Bijlage 2 Bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21
Tekst van het document
Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan 1.2 Ligging plangebied 1.3 Huidige planologische regelingen 1.4 Opzet bestemmingsplan 1.5 Overzicht verricht onderzoek
5 5 5 6 7 7
Hoofdstuk2 Beleid 2.1 Gemeentelijk beleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Rijksbeleid 2.4 Conclusie
8 8 11 13 13
Hoofdstuk3 Planbeschrijving en Stedenbouwkundige structuur 3.1 Algemene planbeschrijving 3.2 Stedenbouwkundige hoofdstructuur
14 14 14
Hoofdstuk4 Onderzoeken 4.1 Archeologie en monumenten 4.2 Ecologie 4.3 Fysieke veiligheid 4.4 Milieu 4.5 Waterparagraaf
15 15 16 19 20 23
Hoofdstuk5 Toelichting op de planregels en verbeelding 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels 5.4 Handhaving
25 25 25 25 30
Hoofdstuk6 Maatschappelijke betrokkenheid 6.1 Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro en zienswijzen 6.2 Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan
31 31 31
Hoofdstuk7
32
Economische uitvoerbaarheid
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Nota van beantwoording zienswijze Bijlage 2 Natuurtoets Bijlage 3 Bodemonderzoek 21-M9941 Bijlage 4 Bodemonderzoek 21-M10179 Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6 Besluit hogere grenswaarde Bijlage 7 Wateradvies Bijlage 8 Nota van beantwoording
33 34 39 48 102 167 200 206 213
Regels
221
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
222 222 227
Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
228
2 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Artikel 3
Wonen - Vrijstaand
228
Hoofdstuk3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
231 231 232 233 234 236 237
Hoofdstuk4 Artikel 10 Artikel 11
Overgangs- en slotregels overgangsrecht slotregel
238 238 239
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 3
4 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan
Verzocht is medewerking te verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen'' voor een perceel aan het Verlengde Oosterdiep OZ tussen nummers 19 en 21 te Barger-Compascuum. De locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen – Vrijstaand' inclusief een bouwvlak. Binnen het bouwvlak is er één woning toegestaan. De woning aan het Verlengde Oosterdiep OZ 21 is al binnen dit bouwvlak opgericht. Het bouwen van een tweede vrijstaande woning is derhalve niet toegestaan. Door toevoeging van een bouwvlak maakt voorliggend bestemmingsplan het mogelijk om op de het perceel, kadastraal bekend AD 790, een vrijstaande woning te bouwen.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied van het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 ligt aan het Verlengde Oosterdiep OZ tussen nummer 19 en 21 te Barger-Compascuum. Het wordt globaal begrensd door woonbebouwing in het noorden en zuiden, akkerland in het oosten en het kanaal Verlengde Oosterdiep en straat Verlengde Oosterdiep OZ in het westen (zie figuur).
Figuur 1.1: De ligging van het plangebied Emmen Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 in de gemeente Emmen.
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 5
Figuur 1.2: Indicatie begrenzing plangebied.
1.3
Huidige planologische regelingen
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Emmen en heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen' de bestemming 'Wonen-Vrijstaand'. De op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor een vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken, tuin en erven. Op het plangebied ligt ook een bouwvlak,en er is per bouwvlak één woning toegestaan. In dit bouwvlak is al een vrijstaande woning gebouwd, namelijk de woning aan de Verlengde Oosterdiep OZ nr. 21. Voor de realisatie van een tweede vrijstaande woning ten noorden van Verlengde Oosterdiep OZ nr. 21 is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van een bouwvlak.
6 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Figuur 1.3: huidige planologische regeling
Bij het van kracht worden van het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 verliest het bestemmingsplan 'Emmen,Buitengebied' voor zover zij valt binnen het plangebied, rechtskracht het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 vervangt het genoemde plan.
1.4
Opzet bestemmingsplan
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding worden de percelen in het gebied aangegeven met bestemming dan wel een aanduiding. In de regels worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het plangebied geregeld. Tot slot wordt in de toelichting een verantwoording gegeven van de in het plan gemaakte keuzes.
