Bijlage 2 - Omgevingsvergunning Gantel 37, Klazienaveen
Tekst van het document
De richtwaarde (RBS 50 DB (A)) tijdens onderhoud wordt overschreden (4 dB(A)) in de nachtperiode bij één woning gelegen aan de Gantel 9 (positie 7). Voor woningen op een niet-gezoneerd industrieterrein geeft de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening een richtwaarde van 55 dB(A). De geluidsbelasting van HoSt bij
- 23 -
deze woning bedraagt ten hoogste 54 dB(A). Aan deze richtwaarde wordt voldaan. Aangezien betreffende geluidemissie niet door middel van BBT-maatregelen is te verlagen tot de richtwaarde van de betreffende woonomgeving achten wij daarom de aangevraagde activiteiten vergunbaar. Maximaal geluidsniveau (LAmax) Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente niveau uitkomen. De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Bij de meest nabij gelegen woningen wordt niet aan de streefwaarden voldaan. Aan de grenswaarden wordt wel voldaan. Op basis van de beschikbare kennis omtrent hinder door maximale geluidniveaus zijn de berekende maximale geluidniveaus derhalve toelaatbaar (zie ook diverse uitspraken van de ABRvS). De maximaal toegestane geluidsniveaus hebben wij in een voorschrift vastgelegd. Het voorschrift betreft de normale bedrijfsvoering en niet situaties die zich bij ongewone voorvallen kunnen voordoen. Indirecte hinder Onder indirecte hinder wordt verstaan de geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door transportbewegingen van en naar de inrichting zolang de transportmiddelen zich op de openbare weg bevinden.
Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg wordt beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer, d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen. De dichtstbijzijnde woning is gelegen aan de Gantel 30. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting bij deze woning langs dit traject niet meer bedraagt dan 44 dB(A). Aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Trillingen Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillingsgevoelige bestemmingen is trillingshinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen. Conclusie Ten aanzien van de geluidsbelasting, maximale geluidsniveaus en indirecte hinder is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar. Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden.
De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de aangevraagde geluidsruimte. Geur Algemeen De bedrijfsactiviteiten van HoSt zijn geurrelevant. Geurverspreiding wordt door vele voorzieningen tot een minimum beperkt maar kan uit een deel van de inrichting en de activiteiten die daar plaatsvinden optreden. De vergistingsinstallatie zelf dient geheel gesloten te zijn, er mag bijvoorbeeld geen geproduceerd biogas ongecontroleerd ontsnappen. Aan dit deel van de inrichting is dan ook geen relevante geuremissie te koppelen. Geur kan in principe wel vrijkomen bij de aanvoer en opslag van grondstoffen, en bij de (tussen-)opslag en afvoer van het digestaat. Met name de handelingen met het materiaal, zowel bij aanvoer als afvoer, zijn een bron voor het vrijkomen van geuren. De van de inrichting te verwachten geurbelasting op de omgeving is in kaart gebracht in een geuronderzoek. Dit geuronderzoek heeft de volgende kenmerken: Geuronderzoek vergistingsinstallatie Klazienaveen, N001-1232285KMS-V01, d.d. 1 april 2016. De geursituatie rond de inrichting wordt beoordeeld op basis van de in dit geuronderzoek beschreven bedrijfssituatie.
- 24 -
Geur en de regelgeving Op basis van artikel 2.7a eerste lid van het Activiteitenbesluit wordt, indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt. Op grond van het tweede lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Artikel 2.7a vierde lid van het Activiteitenbesluit bepaalt dat het bevoegd gezag, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt, bij maatwerkvoorschrift: - geuremissiewaarden vaststellen; - bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of - bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
- 25 -
In het vijfde lid 5 van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit is bepaald dat indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, het bevoegd gezag kan besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid van artikel 2.7a wordt voldaan. Het geurbeleid Artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit is gebaseerd op het geurbeleid zoals dat door de minister van Infrastructuur en Milieu is verwoord in de circulaire van 30 juni 1995, en dat als zodanig is opgenomen in paragraaf 7.2 van de Handleiding Geur, waarnaar wordt verwezen in de toelichting op het Activiteitenbesluit. Het algemene uitgangspunt van het geurbeleid is het voorkomen van (nieuwe) geurhinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Tot de kern van het geurbeleid behoort ook dat de regionale overheden de lokale afweging moeten maken zodat zij rekening houdend met alle relevante belangen om tot een duurzame kwaliteit van de leefomgeving te komen. Het bevoegd gezag bepaalt uiteindelijk wat het aanvaardbare hinderniveau is waaraan in het Activiteitenbesluit in artikel 2.7a wordt gerefereerd.
Samengevat kan de volgende beleidslijn worden afgeleid: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van het BBT principe afgeleid: mate van hinder kan onder andere worden bepaald via een belevingsonderzoek, hinderenquête, klachtenregistratie etc. Voor branches waarvoor een Bijzondere Regeling is opgenomen in het informatiedocument NeR komt het hinderniveau in die regeling aan de orde; - de mate van hinder die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd bestuursorgaan. De systematiek voor het vaststellen van het aanvaardbaar (is gelijk aan acceptabel) hinderniveau is beschreven in de 'Handleiding geur': bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industriële bedrijven (niet veehouderijen). De handleiding geur is op 28 juni 2012 vastgelegd in de NeR en het Activiteitenbesluit verwijst daarnaar. De handleiding gaat over geur van bedrijfsmatige activiteiten (uitgezonderd veehouderijen) die in de leefomgeving ruikbaar is. Een belangrijk uitgangspunt is dat de handleiding geur geen nieuw geurbeleid bevat. Provincies en gemeenten behouden de vrijheid om zelf lokaal invulling te geven aan hun geurbeleid.
