CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - BOPA motivering Veld 4 Zwartemeer

Raadsvergadering 19 februari 2026, gemeente EmmenBij agendapunt: Bindend advies Omgevingsvergunning 19 woningen Veld 4 Zwartemeer23.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Zolang deze bomen blijven staan en in de nachtperiode geen kunstlicht wordt gebruikt tijdens de bouwfase, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Ten slotte wordt het mogelijk geacht dat marterachtigen en de grote bosmuis het projectgebied gebruiken. Door het creëren van toegangswegen en het inpassen van de woningen kunnen essentiële verbindingselementen verloren gaan en worden mogelijke verblijfsplaatsen ongeschikt gemaakt. De provincie Drenthe stelt zich op het standpunt dat voor deze soorten gericht ecologisch onderzoek geen toegevoegde waarde biedt en dat het aannemelijk kan worden geacht dat, aan de hand van een biotoopbeoordeling, de soorten in het projectgebied aanwezig zijn of er verblijfplaatsen hebben. Houtopstanden en bomen Rond het projectgebied zijn houtopstanden en bomen aanwezig. Wanneer een ontwikkeling voorziet in de kap van deze beplanting geldt een meldplicht en een herplantplicht. Het voornemen voorziet niet in het kappen van de houtopstanden. Wel zullen de houtopstanden onderhouden worden en gesnoeid worden. Een herplant- of meldplicht is om deze reden niet noodzakelijk. Nadere onderzoeken of acties Voor de ransuil is een nader onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4). Op basis van de uitgevoerde onderzoeksinspanning is vastgesteld dat de ransuil naar alle waarschijnlijkheid een vaste rust en/of voortplantingsplaats bezet nabij het projectgebied.

De nestboom bevindt zich op +/- 40 meter van de planlocatie aan de overzijde van de weg De Panden. Tijdens de veldbezoeken is geen binding met de planlocatie vastgesteld, slechts eenmaal is een ransuil overvliegend waargenomen. Er kan geconcludeerd worden dat de planlocatie geen vaste rust en/of voortplantingsplaats van ransuil bevat en dat deze geen essentiële functie als foerageergebied vervult. Werkzaamheden vinden plaats tijdens de daglichtperiode. Bovendien wordt gedurende realisatieen gebruikersfase rekening gehouden met uitstraling van verlichting naar de houtwallen, door verlichting naar beneden en van de houtwal af te richten. Aannemelijk is dat verstoring van ransuilen door de geplande ontwikkeling voor een groot gedeelte van de planlocatie kan worden uitgesloten. In het kader van zorgvuldig handelen wordt aanbevolen werkzaamheden binnen 75 meter van de nestlocatie buiten de broedperiode uit te voeren (maart-juli), of wanneer dit niet mogelijk is: werkzaamheden binnen 75 meter van de nestlocatie onder ecologische begeleiding uit te voeren, waarbij de ransuilen gedurende de werkzaamheden worden gemonitord op gedrag dat verstoring indiceert. Een vergunning schadelijke handling m.b.t. de ransuil wordt niet noodzakelijk geacht.

Ten aanzien van de kleine marterachtigen en de grote bosmuis loopt een vergunningsaanvraag voor schadelijke activiteiten met betrekking tot flora en fauna. In het onderbouwende Activiteitenplan en 40

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

werkprotocol zijn maatregelen opgenomen om aantasting en verstoring te voorkomen dan wel te minimaliseren. Dit houdt in dat schadelijke werkzaamheden buiten de kwetsbare perioden worden uitgevoerd, er compenserend leefgebied (ruigte-/zoomvegetatie en takkenrillen) wordt ingericht en realisatie van een faunatunnel onder de toegangsweg. Voor het plan is het uitgangspunt dat er geen bomen worden gekapt. Wel wordt achterstallig snoeiwerk uitgevoerd. Indien kapwerkzaamheden noodzakelijk zijn, is geen meld- en herplantplicht vanuit de Omgevingswet nodig; de planlocatie ligt binnen de bebouwingscontour houtopstanden. De bomen rond de planlocatie staan niet vermeld op de gemeentelijke lijst met beschermde bomen/structuren. Wel heeft de gemeentelijke rijbeplanting aan weerszijden van de Stichtingstraat een beschermde status. Aantasting boven- en ondergronds dient te worden voorkomen. In geval van kap of forse snoei (>30%) dient een kapvergunning te worden aangevraagd. 5.6.5 Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect Natuur geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1 Wettelijk kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen. In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Borger-Odoorn is niet aangewezen als concentratiegebied. 5.7.2 Toetsing Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

