing plangebied.
1.3
Huidige planologische regelingen
Het voorliggende bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)' vervangt gedeeltelijk het vigerende bestemmingsplan 'Barger-Compascuum'. Het plangebied kan volgens het vigerende bestemmingsplan gebruikt worden voor maatschappelijke voorzieningen (bestemming 'Maatschappelijk - Onderwijs'). Dit zijn voorzieningen voor het uitoefenen van activiteiten gericht op educatieve dienstverlening waaronder: basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, peuterspeelzaal, kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en brede school. Alle gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht. De buitenrand van het plangebied heeft de bestemming 'Groen', dit is bestemd voor groenvoorzieningen.
6 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Figuur 1.3: Uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan 'Barger-Compascuum' (rood omlijnd is het plangebied aangegeven). Het vigerende bestemmingsplan biedt niet de mogelijkheid het voormalige schoolgebouw te transformeren tot vier wooneenheden en twee grondgebonden woningen te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan biedt planologisch deze mogelijkheid. Bij het van kracht worden van het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)' verliest het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum' voor zover het valt binnen het plangebied zijn rechtskracht. Het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)' vervangt dit gebied.
1.4
Opzet bestemmingsplan
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding worden de percelen in het gebied aangegeven met bestemming dan wel een aanduiding. In de regels worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het plangebied geregeld. Tot slot wordt in de toelichting een verantwoording gegeven van de in het plan gemaakte keuzes.
1.5
Overzicht verricht onderzoek
Ter voorbereiding van het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)' zijn onderzoeken verricht en adviezen gegeven. De conclusies uit de onderzoeken en adviezen zijn verwerkt in de toelichting. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan zijn de volgende onderzoeken verricht: Verkennend bodemonderzoek; Watertoets. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de resultaten uit de onderzoeken en adviezen. bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 7
8 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Hoofdstuk 2
Beleid
2.1
Gemeentelijk beleid
2.1.1
Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef
De Structuurvisie Emmen 2020, Veelzijdigheid Troef, is 24 september 2009 vastgesteld door de raad. Het document is opgesteld als ruimtelijke vertaling van de ambities gesteld in de Strategienota Emmen 2020, vastgesteld in de raadsvergadering van september 2001. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen weer. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke structuur van 2020 geschetst aan de hand van een aantal thema's, te weten landschap, duurzaamheid, verkeer, werken, wonen, voorzieningen en veiligheid. Voor ieder thema is een hoofdkoers bepaald. Voor het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)' is vooral het thema wonen van belang. De Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef richt zich op een accentverschuiving van kwantiteit naar kwaliteit en differentiatie van woonmilieus: De opgave ligt er om de woningvoorraad in lijn te brengen en te houden met de woonwensen van huidige én toekomstige inwoners. Dit betekent meer levensloopbestendige woningen en meer ruimte voor bouwkavels. Om ervoor te zorgen dat de woningmarkt op orde blijft, is een continue aanpassing aan de veranderende vraag geboden. Dit geldt niet alleen voor de kern van Emmen, maar ook voor de dorpen. Zo ontstaat op termijn een cyclische vernieuwing van de bestaande woongebieden. 2.1.2
Woonvisie 2018-2023
De Woonvisie 2018-2023 richt zich op een nieuwbouwopgave passend bij de kwalitatieve behoefte en aanvullend op de bestaande voorraad. Daarbij moet de bestaande woningvoorraad beter benut worden. In de Woonvisie is een strategie opgenomen voor woningbouw: 1. Woningbouwinitiatieven worden niet individueel, maar in samenhang bekeken. 2. Prioriteit wordt gegeven aan plannen voor herstructurering en transformatie. 3. Bij het maken van de woon- en leefbaarheidsvisies voor dorpen en wijken komen plekken naar voren waar inbreiding (verdichting) mogelijk en gewenst is. 4. Bestaande uitbreidingslocaties worden afgerond. 5. Woningbouwplannen dragen bij aan een gevarieerd woonmilieu (ruimte bieden aan plannen die een nichemarkt bedienen en aan kleinschalige experimentele, innovatieve en duurzame woonvormen). 6. Woningbouwplannen dragen bij aan ruimtelijke kwaliteit. Met het woningbouwprogramma uit de woonvisie wordt ruimte geboden voor goede woningbouwinitiatieven van particulieren, ontwikkelaars en corporaties. De Woonvisie geeft voor het deelgebied De Blokken (waar Barger-Compascuum toe behoort) tussen 2016 en 2021 een nette groei met 55-105 woningen op de woningvoorraad. In Barger-Compascuum zijn weinig gemeentelijke woningbouwkavels meer uitgeefbaar. Het voorliggend plan betreft een particulier initiatief dat zich richt op de herstructurering van een voormalige schoollocatie.
In het schoolgebouw worden vier wooneenheden gerealiseerd. Aan de westzijde van het plangebied worden twee vrijstaande woningen opgericht. Met deze ontwikkeling wordt verpaupering van een locatie in Barger-Compascuum tegengegaan. 2.1.3
Cultuurhistorischewaardenkaart
De cultuurhistorische waardenkaart heeft de volgende systematiek gebaseerd op beleidskeuzes. Er is op basis van analyse gekozen voor een drietal beleidskeuzen met bijbehorend maatregelenpakket, welke afloopt naar zwaarte: Beschermen Herkenbaar houden Respecteren De maatregel: Beschermen van de cultuurhistorische waarden heeft betrekking op erfgoed met een zeer hoge cultuurhistorische waarde, zoals monumenten (Rijk, provincie, gemeente), monumentale en waardevolle bomen en beschermde dorpsgezichten (Rijk). bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 9
Herkenbaar houden van de historische en ruimtelijke structuur en samenhang is de volgende maatregel. De soorten erfgoed waarvoor deze maatregel geldt zijn ensembles en structuren met een hoge cultuurhistorische waarde, te weten: Landschappelijke gebieden en structuren van hoge cultuurhistorische waarde Stedenbouwkundige gebieden en structuren van hoge cultuurhistorische waarde Groenstructuren van hoge cultuurhistorische waarde Infrastructuur en waterwegen van hoge cultuurhistorische waarde Ten slotte is "Respecteren en rekening mee houden" geformuleerd. Bij ontwikkelingen (bouw, verbouw, aanleg, inrichting, sloop, kap) de cultuurhistorische waarde van het object waar mogelijk behouden en versterken. De soorten erfgoed waarvoor deze maatregel geldt zijn objecten en plekken met een hoge cultuurhistorische waarde, zoals beeldbepalende bouwwerken , Canon van Emmen, inventarisatie ErfgoedNetwerk, tradities en de top vijf bewonersavonden.
