Bijlage 2 Bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21
Tekst van het document
In de eerste plaats is dit van belang voor de grotere beken, kanalen en meren waarvoor binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) doelen en maatregelen zijn opgesteld voor aangewezen waterlichamen. Daarnaast is een goede waterkwaliteit van belang voor het recreatief medegebruik als zwemmen en kanoën en voor het stelsel van kleinere watergangen voor water aan- en afvoer. Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling door bedrijfsmatige activiteiten te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuild is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd. Dit volgt de trits ; ''schoonhouden, scheiden, zuiveren''. 4.5.2.3 Kaderrichtlijn water (KRW) Via de Europese Kaderrichtlijn Water is het waterschap verantwoordelijk voor de chemische en ecologische waterkwaliteit. Voor een aantal waterlichamen, de zogenaamde KRW-Waterlichamen, zijn doelen vastgesteld voor de waterkwaliteit en zijn maatregelen opgesteld om deze te bereiken. Ruimtelijke ingrepen en activiteiten die de waterkwaliteit in de KRW-waterlichamen (kunnen) verslechteren of ingezette verbetering kunnen laten stagneren, zijn niet toegestaan. Binnen en/of langs het plangebied ligt een aangewezen KRW-waterlichaam. 4.5.3
Wateradvies waterschap
De gemeente Emmen heeft het waterschap tijdig ingelicht over de planvorming. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hunze en Aa's. Via de digitale watertoets is het waterschap op de hoogte gesteld van dit plan. De aanmelding heeft ertoe geleid dat de korte procedure wordt doorlopen. Dit houdt in dat het waterschap geen nader advies zal afgeven en het standaard wateradvies gebruikt kan worden bij het opstellen van de waterparagraaf. Het wateradvies is opgenomen in Bijlage 7. Het waterschap geeft in zijn advies aan dat het plangebied in een aandachtsgebied voor veenoxidatie ligt, waar in lengte van jaren nog bodemdaling door veenoxidatie kan optreden. Het waterschap hanteert een stand-still bij aandachtsgebieden met veenoxidatie. Dit houdt in dat niet zondermeer waterpeilen worden verlaagd om aan de droogleggingsnorm te blijven voldoen. Bij het verlagen van waterpeilen zal nog aanwezig veen wederom in aanraking komen met zuurstof en opnieuw tot oxidatie en hernieuwde bodemdaling leiden. Ook geeft het waterschap aan dat er binnen en/of langs het plangbied hoofdwatergangen van het waterschap aanwezig zijn. Aan weerszijden van alle hoofdwatergangen ligt een beschermingszone van 5 meter breed, gerekend vanaf de insteek talud.
Een zone van 4 meter vanaf de insteek langs hoofdwatergangen moet vrij blijven (onderhoudspad/maaipad) van ieder obstakel, zoals: heggen, afrastering, bomen, schuttingen,opstallen en/of verharde paden. 24 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op de planregels en verbeelding
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid. Tevens dient het nieuwe bestemmingsplan rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op landelijk geldende standaarden, onder meer Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
5.2
Toelichting op de verbeelding
Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart BGT gehanteerd. De ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn. De op de verbeelding aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd. Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en/of aanduiding gekregen op de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld.
5.3
Toelichting op de regels
De regels zijn een juridische vertaling van het planologische -en ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is. Gebruiksregels Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor aanleiding voor bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn bedoeld en of waarvoor en op welke wijze de gronden wel gebruikt kunnen worden. Bouwregels In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen. Met deze bouwregels worden de bouwmogelijkheden gereguleerd. Uitgangspunt bij het bouwen van hoofdgebouwen is dat hoofdgebouwen altijd binnen een bouwvlak worden gebouwd en voorgevels van deze hoofdgebouwen in de gevellijn. Dit betekend dat indien er vervangende bebouwing wordt geprojecteerd, deze in de gevellijn moet worden teruggebouwd. Verder worden in de bouwregels onder anderen regels ten aanzien maximale bebouwing , bouwhoogtes, dakhelling opgenomen. Flexibiliteit Soms is het gewenst om af te wijken van de gestelde regels.
Hiervoor zijn in het bestemmingsplan flexibiliteitbepalingen opgenomen om op specifieke situaties in te kunnen spelen. De uitvoering van de flexibiliteitregelingen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Het toepassen van deze regelingen is geen automatisme. Voordat wordt besloten dat van de geldende regels in het bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 25
bestemmingsplan kan worden afgeweken zal eerst bekeken worden wat de consequenties zijn van de afwijking op de leefomgeving. In het bestemmingsplan diverse flexibiliteitregelingen opgenomen, deze zijn: Afwijken van de bouwregels; Afwijken van de gebruiksregels; Nadere eisen; Algemene afwijkingsregels; Wijzigingsbevoegdheden artikel 3.6 Wro; De afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming gehandhaafd dient te blijven. Door het inwerkingtreden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden verschillende vergunningen en besluiten, zoals de milieuvergunning, de omgevingsvergunning, afwijkingen van het bestemmingsplan en de kapvergunning gebundeld in een integrale omgevingsvergunning. Toestemming van burgemeester en wethouders voor een afwijking van de bouw- of gebruiksregels kan zodoende worden verkregen door het aanvragen van een omgevingsvergunning Met de nadere eisen kunnen ondergeschikte zaken aan gebouwen worden aangepast. Het gaat hierbij om zaken zoals het aanpassen van de vorm of de situering van een bouwwerk of de inrichting van een terrein. Met 'nadere eisen' kunnen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden in de bestemmingen. Bij toepassing van een afwijking en / of nadere eisen wordt het beoordelingskader gehanteerd zoals in de onderstaande tabel is weergegeven.