41

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect Lucht zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Geluid

5.8.1 Wettelijk kader In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

5.8.2 Toetsing Wegverkeerslawaai Voor het initiatief is een geluidsonderzoek voor wegverkeer en voor de voetbalvereniging uitgevoerd door BJZ.nu. Het volledige onderzoek is toegevoegd als Bijlage 5. Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 42 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Geluid door activiteiten Door Geluidbureau Valersi is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het effect van de sportactiviteiten van de naastgelegen sportvereniging op de woningen. Het volledige rapport is toegevoegd als Bijlage 6 bij deze motivering. De geluidsbelasting als gevolg van de sportclub blijft bij het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau tijdens de dag- en avondperiode onder de geldende standaardwaarden van 50 dB(A). De hoogste waarde in de dagperiode bedraagt 48 dB(A). De hoogste waarde in de avondperiode bedraagt 29 dB(A). In het Omgevingsplan van de gemeente Emmen zijn piekgeluiden ten gevolge van sportactiviteiten in de open lucht uitgesloten van toetsing. Ook in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn geen waarden voor piekgeluiden in de dagperiode opgenomen. Dit betekent echter niet dat de geluidbelasting automatisch aanvaardbaar is.

Het is aan het bevoegd gezag om gemotiveerd te beoordelen of de berekende waarden aanvaarbaar zijn en of eventuele geluidbeperkende maatregelen nodig zijn. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de maximale geluidsbelasting als gevolg van piekgeluiden van 65 dB(A) in de avond- en nachtperiode niet wordt overschreden. De hoogste piek tijdens de 42

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer | nachtperiode bedraagt 57 dB(A). Tijdens de dagperiode bedraagt het piekgeluid maximaal 76 dB(A), dit treedt op tijdens weekendwedstrijden als gevolg van scheidsrechtersfluitjes. Voor voorliggende ontwikkeling is onderzocht of passende bron- en/of overdrachtsmaatregelen toegepast kunnen worden. In voorliggend geval zijn bron- en overdrachtsmaatregelen redelijkerwijs niet mogelijk. Overwogen is om een geluidsscherm tussen de achtergrens van de woonkavels en de voetbalvelden te plaatsen. Dit is echter vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk en heeft daarnaast naar verwachting een negatief effect op de sociale veiligheid. Voldoen aan een standaardwaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Tabel 5.65.1) leidt over het algemeen tot een maatschappelijk aanvaardbare bescherming van de gezondheid en het milieu. Gelet op de berekende waarden en de afweging van mogelijke maatregelen, beschouwt de gemeente Emmen de geluidbelasting als aanvaardbaar. 5.8.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er geen sprake van belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Lichthinder

5.9.1 Algemeen Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen en deze regels zijn opgenomen in het Bkl. Voor lichthinder bij sportvelden is in de bruidsschat een beperking opgenomen van het gebruiken van de belichting in de avond en nacht en zonder gebruik van de sportvelden. In het kader van ETFAL (Evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van belang om te bepalen of de nabije omgeving geen lichthinder kan ervaren van de beoogde ontwikkeling. 5.9.2 Toetsing Door Alcedo is voor voorliggende ontwikkeling een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten lichthinder bij woningen als gevolg van de sportvelden ten noorden van het projectgebied. Het volledige onderzoek is toegevoegd aan deze toelichting als Bijlage 7. Het bestaande trainingsveld is momenteel voorzien van een verlichtingsinstallatie. Nabij het trainingsveld zijn bestaande woningen aanwezig. Deze liggen dichter bij het trainingsveld dan het beoogde plangebied waar in de toekomst nieuwe woningbouw wordt gerealiseerd. Door de locatie zijn de bestaande woningen wat betreft lichthinder maatgevend ten opzichte van de geplande woningen.

