Bijlage 3: Bijlagen bij Toelichting Bestemmingsplan Schoonebeek, Camping Bultweg
Tekst van het document
Schoonebeek, Camping Bultweg
2 teld)
bestemmingsplan "Schoonebeek, Camping Bultweg" (vastges
Toelichting
bestemmingsplan "Schoonebeek, Camping Bultweg" (vastgesteld) 3
4 teld)
bestemmingsplan "Schoonebeek, Camping Bultweg" (vastges
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan "Schoonebeek, Camping Bultweg" (vastgesteld) 5
Bijlage 1 Flora en Fauna
6 teld)
bestemmingsplan "Schoonebeek, Camping Bultweg" (vastges
Toetsing Wet natuurbescherming Camping Emmen, Schoonebeek
Toetsing Wet natuurbescherming Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
Opdrachtgever Camping Emmen Bultweg 7 7751 PJ Schoonebeek M 06-41971333
Opdrachtnemer Eelerwoude Mossendamsdwarsweg 3 7472 DB GOOR Postbus 53, 7470 AB GOOR T (0547) 26 35 15 F (0547) 26 37 77 E info@eelerwoude.nl I www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: P9396 Datum: 21-3-2019 Projectleider: R.Kroeskop Opgesteld: R. Kroeskop Gecontroleerd: V.de Lenne Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het bevoegd gezag stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken.
INHOUD
1
INLEIDING ........................................................................................................... 4
1.1
Aanleiding ............................................................................................................ 4
2
HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 5
2.1 2.2
Huidige situatie .................................................................................................... 5 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................. 5
3
NATUURWETGEVING EN -BELEID .................................................................. 9
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Inleiding ................................................................................................................ 9 Bescherming van soorten .................................................................................... 9 Bescherming van gebieden ................................................................................. 9 Bescherming van houtopstanden ...................................................................... 10 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 11
4
METHODE ......................................................................................................... 13
4.1 4.2
Bureauonderzoek............................................................................................... 13 Terreinbezoek .................................................................................................... 13
5
BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 15
5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.4 5.5
Planten ............................................................................................................... 15 Zoogdieren ......................................................................................................... 15 Vleermuizen ....................................................................................................... 15 Overige zoogdieren............................................................................................ 19 Vogels ................................................................................................................ 19 Amfibieën, reptielen en vissen ........................................................................... 21 Ongewervelden .................................................................................................. 21
6
CONCLUSIE ...................................................................................................... 22
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Conclusie bescherming soorten ........................................................................ 22 Conclusie bescherming gebieden ...................................................................... 23 Conclusie bescherming houtopstanden ............................................................ 23 Conclusie Natuurnetwerk Nederland ................................................................. 23 Uitvoerbaarheid van de plannen ........................................................................ 23 Geldigheid onderzoek ........................................................................................ 23
LITERATUURLIJST .......................................................................................................... 24 BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING .............................................. 25
1 1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
In verband met de voorgenomen uitbreiding van camping Emmen, aan de Bultweg 9 te Schoonebeek, dient het huidige bestemmingsplan gewijzigd te worden. Voor wijzigingen aan het bestemmingsplan is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden of de ontwikkeling gerealiseerd kan worden en er geen belemmeringen bestaan vanuit de Wet natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
2 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1
Huidige situatie
Camping Emmen is gelegen aan de noordzijde van Schoonebeek en aangrenzend aan de parallelweg Bultweg. Het campingterrein wordt omringd door verschillende agrarische percelen. Figuur 1 en figuur 2 geven de begrenzing van het plangebied weer. Figuur 3 geeft de plattegrond van de camping weer. Het plangebied bestaat uit grasland omringd met lage beplanting met beukenhagen en bebossing. Aan de westzijde van het plangebied grenst de huidige camping. Het huidige plangebied is vrij open, in het zuidelijk deel is nieuwe beplanting aangeplant van inheems plantmateriaal. Beplanting is ook aanwezig aan de randzone van de camping, deze beplanting bestaat veelal uit wilgen, sleedoorn en zwarte elzen. De camping wordt omsloten met een singel met grote eiken en struweelbeplanting als onderbegroeiing. Aan het einde van het perceel liggen takkenrillen afkomstig van snoeihout die schuilmogelijkheden bieden voor een aantal vogelsoorten en kleine zoogdieren. Het plangebied en de camping wordt gescheiden door een kleine watergang. Deze was ten tijde van het veldbezoek beperkt watervoerend. In het westen van het plangebied bevindt zich een grote poel met in het midden een eilandje. Op de camping is geen verlichting aanwezig met uitzondering van het receptiegebouw aan de voorzijde van het plangebied. Verder heeft de camping aan de voorzijde een klein boerderijtje met kippen en varkens.