Deze lijst geeft de afwegingscriteria aan die meegewogen moeten worden bij de afweging of een omgevingsvergunning wordt verleend en/ of het toepassen van de nadere eisen. Op deze wijze kunnen interpretatieproblemen worden vermeden en wordt aan gebruikers van de in het plangebied gelegen gronden zoveel mogelijk rechtszekerheid geboden. Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor het afwijken van de nadere eisen, de uitvoering van deze flexibiliteitsbepalingen zal plaatsvinden via de omgevingsvergunning. Bij toepassing van een afwijking en/ of nadere eis mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de volgende criteria: 1. Woonsituatie: Ten aanzien van de woonsituatie dient rekening gehouden te worden met het in stand houden en/ of garanderen van een goede woonsituatie, hierbij dient gelet te worden op: i. de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden; iv. het uitzicht; v. de aanwezigheid van voldoende privacy. 2. Straat- en bebouwingsbeeld: In het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en architectonische inpassing dient aandacht gegeven te worden aan: i. een goede verhouding tussen bouwmassa's en open ruimte, (landschappelijke inpassing); ii.
de verhouding tussen de hoogte breedte van gebouwen; iii. gevelbeelden; iv. de samenhang van de bouwvorm met nabij gelegen bebouwing; v. de hoogtedifferentiatie; vi. de situering van gebouwen op het perceel; vii. de geleding van de gebouwen indien de oppervlakte meer dan 1000 meter² bedraagt. 3. Cultuurhistorie i.
cultuurhistorische waarden en archeologische waarden;
4. Verkeersveiligheid
26 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Ten waarborging van verkeersveiligheid dient rekening gehouden te worden met: i. verkeersaantrekkende werking, toename van de verkeersintensiteit en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. benodigde uitzichthoeken van wegen; iv. de aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg; v. de gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden; vi. de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte. 5. Sociale veiligheid Ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet-sociaal controleerbaar is dient rekening gehouden te worden: i. de mogelijkheden voor de verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een sociaal onveilige plek; ii. de mate waarin de toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte wordt ingeperkt. 6. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding Ten aanzien van de brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding dient rekening gehouden te worden met de volgende aspecten: i. aanwezigheid van kwetsbare objecten; ii. de aanwezigheid en routering van vluchtwegen; iii. de bereikbaarheid van de bouwwerken; de beschikbaarheid en bereikbaarheid van adequate blusmiddelen. 7.
Milieusituatie: Ter waarborging en ter voorkoming van een milieukundig ongewenste situatie als gevolg van een ruimtelijke ingreep dient rekening gehouden te worden met: i. de mate van hinder voor de omliggende functies; ii. de gevolgen voor de externe veiligheid; iii. de gevolgen van de aanwezigheid van gevoelige functies voor de hinderlijke functies; iv. de gevolgen voor flora en fauna in relatie met de omgeving; v. de gevolgen voor de bodemkwaliteit; vi. de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit; vii. de situering van gebouwen ten opzichte van het water. 8. Gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen Ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken is het niet toegestaan op enig terrein zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, waarvan de toestand op dat moment overeenkomt met het plan, een situatie zou ontstaan die niet meer overeenkomt met het plan of waardoor een reeds bestaande afwijking van het plan zou worden vergroot. Figuur 6.1: Beoordelingscriteria afwijkingen en nader eisen De bevoegdheid ex. artikel 3.6 Wro om het bestemmingsplan te wijzigen ligt eveneens bij burgemeester en wethouders. De wijzigingsbevoegdheid maakt een wijziging van een bestemming in een andere bestemming mogelijk.
Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt dat deze niet kan worden uitgevoerd, voordat onderzoek is uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om nader onderzoek zoveel mogelijk op de concrete situatie af te stemmen. Opzet regels De planregels van dit bestemmingsplan zijn opgedeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1. Inleidende regels; Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3. Algemene regels; Hoofdstuk 4. Overgangs - en slotregels. De inhoud van de verschillende hoofdstukken wordt als volgt toegelicht: bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 27
5.3.1
Hoofdstuk1 Inleidende regels
In hoofdstuk 1 worden diverse begrippen welke in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Artikel 1 Begrippen De begripsbepalingen in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begrippen die hierin zijn opgenomen zijn terug te vinden in de bestemmingsbepalingen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Met uitzondering van de eerste twee begrippen (plan en bestemmingsplan) zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt. De begrippen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt. Artikel 2 Wijze van meten De bepalingen over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogteen andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.3.2
Hoofdstuk2 bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 worden artikelsgewijs de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot gebruik of bouwen. 5.3.2.1 Wonen Binnen de bestemming Wonen - Vrijstaand wordt de mogelijkheid geboden voor de realisatie van één vrijstaande woning en de daarbij behorende voorzieningen. Dit laatste is tevens bedoeld om ondergeschikte, aan de woonfunctie grenzende voorzieningen (bijvoorbeeld groenvoorzieningen of toegangswegen), waarvan de feitelijke begrenzing niet exact blijkt samen te vallen met de bestemmingsgrens, onder de woonbestemming te brengen. Hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De voorgevel van de woning dient in de gevellijn te worden opgericht. De gezamenlijke oppervlakte van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 250 m2. De bouwhoogte van de woning mag maximaal 9 meter bedragen, de goothoogte maximaal 3,5. De dakhelling bedraagt minimaal 35 graden. De afstand van het hoofdgebouw naar de zijerfscheiding bedraagt minimaal 3 meter.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' dient de naar de weg toe gekeerde gevel te worden uitgevoerd als dove gevel. 5.3.3
Hoofdstuk3 Algemene regels
Hoofdstuk 3 van de regels bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in afzonderlijke artikelen onder te brengen. Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en wisselen. Door verwerving van een extra (bouw of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere bouwplannen. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Artikel 5 Algemene bouwregels
28 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
In artikel 5 zijn regels opgenomen voor het bouwen van ondergeschikte bouwonderdelen. De genoemde onderdelen mogen de in de regels bepaalde maximale bouwhoogte overschrijden met de in artikel genoemde maten. Hiervoor is bewust gekozen omdat dit duidelijkheid en enige vrijheid aan ontwerpers biedt. Tevens wordt in dit artikel, artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing verklaard met uitzondering van een zestal onderwerpen dit o.a in verband met de bereikbaarheid, beheer en gebruik van het openbaar gebied. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Afwijkingsregels zijn regels waardoor aan de bestemmingsbepalingen de nodige extra flexibiliteit wordt meegegeven. Toestemming voor afwijking gebeurt door het verlenen van een omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders kan bijvoorbeeld een omgevingsvergunning verlenen voor het 10 % vergroten van de bouwmogelijkheden voor goot- en nokhoogte, het bouwen van bijgebouwen in de voorgevel van het hoofdgebouw, het bouwen van het hoofdgebouw maximaal 5 meter achter de gevellijn en het bouwen met een minder steile dakhelling. Daarnaast zijn ten aanzien van het gebruik afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de uitoefening van een aan huis gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten voor alle woningen of het uitoefenen van bed en breakfast.