Bepalen aanvaardbaar geurhinderniveau Op grond van het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit wordt bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten: a de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid; b de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting; c de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; d de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder; e de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en f de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting. Ad a) Toetsingskader De gemeente Emmen kent geen specifiek geurbeleid en ook de provincie Drenthe heeft dat niet. Naast het stappenplan en het algemene toetsingskader uit de Handleiding geur, is als referentie gebruik gemaakt van het vaststaande geurbeleid van de provincies Overijssel en Groningen. Dit heeft ertoe geleid dat er als het toetsingskader voor het bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau is gekozen om: - de potentiële hinder voor de omgeving tot een minimum te willen beperken; - rekening te houden met het feit dat de activiteiten van HoSt reeds vergund zijn en er alleen sprake is van het wijzigen ervan; - het aan te houden beschermingsniveau te kiezen o.b.v.
de aard van het gebied waar geurgevoelige objecten zich bevinden; - de aard van de geur die door HoSt in de buitenlucht wordt gebracht, bij gebrek aan een bekende hedonische waarde voor de betreffende geuren, te typeren als een (standaard) hinderlijke geur; - de mogelijke invloed van piekemissies te betrekken bij de beoordeling van de kans op hinder in de toekomstige situatie;
- 26 -
-
de in het geuronderzoek bij de aanvraag aangegeven geurbelasting van de omgeving te toetsen aan de meest maatgevende waarde van de volgende richtwaarden als 98-, 99,5- en de 99,9-percentiel, een geurconcentratie van respectievelijk 1,5, 3,0 en 6 ouE/m3;
Ad b) De aard, omvang en waardering van de geur In het geuronderzoek is beschreven welke installatieonderdelen en activiteiten op het terrein geen geur verspreiden en wat de bijdrage is van de voorziene berekende geuremissies en emissie-uren van de (discontinue) geurbronnen in de representatieve bedrijfssituatie. Hierbij is uitgegaan van, onveranderd t.o.v. de huidige vergunning, een verwerkingscapaciteit van in totaal maximaal 25.000 ton per jaar. Aangegeven en onderbouwd is dat de gewijzigde samenstelling van de te verwerken biomassa niet leidt tot een andere potentiële bronsterkte. Voor de aard en waardering van de vrijkomende geuren wordt gerefereerd aan branche-onderzoeken voor Groen- en GFT-composteringen omdat plantaardige biomassastromen worden verwerkt. Ook voor het bij vergisting vrijkomende, en dus geproduceerde, digestaat wordt dat gedaan. Dat zou kunnen worden geïnterpreteerd als het typeren van de vrijkomende geuren als minder hinderlijk maar daarin wordt het geuronderzoek niet gevolgd. Om hinder zoveel als mogelijk te voorkomen, is gekozen voor het beoordelen van de situatie rond HoSt, met de beleidskaders van Overijssel en Groningen, rekening houdende met de geur van HoSt als een (standaard) hinderlijke geur.
Ad c) Geurbelasting van geurgevoelige objecten Het Activiteitenbesluit verwijst voor de definitie van het «geurgevoelig object» naar artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij: gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Het bevoegd gezag moet deze definitie aanhouden om te bepalen wat een geurgevoelig object is. Wel bepaalt het bevoegd gezag zelf welke mate van geurhinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten beschermd horen te worden tegen geurhinder, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor het vaststellen van het benodigde beschermingsniveau zijn criteria van belang als verblijfsduur, omvang van de groep, functie van de omgeving, aanwezigheid van gevoelige groepen, bijzondere bestemmingen. Overeenkomstig het informatiedocument NeR gelden als geurgevoelig object aaneengesloten woonbebouwing, ziekenhuizen en scholen. Als minder te beschermen geurgevoelige objecten worden beschouwd bedrijfswoningen, verspreid liggende woonbebouwing en winkels. Op grond van jurisprudentie (o.a. uitspraak Raad van State 200703228/1) moeten in bepaalde gevallen ook inrichtingen (buurbedrijven) in zekere mate als geurgevoelig worden beschouwd.
Kritisch gelegen objecten in de nabije omgeving van de vestigingslocatie van HoSt zijn de (bedrijfs-) woningen behorend tot het kassengebied. Deze worden gezien als geurgevoelige objecten waaraan bescherming moet worden geboden. Wat betreft de mate van bescherming zijn deze woningen conform het bovenstaande minder te beschermen dan bijvoorbeeld de, in dit geval op ruime afstand gelegen en daardoor niet kritische, aaneengesloten woonbebouwing van Klazienaveen, Nieuw-Dordrecht of BargerCompascuum. Aan deze typering, beperkt te beschermen objecten, is het genoemde toetsingskader dan ook gekoppeld. Met behulp van het standaard verspreidingsmodel NNM is op basis van de onderscheiden geurbronnen met hun berekende geuremissie de geurbelasting van deze naaste omgeving bepaald. Gekoppeld aan het discontinue karakter van de geurbronnen blijkt van de toetsingswaarden de 99,9-percentiel de meest kritische. Bij de dichtstbijzijnde woningen, zijnde aan de Gantel, de Strijp en het Scholtenskanaal OZ, is volgens het geuronderzoek sprake van een geurbelasting tussen de 2,3 en 5,9 ouE/m3 als 99,9percentiel. Hiermee wordt bij alle woningen voldaan aan het toetsingskader dat de gemeente Emmen ziet als maatgevend voor het oordeel over het aanvaardbaar hinderniveau.
- 27 -
Conclusie Ten aanzien van de geurbelasting die het gevolg is van de activiteiten van HoSt, is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar. De verwachte geurbelasting op nabijgelegen woningen overschrijdt de gehanteerde niveaus voor toetsing op aanvaardbaarheid niet. Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden die zowel de emissies van het bedrijf als de geurbelasting bij woningen van derden reguleren. Bovendien zijn voorschriften opgenomen die hiervoor benodigde maatregelen borgen. Lucht Emissies Voor zover ten gevolge van de aangevraagde activiteiten emissies naar de lucht optreden is hierop het Activiteitenbesluit van toepassing. Hiermee wordt bereikt dat voldaan wordt aan BBT. Ten aanzien hiervan worden met deze vergunning verder geen emissie-eisen gesteld. Toetsing gevolgen voor de luchtkwaliteit Ten aanzien van de gevolgen van de aangevraagde activiteiten moet voldaan worden aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit uit Bijlage 2 van de Wm. De grenswaarden geven een niveau van de buitenluchtkwaliteit aan dat, in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu in zijn geheel, niet mogen worden overschreden. Gezien de activiteiten zijn hier alleen de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang.
