CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Windpark N34

Commissie Wonen en Ruimte 8 september 2025, gemeente EmmenBij agendapunt: Raadsbrief - Vooroverleg realisatie windpark N3415.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Methode Kwantitatief Kwantitatief

Het MER staat expliciet stil bij het onderwerp ‘windturbines en gezondheid’. Hiervoor wordt een actuele wetenschappelijke beschouwing opgesteld ten aanzien van gezondheid en windturbines. Ook wordt stilgestaan bij de door de RIVM verwachte gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s van de maatregelen uit het klimaatakkoord. Het RIVM heeft de gezondheidseffecten van duurzame energiebronnen vergeleken met de ‘winst’ die het afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen op de gezondheid en veiligheid heeft20. Voor windturbines zal een beschouwing van het gezondheidseffect zich toespitsen op het geluid. Daarom is het thema ‘gezondheid’ in dit MER onderdeel van het bredere thema ‘geluid’. Als gevolg van windturbines kunnen mensen hinder ervaren, hetgeen als gezondheidseffect te beschouwen is. In het MER zal op basis van literatuur over gezondheidseffecten en belevingsonderzoek bij windparken een kwalitatieve beschouwing worden gegeven van de wijze waarop hinder als gevolg van het windpark kan optreden. Hierbij zal onder andere worden ingegaan op de effecten van slagschaduw, obstakelverlichting, invloed op het landschap en wijze waarop omwonenden in het proces worden betrokken. Ook zal worden besproken op welke wijze de hinder kan worden beperkt of voorkomen en in hoeverre deze effecten onderscheidend zijn voor de te onderzoeken alternatieven.

Er bestaat een relatie tussen het geluidniveau van windturbines en hinder. De hinder die mensen ervaren van windturbines kan indirect gezondheidseffecten hebben. Er zijn geen eenduidige onderzoeksresultaten naar slaapverstoring van wind20

Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland RIVM-rapport 2021-0054 L. Gooijer│M.G. Mennen

Wettelijk kader en beoordeling

30

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau turbines. Verder blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat er onvoldoende bewijs is dat het geluid of het wonen nabij windturbines zorgt voor andere gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op mentale gezondheid (RIVM, 2021). Daarbij is het goed om te vermelden dat geluid van verschillende bronnen andere hinder veroorzaakt: windturbinegeluid wordt bijvoorbeeld als hinderlijker ervaren dan wegverkeerslawaai. Figuur 2 toont de zogenaamde dosis-effectrelaties van verschillende soorten geluid: voor een bepaald geluidsniveau (horizontale as) toont deze grafiek hoe hinderlijk dit geluid wordt ervaren (percentage ernstig gehinderden, verticale as). Geluid van windturbines (en ook het cumulatieve geluid) wordt uitgedrukt in dB Lden (‘den’ staat voor Day Evening Night). Dit is de jaargemiddelde geluidbelasting waarbij geluid in de avond en de nacht zwaarder meeweegt (met straffactoren van +5 dB in de avond en +10 dB in de nacht). Figuur 2

Relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden bij verschillende bronnen (Verheijen, et al., 2009).

Om recht te doen aan dit verschil in hinderlijkheid zijn er rekenregels vastgelegd om geluid van wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en industrie op te kunnen tellen. In de nieuwe Meet- en Rekenmethode geluid windturbines is hier een rekenregel voor windturbinegeluid aan toegevoegd. Rekenregels voor cumulatie van verschillende geluidsbronnen, inclusief windturbinegeluid, staan in Bijlage IVi van de Omgevingsregeling. Het MER biedt kwantitatief inzicht in de cumulatieve geluidbelasting van alle geluidsbronnen samen en doet een uitspraak over het te verwachten aantal ernstig gehinderden. De cumulatieve (d.w.z. opgetelde) geluidbelasting kan op eenzelfde manier worden weergegeven als de individuele geluidsbronnen hierboven. De cumulatieberekening houdt dus rekening met het verschil in hinderlijkheid van

Wettelijk kader en beoordeling

31

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau verschillende geluidsbronnen: een geluidbelasting als gevolg van windturbinegeluid van 42 dB Lden telt bijvoorbeeld net zo zwaar mee als een geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai van 49 dB Lden. De cumulatieve geluidbelasting op een woning in de omgeving van de opstellingsalternatieven leidt tot een percentage ernstig gehinderden (zie onderstaand figuur). Voordeel van deze methode is dat niet alleen de hinder als gevolg van windturbinegeluid, maar ook de bestaande situatie in de beoordeling wordt betrokken. Figuur 3

Dosis-effectrelatie van gecumuleerde geluidbelasting (zwarte lijn).

4.4.2

Methode en beoordelingscriteria Voor elk locatiealternatief berekent het MER wat in de referentiesituatie het aantal ernstig gehinderden is, om vervolgens te berekenen wat de toename van dat aantal is als gevolg van de windturbines. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in Figuur 3 getoonde dosis-effectrelatie voor windturbinegeluid, vanaf een geluidsniveau van 35 dB Lden. De toename van het aantal gehinderden als gevolg van het windturbinegeluid is het beoordelingscriterium in het ProjectMER. Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeelt op het milieuthema gezondheid.