Figuur 2.1: Uitsnede concept cultuurhistorische beleidskaart. Rode rechthoek geeft locatie plangebied aan Het plangebied valt binnen de maatregel herkenbaar houden van de historische en ruimtelijke structuur en samenhang. 2.1.4
Welstandsbeleid
Bouwwerken moeten voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Een welstandscommissie beoordeelt bouwplannen aan de vooraf vastgestelde welstandscriteria opgenomen in de Welstandsnota. Op 30 juni 2016 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota vastgesteld. In deze nota wordt vooraf bepaald wat de redelijke eisen van welstand zijn. Dit betekent dat gekeken wordt of een bouwplan qua uitstraling past bij de omgeving. Het bestemmingsplan en de welstandsnota zorgen samen voor behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied is gelegen in een gebied waarvoor het welstandsniveau 'luw' geldt. Het bouwplan voor de woningen zal door de welstandscommissie beoordeeld worden op redelijke eisen van welstand. 2.1.5
Integrale parkeervisie
In oktober 2017 heeft de gemeenteraad van Emmen de "Integrale parkeervisie gemeente Emmen" vastgesteld. Deze visie vervangt de parkeernota van 2010. De visie is het kader voor het bepalen van de parkeeropgave bij fysieke ontwikkelingen op alle niveaus. Het is een leidraad voor het beoordelen van de parkeeropgave van stedenbouwkundige visies & plannen 10 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
voor (her-)ontwikkeling van de fysieke leefomgeving en is ook het kader dat invulling geeft aan het begrip “voldoende parkeer- of stallingsruimte dan wel voldoende laad- of losruimte in bestaande en op ontwikkeling gerichte nieuwe bestemmingsplannen. De visie bevat ten aanzien van de hoeveelheid parkvoorzieningen en het aantal los- en laadplaatsen het beoordelingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en- of wijzigen gebruik. Voor toekomstige (nieuwbouw)ontwikkelingen is in de parkeervisie de landelijke richtlijnen van het CROW leidraad. Uitgangspunt blijft in beginsel voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Als dit niet kan, kan eventueel teruggevallen worden op parkeren in de openbare ruimte, waarvoor aan de gemeente een afkoopsom wordt betaald. In het plangebied geldt voor alle percelen dat er parkeerruimte op eigen terrein aanwezig is. De percelen worden vanaf de noordzijde en zuidzijde ontsloten. Er zullen geen inritten aan de west- en oostzijde van het plangebied worden aangelegd. In de nieuwe situatie is hierom voldoende parkeerruimte aanwezig.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie Drenthe
De Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. Als in de tekst wordt gesproken over ‘lange termijn’, betreft het de periode na 2030. De Omgevingsvisie heeft voor de provincie vooral een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is. Missie De missie van de provincie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten. Deze missie is ingegeven door wat inwoners, medeoverheden en maatschappelijke partners belangrijk vinden voor de toekomst van Drenthe. De kernkwaliteiten zijn samen met partners en de inwoners van Drenthe benoemd, te weten landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Kernkwaliteiten De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe.
Samen met vertegenwoordigers van overheden, belangengroepen, marktpartijen en inwoners heeft de provincie de volgende kernkwaliteiten van Drenthe benoemd : rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar meer concrete indicatoren gemaakt, namelijk landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Zorgvuldig Ruimtegebruik In Drenthe kunnen mensen nog ruimte beleven. Dat wil de provincie bewaken, ook wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn. Zorgvuldig ruimtegebruik is van provinciaal belang. Milieu- en leefomgevingskwaliteit De provincie streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier. Het beschermen bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 11
van de kwaliteit van milieu en leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van de verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn daarmee van provinciaal belang. Kaarten en doelstellingen Op kaarten behorende bij de Omgevingsvisie Drenthe zijn de kernkwaliteiten nader weergegeven. Op een aantal kaarten (wanneer relevant) is het plangebied als volgt aangeduid: Archeologie De inhoudelijke kaart Archeologie geeft een overzicht van de archeologische waarden en verwachtingen die de provincie van provinciaal belang achten. In gebieden of terreinen met een archeologische verwachting op de archeologiekaarten, wordt gestuurd op een goede uitvoering van archeologisch onderzoek. Niet voor alle bodemingrepen is archeologisch onderzoek vereist. Dit hangt af van de omvang en aard van de ingreep, de waarde/verwachting van de locatie en het vrijstellingenbeleid zoals dat is uitgewerkt in de gemeentelijke archeologiekaarten. Aardkundige waarden Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de provincie behouden en, waar mogelijk, herstellen.
Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteit aardkundige waarden. De provincie wil inhoud geven aan ruimtelijke kwaliteit, om de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe te behouden en te versterken. Het doel is de archiefwaarde van de bodem te behouden en de landvormen, die karakteristiek zijn voor het Drentse landschap, te behouden en te versterken, als onderdeel van de kernkwaliteit oorspronkelijkheid. Het plangebied is gelegen binnen een gebied met een generiek beschermingsniveau voor aardkundige waarden. In deze gebieden wil de provincie de lokale, aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaren. Cultuurhistorie Het beleid van de provincie Drenthe ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in de beleidsnota Cultuurhistorisch Kompas Drenthe. Het plangebied is gelegen binnen het gebied Emmen en haar venen. Het generieke beleid 'respecteren' is van toepassing. Het is bedoeld om de cultuurhistorische samenhang, zoals die is vastgelegd in de hoofdstructuur, te borgen. De ambitie voor de Veenkoloniën richt zich specifiek op het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing. Landschap Het plangebied is gelegen binnen het landschap van de veenkoloniën.