De omgevingsvergunningen mogen alleen gebruikt worden indien niet op grond van een andere bepaling in deze regels omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit betekent dat niet 2 keer omgevingsvergunning kan worden verleend van eenzelfde bepalingen of dat bepalingen die extra bouwmogelijkheden geven niet cumulatief gebruikt mogen worden. Artikel 8 Algemene wijzigingsregels Het bestemmingsplan bevat in een aantal gevallen een mogelijkheid tot het wijzigen van het plan op basis van de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 3.6 Wro. De procedure van de wijzigingsbevoegdheid is geregeld in de Wro. Artikel 9 Overige regels Dit artikel regelt de van toepassingsverklaring van de parapluplannen Parkeernormen en Standplaatsen op het plangebied.
5.3.4
Hoofdstuk4 overgangs- en slotregels
Het laatste hoofdstuk "Overgangs en slotregels" bevat in artikel Artikel 10 het overgangsrecht, zoals beschreven in het besluit Ruimtelijke Ordening. Artikel 11 is de slotregel. In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als regels van het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21".
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 29
5.4
Handhaving
In dit bestemmingsplan heeft actueel beleid zijn doorwerking in de regels gekregen. Hierdoor is het juridisch kader van het bestemmingsplan voor gemeente als publiek beter toepasbaar geworden. Van de gemeente mag verwacht worden dat opgetreden wordt als de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd. Bestemmingsplannen zijn immers bindend voor overheid en publiek ter bescherming van een goede ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving. Het college van de gemeente Emmen heeft het beleidsplan Vergunningverlening Toezicht en Handhaving (VTH) vastgesteld. Dit beleidsplan VTH beschrijft de visie en ambitie op het terrein van de gemeentelijke VTH-taken, waaronder ook valt het toepassen en naleven van de regels in het bestemmingsplan. Daarnaast geeft het beleidsplan VTH invulling aan de wettelijke plicht om vastgesteld VTH-beleid te hebben. Voor wat betreft handhaving kan de gemeente onmogelijk continu alles controleren. De gemeente vertrouwt erop dat inwoners en bedrijven de regels naleven en zij er alles aan doen om risico's en nadelige effecten voor de maatschappij te voorkomen. Risico's bepalen de inzet van de beschikbare capaciteit. Op basis van kennis en ervaring is vastgesteld welke bedrijfscategorieën en activiteiten het grootste risico vormen voor fysieke veiligheid, leefbaarheid, volksgezondheid, milieu en imago.
Deze uitgangspunten zijn gebruikt bij het opstellen van dit bestemmingsplan en worden ook toegepast bij de naleving van de regels van het bestemmingsplan.
30 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke betrokkenheid
6.1
Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro en zienswijzen
6.1.1
Overleg
Het college heeft het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 vrijgegeven voor overleg artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het voorontwerpbestemmingsplan is op 31 maart 2022 verzonden naar de overlegpartners; de provincie Drenthe, waterschap Hunze en Aa's en de erkende overlegpartner Plaatselijk Belang Barger-Compascuum, met het verzoek om binnen 6 weken te reageren op het plan. De ontvangen adviezen en reacties zijn gebundeld in de Nota van Beantwoording behorende bij het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 (zie Bijlage 8). In deze nota is tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de verschillende overlegreacties opgenomen. Waar de adviezen en reacties leidden tot aanpassingen van het bestemmingsplan, zijn de aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Voor de inhoud van de overlegreacties en het standpunt van het college wordt verwezen naar voornoemde nota. De Nota van Beantwoording maakt deel uit van het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21.
6.2
Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 1 juni 2022 tot en met 12 juli 2022 voor eenieder ter inzage gelegen. Over het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft aanleiding gegeven tot tekstuele aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Hoofdstuk 3.1 'Algemene planbeschrijving' is aangevuld met een omschrijving van op het perceel aanwezige bebouwing en beplanting. Daarnaast zijn hoofdstuk 4.4.3.1 'Bodemonderzoek' en de bijlagen bij de toelichting gewijzigd door vermelding en toevoeging van een rapport bodemonderzoek (rapport Sigma, projectnummer 21-M9941, 27 juli 2021). De Nota van Beantwoording Zienswijze is toegevoegd als Bijlage 1.