Tabel 6

Beoordelingscriteria gezondheid Thema Beoordelingscriterium Gezondheid

Toename aantal ernstig gehinderden: absoluut Toename aantal ernstig gehinderden: relatief

Methode Kwantitatief Kwantitatief

Met 'relatief' in bovenstaande tabel wordt bedoeld: de toename van het aantal ernstig gehinderden, gedeeld door de verwachte elektriciteitsproductie van het betreffende MER-alternatief.

Wettelijk kader en beoordeling

32

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

4.5

Slagschaduw Slagschaduw van een windturbine is de bewegende schaduw van de draaiende wieken. Als bewegende slagschaduw op het raam van een woning valt, kan dat als hinderlijk worden ervaren. In deze paragraaf zijn de methode en beoordelingscriteria voor het milieuaspect slagschaduw nader toegelicht.

4.5.1

Wettelijk kader In het Bkl en het Bal zijn algemene normen voor slagschaduw door windturbines opgenomen. Deze normen zijn nu buiten werking verklaard voor windparken van 3 of meer windturbines. Er staat beschreven dat een windturbine moet zijn voorzien van een automatische stilstandvoorziening, indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gebouwen en locaties. Dit geldt wanneer de afstand tussen de windturbine en de gebouwen en locaties minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt, en er gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden. Als interpretatie van de norm van 17 dagen met meer dan 20 minuten slagschaduw per jaar wordt doorgaans een totale maximaal toelaatbare slagschaduwduur van 5:40 uur per jaar (17 x 20 minuten) gehanteerd. In de ontwerpwindturbinebepalingen is ten aanzien van de slagschaduwduur een maximum van 6 uur per jaar en 20 minuten per dag bij slagschaduwgevoelige gebouwen en locaties opgenomen. Van deze norm gaan we uit in deze projectMER.

4.5.2

Methode en beoordelingscriteria De slagschaduwduur als gevolg van het windpark wordt beoordeeld door voor de MER-alternatieven slagschaduwcontouren te berekenen. Deze slagschaduwcontouren geven aan wat de slagschaduwduur is die jaarlijks gemiddeld wordt veroorzaakt binnen een bepaalde afstand van de windturbines. Binnen deze berekende slagschaduwcontouren worden het aantal gebouwen en locaties in kaart gebracht, zowel absoluut als in relatie tot de hoeveelheid opgewekte energie (MWh). Onder gebouwen en locaties worden naast woningen ook objecten met zorg- en educatiefuncties verstaan. Vervolgens wordt in het MER berekend hoe vaak de windturbines tijdelijk moeten worden stilgezet om aan potentiële standaardwaarde te kunnen voldoen: 6 uur en maximaal 20 minuten per dag en 0 uur slagschaduw per jaar. De stilstand wordt toegepast op momenten dat slagschaduw op gebouwen en locaties valt. Het effect van stilstand wordt inzichtelijk gemaakt, inclusief de gederfde energieopbrengst (absoluut en relatief). Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeeld op het milieuthema slagschaduw.

Tabel 7

Beoordelingscriteria slagschaduw Thema Beoordelingscriterium

Wettelijk kader en beoordeling

Methode

33

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Slagschaduw

Aantal gebouwen en locaties binnen twee berekende slagschaduwcontouren (uren schaduw per jaar): absoluut Aantal gebouwen en locaties binnen twee berekende slagschaduwcontouren (uren schaduw per jaar): relatief Percentage stilstand benodigd om te voldoen aan twee grenswaarden: absoluut Percentage stilstand benodigd om te voldoen aan twee grenswaarden: relatief

Kwantitatief Kwantitatief Kwantitatief Kwantitatief

Met 'relatief' in bovenstaande tabel wordt bedoeld: het aantal gebouwen en locaties, gedeeld door de verwachte elektriciteitsproductie van het betreffende MERalternatief.

4.6

Externe veiligheid De aanwezigheid van windturbines kan een verhoogd risico opleveren voor de omgeving. In het kader van wet- en regelgeving moeten de risico’s voor de omgeving onder bepaalde waarden blijven. In deze paragraaf zijn de methode en beoordelingscriteria voor het milieuaspect externe veiligheid nader toegelicht.

4.6.1

Wettelijk kader Mogelijke risico’s van windturbines zijn afbreken van de mast, afbreken van de gondel en de afworp van een wiek. De hoogte van het risico is afhankelijk van verschillende factoren zoals o.a. de afstand tot de windturbine, faalkans van de windturbine en aantal mensen aanwezig. Bij de toetsing op veiligheidsaspecten wordt gebruik gemaakt van verschillende (wettelijke) kaders. Tabel 8 bevat een begrippenlijst ter verduidelijking van termen die betrekking hebben op het aspect externe veiligheid.

Tabel 8

Begrippenlijst externe veiligheid Begrippenlijst Faalfrequentie

Plaatsgebonden risico (PR)

Risicoverhoging

Werpafstand bij nominaal toerental

Wettelijk kader en beoordeling

De kans dat een windturbine of installatie faalt. Deze kans is gebaseerd op statistieken m.b.t. werkelijke gebeurtenissen uit het verleden. De overlijdenskans die een burger loopt op een bepaalde plek, ervan uitgaande dat de burger onafgebroken op die plaats aanwezig is, volledig onbeschut is en geen vluchtgedrag vertoont. Een PR van 10-6 betekent een kans van 1 op de miljoen jaar. Een PR van 10-5 betekent een kans van 1 op de honderdduizend jaar. De kans dat een installatie faalt door toedoen van de windturbine. M.a.w. wanneer een windturbineonderdeel na falen een installatie (zoals een gastank) treft, waardoor de installatie faalt. De kans dat dit gebeurt is de risicoverhoging. De afstand die een (deel van het) windturbineblad kan afleggen als deze afbreekt op het moment dat een windturbine op vol vermogen draait.

