Bijlage 4 - Bijlagen Buitengebied Weerdinge, trafo- en schakelstation Emmen Weerdinge
Tekst van het document
Verstoren mag wel indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Bovenstaande houdt in dat de nesten van alle inheemse soorten zijn beschermd indien deze in gebruik zijn. Voor het verstoren van broedende vogels is een ontheffing nodig. Net als onder de Flora- en faunawet, zijn nestplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw.
3.1.2 Overige soorten Voor overige Europees beschermde soorten (uit bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn) is artikel 3.5 van toepassing. Volgens dit artikel is het verboden Europees beschermde soorten:
opzettelijk te doden of te vangen; opzettelijk te verstoren; eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen; planten opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 14 van 30
In de Wet natuurbescherming is een lijst met nationaal beschermde soorten opgenomen. Hierop is artikel 3.10 van deze wet van toepassing. Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming houdt in dat het verboden is nationaal beschermde soorten: opzettelijk te doden of te vangen; voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen; planten opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Provincies beslissen zelf voor welke soorten van deze lijst een vrijstelling geldt.
3.2
Gebiedsbescherming
3.2.1 Natura 2000 Met de Wet natuurbescherming is de gebiedsbescherming van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen worden aangeduid als Natura 2000-gebieden. In het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied zijn zowel de te beschermen waarden van de Vogelrichtlijn- als het Habitatrichtlijngebied opgenomen. Dit zijn habitattypen of soorten die typerend zijn voor een bepaald gebied. Deze kwalificerende habitattypen en soorten zijn in het aanwijzingsbesluit opgenomen als zogenaamde instandhoudingsdoelen. Elk gebied is specifiek voor een of meer van deze instandhoudingsdoelen aangewezen. Met deze nationale deelverplichtingen wordt bijgedragen aan de Europese verplichting die beoogt het goede voortbestaan van deze natuurwaarden zeker te stellen. Indien er sprake is van “verslechtering of significante verstoring” of “significante gevolgen” op een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig. Deze wordt aangevraagd bij de provincie waar de ingreep plaatsvindt. De effecten op de beschermde waarden kunnen zowel direct als indirect (externe werking) zijn. “Extern” betekent zowel dat instandhoudingsdoelen beschermd moeten zijn tegen invloed van buiten het gebied als dat soorten die een levensfunctie buiten het gebied hebben, daar ook volledige bescherming genieten.
Bij het bepalen of de ontwikkeling negatieve gevolgen kan hebben, moet ook rekening gehouden worden met de overige ontwikkelingen in de omgeving van het beschermde gebied. Door een combinatie (cumulatie) van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken.
3.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van gebieden met veel natuurwaarden. Het NNN moet voorkomen dat planten en dieren door isolatie van gebieden uitsterven en dat de Nederlandse biodiversiteit afneemt. In het NNN zijn opgenomen:
Natura 2000-gebieden, bestaande natuurgebieden, reservaten en natuurontwikkelingsgebieden en (robuuste) verbindingen; landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden); grote wateren.
Voor het NNN geldt het toetsingskader van het Structuurschema Groene Ruimte 1995 (SGR). Dit is overgenomen in de Nota Ruimte. Deze nota stelt dat ruimtelijke ingrepen moeten worden getoetst op mogelijk negatieve effecten voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Voor het hele Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 15 van 30
NNN geldt een ‘nee, tenzij beginsel’. Op grond hiervan dient directe of indirecte aantasting van bosen natuurgebied waar mogelijk te worden voorkomen. Er is vrijwel altijd een compensatieverplichting in het provinciaal beleid opgenomen.
3.3
Houtopstanden
Artikelen 4.1 t/m 4.5 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van houtopstanden. Hiervoor zijn in de meeste gevallen provincies verantwoordelijk, voor enkele Rijkseigendommen, zoals terreinen van RWS en het Koninklijk huis is het Rijk verantwoordelijk. Een bij Wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van meer dan tien are of meer dan 20 bomen in één of meerdere rijen, gelegen buiten de bebouwde komgrens Wet natuurbescherming. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Voor specifieke houtopstanden zoals éénrijige populieren langs landbouwpercelen of specifieke velmaatregelen gelden uitzonderingsregels. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Provincies kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond. Daarnaast kunnen ook per gemeente regels gelden ten aanzien van kap van bomen (APV).
3.4
Zorgplicht
In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Deze geldt voor zowel soorten als gebieden. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In artikel 1.11 is het als volgt verwoord: De zorg houdt in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt (…); a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 16 van 30
4. METHODE 4.1
Literatuurstudie
Voorafgaand aan het veldbezoek is gestart met een bureaustudie naar het voorkomen van flora en fauna ter plaatse van de onderzoekslocatie en de nabije omgeving. Deze bureaustudie heeft bestaan uit het opvragen van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen tien jaar. Hierin is een overzicht gegeven van de ontheffingsplichtige soorten in de Wet natuurbescherming binnen een straal van ongeveer een kilometer rond de onderzoekslocatie. Deze staan weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 4.1. Beschermde soorten binnen een kilometer van het onderzoeksgebied.
Soort
Bescherming Grondgebonden zoogdieren
Das Eekhoorn
Wnb art. 3.10 Wnb art. 3.10 Amfibieën
Heikikker Kamsalamander Knoflookpad Poelkikker
Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV Vogels
Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Buizerd* Gekraagde roodstaart Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Havik* Koolmees Pimpelmees Roek* Zwarte mees Zwarte roodstaart
Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 4 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 4 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 2 Categorie 5 Categorie 5
*Nesten van vogels die behoren tot categorie 1 tot en met 4 zijn jaarrond beschermd. Nesten van soorten die vallen onder categorie 5 zijn eveneens jaarrond beschermd als er onvoldoende alternatieve nestlocaties overblijven in de omgeving. Hoewel deze vogelsoorten vaak terugkeren naar de plaats waar zij het voorgaande jaar hebben gebroed, beschikken ze wel over voldoende flexibiliteit om zich elders te vestigen. Verder is gebruik gemaakt van bestaande literatuur (verspreidingsatlassen en dergelijke). Er zijn geen gegevens aangekocht van bijvoorbeeld PGO’s (Particuliere Gegevensbeherende Organisaties).