Figuur 4 toont een impressie van de camping aan de hand van een aantal foto’s die genomen zijn tijdens het veldbezoek op woensdag 20 maart 2019.
2.2
Voorgenomen ontwikkeling
Voor uitbreiding van de bestaande camping zal het plangebied in het zuiden worden ingericht als kampeerterrein. De eigenaar heeft aangegeven dat er in de toekomst nog meer natuurlijke beplanting wordt aangelegd.
5
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Figuur 1 en figuur 2. Ligging plangebied, rode arcering geeft het plangebied weer.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
6
Figuur 3. Plattegrond Camping Emmen. Bron: infobord camping Emmen, 2019
7
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Figuur 4. Impressie plangebied, situatie op woensdag 20 maart 2019.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
8
3 3 NATUURWETGEVING EN -BELEID 3.1
Inleiding
De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2
Bescherming van soorten
Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3
Bescherming van gebieden
Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden
9
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht.
is
dat
deze
Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: Op ongeveer 6 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Bargerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de voorgenomen werkzaamheden wordt niet verwacht dat de werkzaamheden een invloed hebben op de aangewezen habitattypen en -soorten. Met de voorgenomen realisatie wordt ook niet verwacht dat de kernopgaven van de natuurgebieden belemmerd worden in een mogelijke uitbreiding of kwaliteitsverbetering. Er wordt geen externe werking of cumulatie verwacht. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
3.4
Bescherming van houtopstanden
Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.
De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
10
• •
• •
• • •
kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.
De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
3.5
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren.
11
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Gevolgen plangebied Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op ruim 2 kilometer van begrensd NNN-gebied. Met de voorgenomen ontwikkelingen worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
12
4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.1
Bureauonderzoek
Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.
4.2
Terreinbezoek
Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door R. Kroeskop uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 20 maart 2019 bij 10ºC, bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd.
13
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of
-
op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging,
RAVON,
Stichting
Das
en
Boom,
Vogelbescherming
Nederland,
Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
14
5 5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Planten
Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Wel zijn er een aantal algemeen voorkomende planten waargenomen zoals gewone Brunel, brandnetel, braam, ereprijs, kamperfoelie en fluitenkruit. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Veel van de beschermde soorten komen nagenoeg uitsluitend voor in natuurgebieden. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, deze worden ook niet verwacht. Er worden dan ook geen effecten op beschermde plantensoorten verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.2
Zoogdieren
5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook meervleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben:
15
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
-
kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats; paar- en/of baltsverblijfplaats; winterverblijfplaats.
Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.
Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden verschillende eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraam, zomer of baltsverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om holten en spleten in de stam of in de schors. In het plangebied zijn geen gebouwen en bomen aanwezig. Het plangebied is dan ook niet geschikt als verblijfplaats. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Ook de omgeving is geschikt als foerageergebied, ondermeer door de aanwezigheid van een poel, luwe plekken binnen het kampeerterrein en voldoende voedselaanbod in vorm van insecten (door veel bloeiende kruiden en struwelen). Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals houtsingels, welke als vliegroute kan dienen. Alle aanwezige lijnvormige beplanting, met name aan de randzone van de camping kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen.