De sportvereniging heeft aangegeven om in de toekomst één of meerdere velden te voorzien van kunstgras en veldverlichting. De exacte locatie(s) en de toe te passen armaturen zijn nog onbekend. Dit onderzoek betreft om deze reden een haalbaarheidsstudie waarbij het gekozen lichtplan af zal wijken van het definitieve lichtplan. Met dit onderzoek wordt echter inzicht gegeven in de haalbaarheid van de plannen van de sportvereniging en of de nieuwe woningen hier een belemmering op vormen. De bestaande sportveldverlichting op het trainingsveld geeft geen lichthinder op de bestaande woningen. Het nieuwbouwplan ligt verder van de sportveldverlichting dan de bestaande woningen waardoor de verwachting is dat de bestaande verlichting geen belemmering moet opleveren op de geplande woningen. Zowel de geplande als de bestaande woningen zullen beperkingen opleggen aan de mogelijkheid om de overige velden te voorzien van sportveldverlichting. Voor de nieuwe veldverlichting is een armatuur gekozen waarmee bij een masthoogte van 10 meter wordt voldaan aan de KNVB verlichtingseisen voor wedstrijdvelden. Om hieraan te voldoen dienen de armaturen 10 graden omhoog te worden gekanteld (meer naar het midden van het veld). Dit heeft als gevolg dat omliggende bewoners makkelijker in de lampen kunnen kijken. Hierdoor is de kans op lichthinder zeer reëel.

Met masten van 15 meter hoeven de armaturen niet onder een hoek te worden geplaatst en kan het risico op lichthinder voldoende worden beperkt. Ten oosten en ten noorden van de sportvelden bevinden zich woningen welke op een vergelijkbare, of in sommige gevallen nog iets dichter, bij de sportvelden liggen. Bij het plaatsen van de werkelijke 43

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer | verlichtingsinstallatie zal voorafgaand door de leverancier of installateur een definitief lichtplan ter verificatie moeten worden opgesteld, waarbij ook rekening wordt gehouden met de bestaande woningen. Dit kan betekenen dat een combinatie van verschillende armatuurtypen toegepast wordt waarmee het risico op lichthinder bij alle gevoelige gebouwen voldoende beperkt wordt. Dit lichtplan dient uiteindelijk te voldoen aan de volgende uitgangspunten en dient door de leverancier met berekeningen onderbouwd te worden: •

Maximale verlichtingssterkte van 5 lux op omliggende woningen;

•

Maximale lichtsterkte van 2.500 candela op omliggende woningen;

•

Upward Light Ratio (ULR) van maximaal 0,025.

5.9.3 Conclusie Vanuit het aspect lichthinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10

Geur

5.10.1 Wettelijk kader In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • •

bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven.

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geur veroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol: • • • • • •

Bestaande toetsingskaders, zoals lokaal geurbeleid; Geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties; Aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit; Historie van het bedrijf en het klachtenpatroon; Bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit; Kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.

Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. Voor een aantal activiteiten moet de gemeentegeurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geur veroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden. Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:

44

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer | • • • • •

Wonen; Dienstverlening; Bedrijvigheid; Detailhandel; Horeca.

Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel. Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuivering technische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1)

5.10.2 Toetsing Met deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden nieuwe geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Op circa 180 meter ten zuidwesten van het projectgebied bevindt zich een waterzuiveringsinstallatie. Deze functie kan gebruikt worden voor waterzuivering, afvalwatertransport, wateropslag en stalling. Eventuele geurbelasting van deze installatie wordt reeds begrensd door de dichtstbijzijnde woonfuncties langs De Panden, die op ongeveer 100 meter afstand liggen van de bedrijfsfunctie. Omdat ter plaatse van deze woningen al sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, mag worden aangenomen dat dit op de grotere afstand van het projectgebied eveneens het geval is. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak ligt op bijna een kilometer afstand van het projectgebied. Gezien deze grote afstand wordt geen geurbelasting verwacht ter plaatse van de woningen binnen het projectgebied. 5.10.3 Conclusie Vanuit het aspect Geur zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.11

Omgevingsveiligheid

5.11.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het

45

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer | plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl).

Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Overige bepalingen Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • • • •

Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, her verpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl; Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl.

5.11.2 Toetsing Aan de hand van de Atlas voor de leefomgeving – externe veiligheid, is een inventarisatie verricht van de risicobronnen in en rondom het projectgebied. Hieruit blijkt dat er een gasleiding aanwezig is ten oosten van het projectgebied. Het aandachtsgebied reikt niet tot aan het projectgebied. Het voornemen voegt verder geen risicovolle functies toe. Een verdere verantwoording van het

46

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer | groepsrisico is hiermee niet noodzakelijk.

