Bijlage 2 - Omgevingsvergunning Gantel 37, Klazienaveen
Tekst van het document
OMGEVINGSVERGUNNING Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen heeft op 26 februari 2016 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen. Het betreft een revisievergunning voor de bouw van een gasvergistingsinstallatie en een houtgestookte warmtekrachtkoppeling (WKK) en een revisievergunning voor de exploitatie van een milieu inrichting die bestaat uit een vergistingsinstallatie met een verwerkingscapaciteit van 25.000 ton per jaar en een houtgestookte WKK met een verwerkingscapaciteit van 16.000 ton per jaar. De aanvraag gaat over Gantel 37 te Klazienaveen, kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie AE, nummer 801 en is geregistreerd onder zaak 15890-2016. De aanvraag is ingediend door HoSt Klazienaveen B.V., Enschede. Het college van burgemeester en wethouders, gelet op: dat de aanvraag is afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb); dat de uitgebreide procedure conform artikel 3.10 Wabo en afdeling 3.4 Awb is gevoerd; dat conform artikel 7.17 lid 1 van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld; dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is, omdat de activiteiten zijn genoemd in bijlage I Chw;
Besluit een omgevingsvergunning te verlenen voor de volgende activiteiten: het bouwen van een bouwwerk; het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening; het veranderen en in werking hebben van een inrichting (revisie); dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 Chw van toepassing is, voorts dat voor de voorgenomen verandering van de inrichting, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, onder het stellen van voorschriften, zoals die zijn opgenomen in bijlage 3 en 5 van dit besluit.
Emmen, 22 december 2022 Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Emmen, namens dezen, senior medewerker Vergunningen Leefomgeving,
de heer G. Tichelaar Dit besluit is elektronisch gemaakt en verzonden en daarom is hij niet ondertekend.
-2-
INHOUDSOPGAVE BIJLAGEN 1.
Stukken, volledigheid
3
2. Overwegingen voor de onderdelen bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
6
3. Voorschriften voor de onderdelen bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
8
4. Overwegingen voor het onderdeel milieu
9
5. Voorschriften voor het onderdeel milieu
29
6. Colofon Rechtsbeschermingsmogelijkheden
55
-3-
Bijlage 1. Stukken, volledigheid Stukken De volgende documenten zijn betrokken bij de beoordeling voor deze vergunning: Naam document
Type document
Revisievergunning Gantel 37 1917-20rap01
Aanvraag publiceerbaar Beschrijving
Bodem risico analyse
Bodem
AERIUS_melding
PAS
Energie-efficientie HoSt Klazienaveen
Energie
1917-20rap01 AV_AO/IC rev01
Afval
Acceptatieformulier
Afval
figuur procedure bij nieuwe afvalstroom
Afval
Meldingsformulier
Afval
MSDS Ammoniak
Afval
MSDS Antifoam SB2080 – EN
Afval
MSDS Biocide
Afval
MSDS IJzeroxide
Afval
MSDS Natronloog
Afval
MSDS onthardingszout
Afval
MSDS Ureum
Afval
Veiligheidsblad THT
Afval
1917-Explosion zone
Veiligheid
Bijlage A Veiligheidskaart kooldioxide
Veiligheid
Bijlage A Veiligheidskaart methaan
Veiligheid
Bijlage A Veiligheidskaart zwavelwaterstof veiligheidsrapport def (rev 2)
Veiligheid
1917-tek02-01 rev04 MH Layout tbv realisatie 1917-tek02-02 rev04 NVo
Tekeningen
Veiligheid
Constructie
Datum laatste versie 26-22016 24-32016 26-22016 2-3-2016
Ingediend via OLO
Documentnaam in zaaksysteem MP
Ja
I-15890-2016:713941
Ja
I-15890-2016:668056
Ja
I-15890-2016:795979
Ja
15890-2016:273362
22-22016 24-32016 24-32016 24-32016 24-32016 25-22016 25-22016 25-22016 25-22016 25-22016 25-22016 25-22016 25-22016 26-12016 12-22016 12-22016 12-22016 12-22016 23-22016 11-32016
Ja
I-15890-2016:939323
Ja 11-05-2016 Ja 11-05-2016 Ja 11-05-2016 Ja 11-05-2016 Ja
I-15890-2016:668056
Ja
I-15890-2016:429521
Ja
I-15890-2016:508488
Ja
I-15890-2016:606792
Ja
I-15890-2016:751786
Ja
I-15890-2016:338378
Ja
I-15890-2016:959953
Ja
I-15890-2016:257479
Ja
I-15890-2016:944478
Ja
I-15890-2016:036255
Ja
I-15890-2016:360709
Ja
I-15890-016:577047
Ja
I-15890-2016:971083
Ja
I-15890-2016:430676
Ja
I-15890-2016:092482
15890-2016:961744 15890-2016:244919 I-15890-2016:435758 I-15890-2016:154255
-4-
2016-001 Advies constructie nieuwbouw industrieel gebouw Klazienaveen 2016-001 Keerwanden Klazienaveen
Constructie
15-12016 16-22016 23-22016 23-22016 23-22016 22-22016 26-12016 2015 2015 2015 2015 24-92015 24-32016 07-072021 24-032015 11-052016 15-012016 30-032016 30-032016 30-032016 08-032016 11-052016
Ja
I-15890-2016:528339
Ja
I-15890-2016:838859
klazienaveen_gevoelige_objecten_rev1
Tekeningen
Ja
I-15890-2016:468892
Proces flow diagram hout WKK
Tekeningen
Ja
I-15890-2016:830090
Process flow diagram vergisting
Tekeningen
Ja
I-15890-2016:227236
Rapportage Ziekte en plagen Host_v2
Fytosanitair
Ja
I-15890-2016:170510
1917rap01 ITdS ATEX rapport
Constructie
Ja
I-15890-2016:187179
Constructieberekening Navergister 22x8 Constructieberekening Navergister 22x8 Wapeningstekening 22x8 Wapeningstekening 24x8 uittreksel_handelsregister
Constructie Constructie Constructie Constructie Algemeen
Ja Ja Ja Ja Ja