4.2
Veldbezoek
De uitvoering van het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 12 december 2019 en is uitgevoerd door mevrouw S. Nap van Eco Reest. Het veldbezoek heeft overdag plaatsgevonden. Tijdens de inventarisatie waren de weersomstandigheden als volgt: droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft, temperatuur 6 graden Celsius. Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 17 van 30
Het bezoek is erop gericht om te beoordelen of de onderzoekslocatie geschikte biotopen bevat voor beschermde dier- en plantensoorten. Hiervoor zijn de onderzoekslocatie en de nabije omgeving onderzocht op potentiële leef- en groeiplaatsen van beschermde dier- en plantensoorten.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 18 van 30
5. RESULTATEN Onderstaand zijn de resultaten van zowel het literatuuronderzoek als het veldbezoek weergegeven.
5.1
Vaatplanten
De NDFF maakt geen melding van beschermde vaatplanten binnen een straal van een kilometer rond de onderzoekslocatie. Beschermde vaatplanten zijn eveneens niet aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Het bosgebied bestaat hoofdzakelijk uit zomereiken. Goede groei van zomereiken is alleen mogelijk op voedselrijke zand-, klei-, leemgronden (Bomenstichting). Een gedeelte van de bomen is begroeid met klimop. Klimop is eveneens een plant die hoofdzakelijk op voedselrijke grond groeit. Daarnaast is er veel ondergroei van struiken, bosschages en verschillende soorten vaatplanten waaronder: boerenwormkruid, brem, dolle kervel, gewone braam, gewone vlier herderstasje, jacobskruiskruid, koninginnekruid, kleine brandnetel, pitrus, ridderzuring, speerdistel, vogelmuur en verschillende soorten grassen en algemene varens. Gezien de voedselrijke omstandigheden en het ontbreken van specifieke groeiplaatsen worden beschermde vaatplanten niet verwacht binnen de onderzoekslocatie.
5.2
Vogels
In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten bekend (NDFF): buizerd, havik en roek. Nesten van deze jaarrond beschermde soorten zijn niet aangetroffen in het bosgebied. Het leefgebied van de buizerd bestaat uit uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Het voorkeurshabitat gaat uit naar een combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel. De buizerd broedt het liefst in kruinen van bomen, vaak tegen de rand van het bos of soms lager in struiken. Buizerd paren hebben meerdere nesten in een territorium en wisselen van jaar of jaar tussen de nesten (Vogelbescherming). Tijdens het veldbezoek is een groep van vier buizerds waargenomen. De buizerds waren hoog in de lucht aan het thermiek vliegen, ze hadden geen binding met het bosgebied. Deze groep was vermoedelijk op najaarstrek vanuit Scandinavië. Binnen de onderzoekslocatie zijn ook geen nestplaatsen van buizerds aangetroffen. Eveneens zijn geen poepsporen of resten van braakballen aangetroffen. Nestplaatsen van de buizerd kunnen worden uitgesloten van de onderzoekslocatie. De havik broedt voornamelijk in naald- en loosbossen, in mindere mate in moerasbossen en soms in stadsparken.
De havik wordt steeds vaker aangetroffen in de stad afhankelijk van het voedselaanbod. Het gehele jaar door zijn ze aanwezig in hun territorium, in de winter blijven ze tot tien kilometer in de buurt van hun nesten (Vogelbescherming). Tijdens het veldbezoek is de havik niet waargenomen. Eveneens zijn geen nesten of sporen van aanwezigheid aangetroffen. De waarneming uit de NDFF berust op één waarneming in een groter bosgebied ten zuiden van de onderzoekslocatie. Gelet op het ontbreken van nesten en sporen kan een nestplaatsen van de havik worden uitgesloten van de onderzoekslocatie. De roek is een echte koloniebroeder. De nesten worden in de toppen van hoge bomen gebouwd. Kolonies van roeken bevinden zich veelal in vrijstaande, hoge groepen bomen (vaak populieren) langs Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 19 van 30
snelwegen, treinsporen, kanalen of dorpen. In de nabijheid liggen vaak graslanden waar de roek zijn voedsel zoekt (Vogelbescherming). Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van roeken aangetroffen. Ook de roek zelf is niet aangetroffen binnen of rondom de onderzoekslocatie. Uit de gegevens van de NDFF blijk dat zich een kolonie roeken bevindt op circa negenhonderd meter ten noorden van de onderzoekslocatie in een klein bosperceel nabij Weerdinge. Gelet op het ontbreken van nesten kan een roekenkolonie worden uitgesloten van de onderzoekslocatie. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn gedurende het veldbezoek enkele vogelsoorten aangetroffen. Het betreffen onder andere: buizerd, gaai, goudvink, grote bonte specht, koolmees, merel, roodborst en vuurgoudhaan. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen (jaarrond beschermde) nesten waargenomen. Er zijn wel enkele holtes van de grote bonte specht waargenomen (zie figuur 5.1). De grote bonte specht is een categorie 5 vogelsoort. Indien er voor deze soort onvoldoende alternatieve nestmogelijkheden in de omgeving aanwezig zijn is deze soort jaarrond beschermd. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een geschikt bosperceel. Daarnaast bevinden zich ten zuiden en westen van de onderzoekslocatie de grote bosgebieden het Valtherbos en de Emmerdennen.
Er zijn voor de grote bonte specht en andere categorie 5 vogelsoorten voldoende alternatieve nestplaatsen in de directe omgeving aanwezig.
Figuur 5.1. Holtes van de grote bonte specht in een van de te kappen zomereiken.
Opgemerkt wordt dat de locatie in het broedseizoen geschikt is als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten.