1.5
Overzicht verricht onderzoek
Ter voorbereiding van het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 zijn diverse onderzoeken verricht en adviezen gegeven. Daarnaast is er informatie gebruikt uit onderzoeken en adviezen die in een ander kader zijn uitgevoerd. De conclusies uit de onderzoeken en adviezen zijn verwerkt in de toelichting. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan zijn de volgende onderzoeken verricht: Natuurtoets Akoestisch onderzoek Bodemonderzoek Watertoets
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 7
Hoofdstuk 2
Beleid
2.1
Gemeentelijk beleid
2.1.1
Structuurvisie gemeente Emmen 2020, veelzijdigheid troef
Structuurvisie Emmen 2020, Veelzijdigheid Troef, is 24 september 2009 vastgesteld door de raad. Het document is opgesteld als ruimtelijke vertaling van de ambities gesteld in de Strategienota Emmen 2020, vastgesteld in de raadsvergadering van september 2001. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen weer. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke structuur van 2020 geschetst aan de hand van een aantal thema's, te weten landschap, duurzaamheid, verkeer, werken, wonen, voorzieningen en veiligheid. Voor ieder thema is een hoofdkoers bepaald. Voor het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 is vooral het thema wonen van belang. De Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef, richt zich op een accentverschuiving van kwantiteit naar kwaliteit en differentiatie van woonmilieus: De opgave ligt er om de woningvoorraad in lijn te brengen en te houden met de woonwensen van huidige én toekomstige inwoners. Naast een kwaliteitsimpuls van de bestaande woningen wordt ingezet op wervende woonmilieus. Om ervoor te zorgen dat de woningmarkt op orde blijft, is een continue aanpassing aan de veranderende vraag geboden. Dit geldt niet alleen voor de kern van Emmen, maar ook voor de dorpen. Zo ontstaat op termijn een cyclische vernieuwing van de bestaande woongebieden. 2.1.2
Woonbeleid
De Woonvisie 2018-2023 richt zich op een nieuwbouwopgave passend bij de kwalitatieve behoefte en aanvullend op de bestaande voorraad. Daarbij moet de bestaande woningvoorraad beter benut worden. In de Woonvisie is een strategie opgenomen voor woningbouw: 1. Woningbouwinitiatieven worden niet individueel, maar in samenhang bekeken. 2. Prioriteit wordt gegeven aan plannen voor herstructurering en transformatie. 3. Bij het maken van de woon- en leefbaarheidsvisies voor dorpen en wijken komen plekken naar voren waar inbreiding (verdichting) mogelijk en gewenst is. 4. Bestaande uitbreidingslocaties worden afgerond. 5. Woningbouwplannen dragen bij aan een gevarieerd woonmilieu (ruimte bieden aan plannen die een nichemarkt bedienen en aan kleinschalige experimentele, innovatieve en duurzame woonvormen). 6. Woningbouwplannen dragen bij aan ruimtelijke kwaliteit. De Woonvisie geeft voor het deelgebied De Blokken (waar Barger-Compascuum binnen valt) tussen 2021 en 2026 een netto groei met 15-30 woningen op de woningvoorraad. Vanuit het woonbeleid wordt het bouwen in de linten begrensd. Tussen 2018 en 2028 is er ruimte voor de bouw van maximaal 50 woningen. In de beleidsnotitie Bouwen in de linten staat beschreven waar gebouwd mag worden. 2.1.3
Beleidsnotitie "Bouwen in de linten"
De gemeenteraad heeft op 14 december 2017 de beleidsnotitie Bouwen in de linten vastgesteld. De beleidsnotitie geeft het onderzoek weer naar de ruimtelijke kaders en criteria die bij de beoordeling van verzoeken tot incidentele woningbouw in de linten moeten worden gehanteerd. In de beleidsnotitie is een balans gezocht tussen het incidenteel toevoegen van woningen enerzijds en het behoud van de waarde en karakteristiek van het landschap anderzijds. Het doel van de beleidsnotitie Bouwen in de linten is het verkrijgen van een helder ruimtelijk kader voor het toetsen van nieuwe aanvragen voor het bouwen van woningen binnen lintbebouwingen in de gemeente Emmen. In de beleidsnotitie zijn ruimtelijke criteria verwoord. Bij de ruimtelijke ontwikkeling van de linten dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de kernen, en anderzijds het belang van het landschap. In de eerste plaats is bepaald wat de begrenzingen van de kernen zijn en wat de linten binnen en buiten 8 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
de kernen zijn. Als vervolgstap is voor de linten buiten de kernen bepaald welke delen onlosmakelijk met het landschap zijn verbonden en welke delen met de kern zijn verbonden. De linten kunnen worden onderverdeeld in 'landschapsgerelateerde linten', 'dorpsgerelateerde linten' en 'lint binnen kern'. Op de kaart 'Ontwikkeling lintbebouwing' behorende bij de beleidsnotitie Bouwen in de linten is de betreffende kavel nader aangeduid als 'Zone structuurvisie Vaarverbinding Erica-Ter Apel'. Zie ook onderstaande afbeelding. Dit zijn linten waar op basis van de Structuurvisie “Vaarverbinding Erica Ter Apel” (hierna structuurvisie) reguliere woonbebouwing mogelijk is, waar dat op basis van de beleidsnotitie Bouwen in de Linten niet het geval is. De onbebouwde ruimten in deze linten buiten de kern kunnen volgens de structuurvisie voor incidentele nieuwbouw in aanmerking komen. Dergelijke incidentele nieuwbouw dienen als aanvulling te worden beschouwd op de bestaande bebouwingsstructuur en mogen geen afbreuk doen aan het karakter van het specifieke lint of plek in het landschap. Bij toevoegingen van woningen moet daarnaast worden aangesloten bij de stedenbouwkundige structuren van de omgeving. Onder andere dient afstemming te worden gezocht bij aspecten als de kavelbreedte, de voorgevelrooilijn en bebouwingskenmerken ten aanzien van nokrichting, bebouwingsmassa en hoogten.