Met de aanvraag is een luchtkwaliteitsrapport overgelegd waarin op adequate wijze de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de luchtkwaliteit zijn bepaald en vastgelegd. Uit het rapport blijkt dat de gecumuleerde jaargemiddelde bijdrage met de achtergrondconcentratie voor zowel stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) als zeer fijn stof (PM2,5) ruim onder vigerende grenswaarden ligt. Ook wordt het aantal overschrijdingen van de uur- en daggemiddelde concentratie voor respectievelijk NO2 en PM10 niet overschreden. Uit oogpunt van luchtkwaliteit bestaat geen belemmering de gevraagde vergunning te verlenen. PGS-richtlijnen Beleid De PGS richtlijnen geven de huidige milieutechnische inzichten weer ten aanzien van de organisatorische maatregelen en bouwkundige en installatietechnische voorzieningen voor een opslag van gevaarlijke stoffen. Het merendeel van de PGS-richtlijnen is genoemd in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht als Nederlands BBT-document. Bij een bestaande situatie, waarvoor eerder vergunning is verleend, moet echter rekening worden gehouden met bestaande rechten. Aangezien de oprichting van de installatie nog moet plaatsvinden, wordt daarom in deze vergunning voor wat betreft de bouwkundige en installatietechnische voorzieningen aangesloten bij de geldende PGS-richtlijnen.
Op- en overslag gevaarlijke stoffen, algemeen Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Voor de opslag en/of overslag van diverse te gebruiken chemicaliën, dieselolie en gasflessen zijn richtlijnen uit de PGS van toepassing. In het volgende hoofdstuk volgt een korte toelichting over de van toepassing zijnde PGS-richtlijn. De activiteit het opslaan van dieselolie in een bovengrondse opslagtank is opgenomen in paragraaf 3.4.9 van het Activiteitenbesluit. De voorschriften uit het besluit zijn rechtstreeks van toepassing op deze activiteit. Er worden daarom geen voorschriften in de vergunning opgenomen voor deze activiteit. Opslag (gevaarlijke) stoffen, PGS 15 Voor wat betreft de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen wordt in de aanvraag aangesloten bij de Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen 15: Richtlijn opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15). Gevaarlijke (afval)stoffen dienen op een veilige manier te worden opgeslagen conform PGS 15. De PGS 15 is o.a. van toepassing op verpakte ADR-geclassificeerde stoffen en gasflessen. Om de veiligheid zoveel mogelijk te waarborgen zijn voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en gasflessen voorschriften in de vergunning opgenomen.
Deze voorschriften sluiten aan bij de inzichten
- 28 -
welke zijn vastgelegd in de PGS 15. Conclusie Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het oprichten of wijzigen van een inrichting of mijnbouwwerk (artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo) zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
- 29 -
Bijlage 5. Voorschriften voor het onderdeel milieu INHOUD 1. algemene voorschriften 2. afvalstoffen 3. afvalwater 4. bodem 5. geluid 6. energie 7. geur 8. opslaan van (gevaarlijke)stoffen 9. veiligheid 10. gasopwaardeerinstallatie 11. fakkelinstallatie bijlage I begrippenlijst bijlage II beoordelingspunten
- 30 -
1.
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid 1.1 Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: • alle gebouwen en de installaties met hun functies; • alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid. 1.2
Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.
1.3
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
1.4
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
1.5
De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is.
Instructies 1.6 De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen. Meldingen en wijzigingen vergunninghouder 1.7 De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag. 1.8
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 3 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
1.9
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
Registratie 1.10 Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: - alle overige voor de inrichting geldende milieuvergunningen en meldingen voor de activiteit milieu; - de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; - de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoudsbeurten en/of metingen; - de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik; - de afleverbonnen van de bijproducten. 1.11
De documenten genoemd in voorschrift 1.10 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
- 31 -
1.12
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
Bedrijfsbeëindiging 1.13 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de - te beëindigen activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd. 1.14
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag binnen 3 dagen op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
2.
AFVALSTOFFEN
Afvalscheiding 2.1 Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: - de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen - papier en karton; - elektrische en elektronische apparatuur; - kunststoffolie. 2.2
Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijko-men bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen.
Opslag van afvalstoffen 2.3 De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 2.4
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: - niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; - het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; - deze tegen normale behandeling bestand is; - deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
2.5
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
Afvoer van afvalstoffen 2.6 Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen. Acceptatie 2.7 In de inrichting mogen maximaal 25.000 ton van de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd, voor zover deze afvalstoffen worden genoemd in Bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, ten behoeve van het vergisten; 02 01 01 02 01 03 02 01 07 02 01 99 02 03 01
slib van wassen en schoonmaken afval van plantaardige weefsels afval van de bosbouw niet elders genoemd afval slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden
- 32 -
02 03 02 02 03 03 02 03 04 02 03 05 02 03 99 02 04 03 02 04 99 02 06 01 02 06 02 02 06 03 02 06 99 02 07 01 02 07 02 02 07 03 02 07 04 02 07 05 02 07 99 04 02 10 07 01 99 16 10 02 16 10 04 19 06 05 19 06 06 19 06 99 19 08 09 19 08 10 19 08 12 19 08 14 19 09 01 19 09 02 19 09 99 19 11 01 19 11 03 19 11 04 19 11 99 20 01 25 20 01 99 20 02 01
afval van conserveermiddelen afval van oplosmiddelenextractie voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal afval van conserveermiddelen slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval afval van wassen, schoonmaken en mechanische bewerking van de grondstoffen afval van de destillatie van alcoholische dranken afval van chemische behandeling voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval organisch afval van natuurlijke producten (bv.