34

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Overheidsbeleid in Nederland heeft als doel een zeker basisbeschermingsniveau voor personen te garanderen, maar gelijktijdig voldoende ruimte aan risicovolle activiteiten te bieden. Aan risicobronnen worden daarom normen gesteld, die tot uitdrukking komen in het plaatsgebonden risico. Met het plaatsgebonden risico (PR) wordt de kans beschreven dat een persoon die zich onafgebroken op een vaste locatie in de omgeving van de risicobron begeeft, als gevolg van een ongeval bij de risicobron komt te overlijden. Locaties waar zich personen bevinden, onderverdeeld in (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kennen een beschermingsniveau ten aanzien van het PR. Dit beschermingsniveau is in het Bkl en het Bal geregeld. De inmiddels buiten werking verklaarde algemene normen voor het maximaal door windparken veroorzaakte plaatsgebonden risico voor (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Deze normen beschreven dat: ➢ Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, niet hoger is dan 10-6 per jaar. ➢ Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, niet hoger is dan 10-5 per jaar.

Ontwerp nieuwe landelijke windturbinebepalingen In het ontwerp van de nieuwe landelijke windturbinebepalingen wordt ten aanzien van buiten de inrichting gelegen (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico gesteld van 10-6 per jaar. Ten aanzien van buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid van deze standaardwaarde gemotiveerd af te wijken. Handreiking Risicozonering Windturbines De Handreiking Risicozonering Windturbines geeft richtlijnen om de risico’s rond windturbines te toetsen, rekening houdend met bovenstaande eisen bij inrichtingen en buisleidingen. De HRW dient als richtlijn voor het bepalen van het risico na plaatsing van windturbines op een specifieke locatie. Uit de handreiking blijkt dat windturbines geen substantiële bijdrage mogen leveren aan de risico’s van een inrichting. Dat komt erop neer dat de windturbines geen effect mogen hebben op de voor de inrichting geldende Groepsrisico, Persoonsgebonden Risico en afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten. Om dit te toetsen wordt in eerste instantie gekeken of de windturbines een toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting tot gevolg hebben.

Indien deze toename een bepaalde toetswaarde niet overschrijdt dan is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze toetswaarde wordt volgens het Handboek Risicozonering Windturbines 10% gehanteerd. Indien de toename deze toetswaarde overschrijdt, is plaatsing niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het Bkl en het Bal.

Wettelijk kader en beoordeling

35

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau De HRW uit 2020 is niet meer volledig actueel sinds de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 en een nieuwe versie is in de maak. Desalniettemin geldt de bestaande HRW nog altijd als gezaghebbend en toepasbaar voor de meeste aspecten rond externe veiligheid van windturbines. Ten aanzien van hoogspanningsinfrastructuur en ten aanzien van gasinfrastructuur hanteren TenneT respectievelijk Gasunie de hoogste waarde van 1) de van ‘werpafstand bij nominaal toerental’ of 2) de tiphoogte-afstand waarbuiten geen negatieve invloed van een windturbine te verwachten is (zie het HRW, 2020). Daarbinnen zijn in overleg met TenneT / Gasunie en afhankelijk van een locatie-specifieke risicoanalyse mogelijk kleinere afstanden vergunbaar. Infrastructuur In aanvulling op het externe-veiligheidsbeleid dat algemeen van toepassing is, hanteert Rijkswaterstaat eigen risicocriteria voor windturbines die zijn opgenomen in het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” en “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s”. Wanneer voldaan wordt aan de beleidsregel is er geen hinder voor verkeer, wal- en scheepradar te verwachten.

Aanvullend onderzoek is alleen vereist wanneer windturbines binnen een afstand gelijk aan minder dan de halve rotordiameter tot de rand van de auto- of vaarweg geplaatst worden (art 4, lid 1 en 2 uit de beleidsregel). Veiligheidsnormen Interne veiligheid Buiten de eerdergenoemde eisen en richtlijnen omtrent externe veiligheid dienen windturbines te voldoen aan eisen omtrent interne veiligheid. Bij interne veiligheid gaat het om voorzieningen in en aan de windturbines zelf, die de kans op onveilige situaties (o.a. brand, elektrocutie, afwerpen van ijs) zo klein mogelijk maken. Dergelijke interne veiligheidsvoorzieningen gelden voor elk type molen in elke willekeurige opstelling. In het Bal is opgenomen dat een windturbine ontworpen moet zijn volgens NEN-EN-IEC 61400-1 “Wind Turbine Safety and Design“. Alleen gecertificeerde windturbines voorzien van een geldig typecertificaat conform (een van) de hierboven genoemde normen komen in Nederland in aanmerking voor een omgevingsvergunning.

4.6.2

Methode en beoordelingscriteria Om de externe veiligheid effecten van de MER-alternatieven te onderzoeken, gaat het MER uit van richtafstanden zoals beschreven in de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020). In het geval van nabijgelegen infrastructuur dienen bepaalde afstanden gehanteerd te worden waarbuiten geen onacceptabele risico’s te verwachten zijn. De MER-alternatieven worden in het MER getoetst aan de benodigde afstanden. Ook worden voor de MER-alternatieven het aantal objecten met een extern veiligheidsrisico binnen de maximale werpafstand van de windturbine in kaart gebracht.