Geconcludeerd wordt dat in dit geval woningbouw geen afbreuk doet aan het karakter van het lint of plek in het landschap, gelet op de aanwezige bestaande woningen en gebouwen. Er is geen sprake van een waardevolle plek waarbij afbreuk zou worden gedaan aan het open karakter dan wel zicht op het achtergelegen landschap. De kavel is gelegen tussen bestaande woningen aan de Verlengde Oosterdiep OZ.
Figuur 2.1: Uitsnede kaart 'Ontwikkeling lintbebouwing'.
2.1.4
Cultuurhistorie en ruimtelijke waardenkaart
De Ruimtelijke Waardenkaart (Bosch & Slabbers, 2008) belicht de aardkundige, archeologische, ecologische, hydrologische, cultuurhistorische en de landschappelijke waarden, evenals de monumenten van het buitengebied van de gemeente Emmen. De kaart is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan buitengebied, hierdoor ligt het accent op de waarden in buitengebied, maar komen de in het onderliggende waarden in de kernen ook aanbod. Om erfgoed nog beter te verankeren in het ruimtelijke beleid voor de woon- en leefomgeving, is de Cultuurhistorische Waardenkaart Emmen opgesteld. Dit is een inventarisatie en waardering van de cultuurhistorische waarden en bestaat uit een beleidskaart, bronnenkaart en een toelichtende bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 9
rapportage. Ook is er aandacht voor immaterieel erfgoed. Aansluitend is een beleidsnota geschreven: Erfgoednota Emmen 2017-2022. De Cultuurhistorische Waardenkaart en Erfgoednota 2017-2022 zijn op 28 september 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. De beleidskaart voor cultuurhistorie geeft de vertaling naar het beschermingsregime voor 3 categorieën erfgoed: - Monumenten (rijk, provincie en gemeente) en bomen van de gemeentelijke bomenlijst, - Cultuurhistorisch waardevolle gebieden, wijken en (groen)structuren, - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, objecten en plekken. Afhankelijk van de waarde van het monument, ensemble, of object, wordt er ingezet op bescherming (bijvoorbeeld voor aangewezen monumenten), herkenbaar houden (van de waardevolle historische en ruimtelijke structuur en samenhang van een ensemble, zoals bijvoorbeeld een bebouwingslint), of respecteren en 'rekening houden met' (voor objecten of afzonderlijke plekken met een cultuurhistorische waarde). Situatie voor het plangebied De lintstructuur van het plangebied behoort volgens de cultuurhistorische waardenkaart tot stedenbouwkundige gebieden en structuren van hoge cultuurhistorische waarde. Het regime is gericht op het herkenbaar houden van deze historische en ruimtelijke structuur en samenhang.
Figuur 2.2: uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart.
2.1.5
Welstandsbeleid
De welstandsnota 2016, gemeente Emmen is opgesteld uitgaande van het motto: “Loslaten van kan, regelen wat ertoe doet”. De gemeente hecht waarde aan de omgevingskwaliteit, en ziet daarbij onderscheid tussen de verschillende gebieden die de gemeente rijk is. Niet ieder gebied vraagt om dezelfde benadering. De welstandsnota 2016 kent drie welstandsniveaus: welstandsvrij, welstandsluw en welstandsniveau hoog. Voor een aantal gebieden is de ambitie naar beneden bijgesteld ,waardoor welstandsvrije gebieden zijn toegenomen. Het niveau welstandsluw is geïntroduceerd. In de luwe gebieden wordt op een aantal basale aspecten van welstand gestuurd en wordt afstand genomen van gedetailleerde beoordelingen. Daarnaast moeten gebieden die van meer waarde zijn - niveau hoog – goed beschermd blijven. Deze gebieden leveren een belangrijke bijdrage aan de identiteit van Emmen. Voornamelijk zijn dit de centra van dorpen, wijken en de beschermde dorpsgezichten. Voor deze gebieden geldt een hoog ambitieniveau. Het gemeentebestuur beoogt met deze nota een dynamische welstand in Emmen, waarbinnen ruimte is voor dialoog en “kwalitatief herstel” met de samenleving. Het bestemmingsplan en de welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het bestemmingsplan geeft aan wat, hoeveel, in welke vorm en waar er gebouwd mag worden.