I-15890-2016:475418 I-15890-2016:046555 I-15890-2016:909404 I-15890-2016:695264 I-15890-2016:857599
Niet technische samenvatting
Algemeen
Ja 11-05-2016 Nee
15890-2016:204943
1917-tek02-02 rev04 RPe Aanzichten tbv realisatie 1917-20rap01 AV_AOIC rev01_pdf
Tekening
kadastrale kaart_pdf
Tekening
constructie berekening nieuwbouw industrieel gebouw Klazienaveen plattegrond WKK
Constructie Tekening
Vergister en na opslag
Tekening
sleufsilo en waterbassin
Tekening
tmp5D6A kleuren en materialenstaat 8 maart 2016 Overzicht documenten
Algemeen
VN-44490 voorlopige resultaten grondonderzoek
Voorlopige resultaten sondeeronderzoek Algemeen
AKO 21.106.01 versie 01 6-7-2021 Host Klazienaveen versie 2021 Geluid R012-1232285KMS-V02-nnc-NL Luchtkwaliteit R013-1232285KMS-V02-nnc-NL Geur
Geluid
Ruimtelijke onderbouwing ‘Klazienaveen, vergister en WKK Gantel 37’
Ruimtelijke onderbouwing
begeleidende brief HoSt Klazienaveen
Constructie
Algemeen
Lijst ingediende gegevens
Lucht Geur
15890-2016:812767
Ja 11-05-2016 Ja 11-05-2016 Nee
15890-2016:457510
Nee
15890-2016:350328
Nee
15890-2016:530794
Nee
15890-2016:504034
Nee
15890-2016:557773
Ja 11-05-2016
15890-2016:437603
04-022008
Nee
15890-2016:880074
16-072021
Nee
15890-2016:993815
06-072021 07-072021 07-072021 Sept. 2021
Nee
15890-2016:284876
Nee
15890-2016:113515
Nee
15890-2016:601218
Nee
15890-2016:698100
15890-2016:050213 15890-2016:835160
-5-
MER notitie HoSt Klazienaveen V2
Aanmeldnotitie
Gerechtelijke uitspraak 2 oktober 2018 Klazienaveen, Gantel 37_Geredigeerd Reactie waterschap
Algemeen Algemeen
07-072021 02-102018 12-052016
Nee
15890-2016:521320
Nee
15890-2016:722574
Nee
15890-2016:202413
Volledigheid Wij hebben aan de hand van de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) bekeken of uw aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van uw bouwplan op de fysieke leefomgeving. Uw aanvraag is volledig en in behandeling genomen.
-6-
Bijlage 2. Overwegingen voor de onderdelen bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening Overwegingen Bij het nemen van het besluit hebben wij het volgende overwogen: De activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ Bij de toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ spelen de weigeringsgronden uit artikel 2.10 Wabo een rol. Indien geen van deze weigeringsgronden aanwezig is, moeten wij de gevraagde vergunning verlenen. Hieronder gaan wij nader in op de afzonderlijke weigeringsgronden: a. Bouwbesluit 2012 Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat het project, na opvolging van de in deze beschikking nader genoemde voorschriften, voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. b. Bouwverordening Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat het project voldoet aan de bepalingen van de Bouwverordening. c. Redelijke eisen van welstand Het project is op 15 maart 2016 door de welstandcommissie getoetst aan de bepalingen van de welstandsnota van de gemeente Emmen. De commissie heeft positief geadviseerd. Het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder b van de Wabo. Naderhand is dit gebied als welstandsvrij bestempeld. d.
Vigerend bestemmingsplan De locatie waar het project wordt uitgevoerd is gelegen in het geldende bestemmingsplan ‘Klazienaveen, glastuinbouwgebied Klazienaveen’ en is voorzien van de bestemming ‘Bedrijf - Biovergisting’ (artikel 6 van de planregels). Het door u aangevraagde project is in strijd met de planregels. De activiteit ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ Uw aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de gevraagde bouwwerken niet overeenkomen met de toegelaten bouwwerken, zoals weergegeven in artikel 6.2.2 onder d. De te bouwen sleufsilo’s en de bassins moeten worden beschouwd als zijnde andere bouwwerken. De toegelaten gezamenlijke oppervlakte hiervan is gesteld op maximaal 150 m2. Deze oppervlakte wordt overschreden tot ca. 6.300 m2. Als een project in strijd is met het bestemmingsplan, dan dient de aanvraag op grond van artikel 2.10 lid 2 Wabo ook aangemerkt te worden als een aanvraag voor de activiteit ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Een aanvraag wordt geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 Wabo niet mogelijk is. Wij hebben beoordeeld of wij een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ op grond van artikel 2.12 Wabo kunnen en willen verlenen.
Hiervoor verwijzen wij naar de bij deze vergunning horende, door ons opgestelde, ruimtelijke onderbouwing ‘Klazienaveen, vergister en WKK Gantel 37’. In 2008 is onder kenmerk 20070128 een bouwvergunning met vrijstelling ex artikel 19 lid 1 WRO (oud) verleend voor realisatie van een houtgestookte WKK (warmte-krachtkoppeling). In 2015 onder kenmerk 63976-2015 is een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vergistingsinstallatie. Met de onderhavige aanvraag om omgevingsvergunning worden beide vergunningen vervangen. Deze bevat de volgende veranderingen ten opzichten van de vorige vergunningen: a. hogere bouwhoogte van de biovergistingsinstallatie; b. grotere sleufsilo’s voor de opslag en verwerking van goederen; c. wijziging van ondergeschikte bouwwerken (plaats en verschijningsvorm).