vet en was) niet elders genoemd afval niet onder 16 10 01 vallend waterig vloeibaar afval (mits aangetoond is dat het geen gevaarlijke reststroom betreft (bevat geen gevaarlijke stoffen) niet onder 16 10 03 vallende waterige concentraten (bevat geen gevaarlijke stoffen) vloeistof verkregen bij de anaërobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval digestaat van de anaërobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval niet elders genoemd afval vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die uitsluitend spijsolie en -vetten bevatten niet onder 19 08 09 vallende vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders niet onder 19 08 11 vallend slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater niet onder 19 08 13 vallend slib van andere behandelingen van industrieel afvalwater vast afval van primaire filtratie en roostergoed waterzuiveringsslib niet elders genoemd afval afgewerkte bleekaarde waterig vloeibaar afval afval van brandstofzuivering met behulp van basen niet elders genoemd afval spijsolie en -vetten niet elders genoemd afval van de gescheiden ingezamelde fracties biologisch afbreekbaar afval
2.8
In de inrichting mogen maximaal 16.000 ton van de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd, ten behoeve van verbranden;
02 01 03 02 01 07 17 02 01 20 01 38
afval van plantaardig weefsel afval van de bosbouw Hout hout dat geen gevaarlijke stoffen bevat
2.9
Op enig moment mogen niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan 10.090 ton
2.10
Indien vergunninghouder een afvalstof wil accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in de tabel in voorschrift 2.7 of 2.8 maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de afvalstoffen genoemd in voorschrift 2.7 of 2.8 moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan bevoegd gezag gezonden worden. In het verzoek moet het volgende vermeld worden: - omschrijving van de afvalstof; - euralcode; - met welke reeds vergunde Euralcode de afvalstof overeenkomt; - wijze van acceptatie, verwerking en opslag; - dat er sprake is van vergelijkbare milieuhygiënische aspecten (gemotiveerd); - dat de totale vergunde opslag- en verwerkingscapaciteit niet wijzigt. - Pas na goedkeuring van bevoegd gezag mag de afvalstof geaccepteerd worden.
- 33 -
2.11
Het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid en AO/IC moet met de volgende onderdelen worden aangepast dan wel aangevuld. Deze moeten 6 weken voor oprichting van de inrichting / de opstart van de inrichting, naar bevoegd gezag zijn gezonden; AV-beleid - een overzicht van voorstelbare ZZS die in de afvalstoffen kunnen voorkomen. De aanwezigheid van deze verontreinigingen in de te accepteren afvalstoffen moet dus worden uitgesloten en/of er moeten specifieke eisen worden gesteld. Indien voldaan moet worden aan verwerkings- of emissie-eisen moet worden beschreven welke specifieke acceptatiecriteria in relatie hiermee worden gehanteerd, - de wijze van evaluatie van het A&V-beleid. AO/IC: - een beoordeling van de kritieke momenten in het acceptatie- en verwerkingsproces; - een beschrijving van de meet- en registratiepunten ten behoeve van de procesbeheersing en transparantie van het proces; - de wijze van monitoring en welke stromenbalansen worden gemaakt; - een beschrijving van de administratieve organisatie (stoffen-, proces en financiële administratie en de relatie daartussen).
2.12
Nieuwe inzichten ten aanzien van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) moeten actief worden geïdentificeerd,- op relevantie getoetst,- en worden verwerkt in het acceptatie- en verwerkingsbeleid. Dit laatste in ieder geval binnen drie maanden na publicatie van de betreffende inzichten door overheidsinstanties of erkende onderzoeksinstellingen. Deze zorgplicht dient aantoonbaar procedureel te zijn geborgd.
2.13
De vergunninghouder moet altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AVbeleid en de AO/IC inclusief (voor zover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de ingevolge voorschrift 2.11 toegezonden wijzigingen.
2.14
Het in voorschrift 2.12 bedoelde AV-beleid en de AO/IC en de op grond van voorschrift 2.11 doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.
2.15
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten uiterlijk twee weken voordat de wijziging wordt doorgevoerd (ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist) schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.
2.16
In het voornemen tot wijziging dient het volgende aangegeven te worden: - de reden tot wijziging; - de aard van de wijziging; - de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het AV-beleid en de AO/IC; - de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren. Pas na beoordeling/goedkeuring van het bevoegd gezag mag de wijziging worden doorgevoerd.
2.17
Indien bij de controle van aangevoerde afvalstoffen blijkt dat deze niet mogen worden geaccepteerd, moeten deze afvalstoffen door vergunninghouder worden afgevoerd naar een inrichting die beschikt over de vereiste vergunning(en). Deze handelwijze moet in het acceptatiereglement van het AV-beleid en AO/IC zijn vastgelegd.
2.18
Afvalstoffen die worden geïmporteerd, die niet voldoen aan de acceptatie-eisen en niet eenvoudig kunnen worden geretourneerd mogen, na instemming van het bevoegd gezag, tijdelijk worden opgeslagen. De vergunninghouder dient, op het moment dat deze situatie zich aandient, aan te geven om welke afvalstoffen het gaat, van wie ze afkomstig zijn, welke hoeveelheid het betreft, op welke locatie het afval binnen de inrichting is opgeslagen, om welke reden het afval niet geaccepteerd kan worden en welke (extra) milieugevolgen aan de orde kunnen zijn.
- 34 -
AFVALWATER Algemeen 3.1 Bedrijfsafvalwater mag uitsluitend in een openbaar riool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan: de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar riool of de bij een zodanig openbaar riool behorende apparatuur; de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar riool; de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. 3.2
Alle te lozen bedrijfsafvalwaterstromen moeten aan de volgende eisen voldoen: • de temperatuur in enig steekmonster mag niet hoger zijn dan 30°C, bepaald volgens NEN 6414 (2008); • de zuurgraad in enig steekmonster, uitgedrukt in pH-eenheden, mag niet lager dan 6,5 en niet hoger dan 8,5 zijn in een etmaalmonster en niet hoger dan 10 in een steekmonster, bepaald volgens NEN –ISO 10523 (2008); • het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/l bedragen, bepaald volgens NEN 6487 (1997) of NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISo 22743:2006/C1:2007. Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd te zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de NEN-norm.
3.3
De volgende stoffen mogen niet worden geloosd: • stoffen die brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken; • stoffen die stankoverlast buiten de inrichting kunnen veroorzaken; • stoffen die verstopping of beschadiging van een openbaar riool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken; • grove afvalstoffen en snel bezinkende afvalstoffen.
BODEM Doelvoorschriften 4.1 Het bodemrisico met betrekking tot de potentieel bodembedreigende activiteiten moet door het treffen van doelmatige maatregelen en voorzieningen voldoen aan verwaarloosbaar bodemrisico zoals gedefinieerd in de NRB. Voorzieningen 4.2 De opslag van verbrandingsas moet plaatsvinden in een container welke beschermd is tegen inregenen en waardoor uitspoeling wordt voorkomen. 4.3
De digestaatafscheider of separator moet wekelijks op zijn juiste werking worden geïnspecteerd. Inspectie en mogelijk onderhoud (keuringen, reparaties, schoonmaakwerkzaamheden e.d.) worden geregistreerd in het centraal registratiesysteem.