5.3
Grondgebonden zoogdieren
De NDFF maakt melding van de das en de eekhoorn binnen een straal van een kilometer rond de onderzoekslocatie. De das leeft bij voorkeur in kleinschalige akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, houtwallen en heggen. Tevens is de das ook veelvoorkomend in ander open terrein, zoals vochtige heidegebieden en rivierdalen. De das heeft wel verschillende voorkeuren waar zijn geschikte habitat aan moet voldoen, zo moet er voldoende dekking zijn, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een geschikte bodem waar ze goed in kunnen graven. Tevens dient er een grondwaterstand van tenminste 1,5 meter onder het maaiveld aanwezig te zijn. De das leeft voor een groot gedeelte onder Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 20 van 30
de grond in zelf gegraven holenstelsels, burchten genoemd. Deze burchten zijn vaak gelegen aan bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoogliggend terrein of op hellingen en altijd in de buurt van gras- en akkerland en water. De verspreiding van de das beperkt zich hoofdzakelijk tot de hogere gronden in het oosten, zuiden en midden van het land (Zoogdiervereniging). De das en zijn burcht zijn beide beschermd onder de Wet natuurbescherming. Tijdens het veldbezoek zijn mogelijke wroetsporen van de das aangetroffen. Op verschillende locaties zijn omgewoelde plekken in de grond zichtbaar (zie figuur 5.2). Gelet op de waarnemingen uit de NDFF is het bekend dat de das in de omgeving van de onderzoekslocatie voorkomt.
Figuur 5.2. Wroetsporen van een das.
De eekhoorn is een echte boombewoner. Eekhoorns komen met name voor in bosgebieden, maar tevens in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bosgebied. Het voorkeurshabitat van de eekhoorn gaat uit naar een ouder bos, omdat het voedselaanbod en nestgelegenheid hier hoger is. De nesten bevinden zich vaak in boomtoppen en worden doorgaans zelf gebouwd, maar ook worden boomholten, oude kraaien- of eksternesten gebruikt (Zoogdiervereniging). Tijdens het veldbezoek is de eekhoorn niet waargenomen. Tevens zijn er geen nestplaatsen van de eekhoorn waargenomen. De mogelijkheid bestaat dat de eekhoorn gebruik maakt van het te kappen bosgebied. Echter blijft er de verbinding met andere bosgebieden intact. Daarnaast betreft het te kappen gedeelte een relatief klein oppervlakte in vergelijking met de grote bosgebieden in de directe omgeving. De kap werkzaamheden zullen niet van invloed zijn op de plaatselijke populatie eekhoorns in de omgeving van de onderzoekslocatie. Daarnaast bieden de grote bosgebieden ten zuiden en westen van de onderzoekslocatie geschiktere en grote leefgebieden en nestlocaties voor de eekhoorn. Er wordt overigens opgemerkt dat sporen van kleine zoogdieren in vegetatie en bodem lastig zichtbaar zijn door de hoeveelheid afgevallen bladeren op de grond.
Gelet op het habitattype zou de onderzoekslocatie en directe omgeving, onderdeel kunnen uitmaken van het leefgebied van algemene zoogdieren zoals diverse algemene muizensoorten. Deze algemene diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten of soorten die alleen onder de zorgplicht vallen waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 21 van 30
ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast worden populaties van bovengenoemde soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen.
5.4
Vleermuizen
In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen vleermuizen bekend uit de NDFF. Dit kan de oorzaak zijn van een gebrek aan systematisch onderzoek. Het voorkomen van vleermuizen is dan ook niet op voorhand uit te sluiten.
5.4.1 Verblijfplaatsen Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in enkele bomen holtes van spechten aangetroffen. Oude holtes van spechten zijn geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In onderstaande figuur is te zien hoe een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen ontstaat. Spechten gebruiken een holte maar één tot enkele jaren. Rotting maakt de holtes op den duur ongeschikt als nestholte voor de specht. Tegelijkertijd ontstaat er een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen (bron: zoogdiervereniging). Het is dan ook niet uit te sluiten dat zich verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de onderzoekslocatie bevinden.
Figuur 5.3. Ontstaan van een geschikte verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten (bron: Zoogdiervereniging).
5.4.2 Vliegroute Bosgebieden en bomenrijen vormen lijnvormige elementen die als vliegroute kunnen worden gebruikt door vleermuizen. De aanwezigheid van vliegroutes in de omgeving van de onderzoekslocatie kan niet worden uitgesloten (zie figuur 5.4). De oostzijde van de onderzoekslocatie grenst aan een mogelijk geschikte vliegroute, een (wandel)pad met aan beide zijde bomenrijen. Bij de kapwerkzaamheden zullen mogelijk aanwezige vliegroutes niet worden aangetast, deze blijven intact.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 22 van 30
Figuur 5.4. Mogelijke vliegroute (gele pijl) ten opzichte van onderzoekslocatie (bron: Google Streetview).
5.4.3 Foerageergebied Mogelijk maakt de onderzoekslocatie deel uit van het foerageergebied van in de omgeving voorkomende soorten vleermuizen. Er zullen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voldoende alternatieve en geschiktere foerageergebieden voorhanden blijven voor vleermuizen. In de omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich op verschillende locaties waterpartijen omringd door bos.
5.5
Amfibieën en reptielen
De NDFF maakt melding van de heikikker, kamsalamander, knoflookpad en poelkikker binnen een straal van een kilometer rond de onderzoekslocatie. Waarnemingen zijn bekend ten noorden en noordoosten van de onderzoekslocatie in enkele waterpartijen (vijvers en poelen). Eén van deze vijvers grenst in het noorden aan het te kappen bosgebied (zie figuur 5.5). Bijna alle waarnemingen zijn gedaan binnen de voortplantingsperiodes van de bovengenoemde amfibieën. Tijdens het veldbezoek bleek de ondergrond en de bodem binnen de onderzoekslocatie zeer zacht en makkelijk vergraafbaar, waardoor de onderzoekslocatie ook geschikt is als winterbiotoop. Het is dan ook niet uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het essentiële leefgebied van deze soorten. De omgeving kan zowel als voortplantingsbiotoop als winterbiotoop worden gebruikt.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 23 van 30
Figuur 5.5. Voortplantingswater van enkele beschermde amfibieën, grenzend aan de onderzoekslocatie.