Van provinciaal belang is de orthogonale samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen. Conclusie ten aanzien van kernkwaliteiten Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van vier wooneenheden in een voormalige schoollocatie en twee grondgebonden woningen. De realisatie van woningen leidt niet tot een aantasting van de beschreven kernkwaliteiten. In Hoofdstuk 3 Planbeschrijving en Hoofdstuk 4 Onderzoeken en milieubeoordeling wordt nader ingegaan op de ruimtelijke inpassing van de woningen. 2.2.2
Provinciale omgevingsverordening Drenthe
Provinciale Staten van Drenthe hebben de Provinciale omgevingsverordening (POV) Drenthe vastgesteld. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied is aangewezen als 'Bestaand Stedelijk Gebied'. De provincie moet algemene regels formuleren gericht op zorgvuldig ruimtegebruik. Deze algemene regels richten zich op de inhoud van of toelichting bij bestemmingsplannen die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe bebouwing kan toestaan binnen het bestaand stedelijk gebied, aansluitend op het bestaand stedelijk gebied, of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. De in dit artikel vastgelegde begrenzing dient 12 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
primair als geografische referentie voor de uitvoering van regels met betrekking tot bouwen in landelijk gebied. Daarnaast ligt binnen bestaand stedelijk gebied de verantwoordelijkheid voor kernkwaliteiten in principe bij de gemeente. Het provinciaal belang voor archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie kent hierop een uitzondering: het provinciaal belang is ook van toepassing binnen bestaand stedelijk gebied als deze opgenomen zijn op de desbetreffende kaarten van de POV.
2.3
Rijksbeleid
2.3.1
Ruimtelijk beleid
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 van kracht geworden. Onderdeel van deze structuurvisie is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Met de structuurvisie kiest het rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Voor Emmen zijn in de SVIR geen onderwerpen opgenomen die aangemerkt worden als nationaal belang. In de Barro zijn alleen de zaken betreffende defensie en kernkwaliteiten van toepassing. Echter deze zaken hebben geen directe invloed op de inrichting van het plangebied.
2.4
Conclusie
Het rijksbeleid werkt niet rechtstreeks door in het plangebied. Voor het voorliggende bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met het geldende gemeentelijke- en provinciale beleid, wanneer rekening wordt gehouden met de stedenbouwkundige en milieutechnische inpassing. Hierop wordt nader ingegaan in de volgende hoofdstukken.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 13
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
3.1
Ontstaansgeschiedenis
3.1.1
Dorpsontwikkeling
Het zuidoosten van Drenthe kenmerkte zich eeuwenlang als een vrijwel onbegaanbaar deel van het 50.000 ha grote Boertanger moeras. In 1788 ontstonden aan de Duitse kant van het grote veengebied de eerste bovenveendorpen. Het land werd verpacht en bouwrijp gemaakt door het ontwateren van het veen. Er werd boekweit verbouwd en schapen gehouden. De bewoners hadden het recht om een stuk van het veenoppervlak tot aan de Runde door hun vee te laten beweiden. Door dit recht van samen weiden (jus compascui) is de naam Compascuum ontstaan. 'Compascuum' komt van 'compascere', wat Latijn is voor 'samen weiden'. Samengevat betekent Barger-Compascuum gemeenschappelijke weide van (noord en Zuid) Barge. In 1860 werd het gebied aan de Nederlandse kant door de boeren van Noord- en Zuidbarge verkocht. Rond 1861 vestigden voornamelijk Duitse immigranten zich in het gebied ten noordwesten van het huidige centrum van Barger-Compascuum. Dit gebied heette "het Voorste Compascuum". Het verbod voor het bouwen van woningen met een stookplaats werd opgeheven in 1867. Hierdoor konden zich koloniën in het veen ontwikkelen. Rond 1900 is er een begin gemaakt met het ontsluiten voor de turfgraverij van het overblijvende gebied tussen Emmer-Compascuum en het Echtenskanaal. Omstreeks 1910 is het graven van het Verlengde Oosterdiep begonnen. Naast hoofdkanalen werden er wijken en greppels gegraven.
Deze waren noodzakelijk om de veenmoerassen eerst te ontwateren voordat er met de vervening kon worden begonnen. Er waren verschillende typen ontwateringssystemen. Bij Barger-Compascuum ligt een systeem waarin de wijken aan de achterzijde verbonden zijn door een achterdiep. In 1923 kwamen de eerste wegen en groeide het dorp rondom de kruising van wegen langs het Verlengde Oosterdiep en de Postweg. De bestaande bijzondere bebouwing in de kern was geheel georiënteerd op dit centrum. Het room-katholieke kerk complex, de pastorie, de lagere school en het verenigingsgebouw maakten daarvan het belangrijkste deel uit. Rond 1950-1960 is het dorp aan de noordwestzijde (De Stekker, St. Jozefstraat), alsmede aan de zuidwestzijde (Pastoor de Klaverstraat, Pastoor Vroomstraat) uitgebreid. In de jaren zestig is het dorp uitgebreid aan de zuidoostzijde (Jan Berendstraat). Tussen 1965-1975 is ten noorden van de Postweg, aansluitend aan de bestaande bebouwing langs het Verlengde Oosterdiep, een complex vrijstaande en dubbele woningen en strokenbouw gebouwd. In de periode vanaf 1990 tot heden is het dorp uitgebreid in noordoostelijke richting van de Postweg.