Het welstandsbeleid geeft aan hoe het gebouw er uit mag komen te zien. Dit wil zeggen dat het 10 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
welstandsbeleid moet voorkomen dat er gebouwen gebouwd worden die afbreuk doen aan de omgeving. Het plangebied is gelegen in een gebied waarvoor het welstandsniveau 'luw' geldt. Het welstandsbeleid in deze gebieden richt zich met name op de voorkanten van bouwwerken en bouwblokken en het aanzicht op deze bebouwing vanuit de openbare ruimte. Het beleid is alleen op hoofdzaken gericht en niet op details. 2.1.6
Integrale parkeervisie
In oktober 2017 heeft de gemeenteraad van Emmen de "Integrale parkeervisie gemeente Emmen" vastgesteld. Deze visie vervangt de parkeernota van 2010. De visie is het kader voor het bepalen van de parkeeropgave bij fysieke ontwikkelingen op alle niveaus. Het is een leidraad voor het beoordelen van de parkeeropgave van stedenbouwkundige visies & plannen voor (her-)ontwikkeling van de fysieke leefomgeving en is ook het kader dat invulling geeft aan het begrip “voldoende parkeer- of stallingsruimte dan wel voldoende laad- of losruimte in bestaande en op ontwikkeling gerichte nieuwe bestemmingsplannen. De visie bevat ten aanzien van de hoeveelheid parkvoorzieningen en het aantal los- en laadplaatsen het beoordelingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en- of wijzigen gebruik. Voor toekomstige (nieuwbouw)ontwikkelingen is in de parkeervisie de landelijke richtlijnen van het CROW leidraad. Uitgangspunt blijft in beginsel voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Als dit niet kan, kan eventueel teruggevallen worden op parkeren in de openbare ruimte, waarvoor aan de gemeente een afkoopsom wordt betaald. Op de kavel is voldoende ruimte om te parkeren op eigen terrein.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie Drenthe 2018
De Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. Als in de tekst wordt gesproken over ‘lange termijn’, betreft het de periode na 2030. De Omgevingsvisie heeft voor de provincie vooral een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is. Missie De missie van de provincie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten. Deze missie is ingegeven door wat inwoners, medeoverheden en maatschappelijke partners belangrijk vinden voor de toekomst van Drenthe. De kernkwaliteiten zijn samen met partners en de inwoners van Drenthe benoemd, te weten landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Kernkwaliteiten De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe.
Samen met vertegenwoordigers van overheden, belangengroepen, marktpartijen en inwoners heeft de provincie de volgende kernkwaliteiten van Drenthe benoemd : rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 11
hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar meer concrete indicatoren gemaakt, namelijk landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Zorgvuldig Ruimtegebruik In Drenthe kunnen mensen nog ruimte beleven. Dat wil de provincie bewaken, ook wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn. Zorgvuldig ruimtegebruik is van provinciaal belang. Milieu- en leefomgevingskwaliteit De provincie streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier. Het beschermen van de kwaliteit van milieu en leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van de verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn daarmee van provinciaal belang. Kaarten en doelstellingen Op kaarten behorende bij de Omgevingsvisie Drenthe zijn de kernkwaliteiten nader weergegeven. Op een aantal kaarten (wanneer relevant) is het plangebied als volgt aangeduid: Landschap Het plangebied is gelegen binnen het landschap van de veenkoloniën.
Van provinciaal belang is de orthogonale samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen. Cultuurhistorie Het beleid van de provincie Drenthe ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in de beleidsnota Cultuurhistorisch Kompas Drenthe. Het plangebied is gelegen binnen het gebied Emmen en haar venen. Het generieke beleid 'respecteren' is van toepassing. Het is bedoeld om de cultuurhistorische samenhang, zoals die is vastgelegd in de hoofdstructuur, te borgen. De ambitie voor de Veenkoloniën richt zich specifiek op het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing. Archeologie De inhoudelijke kaart Archeologie geeft een overzicht van de archeologische waarden en verwachtingen die de provincie van provinciaal belang achten. In gebieden of terreinen met een archeologische verwachting op de archeologiekaarten, wordt gestuurd op een goede uitvoering van archeologisch onderzoek. Niet voor alle bodemingrepen is archeologisch onderzoek vereist. Dit hangt af van de omvang en aard van de ingreep, de waarde/verwachting van de locatie en het vrijstellingenbeleid zoals dat is uitgewerkt in de gemeentelijke archeologiekaarten.
Aardkundige waarden Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de provincie behouden en, waar mogelijk, herstellen. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteit aardkundige waarden. De provincie wil inhoud geven aan ruimtelijke kwaliteit, om de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe te behouden en te versterken. Het doel is de archiefwaarde van de bodem te behouden en de landvormen, die karakteristiek zijn voor het Drentse landschap, te behouden en te versterken, als onderdeel van de kernkwaliteit oorspronkelijkheid. Het plangebied is gelegen binnen een gebied met een generiek beschermingsniveau voor aardkundige waarden. In deze gebieden wil de provincie de lokale, aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaren. 2.2.2
Provinciale omgevingsverordening
Provinciale Staten van Drenthe hebben de Provinciale omgevingsverordening Drenthe (POV) vastgesteld. Het plangebied is volgens de kaart D1 'Bestaand stedelijk gebied' gelegen buiten 'Bestaand Stedelijk Gebied'.