Wettelijk kader en beoordeling

36

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeeld op het milieuthema externe veiligheid. Tabel 9

Beoordelingscriterium externe veiligheid Thema Beoordelingscriterium Externe veiligheid

4.7

Ligging (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 en PR 10-5 Ligging t.o.v hoogspanningsinfrastructuur Ligging t.o.v. buisleidingen Ligging t.o.v. wegen, spoorwegen en waterwegen Aantal risicovolle objecten binnen de werpafstand

Methode Kwantitatief Kwantitatief Kwantitatief Kwantitatief Kwantitatief

Ecologie De realisatie van een windpark kan effecten hebben op beschermde gebieden, soorten en aanwezige natuurwaarden. In deze paragraaf zijn de methode en beoordelingscriteria voor het milieuaspect ecologie nader toegelicht.

4.7.1

Wettelijk kader In het Besluit activiteit leefomgeving (Bal) is vastgelegd dat het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en het vernielen of beschadigen van voortplantings- en rustplaatsen niet is toegestaan. Ook zijn regels voor activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben in het Bal opgenomen.

4.7.1.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Het onderdeel gebiedsbescherming vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. Een belangrijk onderdeel zijn de Natura 2000-gebieden. Op basis van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow is het verboden zonder vergunning (van Gedeputeerde Staten) een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Middels een voortoets wordt onderzocht of er significante effecten kunnen worden verwacht. Wanneer significante effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Stikstofdepositie Stikstofdepositie als gevolg van vracht- en kraanwagenbewegingen tijdens de bouwfase is, zoals is gebleken uit berekeningen voor andere windparken, verwaarloosbaar klein en is daarmee geen onderscheidend milieueffect. Om die reden wordt dit daarom niet in het MER beoordeeld. Het aspect zorgt naar verwachting ook niet voor een noemenswaardig onderscheidend vermogen voor de opstellingsalternatieven in het MER. Wél wordt er voor het voorkeursalternatief een Wettelijk kader en beoordeling

37

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau stikstofberekening (met de AERIUS-calculator) uitgevoerd voor de bouwfase. Dit in het kader van de Omgevingswet. In de exploitatiefase van een windpark is geen sprake van activiteiten waarbij stikstof vrijkomt. Natuurnetwerk Nederland Met het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beoogd om van bestaande en nieuwe natuur een goed functionerend netwerk in Nederland te maken. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is het 'nee, tenzij’- regime van toepassing zoals beschreven in artikel 3.31 lid 1 van de Omgevingsverordening van provincie Drenthe. Plannen in NNN moeten voldoen aan de gestelde regels van de vigerende provinciale Omgevingsverordening, waarin de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk zijn uitgewerkt. Op grond van de Drentse Omgevingsverordening wordt geen externe werking toegekend aan gebieden die deel uitmaken van Natuurnetwerk Nederland. Wanneer een project leidt tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN, dienen gelijktijdig met de ruimtelijke ingreep deze gevolgen te worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 4.7.1.2

Soortenbescherming

Naast effecten op beschermde gebieden kunnen effecten optreden op beschermde soorten planten en dieren in het gebied. Op grond van artikel 5.1 lid 2 van de Omgevingswet is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Bal. Een flora-en-fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren en planten. Met name vogels en vleermuizen zijn gevoelig voor de effecten van windenergie. In het Bal is vastgelegd dat het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en het vernielen of beschadigen van voortplantings- en rustplaatsen niet is toegestaan (art. 11.37, art. 11.46 en art. 11.54). Hierbij dient te worden opgemerkt dat blijkens de Europese en nationale jurisprudentie onder ‘opzet’ ook voorwaardelijke opzet moet worden verstaan. Dit betekent dat het verbod ook wordt overtreden indien redelijkerwijs voorzien kan worden dat er dieren worden gedood. Gelet op het feit dat alle van nature in het wild voorkomende soorten vogels en vleermuizen beschermd zijn en deze soortgroepen vrijwel overal voorkomen kan er, redelijkerwijs, van worden uitgegaan dat er bij elk windmolenpark sprake zal zijn van het opzettelijk doden in de zin van het Bal en dat er altijd een vergunning noodzakelijk is.

Voor welke soorten dieren dit het geval is moet middels gericht ecologisch onderzoek worden vastgesteld. Uit artikel 8.74i Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) blijkt dat een omgevingsvergunning ten aanzien van in het wild levende vogels enkel kan worden verleend wanneer: er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; de activiteit nodig is in het kader van wettelijke belangen en; de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soort. Wettelijk kader en beoordeling

38

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 4.7.2

Methode en beoordelingscriteria Om de effecten op beschermde gebieden en/of soorten in kaart te brengen en inzichtelijk te maken of en in welke mate negatieve effecten kunnen optreden. Natura 2000-gebieden Het plangebied is gelegen op circa 14 km afstand van Natura 2000 Habitatrichtlijngebied ‘Mantingerzand’ ten westen en Habitat- en Vogelrichtlijngebied 'Bargerveen’ ten oosten. Mogelijke barrièrewerking, overschrijding van de 1%-mortaliteitsnorm door aanvaringen en verstoring van rust- en foerageergebieden worden onderzocht in een voortoets. Als negatieve effecten op Natura 2000-gebied niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is vervolgonderzoek nodig in de vorm van nader onderzoek naar stikstof en een Passende Beoordeling, waarin wordt bepaald en beoordeeld wat het effect van het windpark is op de kwaliteit van de aangewezen habitattypen. Hierbij wordt ook gekeken naar cumulatie met effecten van andere projecten. Voor het voorkeursalternatief wordt een stikstofberekening (met de AERIUS-calculator) uitgevoerd voor de bouwfase. Dit in het kader van de Omgevingswet. Natuurnetwerk Nederland Het oostelijk deel van het plangebied bevindt zich aangrenzend aan NNN-gebied. In de provincie Drenthe kent de bescherming van het NNN geen externe werking.