Deze uitbreiding wordt gezien als een afronding van het dorp in oostelijke richting, aangezien aan de oostzijde in de richting van de Limietweg is voorzien in de aanleg van een bos om de afronding in de oostelijke richting kracht bij te zetten. 3.1.2
Stedenbouwkundige structuur
In tegenstelling tot de meeste veenkoloniën in het gebied is Barger-Compascuum een vrij compact dorp met weinig lintbebouwing. Het karakter van het dorp bestaat uit een verkavelingsstructuur die gebaseerd is op twee richtingen die haaks op elkaar staan (Verlengde Oosterdiep met de parallelwegen en de haaks daarop aansluitende Postweg). De belangrijkste structurerende routes in het plangebied is het veenkoloniale profiel met de parallelwegen. Deze route wordt aan weerszijden begeleid door laanbeplanting. Haaks hierop ligt de Postweg met lintbebouwing. 14 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
Barger-Compascuum kent woonbuurten uit verschillende tijdperken. Qua beeldvorming en opzet zijn ze verschillend, onder andere door de tijd waarin ze zijn ontstaan. De woonbuurten hebben wel één aspect gemeen, namelijk het feit dat er een stedenbouwkundig plan aan ten grondslag lag. Daardoor is niets in de woonbuurten per toeval ontstaan, maar is dat wat we zien de invulling van een stedenbouwkundige visie die geldt voor de stratenpatronen, de landschappelijke elementen en ook voor de bebouwingstypologie en de architectonische kwaliteit en de verschijningsvorm van de gebouwen.
3.2
Huidige situatie
Het voorliggende bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)' vervangt gedeeltelijk het vigerende bestemmingsplan 'Barger-Compascuum'. Het plangebied kan volgens het vigerende bestemmingsplan gebruikt worden voor maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van onderwijs (bestemming 'Maatschappelijk - Onderwijs'). Dit zijn voorzieningen voor het uitoefenen van activiteiten gericht op educatieve dienstverlening, waaronder: basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, peuterspeelzaal, kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en brede school. Alle gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht. Een klein deel van het plangebied aan de zuidwestzijde is bestemd voor groen(voorzieningen) (bestemming 'Groen'). Het plangebied is een groen hofje in een uitbreidingswijk uit de jaren 1950-1960 aan de zuidoostzijde van het dorp. Hier bevinden zich hoofdzakelijk projectmatig gebouwde woningen van het type twee-onder-één-kap. Een afwijking hierop zijn de twee vrijstaande woningen aan de Pastoor Vroomstraat. De woningen bestaan uit één bouwlaag en twee bouwlagen met een zadeldak. De woningen met twee bouwlagen zijn voorzien van een flauwe dakhelling. De projectmatige gebouwde woningen zijn grotendeels in het bezit van een woningbouwvereniging.
Hierdoor is de oorspronkelijke bouwvorm van het hoofdgebouw met standaard aanbouw redelijk intact. Binnen het plangebied is het voormalige schoolgebouw De Hille uit 1970 aanwezig. Het schoolgebouw is aan de noord-, west- en zuidzijde omringd door een groenstrook met aansluitend een straat. Aan de oostzijde van het schoolgebouw ligt het schoolplein met daarnaast een aantal woningblokken die gebouwd zijn in 1994. In de openbare ruimte zijn een aantal parkeerplaatsen gesitueerd ten behoeve van de voormalige basisschool. Het voormalig schoolgebouw staat samen met de drie bouwblokken aan de oostzijde in een ruime groene setting. Door de uniformiteit en oriëntatie van de woningen, een goede oriëntatie van de woningen en de aanwezigheid van diverse groenstroken voor de woningen is het oorspronkelijke concept nog intact.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 15
Figuur 3.1: Beeld huidige situatie.
3.3
Planbeschrijving
3.3.1
Ruimtelijke afweging
De school is verkocht onder voorbehoud van een onherroepelijk bestemmingsplan. Koper heeft een aanvraag ingediend om het bestemmingsplan aan te passen om een herontwikkeling planologisch mogelijk te maken. De herontwikkeling betreft het transformeren van het voormalige schoolgebouw naar vier woningen en de realisatie van twee grondgebonden vrijstaande woningen op het schoolplein . Door aanvrager is een kavelschets gemaakt.
Figuur 3.2: Kavelschets woningen. Met het transformeren van het voormalige schoolgebouw naar vier woningen wordt leegstand en verloedering van het gebouw tegengegaan. De woningen liggen in een rustige woonbuurt waar veel senioren wonen. De vraag naar woonruimte voor senioren zal door de vergrijzing alleen maar toenemen in de toekomst. Ruimtelijk gezien verandert uitsluitend het gebruik en de bijbehorende verkeersbewegingen en het parkeren. Het aantal verkeersbewegingen neemt bij de functie wonen af ten opzichte van het aantal bij een maatschappelijke functie (school). Het verzoek leidt niet tot een aantasting van woon- en leefgenot in de omgeving en leidt niet tot een aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld.
16 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
3.3.2
Stedenbouwkundige uitgangspunten
Met het plan wordt aangesloten bij de stedenbouwkundige structuren van de omgeving. De twee nieuw te bouwen vrijstaande woningen worden zodanig gesitueerd dat het samen met het te transformeren schoolgebouw zorgt voor een samenhangend geheel. Deze twee woningen bestaan uit één bouwlaag en worden plat afgedekt. Ze zijn bestemd voor de doelgroep senioren. Het ingediende bouwplan is opgenomen als Bijlage 2. Ten behoeve van de herontwikkeling van het voormalige schoolgebouw en schoolterrein zijn de volgende stedenbouwkundige uitgangspunten en randvoorwaarden gesteld: 1. De te herontwikkelen school blijft herkenbaar als schoolgebouw; 2. Nieuwbouw van vrijstaande woningen blijft binnen de aangegeven bebouwingsgrens en zorgt samen met het te transformeren schoolgebouw voor eensamenhangend geheel; 3. De te herontwikkelen school en nieuwbouw van de grondgebonden woningbouw bestaande uit één bouwlaag en plat afgedekt worden gerealiseerd voor de doelgroep senioren; 4. De verkaveling sluit logisch aan op het naastgelegen cluster en laat de groenzone aan de Pastoor Vroomstraat doorlopen; 5. Het groen zal openbaar gebied worden en blijft in eigendom van gemeente; 6. Bergingen, garages en/of mogelijk losse bijgebouwen worden binnen het bouwvolume of/en binnen de bebouwingsgrens opgelost; 7. De groenstructuur en bomen worden gerespecteerd en ingepasd waar mogelijk; 8.