-7-
De afwijking van het bestemmingsplan ziet uitsluitend op de overschrijding van de in de planregels opgenomen maximale oppervlakte van 150 m2 voor andere bouwwerken (artikel 6.2.2 onder d). Om de gevraagde omgevingsvergunning te kunnen verlenen is het noodzakelijk dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenking afgeeft (conform artikel 2.27 Wabo jo. artikel 6.4 Besluit omgevingsrecht). Het onderhavige plan voldoet niet aan de door de gemeenteraad aangewezen categorieën van gevallen waarvoor een verklaring van geen bedenking niet is vereist. De gemeenteraad heeft op 22 januari 2022 een ontwerp verklaring van geen bedenking afgegeven. Deze heeft zij op 23 maart 2022 als ontwerpbesluit ter inzage gelegd tot 23 mei 2022. Tegen dit besluit zijn zienswijzen ingediend. De gemeenteraad heeft met in achtneming van de zienswijzen besloten om een verklaring van geen bedenkingen af te geven. De beantwoording van deze zienswijzen vindt u terug als bijlage. Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de gemeenteraad op 22 december 2022 de verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
-8-
Bijlage 3. Voorschriften voor de onderdelen bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening Voorwaarden Bij de omgevingsvergunning worden de volgende voorwaarden gesteld. Iedere verandering ten opzichte van de vergunningstukken, zowel bouw- als milieutechnisch, dient minimaal 4 weken voor uitvoering van het betreffende onderdeel ter goedkeuring te worden aangeboden. Uitvoering van betreffend onderdeel mag pas na goedkeuring. Constructieve detailtekeningen en -berekeningen dienen minimaal 4 weken voor uitvoering van het betreffende onderdeel ter goedkeuring te worden aangeboden. Uitvoering van betreffend onderdeel mag pas na goedkeuring. Wij willen u tevens wijzen op het volgende: Verlenen van de omgevingsvergunning aan u betekent niet dat u inbreuk kunt maken op rechten van derden (buren, anderen). U dient, los van de omgevingsvergunning, de rechten van derden, op grond van het Burgerlijk Wetboek, te respecteren; De juiste plaats van het bouwwerk moet worden bepaald in overleg met het team Bouwtoezicht, afdeling VTH. U kunt hiervoor een afspraak maken via administratievergunningen@emmen.nl; Voor het aanleggen van een in-/uitrit dient een melding gedaan te worden via https://gemeente.emmen.nl/producten/inrit-melding; U kunt kenbaar maken dat u een bouwwerk wenst aan te sluiten op de gemeentelijke riolering via een digitaal aanvraagformulier.
Hierin staan de voorwaarden waaronder een aansluiting wordt verkregen. Het aanvraagformulier kunt u downloaden op het digitale loket van www.emmen.nl.
-9-
Bijlage 4. Overwegingen voor het onderdeel milieu Bij de beslissing betrokken onderwerpen De activiteit ‘het veranderen en het in werking hebben van een inrichting (revisie)’ Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: HoSt Klazienaveen B.V. (verder te noemen als HoSt) wil een installatie voor het opwekken van duurzame energie bestaande uit groen gas, elektriciteit en warmte oprichten. De energiecentrale bestaat uit een vergistingsinstallatie met een gasopwerkingsinstallatie met een capaciteit van 25.000 ton biomassa per jaar en een houtgestookte installatie die elektriciteit en warmte produceert met een capaciteit van 16.000 ton biomassa per jaar. Voor de inrichting zijn in een eerder stadium al omgevingsvergunningen afgegeven. HoSt wil een aantal beperkte wijzigingen doorvoeren binnen de inrichting en heeft om dit te formaliseren gekozen voor een revisievergunning. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. De vergunning heeft betrekking op een inrichting die valt onder categorie 7.1 onder a en categorie 7.5 onder g en h van onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). De inrichting is op basis van deze laatste categorie vergunningplichtig.
Bevoegd gezag Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij behorende bijlage zijn wij het bevoegd gezag om de integrale omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij zijn wij er voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle relevante aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Huidige vergunningensituatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend: - een oprichtingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer, d.d. 4 februari 2009, voor het in werking hebben van een inrichting voor het opwekken van duurzame energie bestaande uit warmte als elektriciteit ten behoeve van de glastuinbouw. Het betreft een verbrandingsinstallatie met een capaciteit van 16.000 t/j en een vergistingsinstallatie met een capaciteit van 15.000 t/j; - een omgevingsvergunning op grond van de Wabo, d.d. 17 mei 2011, voor het uitbreiden van de inrichting met een biogasopwekkingsinstallatie; - een omgevingsvergunning op grond van de Wabo, d.d. 28 november 2012, voor het verhogen van de vergistingscapaciteit naar 25.000 t/j en het verruimen van de toe te passen biomassastromen. De hierboven genoemde vergunningen zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
Advies, aanwijzing door minister, verklaring van geen bedenkingen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan het waterschap Hunze en Aa’s verzonden. Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende reactie ontvangen: Het waterschap ziet geen aanleiding om advies te geven voor de indirecte lozing. De lozing zal qua samenstelling en hoeveelheid geen invloed hebben op de doelmatige werking van de rioolwaterzuivering te Emmen. De directe lozing blijft onder het Activiteitenbesluit vallen en hiervoor is geen watervergunning nodig.
- 10 -
Samenhang met overige wet- en regelgeving Op 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit gewijzigd en kunnen op type C inrichtingen, die vergunningplichtig zijn, bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type C inrichting. Binnen HoSt vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit: - lozen van hemelwater, ketelspuiwater en condensaat; - in werking hebben van een stookinstallatie; - opslag en gebruik van dieselolie; - opslaan van biomassa en digestaat. Op basis van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding.
Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten, moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling: - Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; - Paragraaf 3.1.5 Lozen van koelwater; - Paragraaf 3.2.1 In werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie; - Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen; - Paragraaf 3.4.6 Opslaan van drijfmest en digestaat; - Paragraaf 3.4.9 opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks. En de bijbehorende algemene zorgplichtbepalingen (hoofdstukken 2.1 t/m 2.4). Het bevoegd gezag kan voor bepaalde in het Activiteitenbesluit genoemde activiteiten aanvullende maatwerkvoorschriften vaststellen voor zover die mogelijkheid in het Activiteitenbesluit is aangegeven. Er worden in dit geval geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie. Toetsing milieueffectrapportage In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage is aangegeven welke activiteiten leiden tot een mer-plicht dan wel merbeoordelingsplicht.