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 31
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uit dit artikel blijkt dat onder een bouwplan o.a. wordt verstaan de bouw van een woning of de uitbreiding van een gebouw van 1000 m2 of meer. De kosten van het maken van het voorliggend bestemmingsplan worden in dit geval gedekt op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2014, als vastgesteld door de raad op 19 december 2013. Voor dit plan zijn (vooralsnog) door de gemeente geen aanvullende kosten voor onderzoek begroot en gemaakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zodoende niet nodig, aangezien het kostenverhaal nu anderszins verzekerd is.
32 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 33
Bijlage 1 Nota van beantwoording zienswijze
34 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Nota van Beantwoording Zienswijze Bestemmingsplan “Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr. 19 n 21”. Inleiding In deze Nota van Beantwoording geven wij onze reactie op de zienswijze die is ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan “Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr. 19 en 21”. Voor de zienswijze is op verzoek van indieners een extra termijn gegeven om de zienswijze aan te vullen. De aanvullingen zijn binnen de gestelde extra termijn binnengekomen. De indieners van de zienswijze wonen ten zuiden van het perceel kadastraal bekend sectie AD nummer 790. AVG Zienswijzen zijn openbaar. Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) moeten de namen en adressen van indieners, als het geen bedrijven of instellingen zijn, in vrij toegankelijke digitale documenten wel worden geanonimiseerd. Om kennis te nemen van de namen van de indieners van de zienswijzen is aan het raadsbesluit een appendix toegevoegd met naam en toenaam. Deze appendix maakt onderdeel uit van het besluit maar zal niet digitaal bekend worden gemaakt. Aspecten zienswijze De inhoud van de aspecten van de zienswijze wordt per aspect samengevat weergegeven onder “A”. Vervolgens vindt onder “B” de beantwoording vanuit de gemeente plaats. Onder “C” is aangegeven of en hoe het bestemmingsplan is aangepast. A1.
B1.
Het woongenot van de indieners wordt aangetast door het bestemmingsplan. Het naastgelegen groen perceel verliest door de mogelijkheid tot bouw van een woning van 9 meter hoog en 250 m2 zijn karakter. De charme van het wonen in Barger-Compascuum is juist de ruimte en het groene, weidse karakter. Door onderhavig plan gaat dit verloren. De gemeenteraad heeft op 14 december 2017 de beleidsnotitie Bouwen in de linten vastgesteld. De beleidsnotitie geeft het onderzoek weer naar de ruimtelijke kaders en criteria die bij de beoordeling van verzoeken tot incidentele woningbouw in de linten moeten worden gehanteerd. In de beleidsnotitie is een balans gezocht tussen het incidenteel toevoegen van woningen enerzijds en het behoud van de waarde en karakteristiek van het landschap anderzijds. Het perceel waar de woning mag worden gebouwd is volgens de beleidsnotitie gelegen binnen de ‘zone structuurvisie Vaarverbinding Erica-Ter Apel’. Dit zijn landschap gerelateerde linten buiten de kern waar op basis van de Structuurvisie “Vaarverbinding Erica Ter Apel” (hierna structuurvisie) reguliere woonbebouwing mogelijk is. De relatie met het buitengebied of het landschap in linten buiten de kern is ruimtelijk bezien sterker dan de relatie met de linten binnen de kern.
Voor het karakter van deze linten gelegen aan de vaarverbinding is het belangrijk dat deze als overgangszone tussen dorp en landschap behouden blijft, omdat de structuur en karakter van de linten een bepalende opmaat vormen naar het landschap. De onbebouwde ruimten in deze linten buiten de kern kunnen volgens de structuurvisie voor incidentele nieuwbouw in aanmerking komen. Dergelijke incidentele nieuwbouw dient als aanvulling te worden beschouwd op de bestaande bebouwingsstructuur en mag geen afbreuk doen aan het karakter van het specifieke lint of plek in het landschap. Bij toevoegingen van woningen moet daarnaast worden aangesloten bij de stedenbouwkundige structuren van de omgeving. Onder andere dient afstemming te worden gezocht bij aspecten als de kavelbreedte, de voorgevelrooilijn en bebouwingskenmerken ten aanzien van nokrichting, bebouwingsmassa en hoogten. De Verlengde Oosterdiep OZ kenmerkt zich door woningbouw bestaande uit 1 bouwlaag met kap grotendeels haaks op de straat georiënteerd. De kavelbreedte aan de Verlengde Oosterdiep OZ varieert van 10 tot 30 meter. Het betreffende perceel waar de woning mag worden gebouwd heeft een breedte van 21 meter en ligt tussen bestaande woningen in een bebouwingslint. Op het perceel staat een schuur van 11 bij 11 meter met bijbehorende erfverharding/inrit. Verder staan er enkele bomen en een heg op het terrein.
Het betreft geen waardevolle plek waarbij woningbouw afbreuk zou doen aan het open karakter dan wel
C1.
A2.
B2.
C2.
A3.
zicht op het achtergelegen landschap. Woningbouw draagt in dit specifieke geval bij aan de bestaande structuur en karakter van het lint. Het perceel voldoet aan de voorwaarden van de beleidsnotitie en komt daarom in aanmerking voor het toevoegen van een woning. Dit aspect van de zienswijze leidt uitsluitend tot aanpassing van de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan. Hoofdstuk 3.1 ‘Algemene planbeschrijving’ wordt aangevuld met een omschrijving van de op het perceel aanwezige bebouwing en beplanting. Uit bodemonderzoek blijkt dat er asbest in de bodem zit. Indieners vragen zich af welke zekerheid zij hebben dat de onderzoeken bij het bouwrijp maken van het terrein (sanering of grond ontgraven) wel grondig zullen worden uitgevoerd. Er worden onvoldoende maatregelen getroffen om dit gezondheidsrisico te voorkomen. Verder onderzoek is ook nodig naar de aanwezige verontreiniging en de gezondheidsrisico’s, dan wel verdergaande waarborgen zijn nodig dat bij uitvoering van het bouwplan de grond gesaneerd wordt of wanneer de grond ontgraven wordt - dit geen gevaar zal opleveren voor omwonenden vanwege aanwezige asbest en mogelijk andere verontreinigingen.