Bij het kappen van bomen dienen deze te worden herplant ter versterking van groenstructuur ten westen plangebied. 9. Inritten wordenten noorden en zuiden van het plangebied gerealiseerd. Er komen geen inritten vanaf de Pastoor Vroomstraat ten westen van het plangebied; 10. Inritten worden gecombineerd ten behoeve van het minimaliseren van inritten door groen; 11. Bij het realiseren van erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte dienen deze groen te worden vormgeven (haag); 12. Parkeren dient op eigen terrein achter de bebouwingsgrenzen van het naastgelegen cluster gesitueerd te worden; 13. De haaksparkeerplaatsen gelegen ten zuiden van het plangebied zullen worden opgeheven zodat er weer een doorlopende groenzone ontstaat; 14. Er dient minimaal 8 meter openbaar groen behouden te blijven tussen het bestaand bebouwingscluster en de toe te voegen woningen.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 17
Hoofdstuk 4
Onderzoeken en milieubeoordeling
4.1
Archeologie en monumenten
4.1.1
Algemeen
4.1.1
Algemeen
Op 30 mei 2013 is het gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld. Hiervoor is een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt met daarbij een rapport. Dit rapport dient als toelichting op de kaart. Het doel van deze documenten is om aan te geven wat de kern vormt van het archeologiebeleid en waarop de beleidskeuzes zijn gebaseerd. De verschillende archeologische waarden en verwachtingen en de maatregelen die daaraan zijn gekoppeld zijn in de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart vertaald naar diverse categorieën 'Waarde - Archeologie'. Met de vertaling is op eenvoudige wijze voor het gehele gebied van de gemeente Emmen in beeld gebracht of archeologische waarden in het geding zijn of kunnen zijn en zo ja, op welke manier daarmee dient te worden omgegaan. Onderstaande tabel geeft de onderverdeling van de vier gemaakte categorieën weer.
4.1.2
Archeologische waarden in het plangebied
Het plangebied Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie) is volgens de beleidskaart gelegen in een gebied met een lage verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Gebieden met een lage verwachting op het aantreffen van archeologisch waarden zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
4.2
Ecologie
4.2.1
Algemeen
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voorheen Ecologische Hoofdstructuur- is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en 18 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor de provincie Drenthe uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarop gebiedsbeschermingsregels van toepassing zijn. De afstand tot het Natura 2000-gebied Bargerveen is ruim 6 kilometer. In paragraaf 4.2.2 is de toetsing aan de Wet natuurbescherming nader beschreven. Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten.
Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplanting- of rustplaatsen van dieren, danwel ontworteling of vernieling van plantensoorten; er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Houtopstanden In de Wnb is de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom geregeld. Doel is de instandhouding van het bosareaal. In de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Drenthe is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Bomenverordening gemeente Emmen 2011. In het bijbehorende bomenregister zijn de monumentale en waardevolle bomen en waardevolle houtopstanden vastgelegd. Zonder vergunning is het verboden deze te kappen. 4.2.2
Toetsing Wet natuurbescherming
Bij de planologische inpassing van twee geprojecteerde woningen en het transformeren van een voormalig schoolgebouw naar vier wooneenheden hoeft niet te worden onderbouwd of deze activiteiten leiden tot een ontoelaatbare toename van de stikstofdepositie in een kwetsbaar Natura 2000-gebied of dat de stikstofdepositie tot een onacceptabele aantasting van de natuur in dit gebied zal leiden. De afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied Bargerveen en de omvang van het project zijn zodanig dat deze geen invloed hebben op dit gebied. Het toetsingskader van de Wet natuurbescherming staat de realisatie van het voorgenomen bouwproject niet in de weg. Een vergunningprocedure Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. 4.2.3
Natuurwaarden in het plangebied
De locatie kan volgens het vigerende bestemmingsplan gebruikt worden voor maatschappelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen voor het uitoefenen van activiteiten gericht op educatieve dienstverlening, waaronder: basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, peuterspeelzaal, kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en brede school. De locatie is voorheen in gebruik geweest als basisschool en het terrein is grotendeels verhard. Gelet op het mogelijke gebruik van de locatie volgens het vigerende bestemmingsplan en de huidige inrichting van het plangebied, is het uitvoeren van nader flora- en fauna onderzoek binnen het plangebied niet noodzakelijk geacht.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 19
4.2.4
Conclusie
Op basis van de Wet natuurbescherming is de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Daarbij geldt voor alle bouwactiviteiten dat er voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden, waardoor: de aanvang van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot begin augustus) dient plaats te vinden; een week voor de werkzaamheden beginnen, het plangebied kort gemaaid dient te worden, zodat het plangebied ongeschikt wordt voor kleine zoogdieren en ze de kans krijgen om te vluchten; (wortel)schade aan de (oude) bomen wordt voorkomen en geen graafwerkzaamheden binnen de kroonprojectie van deze oude bomen kan plaatsvinden.