4.4
De vergisters en na-opslag moeten zijn uitgevoerd overeenkomstig de door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in 1990 uitgegeven publicatie Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990. Door een erkende installateur moet het in werking nemen van de installatie voor de bouwconstructie een geschiktheidsverklaring worden afgegeven.
4.5
Delen van de bouwconstructie alsmede de afdekking van de vergisters en na-opslag moeten voor het verstrijken van de overeenkomstig de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 opgegeven referentieperiode worden vervangen, tenzij een beoordeling door of namens een door de Raad voor Accreditatie voor die controle erkende onderneming, door of namens het bevoegd gezag, dan wel door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige uitwijst dat er een volgend tijdsbestek van gebruik kan zijn. Een door of namens het KIWA of door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige afgegeven bewijs van deze beoordeling moet aan het bevoegd gezag worden overgelegd. In dit bewijs moet voor de desbetreffende onderdelen van de bouwconstructie of de afdekking een nieuwe referentieperiode zijn aangegeven.
- 35 -
Beheersmaatregelen 4.6 Binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden moet door vergunninghouder een inspectie- en onderhoudprogramma voor de bodembeschermende voorzieningen aan het bevoegd gezag worden toegezonden. In dit plan moet ten minste het volgende zijn uitgewerkt: • welke voorzieningen geïnspecteerd en onderhouden worden; • de inspectie- en onderhoudsfrequentie; • de wijze van inspectie (visueel, monsterneming, metingen etc.); • waaruit het onderhoud bestaat; • hoe de resultaten van inspectie en onderhoud worden gerapporteerd en geregistreerd; • de verantwoordelijke functionaris voor inspectie, onderhoud 4.7
Voor alle bodembeschermende voorzieningen zoals vloeistofdichte voorzieningen, vloeistofkerende voorzieningen en lekbakken moet een inspectie en onderhoudprogramma aanwezig en operationeel zijn. Op basis van de resultaten van de bodemrisicoanalyse volgens voorschrift 4.6 moet vastgesteld worden welke voorzieningen opgenomen worden in het inspectie- en onderhoudsprogramma. Het inspectie- en onderhoudsprogramma geeft inzicht in: • welke voorzieningen worden gecontroleerd en geïnspecteerd; • wie de controles en inspecties uitvoert; • de frequenties van de controles en de inspecties; • de onderzoeksmethode en criteria van de controles en inspecties; • op welke wijze de controles en inspecties worden vastgelegd; • op welke wijze onderhoudswerkzaamheden worden geïnitieerd.
4.8 In de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies moet ten minste worden aangegeven op welke wijze: • de staat en goede werking van bodembeschermende voorzieningen, verpakkingen en apparatuur waarin vloeibare bodembedreigende stoffen worden opgeslagen of getransporteerd, wordt gecontroleerd; • er voor zorg wordt gedragen dat zo vaak als de omstandigheden daarom vragen inspecties op morsingen en lekkages plaatsvinden, en • is gewaarborgd dat gemorste of gelekte stoffen direct worden opgeruimd. 4.9
Degene die de inrichting drijft, moet ervoor zorgen dat de medewerkers die binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten verrichten, op de hoogte zijn van de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies, dat deze worden nageleefd en binnen de inrichting zodanig aanwezig zijn dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.
4.10
De controle, het onderhoud en het beheer van bodembeschermende voorzieningen moet zodanig plaatsvinden dat vrijgekomen stoffen zijn verwijderd voordat deze in de bodem kunnen geraken.
Opslag van vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking 4.11 Vloeistoffen en bodembedreigende stoffen moet worden bewaard in goed gesloten verpakking. 4.12
Lege, niet gereinigde verpakking moet worden behandeld als volle. Toelichting: Voor de bepaling van de opvangcapaciteit van een vloeistofdichte bak hoeft de opslagcapaciteit van de niet gereinigde verpakking niet meegerekend te worden.
4.13
In de inrichting moet nabij de opslag van vloeistoffen in verpakking, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste vloeistoffen moeten zo nodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven onder het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten verpakking. Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite.
4.14
Vloeistoffen in emballage moeten zijn geplaatst op een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak in het bebouwde deel van de inrichting.
4.15
Een vloeistofdichte lekbak moet een inhoud hebben van ten minste de grootste verpakkingseenheid vermeerderd met 10% van de inhoud van de overige emballage.
- 36 -
4.16
Boven een vloeistofdichte lekbak met vloeibare (afval)stoffen in emballage moet, indien deze buiten het bebouwde deel van de inrichting ligt, een afdak aanwezig zijn. Het afdak moet zo groot zijn dat regenwater niet binnen de vloeistofdichte lekbak kan komen.
4.17
Een lekbak die toegepast wordt voor het opvangen van lek- of morsvloeistoffen moet op de volgende punten gecontroleerd worden: • de lekbak correct gepositioneerd is zodat lekkende of wegspattende stoffen opgevangen kunnen worden; • de materiaalkeuze van de lekbak afgestemd is op de aard van de stof die kan vrijkomen.
Onderzoeken 4.18 Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem dient als referentiesituatie het verkennend bodem- en nulsituatieonderzoek, kenmerk 4569002, uitgevoerd op 21 februari 2008 door TAUW. 4.19
Bij beëindiging van een bodembedreigende activiteit dient ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie te zijn uitgevoerd. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol Bodemonderzoek Milieuvergunningen en BSB of conform een daaraan gelijkwaardige onderzoeksstrategie uit de NEN 5740. De opzet van het onderzoek dient alvorens tot uitvoering wordt overgegaan, te zijn overgelegd aan het bevoegd gezag. Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen - binnen 3 maanden nadat voornoemde rapportage is overgelegd nadere eisen worden gesteld door het bevoegd gezag, inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt.
4.20
Het eindonderzoek moet worden verricht op die locaties van de inrichting die bij het nulsituatieonderzoek en een eventueel (laatste) herhalingsonderzoek relevant zijn gebleken en op alle overige locaties in de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Monsterneming moet direct na beëindiging van de activiteiten plaatsvinden. Monsterneming en analyse van de monsters dient te zijn uitgevoerd conform NEN 5740. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek en een eventueel (laatste) herhalingsonderzoek onderzochte locaties moet het eindsituatieonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek of het eventueel uitgevoerde herhalingsonderzoek.