Binnen de begrenzing van NNN zijn geen ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en natuurwaarden van het NNN-gebied. In het geval dat de beoogde windturbinelocaties zo worden geplaatst dat er overdraai plaatsvindt, moeten effecten worden onderzocht in een Nee, Tenzij-toets. Soortenbescherming Voor de effecten op soorten die zijn beschermd op grond van de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen effecten in de aanlegfase en effecten in de gebruiksfase (met name aanvaringsslachtoffers vogels en vleermuizen). Per soortgroep wordt beschreven welke beschermde flora en fauna mogelijk aanwezig zijn in het plangebied. Op basis van geschiktheid van het plangebied en de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten wordt onderzocht wat het effect van het voornemen is op relevante soorten en wat de consequenties (ontheffing, mitigerende maatregelen) op het gebied van natuurwet- en regelgeving is. Voor een beoordeling van aanvaringsslachtoffers onder vogels wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de verschillende soorten vliegbewegingen van vogels in de omgeving van het windpark. Vervolgens wordt gekeken naar de voorzienbare aantallen aanvaringsslachtoffers, en de verstorende effecten van windturbines op lokaal rustende en foeragerende vogels. Aanvaringsslachtoffers zullen worden getoetst aan de 1%-mortaliteitsnorm.

Met het oog op de kans op aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen worden gegevens verzameld over vliegbewegingen van vleermuizen, wordt er een inschatting gemaakt van het aantal slachtoffers welke wordt getoetst aan de 1%-mortaliteitsnorm en wordt er ingegaan op het effect van mitigerende maatregelen.

Wettelijk kader en beoordeling

39

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeeld op het milieuthema ecologie. Tabel 10

4.8

Beoordelingscriteria ecologie Thema Beoordelingscriterium Ecologie Effecten op beschermde gebieden: aanlegfase Effecten op beschermde gebieden: exploitatiefase Effecten op beschermde soorten: aanlegfase Effecten op beschermde soorten: exploitatiefase

Methode Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief

Bodem en water De realisatie van een windturbinepark heeft mogelijke effecten op de bodemkwaliteit en waterhuishouding. In deze paragraaf zijn de methode en beoordelingscriteria voor de milieuaspecten bodem en water nader toegelicht.

4.8.1

Wettelijk kader De realisatie van windturbines heeft mogelijke effecten op de bodemkwaliteit en waterhuishouding. Bodem Bij de aanleg van de windturbines zullen bodemwerkzaamheden plaatsvinden. De verankering van de windturbines vindt plaats met een betonnen voet (het fundament). Daardoor zal een hoeveelheid grond ontgraven moeten worden. Op grond van de Omgevingswet dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Het afwegingskader zoals voorgeschreven in de Omgevingswet betreft de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Binnen dit kader wordt onder meer de bodemkwaliteit een criterium. Waar voorheen de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit de bewaking van de bodemkwaliteit en de bescherming van de bodem tegen vervuiling regelden is dit tegenwoordig in de Omgevingswet opgenomen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen verschillende milieubelastende activiteiten waarbij in de bodem wordt gegraven onder of boven de interventiewaarde van de bodemkwaliteit (Bal Art. 3.2.21 & 3.2.22). Voor beide MBA’s geldt de module met betrekking tot voorafgaand bodemonderzoek (paragraaf 5.2.2 Bal). Wanneer grond wordt ontgraven of wordt aangevoerd naar of vanaf de projectlocatie, is sprake van roering van de bodem.

In het kader van de omgevingsvergunning moet in sommige gevallen (indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven) inzicht worden gegeven in de bodemkwaliteit. In die gevallen moet worden bepaald of sprake is van een kans op ernstige verontreinigingen en/of de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Daarnaast worden vanuit het Bal eisen gesteld aan de kwaliteit en totale bodemvolume van de aan- en af te voeren bodem. In de Nota bodembeheer Drenthe en op de toepassingskaart van de Regionale Bodemkwaliteitskaart Drenthe staat beschreven welke kwaliteit grond toegepast mag worden.

Wettelijk kader en beoordeling

40

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Voor het afgraven van grond ten behoeve van de aanleg van de fundamenten, bouw- en onderhoudswegen en kraanopstelplaatsen was voorheen in sommige gevallen een vergunning nodig op grond van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de Omgevingswet geldt geen vergunningsplicht meer voor graven, en is een melding en informatieplicht voldoende. In gevallen van een ontgrondingsactiviteit is echter wel een vergunning nodig. Dit is afhankelijk van een aantal aspecten, waaronder het specifiek te bouwen windturbinetype (pas bekend na de aanbestedingsfase) en de bodemgesteldheid ter plaatse (pas bekend voorafgaand aan engineeringsfase). Wanneer blijkt dat een vergunning voor ontgronding nodig is zal deze worden aangevraagd. Water Op grond van de Omgevingswet moet bij een ruimtelijke ontwikkeling inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding. In de Omgevingswet is ook de waterhuishouding, het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld. In het beleid zijn regels over waterkwaliteit en kwantiteit opgenomen. Waterschap Vechtstromen draagt in de gemeente Emmen zorg voor het functioneren van het watersysteem. In de waterschapsverordening staan de regels voor het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen, bergingsgebieden, beregeningsregelingen oppervlaktewater en grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken.