Het voorkeurshabitat van de heikikker bestaat uit heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Daarnaast wordt de soort ook wel in bosgebied en struweel waargenomen. De heikikker is bij uitstek een soort die veel in vennen voorkomt. Daarnaast komt de soort ook voor in andere kleine geïsoleerde wateren. De soort komt veel voor in relatief voedselarme, vaak zwak zure wateren. De heikikker overwintert van oktober tot eind februari op vorstvrije plekken op het land buiten bereik van het grondwater. De heikikker overwintert (nagenoeg) niet in het water. In laag Nederland overwintert de heikikker vooral langs sloten met afgetrapte slootkanten (niet ín het weiland) en in bosjes (BIJ12). Uit de NDFF komt naar voren dat er enkele waarnemingen van de heikikker zijn gedaan om circa tweehonderd meter ten noorden van de onderzoekslocatie. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. De poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor (Ravon).
Uit waarnemingen van de NDFF blijkt dat er een kamsalamander op circa tweehonderd meter ten noorden van de onderzoekslocatie is waargenomen. De meeste waarnemingen zijn echter afkomstig op circa een kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie. In Nederland wordt de knoflookpad aangetroffen op pleistocene zandgronden in Gelderland, Overijssel, Drenthe, Limburg en Noord-Brabant. De belangrijkste concentraties zijn momenteel te vinden in Drenthe en in het rivierengebied. De soort heeft een voorkeur voor agrarisch gebied, ruderaal terrein (zoals volkstuinen), rivierduintjes en halfnatuurlijke graslanden. De soort wordt ook relatief vaak gemeld op en rond infrastructuur (dijken, wegen en spoorlijnen). Daarnaast wordt de knoflookpad gemeld uit de randen van heideterreinen en uit bos en struweel. Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Het zand moet een zodanige structuur hebben, dat het Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 24 van 30
goed vergraafbaar is. Ook extensief bewerkte akkers (bijv. asperge en aardappelen) voldoen hieraan. Knoflookpadden zijn ’s nachts actief. Overdag graven ze zich in. Het voortplantingsbiotoop bestaat vaak uit vrij grote en diepe poelen met een weelderige onderwater- en oevervegetatie en een voedselrijk karakter (Ravon). Vanuit de NDFF blijkt onder andere dat er meerdere knoflookpadden in de vijver grenzend aan de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn aangetroffen (zie figuur 5.5). Deze waarnemingen zijn gedaan in de voortplantingsperiode van de knoflookpad (april – juni). Na de voortplantingstijd gaat de pad weer naar het omliggende gebied om te eten, schuilen en overwinteren. De poelkikker komt vooral voor op de pleistocene, hogere zandgronden bij voorkeur stilstaande wateren in bos- en heidegebieden. Behalve op de hoge zandgronden is de soort ook aanwezig op laagdynamische plekken in het rivierengebied. De poelkikker heeft voorkeur voor voedselarm, schoon water met begroeide oeverzones (Ravon). Uit waarnemingen van de NDFF blijkt dat er enkele poelkikkers binnen tweehonderd meter ten noorden van de onderzoekslocatie zijn waargenomen. Daarnaast zijn enkele exemplaren aangetroffen op circa een kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie.
Naar alle waarschijnlijkheid zal er ook sprake zijn van incidentele verblijfplaatsen (landhabitat) van algemeen voorkomende amfibieën (bijvoorbeeld bruine kikker en gewone pad). Deze algemeen voorkomende diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt.
5.6
Vissen
Omdat er op de onderzoekslocatie geen permanent watervoerende elementen aanwezig zijn, kan de aanwezigheid van vissen worden uitgesloten.
5.7
Overige soorten
Door het ontbreken van sleutelfactoren zoals waardplanten speelt onderhavig onderzoekslocatie geen cruciale rol voor plaatselijke beschermde vlinderpopulaties. Omdat er op de onderzoekslocatie geen geschikte permanent watervoerende elementen aanwezig zijn, kan de aanwezigheid van beschermde libellen worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen algemene diersoorten uit de overige soortgroepen aangetroffen. Zeldzame, beschermde of Rode Lijstsoorten zijn niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Belangrijke reden hiervoor is dat ter plaatse geen geschikt habitat aanwezig is voor deze soorten. De overige in de Wet natuurbescherming opgenomen ontheffingsplichtige soorten zijn dusdanig zeldzaam en grotendeels gebonden aan specifieke biotopen zoals heide, hoogveen, laagveen en beken, dat het onwaarschijnlijk is dat de onderzoekslocatie voor deze soorten een functie vervult.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 25 van 30
6. RESULTATEN GEBIEDBESCHERMING 6.1
Natura 2000
Gelet op de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden (>14 km), de aard en omvang van de plannen en bekende dosis-effectrelaties (Vegte et al. 2014, Arcadis 2011 en Krijgsveld et al. 2008) zijn negatieve effecten door onder andere verstoring en stikstofdepositie op voorhand uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000 zijn zodoende niet aan de orde.
6.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie grenst niet aan de bosgebied en maakt dan ook geen onderdeel uit van dit NNN gebied. Naar verwachting zullen de werkzaamheden geen invloeden hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Verder onderzoek naar invloeden op het NNN zijn niet van toepassing.
6.3
Houtopstanden
Het plangebied ligt, op basis van Google Streetview, buiten de verkeerskundige bebouwde kom. De te kappen houtopstanden zijn groter dan 10 are. Daarnaast is in het plangebied een rijbeplanting van meer dan 20 bomen aanwezig. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn aan de orde.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 26 van 30
7. SAMENVATTING EN CONCLUSIE 7.1
Samenvatting
In opdracht van Enexis Netbeheer B.V. is door Eco Reest BV een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd ter plaatse van Gravenveldweg te Emmen. Aanleiding tot het onderzoek is het voornemen om nieuwbouw te realiseren ter plaatse van het onderzoeksterrein ten behoeve van uitbreiding van het hoogspanning station. Ten aanzien van deze nieuwbouw zullen de bomen ter plaatse gekapt worden. Omdat het initiatief negatieve gevolgen kan hebben op beschermde natuurwaarden, is het voornemen getoetst aan de huidige natuurwetgeving. Doel van de quickscan Wet natuurbescherming is inzicht verkrijgen in de mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden als gevolg van de beoogde werkzaamheden. Het onderzoeksterrein is gelegen aan de Gravenveldweg te Emmen aan de noordzijde van het hoogspanning station Emmen Weerdingen (EM1W). Aan de noordzijde van de onderzoekslocatie ligt een kleine vijver en staat een hoogspanningsmast. Het onderzoeksterrein betreft een bosgebied en heeft een oppervlakte van circa 11.000 m2. Circa driekwart van het bosgebied zal gekapt gaan worden.