Herstelplicht (bodemsanering) 4.21 Indien uit monitoring of anderszins blijkt dat de bodem (grond en/of grondwater) is verontreinigd kan het bevoegd gezag binnen 6 maanden na ontvangst van de resultaten van het onderzoek, onderscheidenlijk het bij dit gezag op andere wijze bekend worden van de verontreiniging, verlangen dat de eerder vastgestelde nulsituatie van de bodemkwaliteit als bedoeld in voorschrift 4.18 wordt hersteld. 4.22
Indien de Wet bodembescherming niet van toepassing is op de wijze van saneren dient sanering plaats te vinden conform door het bevoegd gezag te stellen nadere eisen.
GELUID Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 5.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten mag in de RBS situatie op de beoordeling punten zoals genoemd in onderstaand schema, niet meer bedragen dan: Immissie Punt * 2 3 4 5 6
Omschrijving woning Scholtenskanaal OZ 14 woning Strijp 10 woning Gantel 30 woning Gantel 25 woning Strijp 22
LAr,LT per periode in dB(A) Dag Avond Nacht (07.00 - 19.00) (19.00- 23.00) (23.00 - 07.00) 39 32 31 37 31 31 35 33 33 35 34 34 46 40 40
- 37 -
7 woning Gantel 9 43 40 40 * de geografische ligging van de immissiepunten is weergegeven in Bijlage 1 behorend bij deze vergunning. De beoordelingshoogte is voor de dagperiode 1.5 meter. Voor de avond en nachtperiode is de beoordeling hoogte 5 meter.
5.2
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten mag tijdens ONDERHOUD op de beoordeling punten zoals genoemd in onderstaand schema, niet meer bedragen dan:
LAr,LT per periode in dB(A) Dag Avond Nacht (07.00 - 19.00) (19.00- 23.00) (23.00 - 07.00) 2 woning Scholtenskanaal OZ 14 56 29 29 3 woning Strijp 10 54 25 25 4 woning Gantel 30 53 27 27 5 woning Gantel 25 50 29 29 6 woning Strijp 22 69 36 36 7 woning Gantel 9 66 33 33 * de geografische ligging van de immissiepunten is weergegeven in Bijlage 1 behorend bij deze vergunning. De beoordelingshoogte is voor de dagperiode 1.5 meter. Voor de avond en nachtperiode is de beoordeling hoogte 5 meter. Immissie Punt *
5.3
Omschrijving
Onverminderd het gestelde in voorschrift 6.1.1, mogen de maximale geluidsniveaus (LAmax), voor zover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, op de in voorschrift 5.1 genoemde immissiepunten 2 tot en met 7 niet meer bedragen dan: • 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode); • 65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode); • 50 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).
Maatregelen en voorzieningen 5.4 Het verharde gedeelte van het terrein van de inrichting moet zijn voorzien van een vlak afgewerkte bestrating. 5.5
De in voorschrift 5.2 genoemde activiteiten, zijnde groot onderhoud, mag per jaar maximaal 14 dagen en met een totaal aantal uren van 336 uur plaatsvinden.
5.6
De in voorschrift 5.2 genoemde activiteiten, zijnde klein onderhoud, mag per jaar maximaal 7 dagen met een totaal aantal uren van 168 uur plaatsvinden.
5.7
Ten minste 5 werkdagen voordat de in voorschrift 5.5 en 5.6 genoemde activiteiten worden uitgevoerd, moet dit aan het bevoegd gezag worden gemeld.
5.8
Van de activiteiten genoemd in voorschrift 5.5 en 5.6 moet een logboek worden bijgehouden waarin wordt vermeld: • de datum waarop het onderhoud heeft plaatsgevonden; • de begin- en eindtijd van deze activiteiten; • eventuele bijzonderheden m.b.t. de geluidbelasting gedurende deze activiteiten zoals bijv. het in of buiten gebruik zijn van (andere) grote geluidsbronnen.
Metingen en controle 5.9 Bepaling/beoordeling en controle van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus en rapportages van metingen en/of berekeningen dienen te geschieden volgens de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”, uitgave 1999. 5.10
Binnen drie maanden, nadat de inrichting in zijn geheel in werking is, moet door middel van een akoestisch onderzoek aangetoond worden dat wordt voldaan aan de in voorschrift 6.1.1. en 6.1.2 gestelde geluidvoorschriften. Dit onderzoek moet in overleg met het bevoegd gezag worden opgezet en uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek dienen binnen vier maanden, nadat de inrichting in zijn geheel in werking is, aan het bevoegd gezag te worden overlegd.
- 38 -
ENERGIE Energiehuishouding en rendement 6.1 Teneinde inzicht te houden in de energiehuishouding en de rendementen van de installaties om daarmee het rendement van de installaties te optimaliseren moet per kalendermaand worden geregistreerd: • de verbrande hoeveelheid hout; • de vergistte hoeveelheid biomassa; • de gegenereerde hoeveelheid elektriciteit; • de geproduceerde hoeveelheid gas; • de geproduceerde hoeveelheid warmte; • de binnen de inrichting gebruikte hoeveelheid elektriciteit; • de binnen de inrichting gebruikte hoeveelheid gas; • de binnen de inrichting gebruikte hoeveelheid warmte; • de hoeveelheid weggekoelde warmte. 6.2
Eén jaar na het inwerking stellen van de installaties binnen de inrichting en daarna iedere vier jaar licht vergunninghouder de energie-efficiency van de installaties binnen de inrichting door overeenkomstig het gestelde in de bijlage energie efficiëntie van de aanvraag. Eventueel geïdentificeerde energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van minder dan 5 jaar worden getroffen.
GEUR Geuremmissie- en immissie 7.1 De bronsterktes en bedrijfsduur (uren/dag, uren/jaar) van de relevante geurbronnen op het bedrijfsterrein dienen niet meer te bedragen dan zoals vermeld in het geuronderzoek Vergistingsinstallatie Klazienaveen van 1 april 2016, met kenmerk N001-1232285KMS-V01. 7.2
De geurimmissie ten gevolge van de activiteiten van de gehele inrichting mag ter plaatse van dichtstbijzijnde woonbebouwing niet meer bedragen dan 1,5 ouE/Nm3 als 98-percentiel, 3 ouE/Nm3 als 99,5-percentiel en 6 ouE/Nm3 als 99,9-percentiel.