In kolom 1 van categorie D 18.1 is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval aangewezen en uit jurisprudentie blijkt dat onder verwijdering tevens nuttige toepassing moet worden verstaan. HoSt gaat bij het opwerken van gas een andere techniek toepassen. Dit betekent dat sprake is van een geringe wijziging van de installatie ten opzichte van de vigerende vergunning. De capaciteit van de installatie wijzigt echter niet en dat betekent dat de drempelwaarde van 50 ton per dag (kolom 2 van de bijlage bij het Besluit mer) niet wordt overschreden. Deze drempelwaarde is indicatief en via de ‘vormvrije merbeoordeling’ moet worden beoordeeld of er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die maken dat een MER moet worden opgesteld. Aanvrager heeft hiervoor bij de aanvraag een aanmeldnotitie ingediend. Aan de hand van de criteria, zoals opgenomen in bijlage III van de EEG richtlijn milieu-effectbeoordeling, oordelen wij dat het maken van een MER niet noodzakelijk is. De bij de aanvraag gevoegde “Vormvrije m.e.r.-beoordleing HoSt B.V. Klazienvaan, Tauw, kenmerk N001-1245013LBE-evp-V01-NL, datum 25 november 2016” bevat de juiste informatie. De conclusie is logisch en geeft geen aanleiding te veronderstellen dat er belangrijke negatieve effecten optreden als gevolg van de verandering.
Dit besluit maakt onderdeel uit van deze vergunning.
- 11 -
Milieuhygiënische overwegingen Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 aanhef en onder e Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. Beste Beschikbare Technieken (BBT) Algemeen In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verboden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de Rie. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (BAT hoofdstuk) geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBTconclusies zijn vastgesteld. BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht. Concrete bepaling beste beschikbare technieken Binnen de inrichting worden geen activiteiten uit bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies uitgevoerd. In Bijlage 1 is in categorie 5.3, onder b opgenomen dat wanneer de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaerobe vergisting, de maximale capaciteit voor deze activiteit 100 ton/dag bedraagt. Deze capaciteitsgrens wordt door HoSt niet overschreden. Op de aangevraagde activiteiten zijn de volgende Nederlandse informatiedocumenten uit de Regeling aanwijzing BBT-documenten van toepassing: - Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB); - PGS 15: opslag van verpakte gevaarlijke stoffen; - PGS 30: vloeibare brandstoffen.
Conclusies BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de beste beschikbare technieken (BBT). Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Afvalstoffen Doelmatig beheer van afvalstoffen Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: - preventie; - voorbereiding voor hergebruik; - recycling;
- 12 -
-
andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; veilige verwijdering.
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen - Vergisting Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing: 1. Sectorplan 3 2. Sectorplan 7; 3. Sectorplan 8; 4. Sectorplan 16; 5. Sectorplan 36 In de aanvraag worden de volgende afvalstoffen, op basis van Euralcode, aangevraagd, voor zover zij worden genoemd in bijlage Aa behorende bij artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. In overleg met de aanvrager heeft aanvrager ons laten weten dat in de inrichting geen afvalstoffen, genoemd onder Euralcode 19 05 (afval van de aërobe behandeling van vast afval) zullen worden toegepast, be- of verwerkt. Deze vergunning ziet dan ook niet op deze afvalstoffen.
De overige afvalstoffen, zoals aangevraagd en hierbij vergund, zijn de volgende; 2 02 01 02 01 01 02 01 03 02 01 07 02 01 99 02 03
02 03 01 02 03 02 02 03 03 02 03 04 02 03 05 02 03 99 02 04 02 04 03 02 04 99 02 06 02 06 01 02 06 02 02 06 03 02 06 99
AFVAL VAN LANDBOUW, TUINBOUW, AQUACULTUUR, BOSBOUW, JACHT EN VISSERIJ EN DE VOEDINGSBEREIDING EN -VERWERKING afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij slib van wassen en schoonmaken afval van plantaardige weefsels afval van de bosbouw niet elders genoemd afval afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden afval van conserveermiddelen afval van oplosmiddelenextractie voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval afval van de suikerverwerking slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval afval van bakkerijen en de banketbakkersindustrie voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal afval van conserveermiddelen slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval
- 13 -
02 07 02 07 01 02 07 02 02 07 03 02 07 04 02 07 05 02 07 99
afval van de productie van alcoholische en niet-alcoholische dranken (exclusief koffie, thee en cacao) afval van wassen, schoonmaken en mechanische bewerking van de grondstoffen afval van de destillatie van alcoholische dranken afval van chemische behandeling voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet elders genoemd afval
04 04 02 04 02 10
AFVAL VAN DE LEER-, BONT- EN TEXTIELINDUSTRIE afval van de textielindustrie organisch afval van natuurlijke producten (bv. vet en was)
07 07 01
AFVAL VAN ORGANISCHE CHEMISCHE PROCESSEN afval van bereiding, formulering, levering en gebruik (BFLG) van organische basischemicaliën niet elders genoemd afval
07 01 99 16 16 10 16 10 02 16 10 04 19
19 02
19 06 19 06 05 19 06 06 19 06 99 19 08 19 08 09 19 08 10 19 08 12 19 08 14 19 09 19 09 01 19 09 02 19 09 99 19 11 19 11 01 19 11 03 19 11 04 19 11 99 20
20 01 20 01 25
NIET ELDERS GENOEMD AFVAL waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt niet onder 16 10 01 vallend waterig vloeibaar afval (mits aangetoond is dat het geen gevaarlijke reststroom betreft (bevat geen gevaarlijke stoffen)) Niet onder 16 10 03 vallende waterige concentraten (bevat geen gevaarlijke stoffen AFVAL VAN INSTALLATIES VOOR AFVALBEHEER, OFF-SITE WATERZUIVERINGSINSTALLATIES EN DE BEREIDING VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER EN WATER VOOR INDUSTRIEEL GEBRUIK afval van de fysisch-chemische behandeling van afval (inclusief verwijdering van chroom of cyanide of neutralisatie) afval van de anaërobe behandeling van afval vloeistof verkregen bij de anaërobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval digestaat van de anaërobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval niet elders genoemd afval niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die uitsluitend spijsolie en -vetten bevatten niet onder 19 08 09 vallende vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders niet onder 19 08 11 vallend slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater niet onder 19 08 13 vallend slib van andere behandelingen van industrieel afvalwater afval van de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water en water voor industrieel gebruik vast afval van primaire filtratie en roostergoed
waterzuiveringsslib niet elders genoemd afval afval van de regeneratie van olie afgewerkte bleekaarde waterig vloeibaar afval afval van brandstofzuivering met behulp van basen niet elders genoemd afval STEDELIJK AFVAL (HUISHOUDELIJK AFVAL EN SOORTGELIJK BEDRIJFSAFVAL, INDUSTRIEEL AFVAL EN AFVAL VAN INSTELLINGEN) INCLUSIEF GESCHEIDEN INGEZAMELDE FRACTIES gescheiden ingezamelde fracties (exclusief verpakkingsafval zoals genoemd in subhoofdstuk 15 01) spijsolie en -vetten
- 14 -
20 01 99 20 02 20 02 01
niet elders genoemd afval van de gescheiden ingezamelde fracties tuin- en plantsoenafval (inclusief afval van begraafplaatsen) biologisch afbreekbaar afval
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van de betreffende afvalstoffen. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende be- en verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke bewerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. Vergisting met producten van de positieve lijst voldoet altijd aan de betreffende minimumstandaard in het LAP, als het digestaat als (overige)meststof wordt toegepast. In de aanvraag is aangegeven dat de eindproducten van het vergistingsproces vloeibare en vaste overige meststoffen betreft. - Stookinstallatie In de aanvraag is opgenomen dat naast het vergisten van plantaardige materialen ook sprake is van het verbranden van biomassa. Op de verbranding van biomassa in een stookinstallatie is het Activiteitenbesluit van toepassing. Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting is een installatie aanwezig voor het verbranden van 16.000 ton biomassa per jaar die voldoet aan de beschrijving van het Activiteitenbesluit.