4.3
Fysieke veiligheid
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dat in oktober 2004 van kracht werd, verplicht het bevoegd gezag de externe veiligheid mee te wegen in het beleid. Het Bevi stelt grenzen aan het risico dat bedrijven mogen veroorzaken voor hun omgeving (het 'plaatsgebonden risico'). Zo moet er tussen risicovolle bedrijven en risicogevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen, scholen) een bepaalde afstand blijven, om mensen in de omgeving te beschermen. Daarnaast gaat het besluit in op de kans op een ramp waarbij een groep mensen betrokken is (het 'groepsrisico'). Voor het groepsrisico geldt dat onderbouwing van het risico plaats dient te vinden als er besluiten genomen moeten worden die vermeld zijn in de artikelen 4 en 5 van het Bevi. Voor het vaststellen van het besluit dient het bestuur van Veiligheidsregio Drenthe in de gelegenheid gesteld te worden advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Het Bevi dient te worden toegepast voorafgaande aan de vaststelling van een bestemmingsplan. Beoordeeld dient te worden of voor burgers het minimum beschermingsniveau gehandhaafd wordt. Een nadere concretisering van het besluit is opgenomen in de (ministeriële) "Regeling externe veiligheid inrichtingen" (Revi).
Hierin zijn onder andere de LPG-afstanden (Plaatsgebonden Risicocontouren) opgenomen. 4.3.1
Fysieke veiligheidssituatie
4.3.1.1 Bevi-inrichtingen binnen en buiten het plangebied Het plangebied en de omgeving is geïnventariseerd op de aanwezigheid van zogenoemde Bevi-bedrijven. Er zijn binnen en in de nabijheid van het plangebied geen Bevi-bedrijven gelegen. 4.3.1.2 Buisleidingen Het plangebied en de omgeving is geïnventariseerd op de aanwezigheid van buisleidingen. Er zijn binnen en in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen gelegen die van invloed kunnen zijn op de realisatie van woningen binnen het plangebied. 4.3.1.3 Route gevaarlijke stoffen Er bevinden zich binnen of in de nabijheid van het plangebied geen transportroutes van gevaarlijke stoffen. 4.3.1.4 Hoogspanningslijnen Binnen en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gesitueerd die nadelig op het plangebied kunnen werken. 4.3.1.5 Conclusie Binnen en nabij het plangebied zijn geen bedrijven, transportroutes en buisleidingen gelegen waarbij rekening moet worden gehouden met het aspect externe veiligheid. 20 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
4.3.2
Gegevens ten behoeve van nadere inrichting en ontwikkeling in het plangebied
Zodra plannen ontwikkeld worden dient de brandweer in een vroeg stadium bij de plannen betrokken te worden om op basis van het beoogde veiligheidsniveau een advies te kunnen uitbrengen op de inrichting en ontwikkeling van het gebied. Hiervoor zijn de volgende zaken van belang: 1. Voor het bestrijden van een brand is de brandweer afhankelijk van een goede bluswatervoorziening. Conform de Wet op de Veiligheidsregio's moet een gemeente zorgen voor een openbare bluswatervoorziening. Bij locaties waar geen toereikende openbare bluswatervoorziening kan worden aangelegd, zal de eigenaar moeten zorgen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening in overleg met de brandweer. Vanaf 1 januari 2014 maakt de brandweer gebruik van tankautospuiten en tankwagens, aangevuld met vulpunten voor de tankwagens als primaire bluswatervoorziening. Er hoeven ten behoeve van deze ontwikkeling geen vulpunten bijgeplaatst te worden. 2. Het plangebied valt binnen de dekking van het Waarschuwingsalarmeringstelsel. Dit is conform de handleiding voor het WAS systeem (HAVOS). Op grond van de Wet op de veiligheidsregio's (okt. 2010) is de Veiligheidsregio Drenthe, in geval van calamiteit, verantwoordelijk voor het waarschuwen en alarmeren van de bevolking door middel van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem.
Als gevolg van deze taak zijn binnen de gemeente sirenes geplaatst op een zodanige wijze dat een optimale dekking gerealiseerd is binnen de gemeente. Met betrekking tot het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) is het voornemen van de minister van Veiligheid en Justitie dat deze per 2020 komen te vervallen. In de toekomst wordt bij grote rampen alarm geslagen via onder meer calamiteitenzenders, geluidswagens, NL-Alert en sociale media. Het voordeel van deze communicatiemiddelen is dat ze veel gerichter kunnen worden ingezet. 3. Het is belangrijk dat in geval van calamiteiten hulpverleningsdiensten direct ter plaatse kunnen komen en zonder beperkingen hulp kunnen verlenen. Om die reden dienen alle objecten in het plangebied via twee onafhankelijke wegen bereikbaar te zijn voor de hulpverleningsdiensten. Het gebied voldoet aan deze vereisten. 4. Het dekkingsplan van Veiligheidsregio Drenthe is vastgesteld in december 2013. Hierin staat beschreven dat het brandverloop tegenwoordig zo snel verloopt, dat drie zaken zeer belangrijk zijn om slachtoffers te voorkomen: het voorkomen van brand, het ontdekken van brand en het vluchten bij brand. Bij het vluchten bij brand heeft men een eigen verantwoordelijkheid of is men aangewezen op de BHV-organisatie.
De brandweer heeft in beginsel als taak het houden van een brandscheiding ter voorkoming van branduitbreiding en het beschermen van (niet-zelfredzame) personen achter die scheiding. Desondanks dat een woning bij een brand als verloren kan worden beschouwd, wordt geadviseerd de brandveiligheidsmaatregelen op elkaar af te stemmen. bouwkundige voorzieningen, bijv. een extra brandwerende scheiding tussen woning en garage; installatietechnische voorzieningen, bijv. woningrookmelders - woningsprinklers; organisatorische voorzieningen, bijv. vluchtplan voor de bewoners; brandweeropkomsttijd, vrij houden van wegen / zo min mogelijk verkeersbelemmerende maatregelen; inventaris, toepassen van moeilijk brandbaar materiaal; zelfredzaamheid van de aanwezigen, toepassen veilige vluchtroutes. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de twee te bouwen woningen wordt de nodige aandacht aan besteed aan de hierboven benoemde brandveiligheid.