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
16
natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaats Door afwezigheid van gebouwen en bomen is het plangebied ongeschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Vliegroute/foerageergebied Rondom het plangebied is beplanting aanwezig die dienst kan doen als foerageergebied en vliegroute. Alle beplanting in en rondom blijven gehandhaafd, negatieve effecten op vliegroute en foerageergebied worden hiermee uitgesloten. De ontwikkeling zal geen invloed hebben op de geschiktheid van het plangebied voor vleermuizen. Het is daarbij wel van belang dat de verlichting in het plangebied niet toeneemt. Dit kan met enkele simpele maatregelen: -
niet uitstralende armaturen (zie kader verlichting) voorkom verlichting van boomkronen;
De camping is en wordt zodanig ontwikkeld met inheems groen, dat het voedselaanbod in vorm van insecten naar verwachting zal toenemen, dit zal een positief effect hebben op onder andere vleermuizen. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht.
17
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de Rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
-
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
-
beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
-
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
18
5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: haas, konijn, egel en diverse algemene (spits)muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast zullen een aantal het plangebied gebruiken als migratieroute. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Drenthe is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Een strikter, algemene, maar beschermde soort die voorkomt is steenmarter. Steenmarter kan het plangebied gebruiken als migreerroute. Van steenmarter is bekend dat deze voorkomt in structuurrijke landschappen met landschapselementen, maar tegenwoordig komt steenmarter door voedselgebrek meer voor binnen de bebouwde kom. Uit verspreidingsgegevens is eveneens bekend dat de soort in de directe omgeving voorkomt. Sporen (latrines) of aanwijzingen van verblijfplaatsen van steenmarter zijn niet aangetroffen binnen het plangebied.
Effecten en ontheffing De ontwikkeling zal naar verwachting niet leiden tot een verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Door de aanplant van inheems groen neemt mogelijk de biodiversiteit toe waarvan algemeen voorkomende zoogdieren van kunnen profiteren (toenemend voedsel in vorm van insecten/ planten). Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Drenthe een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Voor steenmarter geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soorten, het plangebied blijft geschikt als leefgebied voor steenmarter. Huidige beplanting en waterelementen blijven behouden. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
5.3
Vogels
Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dus ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende
19
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
algemeen voorkomende broedvogels veelal zingend waargenomen: tjiftjaf, geelgors, rietgors, zanglijster, ekster, houtduif, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst en winterkoning. Binnen het plangebied zijn verschillende nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en worden op basis van de aanwezige terreintypen ook niet verwacht. Verderop gelegen buiten het plangebied is een roekenkolonie aanwezig. Mogelijk dat enkele andere soorten met jaarrond beschermde nesten het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals buizerd en kerkuil. Aan de voorzijde van de camping, rond het kleine boerderijtje met kippen en varkens zijn zingende huismussen waargenomen. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen.
Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Van de jaarrondsoorten is alleen huismus aangetroffen rondom het kleine boerderij tijdens het veldbezoek. Het kleine boerderijtje en het receptiegebouw behoud zijn huidige staat. Negatieve effecten op huismus worden uitgesloten.
De overige jaarrondsoorten als buizerd, kerkuil en roek kunnen het plangebied gebruiken om te jagen of te foerageren. De genoemde jaarrondsoorten kunnen ook na de ontwikkeling van het plangebied gebruik blijven maken. Negatieve effecten op de bovengenoemde jaarrondsoorten worden hiermee uitgesloten. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
20
5.4
Amfibieën, reptielen en vissen
Voorkomen en functie Amfibieën Een aantal soorten, zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander, kunnen het plangebied gebruiken als leefgebied. In het plangebied zijn waterelementen aanwezig die geschikt zijn als voortplantingswater. Strikt beschermde amfibieën worden niet verwacht in het plangebied vanwege het ongeschikte habitat voor deze soorten. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van strikt beschermde amfibieën in de directe omgeving van het plangebied. Reptielen Beschermde reptielen zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied. Vissen Binnen het plangebied zijn waterelementen aanwezig, maar beperkt watervoerend welke (deels) droogvallen. (Beschermde) vissen worden dan ook niet verwacht in het plangebied. Effecten en ontheffing Door het ontbreken van geschikt biotoop voor reptielen en vissen, worden deze niet in het plangebied verwacht. Voor amfibieën geldt dat met de natuurlijke ontwikkeling van de camping het landbiotoop wordt verbeterd. Negatieve effecten op amfibieën worden om die reden uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor amfibieën, reptielen en vissen is in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.