12 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Onder bepaalde voorwaarden biedt Provincie Drenthe ruimte aan het toevoegen van een incidentele woning buiten bestaand stedelijk gebied (artikel 2.17 lid 2 onder b van de POV). Het plangebied is gelegen tussen bestaande woningen (bebouwingslint) aan de Verlengde Oosterdiep OZ. Er is geen sprake van een waardevolle plek waarbij door woningbouw afbreuk zou worden gedaan aan het open karakter dan wel zicht op het achtergelegen landschap. Bij toevoegingen van woningen op deze locatie wordt er op basis van de beleidsnotitie 'Bouwen in de linten' aangesloten bij de stedenbouwkundige structuren van de omgeving. Onder andere dient afstemming te worden gezocht bij aspecten als de kavelbreedte, de voorgevelrooilijn en bebouwingskenmerken ten aanzien van nokrichting, bebouwingsmassa en hoogten. Het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie (zie paragraaf 2.1.2). Het plan is in overeenstemming met artikel 2.17 lid 2 van de POV.
2.3
Rijksbeleid
2.3.1
Ruimtelijk beleid
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 van kracht geworden. Onderdeel van deze structuurvisie is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Met de structuurvisie kiest het rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Voor Emmen zijn in de SVIR geen onderwerpen opgenomen die aangemerkt worden als nationaal belang. In de Barro zijn alleen de zaken betreffende defensie en kernkwaliteiten van toepassing. Echter deze zaken hebben geen directe invloed op de inrichting van het plangebied.
2.4
Conclusie
De conclusie van de in dit bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 beschreven beleidsuitgangspunten is dat het rijksbeleid niet direct door werkt in het plangebied. Hierdoor is het bestemmingsplan niet in strijd met het rijksbeleid. Het rijksbeleid werkt indirect door via het provinciaal beleid. Het provinciaal beleid vormt op zijn beurt weer de input voor het gemeentelijk beleid. Voor het voorliggende bestemmingsplan kan eveneens geconcludeerd worden dat het plan passend is in het provinciale en gemeentelijke beleid.
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 13
Hoofdstuk 3 structuur 3.1
Planbeschrijving en Stedenbouwkundige
Algemene planbeschrijving
Er is een verzoek ingediend voor het wijzigen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen' voor een kavel aan de Verlengde Oosterdiep OZ tussen huisnummer 19 en 21. Het voornemen is om op deze kavel een vrijstaande woning te realiseren. De kavel heeft in het huidige bestemmingsplan de bestemming 'Wonen – Vrijstaand'. Op de kavel is een bouwvlak gelegen. Per bouwvlak is echter één woning toegestaan waardoor het bouwen van een tweede vrijstaande woning niet mogelijk is. Voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk om op de kavel een vrijstaande woning toe te voegen.
3.2
Stedenbouwkundige hoofdstructuur
De Verlengde Oosterdiep OZ kenmerkt zich tot woningbouw bestaande uit 1 bouwlaag met kap grotendeels haaks op de straat georiënteerd. De kavelbreedte varieert aan de Verlengde Oosterdiep OZ van 10 tot 30 meter. Het betreffende perceel waar de woning mag worden gebouwd heeft een breedte van 21 meter en ligt tussen bestaande woningen in een bebouwingslint. Op het perceel staat een schuur van 11 bij 11 meter met bijbehorende erfverharding/inrit. Verder staan er enkele bomen en een heg op het terrein. Gelet op de aanwezige straat- en bebouwingsbeeld doet woningbouw op deze locatie geen afbreuk aan het karakter van het lint of plek in het landschap. Er is geen sprake van een waardevolle plek waarbij woningbuw afbreuk zou doen aan het open karakter dan wel zicht op het achtergelegen landschap. Woningbouw draagt in dit specifieke geval bij aan de bestaande structuur en karakter van het lint en is passend binnen de bebouwingsstructuur van het gebied.
Figuur 3.1: een beeld van de huidige situatie op het perceel.
Qua maatvoering en omvang van de woning (nokrichting, goot- en bouwhoogte, oppervlakte voor de woning en de bijgebouwen) wordt aangesloten bij de bebouwingskenmerken van dit lint. De bouwregels voor vrijstaande woningen uit het bestemmingsplan Buitengebied Emmen worden overgenomen. Om enigszins afstand te houden van de weg komt de voorgevel van de nieuwe woning in lijn te liggen met de gevellijn van Verlengde Oosterdiep OZ nummer 19. Het gewenste plan is ruimtelijk aanvaardbaar voor deze locatie.