In de aanvraag worden de volgende afvalstoffen, op basis van Euralcode, aangevraagd, voor zover zij passen binnen de definitie van biomassa zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit: 2 02 01 02 01 03 02 01 07
AFVAL VAN LANDBOUW, TUINBOUW, AQUACULTUUR, BOSBOUW, JACHT EN VISSERIJ EN DE VOEDINGSBEREIDING EN -VERWERKING afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij Afval van plantaardig weefsel Afval van de bosbouw
17 17 02 17 02 01
BOUW- EN SLOOPAFVAL hout, glas en kunststof hout
20 20 01 20 01 38
STEDELIJK AFVAL INCLUSIEF GESCHEIDEN INGEZAMELDE FRACTIES Gescheiden ingezamelde fracties Hout dat geen gevaarlijke stoffen bevat
Deze aangevraagde stoffen vallen onder de volgende in onderdeel E van het LAP genoemde sectorplannen; - Sectorplan 7 - Sectorplan 28 - Sectorplan 36 De bewerkingsactiviteiten die Host wil uitvoeren met het afval betreffen verbranding als biomassa in een stookinstallatie. Gescheiden ingezameld/afgegeven organisch bedrijfsafval Het beleid voor de verwerking van organisch bedrijfsafval is neergelegd in sectorplan 7. De minimumstandaard is composteren met het oog op recycling of vergisting. De residuen die hierbij ontstaan mogen worden verbrand. De aanvraag voldoet hieraan aangezien binnen de inrichting eveneens sprake is van een vergistingsinstallatie waar dezelfde stoffen worden verwerkt. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen hebben wij in voorschriften opgenomen dat uitsluitend residuen die ontstaan bij de verwerking conform de minimumstandaard ingezet mogen worden in de stookinstallatie.
- 15 -
Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw-sloopafval vergelijkbaar vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval & Hout. De onder dit sectorplan geaccepteerde stroom moet worden gesorteerd waarna de ontstane stromen conform het daarvoor geldende sectorplan moet worden verwerkt. Host accepteert binnen de inrichting een monostroom die, al dan niet, is ontstaan na sortering van bouw- en sloopafval elders. Het betreft uitsluitend A-hout. De minimumstandaard voor de verwerking van A-hout is vastgelegd in sectorplan 36 en betreft “andere nuttige toepassing”. Dit betekend dat de aanwezige materialen of energie in dat afval zoveel mogelijk benut wordt. Door verbranding wordt dit doel behaald. De bewerking voldoet daarmee aan de minimumstandaard. Mengen van afvalstoffen (gevaarlijk en niet gevaarlijk) Afvalstoffen moeten na het ontstaan zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst dat in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmenging ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter samengesteld worden verwerkt.
Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende) afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd. Mengen is niet toegestaan tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en in de vergunning vastgelegd is. Op basis van het gestelde in de aanvraag hebben wij de doelmatigheid van het mengen van de te accepteren afvalstoffen als volgt beoordeeld: Genoemde afvalstoffen worden gemengd ten behoeve van vergisting van het materiaal en verwerking tot meststoffen. Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het be-/verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens een techniek die tenminste even hoogwaardig is als de minimumstandaard. De vergunning kan hiervoor worden verleend. Aanvullend hierop geldt dat als sprake is van een afvalstof die ZZS bevat in een concentratie die gelijk of hoger is dan de: 1. concentratiegrenswaarde waarboven het op grond van REACH verboden is dergelijke stoffen in de handel te brengen of te gebruiken; of 2. concentratiegrenswaarde opgenomen in tabel 17 van paragraaf F.11.4 (van LAP3); of 3. concentratiegrenswaarde opgenomen in bijlage IV van de POP-verordening; het niet is toegestaan om deze afvalstof ten behoeve van nuttige toepassing te mengen met een afvalstof waarvan de concentratie lager is dan genoemd onder 1,2 en 3.
AV-beleid en AO/IC Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer. Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieu hygiënische en informatie technische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP. De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.
Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden.
- 16 -
Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoen grotendeels aan de randvoorwaarden zoals die in het LAP zijn beschreven. Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit AV-beleid en de AO/IC instemmen behoudens: - een overzicht van voorstelbare verontreinigingen in afvalstoffen die de verwerking kunnen verstoren. De aanwezigheid van deze verontreinigingen in de te accepteren afvalstoffen moet dus worden uitgesloten en/of er moeten specifieke eisen worden gesteld. Indien voldaan moet worden aan emissie-eisen moet worden beschreven welke specifieke acceptatiecriteria in relatie hiermee worden gehanteerd, - een overzicht van voorstelbare ZZS die in de afvalstoffen kunnen voorkomen. De aanwezigheid van deze verontreinigingen in de te accepteren afvalstoffen moet dus worden uitgesloten en/of er moeten specifieke eisen worden gesteld. Indien voldaan moet worden aan verwerkings- of emissie-eisen moet worden beschreven welke specifieke acceptatiecriteria in relatie hiermee worden gehanteerd, - per verwerkingsroute een beschrijving van wat er met de afvalstoffen, reststoffen of producten gebeurt, zowel intern als extern.