7.3
In het geuronderzoek als niet geurrelevant aangemerkte installatieonderdelen en bedrijfsactiviteiten mogen buiten het bedrijfsterrein niet waarneembaar zijn.
Maatregelen en voorzieningen 7.4 De opslag van aangevoerde steekvaste biomassa dient te allen tijde volledig afgedekt te zijn, behalve voor dat gedeelte van de opslag en die momenten van de dag dat er handelingen aan de opgeslagen biomassa plaatsvinden. 7.5
Het invoersysteem van de vergister voor vaste biomassa dient zodanig te zijn uitgevoerd dat er, buiten die momenten dat de invoer daadwerkelijk plaatsvindt, geen geur vrijkomt.
7.6
De opslag en transport op het bedrijfsterrein van vloeibare invoerstromen dienen volledig gesloten plaats te vinden zodat geen geuremissies hiervan optreden.
7.8
De opslag en transport op het bedrijfsterrein van af te voeren vloeibaar digestaat dient volledig gesloten plaats te vinden zodat geen geuremissies hiervan optreden.
7.9
De scheidingsinstallatie voor het uit de vergister af te voeren digestaat dient volledig gesloten te zijn uitgevoerd zodat geen geuremissies hiervan optreden.
- 39 -
7.10
Het gedurende enig uur gelijktijdig plaatsvinden van meer dan één van de volgende activiteiten moet tot een minimum worden beperkt en mag bij een windrichting tussen Zuid en West (180°270°) in het geheel niet plaatsvinden: - aanvoer vergistingsmateriaal steekvast en bermgras - aanvoer naar invoersysteem samen met opslag materiaal tijdelijk onafgedekt - afvoer dikke fractie digestaat.
Onderzoek geur 7.11 Binnen 3 maanden nadat de inrichting, in overeenstemming met de vergunning, in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een geuronderzoek bij representatieve bedrijfssituatie(s), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geurvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. Dit geuronderzoek dient ten minste een combinatie te zijn van emissiemetingen, verspreidingsberekeningen en veldmetingen (snuffelploegonderzoek). 7.12
Bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek en, indien van toepassing, over de datum en het tijdstip waarop de geluidmeting(en) voor bovengenoemde rapportage plaatsvind(en). Uitsluitend na toestemming van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden.
7.13
De resultaten van het geuronderzoek dienen uiterlijk binnen 3 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag in concept te worden gerapporteerd en ter bespreking voorgelegd.
7.14
Vergunninghouder moet beschikken over een procedure om bij storingen, of het anderszins optreden van afwijkende emissies ten opzichte van het normale patroon, de geursituatie te monitoren en zo nodig actie te ondernemen. De procedure moet ten minste bevatten: - een beschrijving van de storing - een beschrijving van de bij de storing optredende of verwachte geuremissie; - de te volgen procedure om de storingen ongedaan te maken; - de te zetten stappen om de omgeving te informeren; - criteria om te bepalen of en in welke mate het productieproces moet worden aangepast aan de omstandigheden.
Monitoring geursituatie en aanpak bij hinder 7.15 Vergunninghouder dient ten minste drie jaarlijks de vergistingsinstallatie en bijbehorend leidingwerk op gasdichtheid (volledig gesloten zijn) te inspecteren met behulp van daarvoor geschikte IR gasmeet-camera’s of even doelmatige apparatuur. 7.16
Vergunninghouder moet beschikken over procedures om onder normale bedrijfsomstandigheden de mate van geuremissie en de wijze van geurverspreiding uit de reguliere geuremissiepunten en vanaf het bedrijfsterrein als geheel te monitoren. Binnen 3 maanden na inwerkingtreding van dit besluit moet, met betrekking tot de genoemde aspecten in de voorschriften 7.1 t/m 7.3, een controleplan Geur ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
7.17
Het controleplan Geur, genoemd in 7.16, dient te beschrijven hoe met de inzet van Geur Relevante Parameters (GRP’s) geurbronnen en geurverspreiding van het bedrijfsterrein worden gemonitord en de staat van onderhoud van emissiebeperkende voorzieningen kan worden afgelezen. Het controleplan dient daarvoor ten minste aandacht te besteden aan: - een beschrijving van de in te zetten GRP’s of combinatie van GRP’s. - de monitoringsfrequentie die voor ieder van de GRP’s wordt gekozen, inclusief het waarom. - de wijze waarop met metingen de relatie tussen de GRP’s en de emissies wordt vastgesteld en periodiek gecontroleerd. - de bandbreedte waarbinnen iedere GRP of combinatie van GRP’s zich moet begeven of de waarde(n) die niet mag(mogen) worden overschreden of onderschreden en de onderbouwing ervan. - de wijze van registratie van de uitkomsten van de GRP’s, de acties die volgen op basis van
- 40 -
deze uitkomsten, en de wijze van inzichtelijk maken van de uitkomsten aan het bevoegd gezag. 7.18
Vergunninghouder kan verplicht worden een geuronderzoek uit te voeren als door het bevoegd gezag, op basis van door het bevoegd gezag gevalideerde geurklachten, wordt geconstateerd dat er sprake is van structurele - niet aan storingen of andere onvoorziene gebeurtenissen gerelateerde - geurhinder als gevolg van het in werking hebben van de productie-unit. Dit onderzoek dient binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn, door een onafhankelijk bureau en overeenkomstig de wijze vermeld in NTA 9065 "Meten en Rekenen Geur" te worden uitgevoerd.