Wanneer dit oppervlaktewaterlichaam wordt beïnvloed, kan hier mogelijk een waterwetvergunning voor nodig zijn. Deze wordt in dat geval aangevraagd bij het Waterschap.

4.8.2

Methode en beoordelingscriteria In het MER wordt voor de MER-alternatieven beoordeeld hoe deze zich verhouden tot verschillende water(beschermings)gebieden op basis van de waterschapsverordening Vechtstromen en het Omgevingsplan van de provincie Drenthe. Hierbij wordt gekeken naar de regels voor het beheer van de oppervlaktewateren, bergingsgebieden en grondwater. Beheer van waterkeringen, beregeningsregelingen, ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken en peilbesluiten zijn niet relevant voor de beoordeling van de MER-alternatieven. Voor het aspect bodem wordt in het MER onderzocht wat de huidige bodemkwaliteit is binnen het projectgebied op basis van de Regionale Bodemkwaliteitskaart Drenthe. Vervolgens worden de effecten van de ontwikkeling van de windturbines kwalitatief beoordeeld. Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeeld op de milieuthema’s bodem en water.

Tabel 11

Beoordelingscriterium bodem en water Thema Beoordelingscriterium Bodem Milieukwaliteit bodem Ligging t.o.v. oppervlaktewaterlichamen Water Ligging t.o.v. bergingsgebieden Effecten op grondwater

Wettelijk kader en beoordeling

Methode Kwalitatief Kwantitatief Kwantitatief Kwalitatief

41

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

4.9

Landschap Windparken kunnen de bestaande kwaliteiten kunnen ook worden aangetast, bijvoorbeeld wanneer windturbines kernkwaliteit van een landschap zoals openheid of kleinschaligheid aantast. In deze paragraaf zijn de methode en beoordelingscriteria voor het milieuaspect landschap nader toegelicht.

4.9.1

Wettelijk kader

In de NOVI is opgenomen dat op grond van het Europees Landschapsverdrag het Rijk systeemverantwoordelijkheid heeft voor landschap. Het geeft uitvoering aan dit nationaal belang samen met de provincies, die ook verantwoordelijk zijn. In de Geconsolideerde Omgevingsvisie en Actualisatie Omgevingsvisie 2022 van de provincie Drenthe wordt nadrukkelijk gestuurd op de ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit. Voor de kernkwaliteit landschap wordt hier invulling aan gegeven door opgestelde regels en de kwaliteitsambities voor het Drentse landschap. Het landschap is belangrijk voor het behoud van de biodiversiteit van het Drentse buitengebied. Binnen Drenthe zijn zes landschapstypen te onderscheiden: 1. Esdorpenlandschap; 2. Esgehuchtenlandschap; 3. Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning; 4. Wegdorpenlandschap van de randveenontginning; 5. Landschap van de veenkoloniën; 6. Landschap van de Koloniën van Weldadigheid (UNESCO Werelderfgoed). Het doel is deze landschapstypen herkenbaar, beleefbaar en leesbaar te houden door het open karakter te waarborgen. Naast de landschapstypen wordt specifiek beleid voor enkele zichtbare overgangen in het landschap gehanteerd. Bij initiatieven voor windenergie vraagt de provincie initiatiefnemers een plan op te stellen waarin aandacht is voor de ruimtelijke, fysieke context en de ruimtelijke invloedssfeer van de opstelling.

Aandacht voor een herkenbare opstelling en toepassing van de laatste stand der techniek om zoveel mogelijk recht te doen aan de belangen van omwonenden en de kernkwaliteiten in het gebied zijn hierbij belangrijke aspecten. Voor locaties of zoekgebieden binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland zijn nieuwe activiteiten niet toegestaan als deze kenmerken en waarden van NNN significant schaden. Als echter sprake is van een groot maatschappelijk belang, waar duurzame energie opwek ook onder valt, kan hiervan worden afgeweken, hiervoor dient dan wel de negatieve impact gecompenseerd te worden.

4.9.2

Methode en beoordelingscriteria Vanuit het oogpunt van landschap zijn enkele aspecten relevant. Enerzijds gaat het om effecten op het gebied en landschap (o.a. ruimtelijke kenmerken, maat, schaal

Wettelijk kader en beoordeling

42

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau en inrichting), anderzijds gaat het om de zichtbaarheid van de opstelling en de interferentie met andere windparken. Ook het accentueren van landschappelijke structuren en de onderlinge afstand tussen windturbines kunnen een rol spelen bij de landschappelijke beoordeling. Voor de beoordeling van de landschappelijke effecten wordt gekeken naar het huidige aanwezige landschap en de bijbehorende gebiedskenmerken. Voor elk landschapstype zijn uitspraken gedaan over de impact van de komst van windturbines en de wijze waarop deze impact door een zorgvuldige inpassing kan worden verkleind. Op basis van het afwegingskader wordt beoordeeld of en hoe de plaatsing van windturbines zich verhoudt tot de gebiedskenmerken die van toepassing zijn in de specifieke lokale situatie. Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeeld op het milieuthema landschap. Tabel 12