Voorafgaand aan het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is door Sigma Bouw en Milieu een verkennend milieukundig bodemonderzoek (rapport SIGMA, 21-M9941, 27 juli 2021) verricht naar de bodemgesteldheid ter plaatse van het perceel kadastraal bekend sectie AD nummer 790. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de bovengrond een verhoogd gehalte aan minerale olie en het grondwater een verhoogde concentratie aan koper bevat. Voor beide geldt dat de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindexwaarde niet wordt overschreden waardoor geen aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Daarnaast is er in een van de boringen onder de bestrating asbesthoudend materiaal aangetroffen. Vervolgens is een aanvullend verkennend onderzoek asbest in puin (rapport Sigma, 21-M10179, 10 februari 2022) uitgevoerd. Dit onderzoek had betrekking op het met bestrating verharde terreindeel van het perceel. Uit dit onderzoek blijkt dat er asbesthoudend materiaal aanwezig is in de puinlaag onder de bestrating. De gemeten gehalten asbest bevinden zich boven de interventiewaarde. In de plantoelichting is over het asbesthoudend materiaal onder de bestrating vermeld dat deze bestrating dient te worden beschouwd als een zogenaamde asbestweg in de zin van het Besluit asbestwegen milieubeheer.
Het Besluit asbestwegen milieubeheer schrijft in artikel 2 lid 1 voor dat het verboden is een ‘asbestweg’ in bezit te hebben. Volgens artikel 2 lid 3 van dit besluit is het eerste lid van niet toepassing op een weg waarvan de eigenaar heeft aangetoond dat het asbest voor 1 juli 1993 is aangebracht en waarvan het asbest is afgeschermd door een verharding die geen asbest bevat en die voldoen aan C.R.O.W.publicatie 81, uitgave januari 1994. Er is middels fotomateriaal vanuit het kadaster aangetoond dat de verontreiniging is aangebracht voor 1993. Ook is de verontreiniging afgedekt met een klinkerverharding. Verder vermeldt de plantoelichting dat zolang de verharding intact blijft er geen actie nodig is. Bij het (deels) verwijderen van de verharding moet de verontreinigde puinlaag worden verwijderd waarbij de eigenaren van het perceel op basis van het Besluit asbestwegen milieubeheer verantwoordelijk zijn voor het nemen van maatregelen. Zij dienen bij verwijdering melding te maken bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De verontreiniging van de bodem is met de uitgevoerde bodemonderzoeken voldoende in kaart gebracht. Bij het (deels) verwijderen van de verharding ligt de verantwoordelijkheid tot het nemen van maatregelen bij de eigenaar.
Hierbij moet ervan uit worden gegaan dat de milieuregels worden nageleefd en dat de bodemverontreiniging niet tot gezondheidsrisico’s zal leiden. Dit aspect van de zienswijze leidt uitsluitend tot aanpassing van de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan. Het rapport SIGMA, projectnummer 21-M9941, 27 juli 2021 wordt als bijlage bij de toelichting gevoegd. Het bestemmingsplan maakt inkijk in de woning en tuin van indieners mogelijk. De gevellijn van de beoogde woning ligt in lijn met de gevellijn van Verlengde Oosterdiep OZ nr. 19. Gevraagd wordt om de gevellijn zo te plaatsen dat cliënten geen overlast ondervinden. Daarnaast maakt de inkijk een enorme inbreuk op de privacy. Om de privacy
B3.
C3. A4.
B4.
te beschermen wordt voorgesteld om in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen tot het aanleggen en in stand houden van een groenstrook (middels inpassingsplan). Er is aan de indieners van de zienswijze gevraagd om een nadere toelichting op de opmerking betreffende de ligging van de gevellijn. Hierbij wordt opgemerkt dat verplaatsing van de gevellijn richting de ‘Verlengde Oosterdiep OZ’ wegens overschrijding van de maximale geluidbelasting op de zijgevels van de beoogde woning niet mogelijk is. De indieners hebben aangegeven dat er begrip is voor het feit dat verplaatsing van de gevellijn i.v.m. wegverkeerslawaai lastig is. Er zijn tot zover geen bezwaren om de gevellijn in lijn te houden met nr. 19. Wel zien indieners graag de verplichting opgenomen tot het aanbrengen van een groenstrook (middels inpassingsplan) om hun privacy te waarborgen. Niet ontkend kan worden dat door de ontwikkeling van het plangebied het aanzien van het gebied zal veranderen. Inherent aan zo’n verandering is dat de belevingswaarde van de omgeving en gevoelens van privacy een verandering zullen ondergaan. Dit effect treedt op bij vrijwel elke ontwikkeling. De gemeente maakt daarom een afweging tussen het grotere algemeen belang van de ontwikkeling zelf en de belangen van de omwonenden.