Afbeelding 5.1 omgevingsveiligheid ten opzichte van het projectgebied (projectgebied is rood omlijnd) (bron: atlas leefomgeving) 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect Veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.12

Trilling

5.12.1 Wettelijk kader Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS. 5.12.2 Toetsing Binnen een straal van een kilometer zijn geen spoorwegen aanwezig die voor trillingen zouden kunnen zorgen. Binnen het projectgebied hoeft daarom geen onderzoek naar trillinghinder plaats te vinden. 5.12.3 Conclusie Vanuit het aspect trillingen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.13

Advies Commissie Ruimtelijke kwaliteit

47

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

De commissie heeft als taak de raad en burgemeester en wethouders te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. De taken van deze commissie zijn breder dan de oude Welstandscommissie. Welstand gaat onder de Omgevingswet alleen over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Denk hierbij aan vorm, kleur of gebruik van materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de Bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot repressief welstandstoezicht (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.

De excessenregeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS). 5.13.1 Toetsing Het projectgebied wordt in de Welstandsnota aangeduid als onderdeel van de sportvelden. De sportvelden worden als welstandsvrij aangeduid, de rest van de woonwijken van Zwartemeer worden aangeduid als zijnde ‘welstandsluw’. Nu het projectgebied een uitbreiding van het bebouwd gebied wordt (binnen de bebouwde kom), wordt getoetst aan de uitgangspunten van gebieden met een ‘welstandsluw’ aanduiding. In de welstandsluwe gebieden is voornamelijk de samenhang tussen het gebouw met zijn omgeving van belang. De stedenbouwkundige samenhang van de specifieke complexen, ensembles, linten en straatbeelden vormt hier een belangrijk uitgangspunt. Het welstandsbeleid richt zich met name op de voorkanten van bouwwerken en bouwblokken en het aanzicht op deze bebouwing vanuit de openbare ruimte. Ingrepen worden beoordeeld in relatie tot de naastgelegen bebouwing en het straatbeeld. Het beleid is alleen op hoofdzaken gericht en niet op details. Criteria zijn erop gericht om de hoofdvorm en het gevelbeeld van een gebouw of blok zo veel mogelijk in tact te laten of op de omgeving aan te laten sluiten.

In afbeelding 5.2 worden de toetsingscriteria weergeven.

Afbeelding 5.2 Toetsingscriteria ontwikkelingen in gebiedstype ‘welstandsluw’ (Bron: gemeente Welstandsnota gemeente Emmen)

48

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer | De woningen worden tweelaags uitgevoerd, met ruimte voor een zolderberging, net als veel woningen in de omgeving van het projectgebied. Het kleur en materiaalgebruik is passend in de omgeving door gebruik te maken van rode/bruine bakstenen en donkeren dakpannen. Het projectgebied zit omsloten in het groen, waardoor er vanuit andere straten beperkt zicht is op het nieuwe woonerf. Parkeren vindt plaats voor de woningen en in een gezamenlijke parkeerkoffer. Haagbeplanting van 1,2 m hoog omheint de parkeerkoffer. Gesteld wordt dat de woningen wat betreft schaal, grootte en kleurgebruik passen bij de overige bebouwing en omgeving van het projectgebied in Zwartemeer. 5.13.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voor dit voornemen geen belemmeringen zijn wat betreft het aspect welstand.

5.14

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

5.14.1 Wettelijk kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeente brede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 5.14.2 Toetsing Aan de hand van de archeologische beleidskaart Emmen en het bestemmingsplan ‘Emmen, Archeologie (facetbestemmingsplan) is vastgesteld dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn in het projectgebied.

Ook zijn er geen cultuurhistorische waarden gevonden op de cultuurhistorische waardenkaart en de erfgoedkaart van de gemeente Emmen. Verder worden er geen andere landschappelijke waarden aangegeven op het projectgebied. 5.14.3 Conclusie Vanuit de aspecten archeologie, cultuurhistorie en landschap geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.15

Bodem

5.15.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • •

Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

49

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer | •

Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): • • •

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 5.15.2 Toetsing Op het projectgebied is door Sigma Geo- en Milieutechniek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd volgens NEN-5740. Hieruit bleek dat er geen verhoging van gevaarlijke stoffen aanwezig was, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk was. Het volledige onderzoek is te vinden in Bijlage 8. 5.15.3 Conclusie Vanuit het aspect Bodem geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.16

Water

5.16.1 Wettelijk kader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • • •

Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

5.16.2 Toetsing 50

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

Het waterschap Vechtstromen is ingelicht over de planvorming door middel van de digitale watertoets. Uit de uitkomst van de digitale watertoets (Bijlage 9 bij voorliggende motivering) volgde dat de "normale procedure" van toepassing is. Het waterschap heeft gereageerd op het indienen van de digitale watertoets, en heeft een Uitgangspuntennotitie opgesteld. Wateraspecten projectgebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het projectgebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Het vloerpeil van de woningen dient zo mogelijk 30 cm boven de as van de weg komen te liggen. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het projectgebied wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel. Het hemelwater dat niet lokaal kan infiltreren wordt weggeleid naar de vijver ten westen van het projectgebied. De vijver is van voldoende capaciteit om dit hemelwater te bergen.