Beoordelingscriteria landschap Thema Beoordelingscriterium

Landschap

4.10

Effect op landschappelijke waarden Effect op landschappelijke structuren Ligging t.o.v. cultuurhistorische gebieden en objecten Herkenbaarheid van de opstelling Visuele interferentie met andere windturbines/hoogspanningstracés Obstakelverlichting

Methode Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief

Archeologie De realisatie van een windturbinepark heeft mogelijke effecten op de archeologische waarden. In deze paragraaf zijn de methode en beoordelingscriteria voor het milieuaspect archeologie nader toegelicht. Uit het plan-MER voor de structuurvisie Windenergie Emmen blijkt dat archeologie een belangrijk aandachtspunt is en dat er mogelijk archeologische nederzettingen in het gebied ten oosten van de N34 aanwezig zijn. Het MER onderzoekt op hoofdlijnen de ligging van de alternatieven ten opzichte van de archeologische verwachtingswaarden. Zodra de definitieve locaties van de windturbines bekend zijn, zal er een aanvullend archeologisch onderzoek plaatsvinden naast het MER.

4.10.1

Wettelijk kader

Het in 1992 door Nederland ondertekende Verdrag van Malta regelt archeologisch erfgoed op Europees niveau, met als belangrijkste doel het behoud van dit erfgoed in situ. Voorheen werd dit op nationaal niveau geregeld door de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Monumentenwet (1998). Hierdoor werd geregeld hoe met (mogelijke) archeologische waarden moet worden omgegaan en in welke gevallen onderzoek en/of behoud nodig is. Met de Komst van de Wettelijk kader en beoordeling

43

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Erfgoedwet in 2016 en de Omgevingswet (2024) zijn deze wetten komen te vervallen. De Erfgoedwet (2016) vervangt hierbij 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder delen van de Monumentenwet. In de Erfgoedwet zit o.a. de uitwerking van archeologische rijksmonumenten en het archeologisch bestel. Het deel van de Monumentenwet en de Wamz dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet. Bij een activiteit dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Deze mogelijke aanwezigheid is opgenomen in de provinciale’ Archeologische verwachtingenkaart’ en in beleid van de gemeente (onder andere in een archeologische waardenkaart en het facetbestemmingsplan). Ook staat hierin opgenomen in welke gevallen onderzoek en/of behoud noodzakelijk is.

4.10.2

Methode en beoordelingscriterium De effecten op archeologische waarden worden kwalitatief beschreven. Hierbij wordt gekeken naar de ligging van gebieden met archeologische waarden ten opzichte van de MER-alternatieven. Om de ligging van de archeologische waarden te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de volgende bronnen indien relevant: • Cultuurhistorische waardenkaart (gemeente Emmen) • Ruimtelijke waardenkaart (gemeente Emmen) • Rapport buitengebied Emmen (gemeente Emmen) • Cultuurhistorisch kompas (provincie Drenthe) • Archeologische waardenkaart (provincie Drenthe). In het MER is ook aandacht voor het verstoringsoppervlakte van de windturbine en de bijbehorende voorzieningen en ontsluitingswegen. Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeeld op het milieuthema archeologie.

Tabel 13

Beoordelingscriterium archeologie Thema Beoordelingscriterium

Methode

Archeologie

Kwalitatief

Archeologie

4.11

Overige aspecten

4.11.1

Defensieradar

Ligging t.o.v. van gebieden met archeologische waarden Verstoringsoppervlak van turbines en bijbehorende voorzieningen

Kwantitatief

Windenergieprojecten die binnen een straal van 75 km rond een radarstation dienen te worden getoetst of deze onaanvaardbare radarverstoring veroorzaken. Deze toets moet plaatsvinden voordat de bouw van windturbines mogelijk wordt gemaakt. Het gaat hier niet om een milieueffect en wordt daarom niet in het MER meegenomen. De resultaten van het radaronderzoek worden gerapporteerd aan Wettelijk kader en beoordeling

44

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau het bevoegd gezag en het ministerie van Defensie. De resultaten worden tevens in het MER opgenomen en als bijlage bij de vergunningaanvraag toegevoegd.

4.12

Samenvatting beoordelingskader In onderstaande tabel is het totale beoordelingskader weergegeven voor de bepaling van de effecten van de MER-alternatieven. Per thema/aspect is in tabelvorm weergegeven welk beoordelingscriterium wordt gehanteerd en welke onderzoeksmethode wordt toegepast voor de effectbeoordeling.