7.2
Conclusie soortenbescherming
Binnen de onderzoekslocatie zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels als beschreven in de Wet natuurbescherming aangetroffen. Voor categorie 5 vogelsoorten zijn voldoende alternatieve nestplaatsen in de omgeving voorhanden (bosgebieden Valtherbos en de Emmerdennen). Er zijn mogelijke wroetplaatsen van de das aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Het is niet uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uit maakt van het essentiële leefgebied van de das. Er kunnen zich verblijfplaatsen van vleermuizen in bevinden in holtes die zijn aangetroffen in enkele bomen. Tevens kan de omgeving onderdeel uitmaken van het foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Het is niet uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het essentiële leefgebied van een of meerdere beschermde amfibieën waaronder de heikikker, kamsalamander, knoflookpad en poelkikker. De onderzoekslocatie en omgeving kunnen zowel als voortplantingsbiotoop als winterbiotoop worden gebruikt. De overige te verwachten diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden.
Daarnaast worden populaties van bovengenoemde soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen. In de bomen kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 27 van 30
7.3
Conclusie gebiedsbescherming
De onderzoekslocatie is gelegen ten noordwesten van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Bargerveen. De afstand tussen de onderzoekslocatie en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa veertien kilometer. Gelet op de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden (>14 km), de aard en omvang van de plannen en bekende dosis-effectrelaties (Vegte et al. 2014, Arcadis 2011 en Krijgsveld et al. 2008) zijn negatieve effecten door onder andere verstoring en stikstofdepositie op voorhand uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000 zijn zodoende niet aan de orde. Naar verwachting zullen de werkzaamheden geen invloeden hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Verder onderzoek naar invloeden op het NNN zijn niet van toepassing.
7.4
Conclusie houtopstanden
Het plangebied ligt, op basis van Google Streetview, buiten de verkeerskundige bebouwde kom van Emmen. De te kappen houtopstanden zijn groter dan 10 are. Daarnaast is in het plangebied een rijbeplanting van meer dan 20 bomen aanwezig. Mogelijk zijn vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming aan de orde.
7.5
Aanbevelingen en advies
7.5.1 Nader onderzoek Het kan niet worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Daarnaast kan het niet worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie essentieel leefgebied vormt voor de das en enkele beschermde amfibieën. Verblijfplaatsen van vleermuizen en essentieel leefgebied van de das en beschermde amfibieën zijn streng beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of er al dan geen vleermuisverblijfplaatsen en essentieel leefgebied aanwezig is voor de das en beschermde amfibieën, is aanvullend onderzoek nodig. Alleen dan kan bepaald worden of er bij de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Leidraad voor vleermuisonderzoek is het vleermuisprotocol van 2017. Voor een volledig vleermuisonderzoek zijn meerdere veldbezoeken nodig in de periode half mei - september. Leidraad voor het onderzoek naar de das is het Kennisdocument Das, versie 1.0, juli 2017. Leidraad voor het onderzoek naar de beschermde amfibieën is het Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017) van Netwerk Groene Bureaus. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn.
7.5.2 Broedvogels Opgemerkt wordt dat de locatie in het broedseizoen tevens geschikt is als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd. Indien er geen kapwerkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen wordt er geen overtreding van de Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 28 van 30
Wet natuurbescherming verwacht wat betreft nestlocaties voor vogels. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is.
7.5.3 Houtopstanden Geadviseerd wordt bij het bevoegd gezag (Gemeente Emmen) na te gaan waar de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt en op basis hiervan óf en zo ja, welke vervolgstappen aan de orde zijn.
7.5.4 Zorgplicht Wij merken op dat te allen tijde de zorgplicht blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend.