In de bestaande situatie ligt er al een woning op korte, vergelijkbare afstand van de woning van indiener. Gelet hierop en de ligging van het plangebied in een bebouwingslint, zal het plan niet leiden tot onaanvaardbare aantasting van de privacy. Daarbij wordt een landschappelijk inpassingsplan normaalgesproken uitsluitend voorgeschreven bij grote ontwikkelingen (bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen) en voor zover die grenzen aan openbaar toegankelijk gebied. Er wordt dan voorgeschreven dat de zichtlijnen vanaf openbaar toegankelijk gebied (tot op zekere hoogte) worden afgeschermd. Dat is dan gekoppeld aan een beplantingsplan voor het totale perceel. In het voorliggend geval is hier geen sprake van. Het betreft een individuele woning en er wordt gevraagd om zichtlijnen vanaf een ander particulier terrein af te schermen. Gelet op bovenstaande zal de voorgestelde voorwaardelijke verplichting tot het aanleggen en in stand houden van een groenstrook niet worden opgenomen in de planregels. Dit aspect van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Indieners dreigen door het bestemmingsplan hun vrije uitzicht te verliezen. Om het vrije karakter van het perceel zoveel mogelijk te houden is aanpassing van het plan noodzakelijk.
Dit kan door het maximaal toegestane oppervlakte te verkleinen dan wel de bebouwingsmogelijkheden beter aan te laten sluiten op het perceel door het bouwvlak te verkleinen. Vooropgesteld wordt dat er niet zoiets bestaat als een recht op behoud van een vrij uitzicht. De raad heeft bij de vaststelling van een bestemmingsplan beoordelingsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad van uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De ruimtelijke situatie zoals deze is op het moment van koop, geeft geen recht dat deze situatie blijft (voort)bestaan. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat een initiatief voor bebouwing wordt ingediend welke wordt ingewilligd. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Emmen en heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen' de bestemming 'Wonen-Vrijstaand'. De op de verbeelding als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor een vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken, tuin en erven. Op de verbeelding is ook een bouwvlak aangegeven, dat de kadastrale percelen 789, 790 en 117 omvat. Binnen het bouwvlak mag volgens de bouwregels één woning worden gebouwd. Binnen dit bouwvlak is op het kadastrale perceel 117 (Verlengde Oosterdiep OZ nr. 21) al een vrijstaande woning gebouwd.
Het voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk, middels het toevoegen van een bouwvlak, dat op het kadastrale perceel 790 een vrijstaande woning wordt gebouwd. In de huidige situatie is het dus mogelijk om op het kadastrale perceel 790 bijbehorende bouwwerken te bouwen en tuin en erf aan te leggen. Zoals vermeld onder punt B1 staat er momenteel al een schuur en is er beplanting aanwezig. Daarmee is het vrije uitzicht op dit moment al beperkt. Een eventuele vermindering van uitzicht is niet dusdanig groot dat deze onaanvaardbaar is. Qua bouwregels wordt aangesloten bij de stedenbouwkundige structuren van de omgeving. Dit betekent onder andere dat de oppervlakte van de vrijstaande woning (inclusief bijbehorende bouwwerken) maximaal 250 m2 mag bedragen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 9 meter. De afstand van het hoofdgebouw tot de
C4. A5. B5.
C5.
erfgrens dient minimaal 3 meter te zijn, waarbij bijbehorende bouwwerken binnen 3 meter afstand van de erfgrens maximaal 3,5 meter hoog mogen zijn. De bouwregels zijn overeenkomstig met die van de omliggende bebouwing. Gezien de breedte en oppervlakte van de kavel is dit ruimtelijk aanvaardbaar. Dit aspect van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Planschade kan worden voorkomen door aanpassing van het plan. De door de indieners geschetste effecten betreffende privacy, woongenot en vrij uitzicht zijn niet uit te sluiten maar zijn onvermijdelijk verbonden met het in ontwikkeling brengen van het gebied. In het maatschappelijke verkeer zal eenieder binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid daarvan de gevolgen moeten aanvaarden. Slechts indien deze grenzen worden overschreden kan afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade (planschade). De Wet ruimtelijke ordening (Wro) voorziet in een regeling voor schade die ruimtelijke plannen en besluiten kunnen veroorzaken. Het gaat daarbij om inkomensderving en/of waardedaling van een onroerende zaak. Op grond van artikel 6.1 Wro kan uitsluitend sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade als de schade niet redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager behoort te komen.
Schade komt in elk geval voor rekening van de aanvrager als er sprake is van indirecte schade (schade door een wijziging in de planologische mogelijkheden op gronden van derden) en de schade het normaal maatschappelijk risico (NMR) niet overschrijdt. Daarvan is op grond van artikel 6.2 lid 2 sub b in elk geval sprake als de schade niet meer bedraagt dan 2% van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade. Concreet betekent dit dat in geval van een woning met een waarde van €300.000,- het normaal maatschappelijk risico in elk geval €6000,- bedraagt. Verder is het van belang dat de schade niet voorzienbaar was (artikel 6.3 lid 1 Wro). Het staat indieners van de zienswijze vrij om een planschadeverzoek in te dienen. Er wordt dan, conform artikel 6.4 lid 3, wel een recht geheven van €300,- om het planschadeverzoek in behandeling te nemen. Dit recht wordt verrekend met eventueel uit te keren planschade (artikel 6.4 lid 4). Dit recht wordt echter niet terugbetaald indien geen planschade wordt uitgekeerd.” Dit aspect van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
Bijlage 2 Natuurtoets
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 39
Beknopte
natuurtoets
perceel
tussen
Verlengde
Oosterdiep 19 en 21, Barger-Compascuum projectnummer: P000928 Onderwerp:
Beknopte natuurtoets perceel tussen Verlengde Oosterdiep 19 en 21, Barger-Compascuum
Datum:
09-02-2022
Inleiding KADER Initiatiefnemer is van plan een woning te bouwen op een perceel in Barger Compascuum tussen de Verlengde Oosterdiep Oostzijde 19 en 21. Hiervoor wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuur1
bescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de natuurtoets op 20 januari 2022 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren bewolkt, grotendeels droog met een enkele natte sneeuwbui, circa 3˚C en een stevige wind. PLANGEBIED EN PLANNEN Het plangebied ligt aan de Verlengde Oosterdiep Oostzijde ten noorden van Barger-Compascuum (zie figuur 1) tussen de nummers 19 en 21. Het plangebied is een verwilderde tuin (gazon, struiken). Er staat ook een kapschuur. Aan de noordzijde loopt een oprit. Opgaande beplanting bestaat onder andere uit coniferen, een wilg en berken. De kapschuur is opgebouwd uit damwandplaten en baksteen en heeft een golfplatendak. Langs de oostzijde van het plangebied is een greppel aanwezig met een klein laagje water. Het plangebied grenst in het westen aan een doorgaande provinciale weg. In het plangebied is geen permanent oppervlaktewater aanwezig. De plannen bestaan uit de bouw van een nieuwe woning op het westelijk gedeelte van het perceel, waarbij de gevellijn overeenkomt met die van overige huizen. Hiervoor wordt grond vergraven en vegetatie verwijderd. De kapschuur en een groot deel van de opgaande beplanting blijven staan. De boom in het gazon wordt verwijderd.