7.19
Het geuronderzoek als bedoeld in 7.18 moet als doel hebben dat de oorzaak van de ondervonden hinder/overlast wordt vastgesteld. Het onderzoek dient tevens na te gaan of aan voorschrift 1.8.6 wordt dan wel kan worden voldaan. Het onderzoeksrapport dient in ieder geval de volgende gegevens te bevatten: - een overzicht van en motivatie bij de gekozen onderzoeksaanpak, de onderzochte geurbronnen, geuremissiepunten, en bedrijfsomstandigheden; - de geuremissies van de afzonderlijke bronnen in ouE /h en de op basis daarvan berekende geurconcentratie van de inrichting in de omgeving in ouE/m3, uur voor uur over de periode(n) met hinder en betrokken op de (fictieve) jaarsituatie als 98- en 99,9percentielwaarde); - een beschrijving van de (technische en organisatorische) mogelijkheden en de effecten daarvan ter reductie van de geurbelasting indien uit de metingen of berekeningen blijkt dat de geconstateerde hinder reëel is toe te schrijven aan de productie-unit; - de geraamde investerings- en exploitatiekosten van de geurbelasting beperkende mogelijkheden.
7.20
Het bevoegd gezag dient minimaal 5 werkdagen voorafgaande aan de uitvoering in kennis te worden gesteld van de in het in voorschrift 7.19 bedoelde onderzoek te betrekken geuremissiepunten, geurbronnen en bedrijfsomstandigheden, de gehanteerde meetmethoden, de uitvoering van de monsterpunten, het aantal deelmetingen en monsternemingsduur, de standaard meetcondities, de meetonzekerheden, uitvoerende instantie en datum van uitvoering.
7.21
De rapportage van het in voorschrift 7.19 bedoelde geuronderzoek dient uiterlijk binnen 1 maand na uitvoering van het onderzoek te worden ingediend bij het bevoegd gezag.
OPSLAAN VAN (GEVAARLIJKE) STOFFEN Op- en overslag van vaste en vloeibare producten (biomassa) tbv de vergistingsinstallatie 8.1
Vloeibare co-producten moeten via een gesloten leidingensysteem in de vergistinginstallatie worden gepompt. Gedurende de reguliere bedrijfsvoering mogen de vergisters niet worden geopend om product toe te voegen.
8.2
Behoudens tijdens op- en overslaghandelingen, dienen de aangevoerde vaste co-producten in de sleufsilo’s te zijn beschermd zijn tegen weersinvloeden c.q. te zijn afgedekt met landbouwplastic of andere geschikte afdekmaterialen.
8.3
Geaccepteerde biomassastromen moeten zodanig worden opgeslagen in daarvoor bestemde opslagvoorzieningen, dat gedurende de opslagperiode geen vermenging plaatsvindt. Ten behoeve van een homogene invoer in de vergistinginstallatie mogen ten tijde van het vullen van de vergisters, in de menginstallatie, vloeibare en vaste co-producten met elkaar worden vermengd.
8.4
Vloeibare te vergisten co-producten moeten worden opgeslagen in vloeistofdichte, productbestendige silo's of tanks van voldoende sterkte. Een silo of tank mag slechts voor 95% worden gevuld.
- 41 -
8.5
Gemorst co-product dient onmiddellijk na beëindiging van de overslaghandelingen, doch in ieder geval aan het einde van iedere werkdag, te worden opgeruimd en in de vergister worden gebracht of als afvalstof worden afgevoerd.
- 42 -
Opslag van digestaat Uitvoering en geschiktheid van het bassin 8.6
Een bassin voor de opslag van digestaat is voorzien van een afdekking die is aangebracht op of in het bassin, aansluitend of, in het geval van een drijvende afdekking, nagenoeg aansluitend tegen de rand van het bassin en boven het digestaat.
8.7
Een bassin voor de opslag van digestaat en de afdekking ervan worden aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofdstukken 6 en 7 van BRL 2342.
8.9
Een bassin voor de opslag van digestaat en de afdekking ervan zijn voorzien van een kwaliteitsverklaring mestbassin, waaruit blijkt dat het bassin voor de opslag van digestaat en de afdekking zijn uitgevoerd overeenkomstig BRL 2342 en wat de referentieperiode mestbassins is. De kwaliteitsverklaring mestbassin is binnen de inrichting aanwezig.
8.9
Een bassin voor de opslag van digestaat dat, of een afdekking die visueel waarneembaar lek is of in een slechte staat verkeert, wordt terstond gerepareerd.
8.10
Een bassin voor de opslag van digestaat en een afdekking worden overeenkomstig het daartoe in de Regeling bodemkwaliteit aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
8.11
De beoordeling, bedoeld in voorschrift 8.10, vindt plaats ten minste vier weken voor het aflopen van de referentieperiode van de mestbassins.
8.12
Bij goedkeuring van een bassin voor de opslag van digestaat en een afdekking wordt door de persoon of instelling, bedoeld in voorschrift 8.10, een nieuwe referentieperiode voor het bassin voor de opslag van digestaat vastgesteld.
8.13
Indien de goedkeuring, bedoeld in voorschrift 8.12, onder voorwaarden wordt gegeven, wordt binnen een termijn, gesteld door een persoon of instelling als bedoeld in voorschrift 8.10, aan die voorwaarden voldaan.
8.14
Indien de beoordeling, bedoeld in voorschrift 8.10, leidt tot afkeuring en het bassin voor de opslag van digestaat of de afdekking reparatie behoeft, draagt degene die de inrichting drijft zorg voor reparatie en wordt het bassin of de afdekking binnen een termijn, gesteld door een persoon of instelling als bedoeld in het eerste lid opnieuw ter beoordeling aangeboden.
8.15
Indien reparatie als bedoeld in voorschrift 8.14 niet plaatsvindt of een bassin voor de opslag van digestaat of afdekking wordt afgekeurd en reparatie niet mogelijk is, wordt: a. van de afkeuring terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag; b. de digestaat dat zich in het bassin voor de opslag van digestaat bevindt onmiddellijk verwijderd, en c. het opslaan van digestaat in het bassin voor de opslag van digestaat beëindigd.
8.16
Het rapport van goedkeuring waarin een nieuwe referentieperiode als bedoeld in voorschrift 8.12 is opgenomen, is binnen de inrichting aanwezig.
8.17
Het vul- en zuigpunt van een bassin bevindt zich boven een lekbak.
Gebruiksvoorschriften 8.18
Bij het vullen of ledigen van een bassin voor de opslag van digestaat of anderszins mag geen verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater plaatsvinden.
8.19
Bij het aan- en afvoeren van digestaat mag de omgeving niet worden verontreinigd. Transport moet plaatsvinden in gesloten tankwagens of in een gesloten (digestaat)dichte leiding.
- 43 -
Opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking 8.21