7.6
Verantwoording
De initiatiefnemer of opdrachtgever is verantwoordelijk voor het gebruik van de rapportage. Eco Reest aanvaardt dan ook geen aansprakelijkheid voor de inhoud, interpretaties of conclusies, indien gebruik wordt gemaakt van deelaspecten van deze rapportage, zonder verwijzing naar de volledige rapportage. Bovendien aanvaardt Eco Reest geen aansprakelijkheid voor kosten en vertraging die optreden als gevolg van het voorkomen van beschermde flora en fauna. Eco Reest BV S. Nap
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 29 van 30
LITERATUURLIJST Boeken / documenten Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & Buys, J.C. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Leiden Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill (2011): Vleermuizen; Alle soorten van Europa en noordwest-Afrika, De Fontein / Tirion Uitgevers B.V., Utrecht Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen' (2017). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017 Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017 Websites www.BIJ12.nl www.bomenstichting.nl www.dasenboom.nl www.NDFF.nl1 www.soortenbank.nl www.sovon.nl www.synbiosis.alterra.nl www.ravon.nl www.vleermuis.net www.zoogdierenatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl
1
In dit rapport worden gegevens gebruikt welke (deels) afkomstig zijn uit de NDFF. Deze mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Pagina 30 van 30
BIJLAGE 1 OVERZICHT VRIJGESTELDE SOORTEN PROVINCIE DRENTHE Vrijgestelde soorten (artikel 3.10 eerste lid, onderdeel c) Provincie Drenthe Zoogdieren Aardmuis (Microtus agrestis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Bunzing (Mustela putorius) Dwergmuis (Micromys minutus) Dwergspitsmuis (Sorex minutus) Egel (Erinaceus europaeus) Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) Haas (Lepus europeus) Hermelijn (Mustela erminea) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Konijn (Oryctolagus cuniculus) Ondergrondse woelmuis (Pitymys subterraneus) Ree (Capreolus capreolus) Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) Tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) Veldmuis (Microtus arvalis) Vos (Vulpes vulpes) Wezel (Mustela nivalis) Woelrat (Arvicola terrestris) Amfibieën Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo) Kleine watersalamander (Triturus vulgaris) Meerkikker Pelophylax ridibundus (Rana ridibunda) Middelste groene kikker / Bastaardkikker (Pelophylax klepton esculentus Rana esculenta)
Quickscan Wet natuurbescherming t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 192796)
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden Gravenveldweg te Emmen projectnummer
200161
Pagina 2 van 34
TITELBLAD RAPPORT Type onderzoek
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuis en houtopstanden Gravenveldweg te Emmen 200161 1.0 M. Vos R.J.W. Huls
Locatie onderzoek Projectnummer Versie rapportage Auteur Controle en vrijgave Paraaf vrijgave
Datum OPDRACHTGEVER Naam Contactpersoon Adres
8 december 2020 Enexis Netbeheer B.V. Dhr. H.M. van Manen Postbus 6, 8000 AA Zwolle
UITGEVOERD DOOR
info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl
Kantoor Zuidwolde Industrieweg 20 7921 JP Zuidwolde Tel: 0528 373 982
Kantoor Appingedam Opwierderweg 160 9902 RH Appingedam Tel: 0596 633 355
Kantoor Almere Transistorstraat 91-34 1322 CL Almere 036 82 00 397
DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuis en houtopstanden dat is uitgevoerd ter plaatse van Gravenveldweg te Emmen, in opdracht van Enexis Netbeheer B.V.. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen. Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is, de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken en het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt. © 2020 Eco Reest BV. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Wijze van citeren: Eco Reest 2020 Emmen_200161_Gravenveldweg_NO We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 3 van 34
INHOUD 1.
INLEIDING.................................................................................................................... 4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 4 Kwaliteitsborging .......................................................................................................................... 4 Leeswijzer ..................................................................................................................................... 5
2.
ONDERZOEKSLOCATIE .................................................................................................. 6
2.1 2.2
Beschrijving onderzoeksgebied ..................................................................................................... 6 Werkzaamheden ........................................................................................................................... 8
3.
ONDERZOEKSOPZET ................................................................................................... 11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
Das .............................................................................................................................................. 11 Grote bosmuis ............................................................................................................................. 11 Heikikker ..................................................................................................................................... 11 Kamsalamander .......................................................................................................................... 13 Knoflookpad ................................................................................................................................ 13 Poelkikker ................................................................................................................................... 14 Vleermuizen ................................................................................................................................ 14 Houtopstanden ........................................................................................................................... 15
4.
RESULTATEN .............................................................................................................. 16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
Das .............................................................................................................................................. 16 Grote bosmuis ............................................................................................................................. 17 Heikikker ..................................................................................................................................... 19 Kamsalamander .......................................................................................................................... 19 Knoflookpad ................................................................................................................................ 19 Poelkikker ................................................................................................................................... 20 Vleermuizen ................................................................................................................................ 21 Overige waarnemingen ............................................................................................................... 23 Houtopstanden ........................................................................................................................... 25
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................. 27
5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.3
Functie van het plangebied per soort(groep) ............................................................................... 27 Vleermuizen .................................................................................................................................... 27 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................... 27 Amfibieën ....................................................................................................................................... 28 Niet jaarrond beschermde vogelnesten ......................................................................................... 28 Vervolgstappen ........................................................................................................................... 28 Ontheffing soortenbescherming .................................................................................................... 28 Mitigerende en compenserende maatregelen ............................................................................... 29 Houtopstanden ............................................................................................................................... 29 Zorgplicht ........................................................................................................................................
30 Verantwoording .......................................................................................................................... 30
LITERATUURLIJST........................................................................................................................ 31 BIJLAGEN 1 Nadere informatie wetgeving
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 4 van 34
1. INLEIDING In opdracht van Enexis Netbeheer B.V. is door Eco Reest BV nader onderzoek uitgevoerd naar de beschermde diersoorten: das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en vleermuizen ter plaatse van Gravenveldweg te Emmen. Tevens is beoordeeld of de te kappen houtopstanden onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming vallen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding en de doelstelling van het onderzoek en de wijze van kwaliteitsborging.
1.1
Aanleiding en doelstelling
Voor het beoogde project is door Eco Reest een quickscan uitgevoerd (rapportnummer 192796, datum 22 januari 2020). Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied geschikt is als essentieel leefgebied en mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en vleermuizen aanwezig zijn. Om vast te stellen of uit te sluiten dat het plangebied deel uit maakt van essentieel leefgebied of dat zich vaste rust- en verblijfplaatsen van één of meerdere soorten binnen het plangebied bevinden, is nader onderzoek naar deze soortgroepen uitgevoerd. Het doel van het nader onderzoek is tweeledig: Er wordt vastgesteld of en hoe het onderzoeksgebied worden gebruikt door das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en/of vleermuizen. Bij aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen wordt tevens de functie (kraam- zomer- of paarverblijfplaats) van de verblijfplaatsen bepaald. Daarnaast wordt vastgesteld of er essentiële vliegroutes, migratieroutes en / of essentiële foerageergebieden aanwezig zijn. Er wordt bepaald of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast worden binnen het plangebied ten behoeve van het plan houtopstanden verwijderd.
Zodoende is beoordeeld of sprake is van het toetsingskader voor bescherming van houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming.
1.2
Kwaliteitsborging
Eco Reest BV streeft naar een zo hoog mogelijk kwaliteit van onderzoek te leveren: Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties, sloopbegeleiding, bouwkundige opnames en energieprestatie advies. Eco Reest BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van ecologisch onderzoek.
Naast kwaliteit is onafhankelijkheid van groot belang om onze opdrachtgever van dienst te zijn met het beste advies voor zijn vraagstuk.