1
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.
Figuur 1. Locatie van het plangebied (rood). Bron kaartondergrond: www.ruimtelijkeplannen.nl
Foto’s 1 en 2. Impressie van het plangebied op 20 januari 2022. Links de toegang aan de noordzijde van het plangebied. Rechts de westzijde met de locatie waar de woning komt.
datum 09-02-2022
projectnummer P000928
2
Foto’s 3 en 4. Links zicht op de schuur en oprit vanaf het oosten. Rechts de naaldbomen ten oosten van de kapschuur.
Soortenbescherming Onderdeel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: -
alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (artikel 3.1-3.4 Wnb);
-
dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5-3.9 Wnb);
-
nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (artikel 3.103.11 Wnb).
Van deze laatstgenoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (artikel 3.11 Wnb). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in artikel 3.10 eerste lid van de Wet natuurbescherming. INVENTARISATIE 2
Uit het raadplegen van gegevens van de laatste vijf jaar in de Nationale Database Flora en Fauna
(NDFF ©3 februari 2022, 16.16 uur) blijkt dat in de directe omgeving (0-1 km) van het plangebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn. Het betreft vogels met jaarrond beschermde nesten, zoogdieren, een reptielensoort en insecten. De vegetatie in het plangebied bestaat voornamelijk uit tuinplanten, struiken, ruigtekruiden en gazon. Tijdens het veldbezoek zijn algemene gras- en plantensoorten aangetroffen, zoals gestreepte witbol,
2 De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd.
datum 09-02-2022
projectnummer P000928
3
kruipende boterbloem, bijvoet, paardenbloem, speerdistel, Jakobskruiskruid en zachte ooievaarsbek. Deze soorten duiden op voedselrijke tot zeer voedselrijke omstandigheden. Opgaande beplanting in het plangebied bestaat uit een aantal naaldbomen, een wilg en een slangenden. Uit de NDFF zijn geen beschermde plantensoorten bekend. Gezien de terreingesteldheid en voedselrijkdom zijn beschermde plantensoorten ook niet in het plangebied te verwachten. In een van de groenblijvende struiken langs de zuidelijke grens van het plangebied zijn tijdens het veldbezoek enkele roepende huismussen gehoord. In de open kapschuur zijn geen nesten aangetroffen. De kapschuur biedt voor huismus ook geen mogelijkheden om een nest in te bouwen, door de afwezigheid van geschikte ruimtes onder het dak. Geschikte nestplaatsen voor gierzwaluw, zoals ruimtes onder nokpannen, zijn in de kapschuur niet aanwezig. Nesten van broedvogels met een jaarrond beschermd nest, zoals buizerd, ransuil en sperwer, zijn niet aangetroffen in de bomen binnen het gebied. Ook zijn tijdens het veldbezoek geen andere sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals prooiresten of braakballen. Het plangebied vormt door de inrichting mogelijk een onderdeel van het foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals uit de directe omgeving bekende huismus (NDFF).
In de sloot ten oosten van het plangebied kunnen algemene watervogels, zoals wilde eend en meerkoet, tot broeden komen. In de struiken en bomen kunnen tuinvogels als merel en houtduif gaan nestelen. Nesten van algemene soorten zijn alleen tijdens de broedperiode beschermd. In de opgaande beplanting in het gebied zijn geen holtes of scheuren aangetroffen die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Ook de kapschuur is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, door het ontbreken van besloten ruimtes waar vleermuizen kunnen wegkruipen. Wel kan het plangebied onderdeel vormen van het foerageergebied van soorten als gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis die uit de omgeving van het plangebied bekend zijn (NDFF). In het plangebied zijn geen groenstroken aanwezig die een onderdeel kunnen vormen van een doorgaande structuur van opgaande beplanting die dienst kan doen als essentiële vliegroute. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor een aantal grondgebonden zoogdiersoorten, zoals de huisspitsmuis en rosse woelmuis. Voor deze soorten geldt in de provincie Drenthe een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming. In de directe omgeving van het plangebied is het voorkomen van de niet-vrijgestelde boommarter, steenmarter en otter bekend (NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van boommarter of
datum 09-02-2022
projectnummer P000928
4
steenmarter waargenomen, zoals prooiresten of uitwerpselen. Geschikte verblijfplaatsen voor steenmarter, zoals zolders van schuren of andere voor steenmarter geschikte ruimtes in bebouwing of houtstapels zijn niet aanwezig in het plangebied. Voor boommarter ontbreken geschikte bomen met holtes. Hooguit kan de steenmarter af en toe in het plangebied foerageren. Geschikt leefgebied voor otter is niet aanwezig in het plangebied door het ontbreken grote watergangen. Waarnemingen van deze en andere niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren komen grotendeels uit de natuurgebieden in de buurt van het plangebied. De sloot buiten het plangebied vormt geschikt biotoop voor enkele algemene amfibieënsoorten, zoals gewone pad en bruine kikker (NDFF). Het plangebied zelf vormt geschikt landbiotoop. Voor deze soorten geldt in de provincie Drenthe een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming. Overige niet–vrijgestelde amfibieënsoorten zijn door het ontbreken van geschikt biotoop en/of waarnemingen uit de omgeving (NDFF) niet te verwachten in het plangebied. Uit de omgeving is de reptielensoort levendbarende hagedis bekend. Voor deze soort ontbreekt in het plangebied geschikt leefgebied (zoals heide of hoogveen terreinen met zanderige plekken). Uit de omgeving is de zeldzame dagvlindersoort aardbeivlinder bekend.