Indien controles en analyses plaatsvinden moet dit beschreven worden; - de wijze van evaluatie van het A&V-beleid; AO/IC: -
een beoordeling van de kritieke momenten in het acceptatie- en verwerkingsproces; een beschrijving van de meet- en registratiepunten ten behoeve van de procesbeheersing en transparantie van het proces; - de wijze van monitoring en welke stromenbalansen worden gemaakt; - een beschrijving van de administratieve organisatie (stoffen-, proces en financiële administratie en de relatie daartussen). Op bovenstaande punten moet het AV-beleid en AO/IC worden aangepast. Daartoe hebben wij aan deze vergunning voorschriften verbonden. Zeer zorgwekkende (afval)stoffen In het LAP is het beleidskader uitgewerkt met betrekking tot Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) in afvalstoffen. ZZS zijn stoffen die ernstige en vaak onomkeerbare effecten kunnen hebben op de menselijke gezondheid en het milieu. Doel van het overheidsbeleid is om deze stoffen zoveel mogelijk uit de leefomgeving te weren. In Europese en nationale wetgeving zijn beperkingen opgenomen voor het vervaardigen, in de handel brengen, het gebruik (als zodanig of in producten) en de emissie of lozing van ZZS. Om vast te stellen of sprake is van een ZZS zijn in de REACH en de GHS/CLP-verordening testmethoden en en drempelwaarden vastgelegd. Voor een deel van de ZZS beperken REACH en de POP-verordening (POP staat voor: Persistente Organische Pesticiden) het op de markt en het gebruik.
De POP-verordening geeft bovendien voor POP-houdend afval de verplichting tot vernietiging van de aanwezige POP’s. Daarnaast wordt de aanwijzing van ZZS geregeld in het OSPAR-verdrag en de Kaderrichtlijn water. Voor Nederland houdt het RIVM een stoffendatabase bij, die tweemaal per jaar wordt gepubliceerd. Daarnaast kunnen stoffen nog niet op de RIVM-lijst voorkomen, dit zijn stoffen die aangemerkt moeten worden als Carcinogeen, Mutageen of Reprotoxisch (hierna: CMR-stof) maar waarvoor het RIVM nog niet over voldoende verificatie beschikt. Deze stoffen worden in het kader van het LAP als ZZSbeschouwd. Het beleid voor ZZS is gericht op het verwijderen van de stoffen uit de economie. Dit kan er toe leiden dat het recylen van afvalstoffen die ZZS bevatten recycling geen optie is (doelmatigheid). Onderscheid wordt gemaakt tussen: – Afvalstoffen met ZZS waarvoor in REACH en de POP-verordening rechtreeks werkende bepalingen zijn opgenomen; – Afvalstoffen met ZZS waarvoor moet worden vastgesteld of bij de beoogde toepassing geen sprake is van onaanvaardbare blootstelling van mens en milieu aan ZZS.
- 17 -
Voor het verlenen van een toestemming voor nuttige toepassing van afvalstoffen die (potentiele) ZZS bevatten, moet een nadere beoordeling worden gemaakt voor de risico’s die de voorwerpen kunnen opleveren voor het milieu of de menselijke gezondheid. De beoordeling wordt gemaakt op basis van het beleid zoals dat is geformuleerd B.14.4 van het LAP 3. HoSt Klazienaveen accepteert verschillende afvalstromen waarin ZZS kunnen voorkomen. Via www.lap3.nl zijn rapporten van SGS INTRON beschikbaar waarin een overzicht is gemaakt van afvalstoffen met ZZS waarvoor een redelijke kans bestaat om die in een betreffende afvalstof aan te treffen. Op basis van dit rapport kan worden gesteld dat alle door HoSt geaccepteerde afvalstoffen ZZS kunnen bevatten met uitzondering van de afvalstoffen die worden geaccepteerd onder Sectorplannen 3, 16, 28 en 36. HoSt zal in haar acceptatie en verwerkingsbeleid een overzicht moeten geven van voorspelbare ZZS die in de afvalstoffen kunnen voorkomen. De aanwezigheid van deze verontreinigingen in de te accepteren afvalstoffen moet dus worden uitgesloten en/of er moeten specifieke eisen worden gesteld. Indien voldaan moet worden aan verwerkings- of emissie-eisen moet worden beschreven welke specifieke acceptatiecriteria in relatie hiermee worden gehanteerd.
Registratie De aanvrager krijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Dergelijke inrichtingen vallen onder het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen. In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval)stoffen opgenomen. Naast de voorschriften voortvloeiend uit het AV-beleid en de AO/IC zijn geen extra registratievoorschriften in de vergunning opgenomen. Mede gezien de verplichtingen ingevolge de Wet milieubeheer en de verplichtingen ingevolge het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en de daarbij behorende Regeling, worden voldoende en juiste gegevens geregistreerd om handhaving mogelijk te maken. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen. Afvalwater Het kader voor de bescherming tegen verontreiniging door de lozing van afvalwater Op de lozing van afvalwater op een openbaar riool is de "Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer" van toepassing.
In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringstechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen. Ten behoeve van de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie is door waterschap Hunze en Aa’s, belast met de zuivering van het stedelijk afvalwater, geen aanvullend inhoudelijk advies uitgebracht. Beoordeling en conclusie De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar. Aan deze vergunning zijn uitsluitend de voorschriften voortvloeiend uit de "Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer" opgenomen.
- 18 -
In de aanvraag is een lozing van afvalwater op het gemeentelijk vuilwaterriool opgenomen. Aandachtspunt bij lozing van afvalwaterstromen op het gemeentelijk vuilwaterriool is de hydraulische capaciteit van dit riool. Gelet op de omvang van de lozing in relatie tot deze hydraulische capaciteit bestaat er geen bezwaar tegen deze lozing. Bodem Het kader voor de bescherming van de bodem Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico. Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke cvm noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet.
Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld. De bodembedreigende activiteiten, maatregelen en voorzieningen Binnen de inrichting worden verschillende potentieel bodembedreigende activiteiten uitgevoerd. In de bodemrisicochecklist (BRCL) is per activiteit aangegeven welke voorzieningen en maatregelen door HoSt worden toegepast en hoe deze voorzieningen en maatregelen zich verhouden tot de van toepassing zijnde eisen in de NRB2012. Activiteitenbesluit Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit heeft betrekking op het aspect bodem en is van toepassing op inrichtingen type A, inrichtingen type B en inrichtingen type C, waartoe een IPPC-installatie behoort, alsmede inrichtingen type C, waartoe geen IPPC-installatie behoort, voor zover het activiteiten betreft waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is.
In Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit en Afdeling 2.1 van de Activiteitenregeling zijn voorschriften opgenomen die betrekking hebben op: - treffen van bodembeschermende voorzieningen en maatregelen; - signaleren van bodemverontreiniging; - nulsituatieonderzoek bij oprichting van inrichtingen; - eindsituatieonderzoek na beëindigen van bodembedreigende activiteiten; - middelvoorschriften voor bodembeschermende maatregelen; - middelvoorschriften voor bodembeschermende voorzieningen; - maatwerk voor aanvaardbaar bodemrisico; - de verplichting tot het bewaren van documenten. Over deze onderwerpen worden in de vergunning dus geen voorschriften opgenomen voor bodembedreigende activiteiten die zijn genoemd in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit bij inrichtingen type C. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten door het treffen van voorzieningen en maatregelen worden voldaan aan het verwaarloosbaar bodemrisico. Beoordeling en conclusie verwaarloosbaar bodemrisico Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald, behalve voor de vergistings- en naopslagen. Volgens de NRB moeten deze vloeistofdicht worden uitgevoerd.
De Richtlijnen mestbassins 1992 (RM 1992) spreekt echter van mestdicht. Mestdicht is nader te specificeren als een lekverlies van niet meer dan 0.7% van de nette inhoud per jaar. Of de vergister en naopslag voldoen aan de RM 1992 moet blijken uit een door de installateur verstrekte verklaring. Wij zijn van oordeel dat het voldoen aan de RM 1992 het bodemrisico in voldoende mate wordt beperkt. In de voorschriften is opgenomen dat er een geschiktheidsverklaring afgegeven moet worden voor de vergisters en na-opslag.
- 19 -
Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen zijn in de vergunning ook voorschriften opgenomen die voorzien in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen. Voor de bodembeschermende maatregelen zijn voorschriften opgenomen die voorzien in een adequate instructie en training van het personeel.
- 20 -
Nul- en eindsituatieonderzoek Het preventieve bodembeschermingbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en) en een vergelijkbaar eindsituatieonderzoek na het beëindigen van de betreffende activiteit. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: - de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; - de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; - de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties. De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Voor de inrichting is zoals in de aanvraag staat vermeld een verkennend bodem- en nulsituatieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door TAUW, d.d. 21 februari 2008 met kenmerk 4569002. Tauw is een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee is de kwaliteit van het bodemonderzoek geborgd en zijn de resultaten betrouwbaar. Het onderzoek geeft ons geen aanleiding tot het stellen van nadere maatregelen of eisen en beschouwen wij daarom als nulsituatie onderzoek. Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat is (in combinatie met de gestelde voorschriften) verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd. Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindonderzoek worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning opgenomen. Energie Energie-efficiency In de inrichting wordt 25.000 ton biomassa vergist en 16.000 ton hout verbrand.
Hiermee wordt maximaal 3.200.000 m3 gas en maximaal 2,2 MWe geproduceerd en aan het openbare netwerk geleverd. Daarnaast zal minimaal 4,5 MWth en maximaal 9 MWth aan warmte beschikbaar komen, de beoogde afzet hiervan is aan de omliggende tuinbouwbedrijven. Tevens zal, indien afzet mogelijk is, maximaal 4.000 ton CO2 worden afgevangen. Het energiegebruik binnen de inrichting zal worden geminimaliseerd, hierbij wordt gebruik gemaakt van de inzichten uit de BREF Energie Efficiency. De installaties zullen voldoen aan deze BBT-eisen uit deze BREF. Hierdoor zal de energieproductie maximaal zijn. Beschikbare restwarmtestromen zullen zoveel mogelijk nuttig worden toegepast. Er zal een energiemanagementsysteem worden opgezet waarbij de energiestromen zullen worden gemonitord en de energie-efficiency van de processen zal jaarlijks worden doorgelicht. Eventueel geïdentificeerde energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van minder dan 6 jaar zullen worden getroffen. Al met al zal met betrekking tot energie-efficiency BBT toegepast en bestaat er voor wat energieefficiency betreft geen belemmering de gevraagde vergunning te verlenen. In de voorschriften hebben wij vastgelegd dat het rendement van de installatie inzichtelijk moet worden gehouden door middel van registratie per kalenderjaar.
Tevens is vastgelegd dat een jaar na het in werking stellen van de installatie en vervolgens 4-jaarlijks de energie-efficiëntie doorgelicht moet worden.
- 21 -
Externe veiligheid Algemeen Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risico's bij industriële activiteiten en het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving. Het betreft risico's die verbonden zijn met de productie, de opslag, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen, voor zover deze stoffen als gevolg van een ongewoon voorval vrij kunnen komen. De nadruk van het veiligheidsbeleid ligt op een kwalitatieve benadering en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (preventie). Anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval te verkleinen. Dit omvat nadrukkelijk ook de bescherming van het milieu. Het in werking hebben van een biovergister kan bepaalde risico’s voor de directe omgeving opleveren. Het biogas in de vorm van het ruwe gasmengsel als wel het opgewaardeerde biogas zijn beide licht ontvlambaar. Omdat er tijdens een calamiteit effecten buiten de inrichting kunnen optreden dient in de omgevingsvergunning onder andere rekening te worden gehouden met het aspect externe veiligheid. In verband hiermee zijn de externe veiligheidsrisico’s middels een kwantitatieve risicoanalyse inzichtelijk gemaakt.