Tabel 14

Samenvatting beoordelingscriteria Thema Beoordelingscriterium

Methode

Energieopbrengst Geluid

- Energieopbrengst (incl. mitigatieverliezen) - Aantal geluidsgebouwen en locaties binnen de berekende geluidscontouren: absoluut - Aantal geluidsgebouwen en locaties binnen de berekende geluidscontouren: relatief - Toename aantal ernstig gehinderden: absoluut - Toename aantal ernstig gehinderden: relatief - Aantal gebouwen en locaties binnen de berekende slagschaduwcontouren: absoluut - Aantal gebouwen en locaties binnen de berekende slagschaduwcontouren: relatief - Percentage stilstand om te voldoen aan grenswaarden: absoluut - Percentage stilstand om te voldoen aan grenswaarden: relatief - Ligging (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 en PR 10-5 - Ligging t.o.v. hoogspanningsinfrastructuur - Ligging t.o.v. buisleidingen - Liggen t.o.v. wegen, spoorwegen en waterwegen - Aantal risicovolle objecten binnen de werpafstand - Effecten op beschermde gebieden: aanleg- en exploitatiefase - Effecten op beschermde soorten: aanleg- en exploitatiefase - Milieukwaliteit bodem - Ligging t.o.v. water(beschermings)gebieden

Kwantitatief Kwantitatief

- Effect op landschappelijke waarden - Effect op landschappelijke structuren - Ligging t.o.v. cultuurhistorische gebieden en objecten - Herkenbaarheid van de opstelling - Visuele interferentie met andere windturbines/hoogspanningstracés - Obstakelverlichting - Ligging t.o.v. van gebieden met archeologische waarden - Verstoringsoppervlak van turbines en bijbehorende voorzieningen

Kwalitatief

Gezondheid Slagschaduw

Externe veiligheid

Ecologie

Bodem en water Landschap en cultuurhistorie

Archeologie

Wettelijk kader en beoordeling

Kwantitatief Kwantitatief

Kwantitatief

Kwalitatief

Kwalitatief Kwantitatief

Kwalitatief Kwantitatief

45

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

4.13

Monitoring en leemten in kennis Tenslotte wordt in het MER aandacht besteed aan de belangrijkste leemten in kennis en wordt een beschrijving gegeven van de monitoringsplannen die hieraan zijn gekoppeld. De leemten in kennis zijn rechtstreeks gekoppeld aan de beschrijving van de milieueffecten.

Wettelijk kader en beoordeling

46

Windpark N34 Emmen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Bijlagen

Bijlagen

47

Bijlage A Verklarende woordenlijst Ashoogte De hoogte van de rotor-as, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het maaiveld. Autonome ontwikkeling Ontwikkelingen, die optreden zonder dat één van de alternatieven wordt uitgevoerd. Bevoegd gezag De overheidsinstantie die bevoegd is het Mer-plichtige besluit te nemen en die de Mer- procedure organiseert. BOPA (Buitenplanse omgevingsactiviteit) Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die afwijkt van het omgevingsplan, en waarvoor dus een omgevingsvergunning nodig is. Commissie voor de Mer Commissie van onafhankelijke deskundigen die het bevoegd gezag adviseert over de gewenste inhoud van het milieueffectrapport en in een latere fase over de kwaliteit van het milieueffectrapport. Contour Een lijn getrokken door een aantal punten van gelijke (geluid- of slagschaduw)belasting. Door contouren te berekenen, is het mogelijk het gebied vast te stellen dat een bepaalde (geluid- of slagschaduw)belasting ondervindt. Cumulatieve gevolgen Verschillende vormen van milieubelasting, waarbij de gevolgen van elke vorm afzonderlijk niet ernstig behoeven te zijn, maar van de verschillende vormen samen wel. GWh Gigawattuur is een eenheid van energie. 1 GWh staat gelijk aan 1.000 MWh. Initiatiefnemer projectMER Degene die de Mer-plichtige activiteit wil ondernemen (in dit geval Pure Energie B.V.).

Mitigatie Het verminderen van nadelige effecten (op het milieu) door het treffen van bepaalde maatregelen. Mer De procedure van milieueffectrapportage; een hulpmiddel bij de besluitvorming, dat bestaat uit het maken, beoordelen en gebruiken van een milieueffectrapport en het evalueren achteraf van de gevolgen voor het milieu van de uitvoering van de activiteit waarvoor een milieueffectrapport is opgesteld. MER Milieueffectrapport. Een openbaar document waarin van een voorgenomen activiteit van redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven of varianten de te verwachten gevolgen voor het milieu in hun onderlinge samenhang op systematische en zo objectief mogelijke wijze worden beschreven. MW Megawatt = 1.000 kilowatt (kW) = 1.000.000 Watt (W). De Watt is een eenheid van vermogen (de hoeveelheid energie die per tijdseenheid geproduceerd wordt). MWh Megawattuur is een eenheid van energie. Een apparaat dat 1 uur lang een vermogen levert van 1MW produceert 1 MWh. Een gemiddeld Nederlands huishouden verbruikt in een jaar ca. 3,3 MWh.

48

Projectgebied Dat gebied, waarbinnen de voorgenomen activiteit of een der alternatieven kan worden gerealiseerd. Referentiesituatie De referentiesituatie wordt gevormd door de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. Rotordiameter De diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine worden bestreken. Tiphoogte De hoogte van de tip van een rotorblad van een windturbine wanneer dit rechtstandig omhoog wijst. Gelijk aan de ashoogte + de halve rotordiameter. TWh Terawattuur is een eenheid van energie. 1 TWh staat gelijk aan 1.000.000 MWh. Uitgebreide voorbereidingsprocedure De uitgebreide voorbereidingsprocedure is een wettelijk vastgelegde manier waarop een overheidsorganisatie (zoals een gemeente) een besluit neemt over een aanvraag, met meer tijd en ruimte voor zorgvuldige afweging en inspraak van belanghebbenden. Deze procedure is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), specifiek afdeling 3.4.

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=1cb0e956-ec13-4e93-980c-866db7dbf842