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 5 van 34
Wij merken dan ook op dat er geen functionele relatie bestaat tussen opdrachtgever en Eco Reest, hetgeen betekent dat het advies van Eco Reest onafhankelijk is van de belangen van de opdrachtgever en derden. Conform de eisen uit onze ethische code houdt Eco Reest alle gegevens geheim, waarvan wij kennisnemen als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden, behoudens in geval van wettelijke verplichtingen. In het titelblad is de kwaliteitscontrole van deze rapportage weergegeven. Het Netwerk Groene Bureaus beschikt over ontheffingen voor handelingen die nodig zijn ten behoeve van het inventariseren van beschermde soorten. Deze zijn afgegeven door de verschillende bevoegde gezagen (de provincies en het Ministerie van LNV). Eco Reest BV is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en is gemachtigd gebruik te maken van deze ontheffingen.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de onderzoekslocatie en de voorgenomen werkzaamheden besproken. Hoofdstuk 3 bevat de onderzoeksopzet. Hoofdstuk 4 beschrijft de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Besloten wordt met hoofdstuk 5; de conclusies en advies voor eventueel benodigde vervolgstappen voor het project.
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 6 van 34
2. ONDERZOEKSLOCATIE In dit hoofdstuk is de onderzoekslocatie en de voorgenomen werkzaamheden beschreven en weergegeven.
2.1
Beschrijving onderzoeksgebied
Het onderzoeksgebied is gelegen aan de Gravenveldweg te Emmen, aan de noordzijde van het hoogspanningsstation Emmen Weerdinge (EM1W). De onderzoekslocatie betreft een bosgebied en heeft een oppervlakte van circa 11.000 m2 (zie figuur 2.1). Het bosgebied bestaat hoofdzakelijk uit zomereiken. Een gedeelte van de bomen is begroeid met klimop. Klimop is een plant die hoofdzakelijk op voedselrijke grond groeit. Ten noorden van het onderzoeksgebied ligt een kleine vijver en staat een hoogspanningsmast. In figuren 2.2 tot en met 2.5 zijn overzichtsfoto’s opgenomen van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.1 Onderzoeksgebied (rood gearceerd) met de grens tot waar naar verwachting gekapt gaat worden (doorgetrokken rode streep) (bron achtergrondkaart: ArcGIS).
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 7 van 34
Figuur 2.2 Overzichtsfoto van het bosgebied ten noorden van het hoogspanningsstation, gezien in oostelijke richting.
Figuur 2.3 Overzichtsfoto van de oostzijde van het bosgebied, gezien in noordelijke richting.
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 8 van 34
Figuur 2.4 Overzichtsfoto van het bosgebied, gezien in zuidwestelijke richting.
Figuur 2.5 Overzichtsfoto van het bosgebied, gezien in noordelijke richting.
2.2
Werkzaamheden
De opdrachtgever is voornemens om ten behoeve van de uitbreiding van het hoogspanningsstation nieuwbouw te realiseren. Ten behoeve van dit nieuwbouwplan wordt een gedeelte van het bosgebied gekapt (zie figuur 2.6 en 2.7). Circa 1.100 m² van het bosgebied zal gekapt gaan worden.
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 9 van 34
Figuur 2.6 Overzichtsfoto van de te kappen bomen (bron: opdrachtgever).
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 10 van 34
Figuur 2.7 Overzichtsfoto van de te kappen bomen, blauw omlijnd (bron: opdrachtgever). Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 11 van 34
3. ONDERZOEKSOPZET In dit hoofdstuk is per onderzochte soort(groep) de methode van het veldonderzoek beschreven.
3.1
Das
Met het onderzoek naar de das is in beeld gebracht of vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied (migratieroutes of foerageergebieden) van de das binnen het onderzoeksgebied bevinden (BIJ12, 2017a). De afwezigheid van dassen kan in voldoende mate wordt aangetoond als na drie veldinventarisaties -onder goede omstandigheden en voldoende verspreid over het jaar uitgevoerd-, er geen aanwijzingen zijn gevonden dat de das aanwezig is in het gebied. Het onderzoek bestaat daarbij uit het inventariseren van graafactiviteiten, wissels, haar aan prikkeldraad, mestputjes en vraatsporen binnen en in de nabije omgeving van het onderzoeksgebied. Het veldonderzoek naar de das is uitgevoerd in de periode maart tot en met april 2020 en tijdens de overige onderzoeken tot en met augustus is eveneens gelet op de aanwezigheid van de das. Daarnaast is informatie opgevraagd bij Tonckens Ecologie die in 2018 in de nabije omgeving de bekende dassenburcht onderzocht heeft. Ook is de NDFF geraadpleegd (NDFF, 2020) om te bezien of/waar (recente) waarnemingen van das bekend zijn.
3.2
Grote bosmuis
Het nader onderzoek naar de grote bosmuis is uitgevoerd conform de IBN methode (Bergers, 1997) en heeft plaatsgevonden in de periode van 15 oktober tot en met 21 oktober 2020. Hiervoor zijn twintig inloopvallen (genummerd van 581 tot en met 600) gebruikt die in een raai verdeeld zijn over tien locaties, bij elke locatie twee inloopvallen. Voor het aas zijn meelwormen, wortel en meergranen zaden gebruikt. Het nestmateriaal bestond uit hooi dat in de vallen werd geplaatst. De pre-bait periode heeft drie dagen geduurd (15 tot en met 18 oktober). Tijdens deze periode is het vangmechanisme geblokkeerd, zodat muizen vrij de val in en uit kunnen lopen en zo aan het nieuwe object in de omgeving kunnen wennen. Na de pre-bait periode zijn de vallen twee keer per dag gecontroleerd (in de ochtend en in de avond), zie tabel 3.1. De locaties van de geplaatste vallen bevonden zich in een raai langs het bosrand van de te kappen bomen (over een lengte van circa negentig meter). Om de tien meter zijn twee vallen geplaatst met de inloopopening in tegenovergestelde richting. Hierbij is gezorgd dat de vallen zo plat mogelijk op de grond zijn geplaatst, waarbij de nestkamer schuin omhoog staat voor eventuele afwatering. Tabel 3.1. De vallen zijn volgens onderstaand schema op scherp gezet en gecontroleerd. Maandag 19 oktober 2020 Ochtend Avond Scherp zetten Controleronde
3.3
Dinsdag 20 oktober 2020 Ochtend Avond Controleronde Controleronde
Woensdag 21 oktober 2020 Ochtend Avond Controleronde + Opruimen
Heikikker
De heikikker kent drie typen verblijfplaatsen: de wateren waar de eieren worden afgezet, de plekken waar ze in de actieve periode verblijven en de plekken waar ze overwinteren. In veel gevallen zijn de laatste beide habitats ruimtelijk verweven (BIJ12, 2017b). De afwezigheid van heikikker kan in voldoende mate wordt aangetoond als na twee tot drie veldinventarisaties -onder goede omstandigheden en in de periode eind februari tot begin april, er geen kooractiviteit is waargenomen.