4.4
Milieu
4.4.1
Vormvrije m.e.r.
In het Besluit m.e.r. zijn drempelwaarden opgenomen voor wanneer er een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Sinds de wijziging van het Besluit op 1 april 2011 is een beoordeling van een activiteit die op de D-lijst van het Besluit m.e.r. voorkomt noodzakelijk, ook al ligt de omvang van de activiteit (ver) onder de drempelwaarde. In voorliggend bestemmingsplan Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 21
schoollocatie) komen geen activiteiten voor die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.. Vanwege de afwezigheid van die activiteit(en) hoeft geen vormvrije m.e.r. -beoordeling plaats te vinden. 4.4.2
Bedrijven en milieuzonering
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt vergt het inpassen van nieuwe functies in het plangebied een goede afstemming met de andere, in de omgeving aanwezige functies. Binnen het plangebied is sprake van de realisatie van twee vrijstaande woningen en het transformeren van een voormalig schoolgebouw in vier woningen. In de directe omgeving zijn geen bedrijven gelegen die door de realisatie van een woning in de bedrijfsexploitatie zouden kunnen worden beperkt. Hieronder worden de gevolgen van het onderhavig plan beschreven voor de milieuaspecten. 4.4.3
Bodem
Het college van burgemeester en wethouders heeft op 5 maart 2013 de Beleidsregel Bodemkwaliteit vastgesteld. Om de kwaliteit te waarborgen, moet grondverzet worden gemeld bij het landelijk meldpunt. Om het verplaatsen van grond te vereenvoudigen, heeft de gemeente Emmen een aantal kaarten ontwikkeld. Deze bodemkwaliteitskaarten zijn als bijlage in de Nota Bodembeheer opgenomen. Aan de hand van deze kaarten is het mogelijk om zonder voorgaand onderzoek grond te ontgraven en toe te passen. Partijen grond en baggerspecie die niet voldoen aan de bodemkwaliteitskaart en de Nota Bodembeheer van de gemeente Emmen mogen alleen worden toegepast als er sprake is van een nuttige toepassing. Is het werk niet 'nuttig', dan is er sprake van het zich ontdoen van afvalstoffen. Tijdelijke opslag en grootschalige toepassingen van grond en bagger zijn vormen van 'nuttig' gebruik. Tijdelijke uitname zijn werkzaamheden waarbij de grond na korte tijd weer teruggebracht wordt. Een voorbeeld is het graven van een sleuf voor kabels en leidingen. In dat geval hoeft de kwaliteit van de te ontgraven bodem niet onderzocht te worden, tenzij er sprake is van (een verdenking van) bodemverontreiniging. 4.4.3.1 Bodemonderzoek Er is door ORTAGEO Noordoost B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is toegevoegd als Bijlage 3.
De conclusie uit het onderzoek is dat de aangetoonde lichte verhogingen in de grond en het grondwater geen directe aanleiding geven tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Een deel van de grond is niet toepasbaar. De bodemkwaliteit is voldoende vastgelegd. De resultaten vormen geen belemmering voor de geplande transactie. De bodem op de onderzoeklocatie is milieuhygiënisch geschikt voor de functie wonen met tuin. De vrijkomende grond kan niet zomaar worden afgezet. Geadviseerd wordt om voor de afzet van de grond een partijkeuring uit te laten voeren om de daadwerkelijk afzetmogelijkheden te bepalen. Indien de grond vanaf de locatie word afgevoerd, is bij hergebruik elders het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Indien de grond elders wordt toegepast, dient toestemming te worden verkregen van het bevoegd gezag en kan onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit gevraagd worden. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de conclusie is gebaseerd op het vooronderzoek en de onderzoeksresultaten van dit onderzoek. Dit verkennend bodemonderzoek schetst een algemeen beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Bij eventueel grondverzet dient men rekening te houden met mogelijk plaatselijke voorkomende afwijkingen.
22 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
4.4.4
Geluid
Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Voor het plangebied is mogelijk alleen wegverkeerslawaai relevant. Het plangebied is niet gelegen binnen zones van spoorwegen of industrieterreinen. 4.4.4.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Conform de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform art. 74 lid 2 Wgh zijn de onderstaande wegen hiervan uitgezonderd: 1. Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; 2. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.
De breedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied. Onderstaand zijn deze zonebreedtes (conform art. 74 Wgh) aangegeven: in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken: 200 meter. De afstanden zoals weergegeven worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. De Pastoor Vroomstraat, Pastoor de Klaverstraat en Meester van den Boschstraat betreffen wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Dit betekent dat deze wegen geen zone hebben en dus niet getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder. 4.4.5
Lucht
De Wet luchtkwaliteit is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling. Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIMB) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. 4.4.5.1 Algemeen beeld luchtkwaliteit plangebied De realisatie van twee vrijstaande woningen is een project dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Omdat er verder geen significante ontwikkelingen in het plangebied of rondom het plangebied gepland zijn, zal de concentratie van de NOX en fijnstof niet veranderen. Hierdoor betekent de luchtkwaliteit geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraat 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld) 23
4.5
Waterparagraaf
4.5.1
Inleiding
Waterschappen zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van waterveiligheid en het tegengaan van wateroverlast en watertekort. Hiernaast zorgen waterschappen ervoor dat de kwaliteit van het oppervlaktewater goed blijft en waar nodig verbeterd. Het is van belang dat deze taken zowel nu als in de toekomst uitvoerbaar blijven. Om dit te kunnen waarborgen worden ruimtelijke plannen en ontwikkelingen getoetst op hun impact op het watersysteem. Waterschap Hunze en Aa's streeft ernaar om de impact van dergelijke plannen en ontwikkelingen zoveel mogelijk waterneutraal te houden en om waar mogelijk positieve impact te stimuleren. Op grond van artikel 12 uit het Besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Om deze waterparagraaf te kunnen opstellen moet de watertoets-procedure worden doorlopen; van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren en afwegen tot aan de uiteindelijke beoordeling van de impact van het plan of de ontwikkeling op het watersysteem. In de waterparagraaf moet het door het waterschap afgegeven advies zijn meegenomen; de in deze uitganspuntennotitie verstrekte adviezen dienen hiertoe. De uitgevoerde watertoets en het resultaat zijn opgenomen als 5.3. Voorin het document (bij onderdeel 1) zijn in de definitieve uitganspuntennotitie plan-specifieke en aanvullende uitgangspunten opgesteld.