14 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Hoofdstuk 4
Onderzoeken
4.1
Archeologie en monumenten
4.1.1
Algemeen
De gemeente Emmen heeft archeologie beleid vastgesteld, d.d. 30 mei 2013. Hiervoor is een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt met daarbij een rapport, dit rapport dient als toelichting op de kaart. Het doel van deze documenten is om aan te geven wat de kern vormt van het archeologie beleid en waar de beleidskeuzen zijn gemaakt. De verschillende archeologische waarden, verwachtingen en de maatregelen die daaraan zijn gekoppeld zijn in gemeentelijk archeologische beleidsadvieskaart vertaald naar diverse categorieën "Waarde - Archeologie" in het bestemmingsplan. Met de vertaling is op eenvoudige wijze voor het gehele gebied van de gemeente Emmen in beeld gebracht of archeologische waarden in het geding zijn of kunnen zijn en zo ja, op welke manier daarmee dient te worden omgegaan, tabel 1 geeft de onderverdeling van de gemaakte categorieën weer.
Tabel 1: Onderverdeling van archeologische waarden.
Deze beleidskeuzes zijn vertaald in dubbelbestemmingen. Per archeologische kwaliteit zijn planregels opgenomen voor de te bebouwen oppervlakte en een omgevingsvergunningsstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. De maatvoering voor afwijking is afhankelijk van de te verwachten waarden of verwachtingen en de uitkomsten van archeologisch onderzoek. 4.1.2
Archeologische waarden in het plangebied
Het plangebied Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 is volgens de beleidskaart gelegen in een gebied met een lage archeologische waarde/verwachting. Figuur 4.1 is een uitsnede van de beleidskaart.
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 15
figuur 4.1: Uitsnede archeologische beleidskaart: globale ligging plangebied aangeduid met rode ster.
Gebieden met lage archeologische waarde/verwachting zijn gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen klein wordt geacht. Dit kan zijn vanwege de bodemkundige opbouw, een lage dichtheid van archeologische resten/sporen of vanwege bodemverstorende activiteiten naderhand zoals ontginningen. Het betreft met name de ontgonnen veengebieden die in het verleden laag waren gelegen en een hoge grondwaterstand kenden. Er is hier geen sprake van concreet aanwijsbare vindplaatsen en de kans op het aantreffen van sporen en vondsten is klein. Deze gebieden zijn vrijgesteld voor archeologisch onderzoek. Binnen het plangebied liggen geen (beschermde) archeologisch monumenten. Ook ligt 50 meter buiten het plangebied geen archeologisch monument 4.1.2.1 Conclusie Het plangebied is gelegen in een gebied met een lage verwachting van archeologische waarden. Deze gebieden zijn vrijgesteld voor archeologisch onderzoek.
4.2
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voorheen Ecologische Hoofdstructuur- is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.
Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De 16 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor de provincie Drenthe uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening. Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten. Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplanting- of rustplaatsen van dieren, dan wel ontworteling of vernieling van plantensoorten; er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode.
Houtopstanden In de Wnb is de bescherming van houtopstanden buiten de, door de gemeenteraad vastgestelde, bebouwde kom geregeld. Doel is de instandhouding van het bosareaal. In de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Drenthe is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Bomenverordening gemeente Emmen 2011. In het bijbehorende bomenregister zijn de monumentale en waardevolle bomen en waardevolle houtopstanden vastgelegd. Zonder ontheffing is het verboden deze te kappen. 4.2.1
Natuurwaarden in of nabij het plangebied
Ten behoeve van de uitvoering van het plan is door het bureau Bügel Hajema een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Deze natuurtoets is in Bijlage 2 opgenomen. Uit de natuurtoets blijkt het volgende: Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied Bargerveen. Hierdoor zijn in potentie effecten alleen mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Eventuele toename van stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase is op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering vrijgesteld van vergunningsplicht. Gezien de omvang van het project waarbij één enkele woning wordt gerealiseerd binnen al bestaand bebouwd gebied en de grote afstand tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen (> 8 km), wordt in de gebruiksfase zeker geen toename van stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten van Natura 2000-gebieden verwacht. Het NNN in Drenthe kent geen externe werking.
Met de uitvoering van de plannen gaat geen NNN verloren, waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten Soortenbescherming Als gevolg van plannen in het plangebied gaan geen jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels verloren. Bij uitvoering van het plan verandert het plangebied als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, maar zal niet geheel ongeschikt worden. De nieuwe woning neemt maar een klein deel van het plangebied in beslag. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief en deels hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op andere vogels met jaarrond beschermde nesten dan huismus treden om die reden eveneens niet op. Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van algemene vogelsoorten kunnen worden bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 17
verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan worden voorkomen door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Als gevolg van de plannen gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren. Het plangebied zal naar verwachting na de bouw van een woonhuis in een klein deel van het plangebied niet ongeschikt worden voor de te verwachten vleermuissoorten die regelmatig rondom bebouwing foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied treden niet op. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen tot slot enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Drenthe. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.
Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Houtopstanden In het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig. 4.2.2
Conclusie
Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen worden uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor soorten is niet nodig. Bij de werkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Een nadere analyse in het kader van de gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig.
Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening Ten slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Daarbij geldt voor alle bouwactiviteiten dat er voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden, waardoor: de aanvang van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot begin augustus) dient plaats te vinden; een week voor de werkzaamheden beginnen, het plangebied kort gemaaid dient te worden, zodat het plangebied ongeschikt wordt voor kleine zoogdieren en ze de kans krijgen om te vluchten; (wortel)schade aan de (oude) bomen wordt voorkomen en geen graafwerkzaamheden binnen de kroonprojectie van deze oude bomen kan plaatsvinden.
18 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
4.3
Fysieke veiligheid
Rijksoverheid stelt risiconormen op het gebied van veiligheid aan inrichtingen, ter bescherming van de omgeving. Naast de wet- en regelgeving mogen gemeenten invulling geven aan een eigen veiligheidsvisie. In de Beleidsnota externe veiligheid gemeente Emmen (april 2013) geeft de gemeente Emmen invulling aan deze beleidsruimte. In de gemeentelijke beleidsnota Externe Veiligheid zijn de ruimtelijke uitgangspunten van de structuurvisie verder uitgewerkt. In de Beleidsnota externe veiligheid heeft de gemeente Emmen gekozen voor een gebiedsgerichte benadering voor de vestiging van risicovolle activiteiten. Tevens is in het beleid een afwegingskader bij concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten om de kwetsbaarheid van een object of activiteit die niet rechtstreeks onder de begripsbepaling van het Bevi valt bepaald te beoordelen. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met deze nota externe veiligheid. Vanuit de Veiligheidsregio Drenthe en RUD Drenthe is richting gegeven aan het beoogde veiligheidsniveau van de gebouwen in en rondom het plangebied van het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21.
Hierbij is getoetst aan bestaande regelgeving en normen voor (externe) veiligheid, bereikbaarheid, bluswatervoorziening, repressieve dekking en alarmsystemen welke onderdeel zijn van de veiligheidsketen. 4.3.1
Fysieke veiligheidssituatie
4.3.1.1 Risicobronnen binnen en buiten het plangebied Het plangebied en de omgeving is geïnventariseerd op de aanwezigheid van zogenoemde Bevi-bedrijven. Er zijn binnen en in de nabijheid van het plangebied geen Bevi-bedrijven gelegen. 4.3.1.2 Buisleidingen Het plangebied en de omgeving is geïnventariseerd op de aanwezigheid van buisleidingen. Er zijn binnen en in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen gelegen. 4.3.1.3 Route gevaarlijke stoffen en hoogspanningslijnen Er bevinden zich in nabijheid van het plangebied geen transportroutes van gevaarlijke stoffen en ook geen hoogspanningslijnen. 4.3.1.4 Conclusie In het kader van regelgeving in relatie tot externe veiligheid gelden voor dit bestemmingsplan geen belemmeringen. 4.3.2
Gegevens ten behoeve van nadere inrichting en ontwikkeling in het plangebied
Zodra plannen ontwikkeld worden dient de brandweer in een vroeg stadium bij de plannen betrokken te worden om op basis van het beoogde veiligheidsniveau een advies te kunnen uitbrengen. Hiervoor zijn de volgende zaken van belang: 1. Voor het bestrijden van een brand is de brandweer afhankelijk van een goede bluswatervoorziening. Conform de Wet op de Veiligheidsregio moet een gemeente zorgen voor een openbare bluswatervoorziening. Bij locaties waar geen toereikende openbare bluswatervoorziening kan worden aangelegd, zal de eigenaar moeten zorgen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening in overleg met de brandweer. Vanaf 1 januari 2014 maakt de brandweer gebruik van tankautospuiten en tankwagens, aangevuld met vulpunten voor de tankwagens als primaire bluswatervoorziening. Voor het plangbied is het gezien de nabijheid van een bluswatervoorziening niet vereist om aanvullende voorzieningen aan te brengen. 2. Op grond van de Wet op de veiligheidsregio (okt. 2010) is de Veiligheidsregio Drenthe, in geval van calamiteit, verantwoordelijk voor het waarschuwen en alarmeren van de bevolking door middel van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem. Als gevolg van deze taak zijn binnen de gemeente sirenes geplaatst op een zodanige wijze dat een optimale dekking gerealiseerd is binnen de gemeente.