Deze is voornamelijk waargenomen in het natuurgebied Berkenrode en wordt niet in het plangebied verwacht. Voor overige beschermde soorten uit de soortengroepen vissen en ongewervelden (gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker) ontbreekt geschikt leefgebied (zoals oppervlaktewater). Hierdoor kan de aanwezigheid van beschermde vissen en ongewervelden worden uitgesloten. TOETSING Als gevolg van plannen in het gebied gaan geen jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels verloren. Bij uitvoering van het plan verandert het plangebied als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, maar zal niet geheel ongeschikt worden. De nieuwe woning neemt maar een klein deel van het plangebied in beslag. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief en deels hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op andere vogels met jaarrond beschermde nesten dan huismus treden om die reden eveneens niet op. Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van algemene vogelsoorten kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan worden voorkomen door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen.
Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een
datum 09-02-2022
projectnummer P000928
5
broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Als gevolg van de plannen gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren. Het plangebied zal naar verwachting na de bouw van een woonhuis in een klein deel van het plangebied niet ongeschikt worden voor de te verwachten vleermuissoorten die regelmatig rondom bebouwing foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied treden niet op. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen tot slot enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Drenthe. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wet natuurbescherming en de provinciale structuurvisie en verordening.
WET NATUURBESCHERMING In de Wet natuurbescherming is de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wet natuurbescherming een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. NATUURNETWERK NEDERLAND EN NATUURVERBINDINGEN Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN en de bijbehorende natuurverbindingen is voor Drenthe uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018.
datum 09-02-2022
projectnummer P000928
6
INVENTARISATIE Het plangebied ligt op circa 8 km ten noorden van het dichtstbijzijnde, in kader van de Wet natuurbescherming beschermde, Natura 2000-gebied Bargerveen. Ten noordoosten van het plangebied ligt een NNN-gebied op circa 600 m afstand. TOETSING Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied Bargerveen. Hierdoor zijn in potentie effecten alleen mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Eventuele toename van stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase is op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering vrijgesteld van vergunningsplicht. Gezien de omvang van het project waarbij één enkele woning wordt gerealiseerd binnen al bestaand bebouwd gebied en de grote afstand tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen (> 8 km), wordt in de gebruiksfase zeker geen toename van stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten van Natura 2000-gebieden verwacht. Het NNN in Drenthe kent geen externe werking.
Met de uitvoering van de plannen gaat geen NNN verloren, waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten. Beschermde houtopstanden 2
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 1.000 m en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom. INVENTARISATIE EN CONCLUSIE In het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Drenthe is niet nodig. Conclusie Voor dit plan is op 20 januari 2022 een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit de NDFF van beschermde soorten in en om het plangebied geraadpleegd. Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens is een voldoende beeld van de natuurwaarden in het gebied verkregen om de toetsing aan de Wet natuurbescherming op te baseren. Negatieve effecten
datum 09-02-2022
projectnummer P000928
7
op beschermde soorten kunnen worden uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor soorten is niet nodig. Bij de werkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Een nadere analyse in het kader van de gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening.
datum 09-02-2022
projectnummer P000928
8
Bijlage 3 Bodemonderzoek 21-M9941
48 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 www.sigma-bm.nl E-mail info@sigma-bm.nl
juli ’21
Onderwerp:
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Verlengde Oosterdiep O.Z. perceel sectie AD nr. 790 te Barger-Compascuum
Projectnummer:
21-M9941
Opdrachtgever:
mevr. K. Aalderink
Datum:
27 juli 2021
0
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Verlengde Oosterdiep O.Z. perceel sectie AD nr. 790 te Barger-Compascuum
onderwerp
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Verlengde Oosterdiep O.Z. perceel sectie AD nr. 790 te Barger-Compascuum
datum
27 juli 2021
projectnummer
21-M9941
in opdracht van
mevr. K. Aalderink Splitting 9 7826 CN Emmen
uitgevoerd door
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128 fax:(0591) 659325
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.
juli ’21
1
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Verlengde Oosterdiep O.Z. perceel sectie AD nr. 790 te Barger-Compascuum
Inhoudsopgave 1
2
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1
Algemeen................................................................................................................................. 3
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................... 3
1.3
Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 3
1.4
Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................ 4
1.5
Opbouw van het rapport .......................................................................................................... 4
VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1
3
4
Hypothese en onderzoeksstrategie ....................................................................................... 13
VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 14 3.1
Uitvoering van het veldonderzoek ......................................................................................... 14
3.2
Resultaten van het veldonderzoek ........................................................................................ 15
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 17 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ..................................................... 17
4.2
Toetsingscriteria .................................................................................................................... 18
4.3
Analyseresultaten en interpretatie ......................................................................................... 19