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 12 van 34
Er is in beeld gebracht of voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of functioneel leefgebied (routes of foerageergebieden) van de heikikker aanwezig zijn binnen en nabij het plangebied. Bij het onderzoek naar eiklompen en kooractiviteit van de heikikker is er eveneens een amfibiescherm geplaatst voor de migratieroute van land naar water. Aangezien de periode van het onderzoek naar de heikikker ongeveer gelijk liep met de tijd dat de meeste amfibieën migreren van land naar water, konden op deze manier extra waarnemingen worden gedaan. Voor het onderzoek naar de migratieroute is op de nacht van 9 maart op 10 maart 2020 een amfibiescherm opgezet om de migratieroute van amfibieën vanuit landhabitat binnen het plangebied naar voortplantingshabitat (de vijver) vast te stellen. De scherm bestond uit een meter lang doek wat deels ingegraven was. Beide zijden waren voorzien van een ingegraven emmer. Er stonden twee emmers bij het scherm, voorzien van een laag bladeren en water, zodat dieren die in de emmer gelopen waren konden schuilen en stress bij de dieren voorkomen kon worden. Heikikkers maken een eigen geluid, dat omschreven wordt als een ploppend geluid, anders dan de bruine kikker. De roep van de heikikker is tot op 20 meter afstand te horen. Op bewolkte dagen kan de kooractiviteit overdag worden beluisterd in de periode eind februari tot begin april.
Tabel 3.2 Uitgevoerde onderzoeksronden heikikker. Bezoek
Weersomstandigheden
Type onderzoek
1
Datum (2020) 9 maart
Droog, bewolkt, 2 Bft, 10oC
2
10 maart
Droog, half bewolkt, 1 Bft, 9oC
3
2 april
Droog, half bewolkt, 2 Bft, 12oC
Kooractiviteit & eiklompen + Opzetten amfibiescherm migratieroute Controleren amfibiescherm + kooractiviteit & eiklompen Kooractiviteit + eiklompen
Nader onderzoek das, grote bosmuis, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, vleermuizen en houtopstanden t.p.v. Gravenveldweg te Emmen (kenmerk: 200161)
Pagina 13 van 34
3.4
Kamsalamander
De kamsalamander kent drie typen verblijfplaatsen: de wateren waar de eitjes worden afgezet, de plekken waar ze in de actieve periode verblijven en de plekken waar ze overwinteren. Om migratie naar het water vast te stellen is de methode om in februari/maart twee veldbezoeken uit te voeren. Ook kan buiten het voortplantingsseizoen de aan- of afwezigheid van kamsalamanders worden bepaald door minimaal vijf maal te inventariseren (half juli – half oktober) op het landhabitat door potentiële schuilplaatsen als stenen, hout en plastic om te draaien. Bij de kamsalamander is de exacte locatie van de terrestrische rustplaatsen en van de migratieroutes op het land redelijkerwijs niet in beeld te brengen. In de praktijk kan er dan ook vanuit gegaan worden dat als de kamsalamander aangetroffen is, op alle plekken binnen een paar honderd meter die daarvoor geschikt zijn, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de kamsalamander aanwezig zijn, evenals de essentiële omgeving die nodig is om deze plekken als zodanig te laten functioneren (BIJ12, 2017c). Het nader onderzoek naar de kamsalamander heeft middels vijf inventarisatierondes in de nacht plaatsgevonden in de periode juli tot en met augustus (zie figuur 3.3). Hierbij zijn meerdere losse houtstukken omgedraaid en het landhabitat in de nacht met een zaklamp geïnventariseerd op aanwezigheid van deze soort.
Tabel 3.3 Uitgevoerde onderzoeksronden kamsalamander en knoflookpad. Bezoek Datum Weersomstandigheden Type onderzoek (2020) 1 21 juli Droog, half bewolkt, 1 Bft, Inventarisatie individuen 16 oC 2 28 juli Droog, half bewolkt, 1 Bft, Inventarisatie individuen 15 oC 3 21 augustus Natte grond, droge lucht, Inventarisatie individuen licht bewolkt, 2 Bft, 28 oC 4 25 augustus Droog, half bewolkt, 4 Bft, Inventarisatie individuen 17 oC 5 28 augustus Droog, half bewolkt, 1 Bft, Inventarisatie individuen 20 oC
3.5
Knoflookpad
Voor de knoflookpad zijn geen specifieke onderzoeksprotocollen opgesteld. Onderzoek heeft plaatsgevonden in de actieve periode van de dieren (vanaf half maart tot oktober). Het onderzoek naar de knoflookpad is gecombineerd met de onderzoeken naar andere beschermde amfibieën. De actieve periode van de mogelijke aanwezige beschermde amfibieën is nagenoeg overeenkomstig. De voortplantingsperiode is van april tot en met half juni. Vanaf juli zijn 's avonds ook pas gemetamorfoseerde knoflookpadjes actief in de buurt van de poel op open zandplekjes (Ravon). Het nader onderzoek naar de knoflookpad heeft tegelijkertijd met het nader onderzoek naar de kamsalamander plaatsgevonden middels inventarisatie van de soort in zomerhabitat. Tussen schemering en middernacht is de soort het meest actief.