Besluit externe veiligheid inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is geregeld op welke wijze met het aspect externe veiligheid voor bepaalde categorieën bedrijven om moet worden gegaan en welke externe veiligheidsnormen gelden. De biovergister waarvoor deze aanvraag is ingediend heeft een zodanige kleine omvang dat het Bevi niet op deze inrichting van toepassing is. Biovergisters worden namelijk niet met name in het Bevi genoemd. Evenmin worden biovergisters in artikel 1b van het Revi genoemd. Toetsing aan het Bevi vindt dus niet plaats. Besluit risico’s zware ongevallen Bij de aanvraag om omgevingsvergunning is een QRA (kwantitatieve risicoanalyse) bijgevoegd waarin de risico's van de biovergistingsinstallatie zijn geanalyseerd. De QRA is opgesteld door Anthea Group en heeft als kenmerk 0407195.00 en dateert van 12 februari 2016. De QRA is bij de aanvraag overgelegd. In de QRA wordt vermeld dat de inrichting niet onder de bepalingen van het Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO’15) valt. Voor de biovergister moet voor het BRZO rekening worden gehouden met twee verschillende drempelwaarden. Namelijk het ruwe biogasmengsel wordt ingedeeld in deel 1 van bijlage1, onder P2 Ontvlambare gassen categorie 1 of 2 met een drempelwaarde van 10 ton.
Het opgewerkte biogas (methaan) wordt ingedeeld onder nummer 18 van deel 2 van bijlage 1, ontvlambare gassen en aardgas met een drempelwaarde van 50 ton. De hoeveelheid ruw biogas en opgewerkt biogas zijn binnen de inrichting dusdanig laag dat de drempelwaarden van het BRZO niet worden overschreden. Ook bij toepassing van de sommatieregel van het BRZO blijft de sommatie kleiner dan 1. Het BRZO is dus niet van toepassing. Kwantitatieve risicoanalyse De risicoanalyse toont aan dat het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar de grens van de inrichting (zuidzijde van het terrein) net overschrijdt en over de rand van een kassencomplex ligt. Deze kas wordt aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Binnen het effectgebied, in Safeti-NL bepaald door de 10E-30 ligt in het zuiden over de naastgelegen kas. In het noorden ligt dit gebied eveneens buiten de grens van de inrichting, maar daar bevinden zich geen objecten. De risicoanalyse toont aan dat er vanwege het geringe aantal personen dat zich binnen het effectgebied bevindt, geen groepsrisico wordt berekend. Het groepsrisico hoeft niet te worden verantwoord, omdat deze nihil is. Daarnaast geldt er geen wettelijke verplichting om het groepsrisico te moeten verantwoorden, omdat de inrichting niet onder het Bevi valt.
Risicokaart De biovergistingsinstallatie dient zodra de omgevingsvergunning is verleend in het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) als een risicobron met overige gevaarlijke gassen te worden geregistreerd. Inrichtingen waar meer dan 20.000 liter gevaarlijke gassen, zoals (ruw) biomethaan in een insluitsysteem aanwezig is, moeten op grond van de Regeling provinciale risicokaart op de
- 22 -
risicokaart worden gepubliceerd. Het RRGS is daar de invoerapplicatie voor. Fytosanitaire risico’s Binnen de inrichting kan sprake zijn van risico’s vanwege ziekten en plagen in de grondstoffen voor de vergistings- en verbrandingsinstallatie. In het voortraject zijn door tuinders uit de omgeving zorgen hierover geuit. In verband hiermee heeft HoSt een onderzoek laten uitvoeren om deze risico’s in beeld te brengen “Rapportage Ziekte en Plagen in de grondstoffen voor de Bio vergister en houtverbrandingsinstallatie van HoSt Klazienveen, Delphy, 22 februari 2016”. Conclusie uit het onderzoek is dat er zeven grondstoffen binnen gebracht kunnen worden die ziekten of plagen kunnen bevatten. Om verspreiding daarvan te voorkomen wordt aanbevolen om de opslag van de materialen af te dekken en te laten plaatsvinden op een harde ondoorlatende ondergrond. Daarnaast wordt een voor insecten ondoordringbare wand voorgesteld. In deze vergunning worden voor de onderdelen bodembescherming en geur reeds eisen gesteld aan de uitvoering van de opslagen. Zo vindt de opslag plaats boven een betonnen vloer met opstaande wanden. Het beton is voor insecten ondoorlatend. Daarnaast is voor het voorkomen van geurhinder een permanente afdekking van het materiaal vereist (behoudens het direct uitnemen van grondstoffen). In een aanvullend telefoongesprek met Delphy hebben wij deze maatregelen voorgelegd.
Delphy heeft ons bevestigd dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met het eerder gegeven advies en voldoende zijn om de verspreidingsrisico’s te beperken. Wij achten het risico op verspreiding van ziekten en plagen vanwege deze inrichting niet zodanig dat geen vergunning kan worden verleend. Bij dit oordeel hebben wij het bestaande gebruik van de omgeving van de inrichting betrokken. In deze vergunning worden geen aanvullende voorschriften opgenomen ter voorkoming van eventuele fytosanitaire risico’s. Geluid Algemeen De bedrijfsactiviteiten van HoSt hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral bepaald door de interne transportbewegingen. De door de inrichting veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Tideman, kenmerk 15.126.05, d.d. 31 maart 2016. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (RBS). Dit is de toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de vergunde capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweeg brengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998". In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor de dag-, avond- en nachtperiode. Het betreft hier een nieuwe, maar reeds vergunde, situatie. De Gemeente Emmen heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld. Wij toetsen daarom het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege de inrichting aan de normstelling in hoofdstuk 4 van de Handreiking. De woonomgeving kan worden gekarakteriseerd als een bedrijventerrein (groot kassengebied) en komt daarmee overeen met een woonwijk in de stad. Aan de voor deze omgeving geldende richtwaarde, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde wordt in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) voldaan. Zie hiervoor de waarden zoals vermeld in tabel 1 van het akoestisch onderzoek (AKO). Tijdens onderhoud werkzaamheden, als afwijking op de RBS, is de koeler naast de centrale in bedrijf. In het AKO is aangegeven op welke momenten het (groot) onderhoud plaats vindt. In tabel 2 van het AKO zijn de daarbij behorende geluid waarden gepresenteerd. Uit de waarden blijkt dat op alle woningen, uitgezonderd 1, aan de voor de omgeving geldende grenswaarden wordt voldaan.