Riolering Naast het inzamelen en afvoeren van afvalwater heeft het rioolstelsel een belangrijke functie in de afwatering en infiltratie van de verharde oppervlakken in het projectgebied. In een gemengd rioolstelsel worden afvalwater en regenwater 'gemengd' en vervolgens gezamenlijk afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Tijdens perioden met meer neerslag kan het voorkomen dat de rioolberging geheel gevuld raakt en zal rioolwater via de riool overstorten naar het oppervlaktewater stromen. Een gescheiden rioolstelsel houdtafvalwater en regenwater gescheiden. Afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, regenwater wordt rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd. Het rioolstelsel aansluitend op het projectgebied is uitgevoerd als een gemengd rioolstelsel. De nieuwe woningen zullen een gescheiden stelsel krijgen tot de erfgrens. Regenwater dat binnen de woonkavels valt dient zo veel mogelijk ter plekke geïnfiltreerd te worden. Wanneer hier binnen de kavel of het openbaar groen niet voldoende capaciteit voor aanwezig is, kan regenwater in de naastgelegen vijver opgevangen worden of in de poreuze rioolbuis rondom het projectgebied. Het omliggende riool voldoet aan de eisen. Er zijn geen hydraulische knelpunten bekend. Er vinden geen aanpassingen plaats de aansluitingen op het bestaande rioolstelsel.

Standaard waterparagraaf Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het planvoornemen. Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk

51

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater.

Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten projectgebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het projectgebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is meer dan 1500m2. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater (vijver).

Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Bergingseis bouwkavels In het voortraject is contact opgenomen met het waterschap Vechtstromen. Doordat de bouwfase van voorliggend initiatief op een later moment zal volgen is besloten een algemene bergingseis te verbinden aan het voornemen. Aangenomen wordt dat 80% van de bouwkavels verhard worden. Gezien de verwachte verharding wordt de volgende berekening van de bergingseis aan de voorschriften van de BOPA verbonden: benodigde waterberging in m3 = toename m2 x 0,095.

Met de opvang van overtollig hemelwater in de naastgelegen vijver wordt aan deze bergingseis voldaan.

52

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van de watertoets is toegepast. Naar aanleiding van het invullen van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap. Hierin zijn de mogelijkheden voor meer waterinfiltratie en retentiemogelijkheden voor het projectgebied doorgenomen. 5.16.3 Conclusie Met de voorgenomen activiteiten worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

53

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

6

Kostenverhaal/Nadeelcompensatie

6.1

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat in artikel 8.13, 8.14 en 8.15 relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald, is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie (artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In voorliggend geval is de gemeente in het kader van deze omgevingsvergunning de initiatiefnemer. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd en is het opnemen van kostenverhaalvoorschriften niet nodig. Voorafgaand aan het voornemen is het financieel resultaat onderzocht. Hieruit is gebleken dat er sprake is van een financieel haalbaar project.

6.2

Nadeelcompensatie

De mogelijkheden van nadeelcompensatie op basis van een besluit dat valt onder de Omgevingswet vindt je in afdeling 15.1 van de Omgevingswet. Hier staat een lijst met schadezaken. Deze lijst is limitatief bedoeld. Dat wil zeggen: nadeelcompensatie kan op grond van afdeling 15.1 Ow alleen worden verkregen voor zover de schade is veroorzaakt door een besluit of een maatregel op de lijst van artikel 15.1 lid 1 Ow. Daarnaast is die lijst exclusief bedoeld. Dit betekent dat wanneer schade wordt veroorzaakt door een op grond van de Omgevingswet genomen besluit en dit besluit niet op de lijst van artikel 15.1 lid 1 Ow staat, géén nadeelcompensatie kan worden verkregen. Noch op grond van de Omgevingswet, noch langs een andere weg (bijvoorbeeld die van titel 4.5 Awb). De procedureregels behandeling verzoek om nadeelcompensatie is opgenomen in de Verordening nadeelcompensatie gemeente Emmen 2022