5.5
Ongewervelden
Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel, nauwe korfslak en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
21
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
6 6 CONCLUSIE Op basis van deze quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken.
6.1
Conclusie bescherming soorten
Het plangebied biedt een potentieel habitat voor een aantal beschermde soorten. Hoewel er geen gerichte en uitgebreide veldinventarisatie heeft plaatsgevonden, is op basis van de beschikbare literatuurgegevens en eenmalig veldbezoek vastgesteld dat het terrein mogelijk van belang is voor enkele algemeen beschermde soorten met een landelijke vrijstelling en voor enkele soorten zonder deze vrijstelling. Overige soorten Voor veel soorten maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soort. Dit betreft echter geen essentieel onderdeel en is ook na de ontwikkeling nog steeds voorhanden als leefgebied. De ontwikkeling van de camping zorgt uiteindelijk voor biotoopverbetering van genoemde beschermde en algemenere soorten. Steenmarter Mogelijk maakt het plangebied deel uit van het leefgebied van steenmarter. Ook na de ontwikkeling kan steenmarter gebruik blijven maken van het plangebied, Negatieve effecten worden dan ook uitgesloten. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (periode van 15 maart tot 15 juli). Vogels jaarrond Er zijn geen negatieve effecten op verblijfplaatsen van soorten met een jaarronde bescherming aan de orde, leefgebied voor de soorten blijft behouden. Negatieve effecten zijn uitgesloten.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
22
6.2
Conclusie bescherming gebieden
In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Nadere toetsing wordt niet noodzakelijk geacht.
6.3
Conclusie bescherming houtopstanden
Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
6.4
Conclusie Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de NNN, om die reden is toetsing aan het NNN-beleid niet noodzakelijk.
6.5
Uitvoerbaarheid van de plannen
Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en voorwaarden is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
6.6
Geldigheid onderzoek
Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Voor onderzoeken waar alleen algemeen voorkomende soorten, de overige beschermde soorten van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn, mag worden volstaan met een geldigheid van 5 jaar. Waarbij ook geldt dat er in die periode weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen optreden. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2 Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
23
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
LITERATUURLIJST -
-
-
Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland.
Soortinformatie: - www.zoogdiervereniging.nl - www.ravon.nl - www.sovon.nl
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
24
BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende plantenen diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).
De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.
1
De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
25
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden,
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
26
maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden.
Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken.
27
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
28
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
29
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Toetsing Wet natuurbescherming Definitief
Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Camping Emmen, Schoonebeek Definitief
30
Bijlage 2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
bestemmingsplan "Schoonebeek, Camping Bultweg" (vastgesteld) 37
INLEIDING 1.1
Aanleiding
In een m.e.r.-aanmeldnotitie wordt onderzocht of een (ruimtelijk) voornemen dermate grote nadelige milieugevolgen kan hebben, dat een milieueffectrapportage (m.e.r) nodig is. Voorliggende aanmeldnotitie voorziet in deze beoordeling. De reden voor het opstellen van het bestemmingsplan is de planologische uitbreiding van Camping Emmen, grotendeels conform huidig gebruik. Het voorgenomen project is (deels) in strijd met het geldend bestemmingsplan. De gemeente Emmen (bevoegd gezag) heeft aangegeven middels een bestemmingsplanprocedure medewerking te willen verlenen aan het project. 1.2 Bevoegd gezag Burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen zijn het bevoegd gezag voor het ter inzage leggen van het ontwerpplan die voor de gewenste wijziging is benodigd en het besluit of wel/geen m.e.r.-procedure noodzakelijk is.