De verdere opbouw van dit document bestaat uit 5 thema`s; Waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit, aanvullende waterschapsbelangen en verdere betrokkenheid van het waterschap. Per thema is voor dit plan relevante informatie opgenomen en zijn uitgangspunten opgesteld. Ten slotte is de verdere gewenste betrokkenheid van het waterschap bij het vervolg van het planproces beschreven. 4.5.2
Waterveiligheid
Waterveiligheid betreft het voorkomen, zo mogelijk uitsluiten, van levensbedreigende overstromingsrisico's voor mens en dier en het voorkomen van schade aan have en goed. Risico's die met name zullen optreden bij het doorbreken van een zeekering (primaire kering) of boezemkade (secundaire kering). Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, alle waterschapsbelangen beschreven die vanwege de waterveiligheid extra bescherming genieten of anderzijds van belang zijn voor de waterveiligheid. 4.5.3
Waterkwantiteit
Het waterschap heeft als taak de zorg voor voldoende water in droge perioden als de afvoer in perioden van overvloed. Een vergrote kans op wateroverlast of watertekort dient dus voorkomen te worden. Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, de voor dit plan gerelateerde belangen beschreven die in meer of mindere mate de waterkwantiteit beïnvloeden. Wateroverlast vanuit het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Overtollig grond- en hemelwater dat tot afvoer komt volgt de trits: ''vasthouden, bergen, afvoeren''. 4.5.3.1 Verhardingstoename In het ingediende plan neemt het verharde oppervlak niet toe boven de compensatiedrempel. De compensatiedrempel betreft voor stedelijk gebied of kassengebieden een verharding van het oppervlak met meer dan 150 m2 of in het buitengebied met meer dan 1500 m2 (Keur Waterschap Hunze en Aa s). De kans op inundatie wordt niet of nauwelijks vergroot. Het is daarom niet noodzakelijk compenserende waterberging aan te leggen.
24 t 26 (herontwikkeling schoollocatie)" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Pastoor Vroomstraa
4.5.3.2 Scheiden schoon hemelwater en vuilwater In grote delen van het beheergebied zijn nog gemengde rioolsystemen aanwezig. In dergelijke systemen wordt het relatief schone hemelwater vermengd met vuilwater en wordt het vervolgens naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) van het waterschap gebracht. Na zuivering wordt het water geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Het transport van schoon hemelwater via het gemeentelijk rioolstelsel en het behandelen via een RWZI is niet duurzaam. Om deze reden zal hemelwater alleen op het vuilwaterriool kunnen worden geloosd als het hemelwater; niet kan worden hergebruikt (opvang) en/of kan afvoeren via de bodem, het openbaar regenwaterstelsel, een oppervlaktewaterlichaam zonder een specifieke functie, of via een kwetsbaar oppervlaktewaterlichaam. Wijzigingen in de behandeling van het hemelwater en vuilwater kunnen echter voor overlast zorgen als mogelijke ongewenste gevolgen onvoldoende bekend zijn en waar nodig zijn verholpen. Rechtstreekse afkoppeling van hemelwater (via een hemelwaterriool) naar het oppervlaktewater (vijvers en sloten) kan dit wateroverlast veroorzaken, als het ontvangende oppervlaktewater niet hiervoor de capaciteit heeft en/of aanwezige kunstwerken (o.a. duikers, stuwen en inlaatwerken) het aangeboden water niet kan verwerken. 4.5.4
Waterkwaliteit
Om de waterkwaliteit te waarborgen heeft het waterschap de zorg voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water, waarin systeem-specifieke dieren en planten voorkomen. In de eerste plaats is dit van belang voor de grotere beken, kanalen en meren waarvoor binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) doelen en maatregelen zijn opgesteld voor aangewezen waterlichamen. Daarnaast is een goede waterkwaliteit van belang voor het recreatief medegebruik als zwemmen en kanoën en voor het stelsel van kleinere watergangen voor water aan- en afvoer. In dit thema zijn, indien van toepassing, alle voor dit plan specifieke waterschapsbelangen beschreven die impact hebben op de waterkwaliteit. Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling door bedrijfsmatige activiteiten te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuild is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd. Dit volgt de trits: ''schoonhouden, scheiden, zuiveren''. 4.5.5
Aanvullende waterschapsbelangen
Onder dit thema zijn, indien van toepassing, een aantal onderwerpen opgenomen die mogelijk een belang raakt voor het waterschap of die van gerelateerde partners. Dit betreft enerzijds locatie specifieke eigenschappen die in een toekomstige situatie de effecten op het waterbeheer kunnen vergroten. Anderzijds kunnen ook watergerelateerde gebiedseigenschappen zijn opgenomen buiten de jurisdictie van het waterschap, maar die wel indirect de belangen van het waterbeheer raken. 4.5.6
Verdere betrokkenheid waterschap
Voor alle voor dit plan relevante watergerelateerde onderwerpen zijn in dit document uitgangspunten opgenomen. Voor de verdere procedurele afhandeling van het ruimtelijk plan (voorontwerp en ontwerp), is het van belang om het waterschap te blijven informeren en te betrekken en hierin rekening te houden met deze uitgangspunten. In de waterparagraaf dient worden aangegeven op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de belangen met betrekking tot het waterbeheer. Het waterschap kan altijd geraadpleegd worden voor overleg en nadere uitleg. 4.5.7