54

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

7

7.1

Participatie

Beschrijving participatieproces en uitkomst

Voorliggende woningbouwontwikkeling betreft een CPO project. De toekomstige bewoners zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor opdrachtgever. Door de ontwikkelende partijen zijn inloopbijeenkomsten georganiseerd en is goed contact met de omwonenden. Er is ook een website opgezet om geïnteresseerden op de hoogte te houden van de planontwikkeling. 7.1.1 Verplichte participatie De gemeenteraad wil volgens de ‘Bindend advieslijst’ in de volgende gevallen gebruik maken van haar bindend adviesrecht: als sprake is van de bouw van een groter aantal woningen dan tien binnen de bebouwde kom. Op voorliggend voornemen is dus sprake van een bindend adviesrecht van de gemeenteraad van Emmen. Een omgevingsvergunning voor een BOPA hoeft niet langs de gemeenteraad bij het bouwen van meer dan 10 woningen binnen de bebouwde kom, wanneer het plan in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. Hier is geen sprake van bij voorliggende ontwikkeling. 7.1.2 Participatie omgeving (participatietool) Zoals genoemd hebben de toekomstige bewoners vanuit het CPO verband de participatie met de omgeving verzorgd. Zo is er een website opgezet en is er een inloopavond georganiseerd. De reacties uit de buurt zijn overwegend positief.

7.1.3 Vooroverleg Over voorliggende woningbouwontwikkeling heeft schriftelijk vooroverleg met de provincie Drenthe plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de voorgenomen ontwikkeling de provinciale belangen niet schaadt. Daarnaast is de voorliggende woningbouwontwikkeling middels de watertoets voorgelegd aan het Waterschap Vechtstromen. Het waterschap heeft hierop een uitgangspuntennotitie opgesteld. Deze uitgangspuntennotitie is verwerkt in het stedenbouwkundig plan en in de onderbouwing van het onderdeel 'Water' in paragraaf 5.16 van deze onderbouwing.

55

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

8

Eindconclusie ETFAL

Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat voor elk van de relevante leefomgevingsaspecten een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is. Als eindconclusie wordt daarom gesteld dat voorliggende onderbouwing reden geeft tot het accepteren van de ETFAL.

56

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

9

Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het Omgevingsplan.

De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) moet binnen 5 jaar na besluitvorming opgenomen worden in het omgevingsplan. Deze verplichting tot verwerking in het omgevingsplan geldt op grond van artikel 4.17 Omgevingswet. En deze geldt uitsluitend voor een voortdurende omgevingsplanactiviteit waaraan geen termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid Omgevingswet. Een tijdelijke omgevingsvergunning wordt dus niet opgenomen in het omgevingsplan. Deze verplichting geldt vanaf 1 januari 2032. Dat betekent dat omgevingsvergunningen voor Bopa’s die voor of op 1 januari 2027 onherroepelijk zijn geworden op 1 januari 2032 in het omgevingsplan moeten zijn verwerkt. Na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) zal binnen de hierboven genoemde termijn in het omgevingsplan worden opgenomen dat binnen de begrenzing van het projectgebied uit deze BOPA de volgende activiteiten zijn toegestaan: -

-

Regulier woongebruik van de nieuw te bouwen woningen; Het bouwen van de woningen volgens de bouwhoogte, goothoogte en het maximale oppervlakte van bijgebouwen uit de inrichtingstekeningen. Hierbij kan aangesloten worden bij de standaard regels en aanduidingen ten aanzien van twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen in het bestemmingsplan ‘Zwartemeer’. Voor het bovenstaande en de locatie en onderhoud van de groenbeplanting en parkeerplaatsen dienen werkingsgebieden gemaakt te worden.

De genoemde activiteiten zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: De berekening van de waterbergingseis binnen het projectgebied dient aan de voorschriften van de BOPA verbonden te worden: benodigde waterberging in m3 = toename verharding in m2 x 0,095. Met de opvang van overtollig hemelwater in de naastgelegen vijver wordt aan deze bergingseis voldaan. Deze vergunningvoorschriften zullen eveneens worden omgezet in omgevingsplanregels.

57

BOPA Stichtingstraat/Veld 4, Zwartemeer |

10

Bijlagen

Bijlage 1

MER beoordelingsnotitie

Bijlage 2

MER beoordelingsbesluit

Bijlage 3

Stikstofberekening

Bijlage 4

Natuurwaardenonderzoek

Bijlage 5

Nader onderzoek ransuil

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 7

Akoestisch onderzoek geluid door sportactiviteiten

Bijlage 8

Onderzoek Lichthinder

Bijlage 9

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 10

Watertoets

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=255ca501-be75-41ea-bc14-4d71b7d220ac