1.3 Huidige situatie Camping Emmen is een bestaande familiecamping in Schoonebeek met kampeerplaatsen, trekkershutten en stacaravans, speeltoestellen etc. Op grond van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2011 is verblijfsrecreatie uitsluitend toegestaan op het perceel kadastraal bekend SNB00 C 362 (achter Bultweg 7), waarbij trekkershutten uitsluitend op de zuidelijke helft van dat perceel geplaatst mogen worden, en stacaravans in zijn geheel niet zijn toegestaan. Gewenst is dat ook stavcaravans op het terrein zijn toegestaan. Het perceel kadastraal bekend SNB00 C 4776 heeft nu nog gedeeltelijk, aan de zuidkant, een woonbestemming (Bultweg 9). De noordelijke gronden hebben de bestemming "Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen". Gewenst is dat ook op deze gronden verblijfsrecreatie is toegestaan. De bedrijfswoning aan de Bultweg 7 wordt een reguliere woning, en de bouwkavel voor een (reguliere) woning aan de Bultweg 9 wordt onderdeel van het campingterrein en wordt bestemd als bedrijfswoning. 1.4 Wettelijke grondslag De milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wm.
Ingevolge artikel 7.17, eerste lid van de Wm moet het bevoegd gezag bij voorgenomen activiteiten genoemd in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) besluiten of voor het project, gelet op de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project mogelijk heeft, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Het gaat om de gevolgen voor het milieu als bedoeld in artikel 7.1 van de Wm. Het initiatief heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D categorie 10 sub d.
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN 2.1 Inhoudelijke beoordeling Centraal in de m.e.r.-beoordeling procedure staat de aanmeldingsnotitie waarin wordt beschreven of er bijzondere omstandigheden zijn waardoor (mogelijk) sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In deze notitie moet aandacht besteed worden aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Daarbij gelden er drie hoofdcriteria; Kenmerken van het project, Plaats van het project, Kenmerken van de potentiële effecten. De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten), activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten) en activiteiten die wel zijn opgenomen in de D-lijst, maar in omvang kleiner zijn dan de opgenomen drempelwaarden. Voor deze laatste categorie geldt een vormvrije m.e.r.beoordeling.
De uitbreiding van de camping valt binnen de categorie “uitbreiding van een permanent kampeer- en caravanterrein” als bedoeld in categorie D 10 sub d van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit valt onder de drempelwaarde als beschreven in de tweede kolom. Voor deze ontwikkeling geldt dan ook een vormvrije m.e.r.beoordelingsverplichting. 2.2 Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project dient op grond van artikel 4 lid 3 bijlage III EU richtlijn m.e.r. in het bijzonder in overweging genomen te worden de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, en het risico van ongevallen met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. - Omvang van het project De aanvraag gaat over de kadastrale percelen SNB00 C 362, en SNB00 C 4776 in Schoonebeek. Het totale terrein omvat zo’n 3,4 hectare. Op grond van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2011" is verblijfsrecreatie uitsluitend toegestaan op het perceel kadastraal bekend SNB00 C 362, waarbij trekkershutten uitsluitend op de zuidelijke helft van dat perceel geplaatst mogen worden, en stacaravans in zijn geheel niet zijn toegestaan. Gewenst is dat ook stacaravans op het terrein zijn toegestaan.
Het perceel kadastraal bekend SNB00 C 4776 heeft nu nog gedeeltelijk, aan de zuidkant, een woonbestemming (Bultweg 9). De noordelijke gronden hebben de bestemming "Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen". Gewenst is dat ook op deze gronden verblijfsrecreatie is toegestaan. De bedrijfswoning aan de Bultweg 7 wordt een reguliere woning, en de bouwkavel voor een (reguliere) woning aan de Bultweg 9 wordt onderdeel van het campingterrein en wordt bestemd als bedrijfswoning. - Cumulatie met andere projecten In de omgeving van het plangebied worden geen andere projecten uitgevoerd waarvan de effecten in cumulatie met effecten van onderhavig project tot aanzienlijke milieugevolgen kunnen leiden. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. Het project staat op zichzelf. - Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt verder geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. - De productie van afvalstoffen Binnen de inrichting komen afvalstoffen vrij zoals die zijn te verwachten binnen de normale bedrijfsvoering van een camping. De aard en omvang van deze vrijkomende afvalstoffen zijn beperkt van omvang. De productie van afvalstoffen leidt niet tot aanzienlijke milieugevolgen. -