Er kan gesteld worden dat het plangebied buiten de dekking van het WAS-stelsel gelegen is. Dit is in dit geval ook conform de HAVOS. bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 19
3. Het is belangrijk dat in geval van calamiteiten hulpverleningsdiensten direct ter plaatse kunnen komen en zonder afwegingen hulp kunnen verlenen. Om die reden dienen alle objecten in het plangebied via twee onafhankelijke wegen bereikbaar te zijn voor de hulpverleningsdiensten. Het gebied voldoet aan deze vereisten. 4. De brandweer adviseert de initiatiefnemers te informeren over de brandveiligheidsmaatregelen. Denk hierbij aan de BIObiz factoren: a. Bouwkundige voorzieningen, eventueel toepassen van een brandwerende scheiding tussen garage en woning. b. Installatietechnische voorzieningen, toepassen van woningrookmelders conform bouwregelgeving en afschakelbare ventilatie c. Organisatorische voorzieningen, vluchtplan die de bewoners zelf opstellen en beoefenen d. brandweeropkomsttijd, geen verkeersbelemmerende maatregelen zoals drempels in wegen toe passen. e. Inventaris, toepassen van moeilijk brandbaar materiaal f. zelfredzaamheid van de aanwezigen, geoefend zijn in het vluchten onder niet zichtbare omstandigheden. Er zijn geen maatregelen van toepassing i.h.k.v. groepsrisico, vanwege het niet aanwezig zijn van dat soort risicobronnen.
4.4
Milieu
4.4.1
Vormvrije m.e.r.
In het Besluit m.e.r. zijn drempelwaarden opgenomen voor wanneer er een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Sinds de wijziging van het Besluit op 1 april 2011 is een beoordeling van een activiteit die op de D-lijst van het Besluit m.e.r. voorkomt noodzakelijk, ook al ligt de omvang van de activiteit (ver) onder de drempelwaarde. De toevoeging van een vrijstaande woning is gezien de geringe omvang van de voorziene bebouwing niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, categorie 11.2 van onderdeel D. In voorliggend bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 komen daarom geen activiteiten voor die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Vanwege de afwezigheid van die activiteit(en) hoeft geen vormvrije m.e.r. -beoordeling plaats te vinden. 4.4.2
Bedrijven en milieuzonering
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt vergt de bedrijvigheid in het plangebied een goede afstemming met de andere, in de omgeving aanwezige functies. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is in het plangebied een inventarisatie geweest van de aanwezige bedrijven en nagedacht over de bedrijfsactiviteiten die toelaatbaar zijn in het plangebied. 4.4.2.1 Bedrijventerrein en verspreid liggende bedrijven (niet agrarisch) In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijventerreinen of bedrijven (niet agrarisch) gelegen. 4.4.2.2 Agrarische bedrijven In de nabijheid van het plangebied liggen twee agrarische bedrijven. De adviesafstand tussen agrarische bedrijven (niet intensief) en geconcentreerde woningbouw is 100 meter. Individueel kan worden bekeken of de afstand tot 50 meter verkleind mag worden. Voor dit bestemmingplan gaat het om twee agrarisch bedrijven ten noorden van het plangebied, gelegen aan de Verlengde Oosterdiep OZ en aan de overzijde van het kanaal aan de Verlengde Oosterdiep WZ. De beoogde woning ligt op ongeveer 55 respectievelijk 85 meter afstand van deze bedrijven (gerekend vanaf het bouwvlak tot de bestemmingsgrens van het agrarisch bedrijf). Tussen de beoogde woning en de agrarische bedrijven zijn al meerdere bestaande woningen gelegen.
Gezien de aard van het gebiedverspreide lintbebouwing met afwisselend wonen en agrarische functies- kan hier worden volstaan met een kortere richtlijnafstand van 50 meter. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen.
20 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
4.4.3
Bodem
Het college van burgemeester en wethouders heeft op 5 maart 2013 de Beleidsregel Bodemkwaliteit vastgesteld. Om de kwaliteit te waarborgen moet grondverzet worden gemeld bij het landelijke meldpunt. Om het verplaatsen van grond te vereenvoudigen, heeft de gemeente Emmen een aantal kaarten ontwikkeld. Deze bodemkwaliteitskaarten zijn als bijlage in de Nota Bodembeheer opgenomen. Aan de hand van deze kaarten is het mogelijk om zonder voorgaand onderzoek grond te ontgraven en toe te passen. Partijen grond en baggerspecie die niet voldoen aan de bodemkwaliteitskaart en de Nota Bodembeheer van de gemeente Emmen mogen alleen worden toegepast als er sprake is van een nuttige toepassing. Is het werk niet 'nuttig', dan is er sprake van het zich ontdoen van afvalstoffen. Tijdelijke opslag en grootschalige toepassingen van grond en bagger zijn vormen van 'nuttig' gebruik. Tijdelijke uitname zijn werkzaamheden waarbij de grond na korte tijd weer teruggebracht wordt. Een voorbeeld is het graven van een sleuf voor kabels en leidingen. In dat geval hoeft de kwaliteit van de te ontgraven bodem niet onderzocht te worden, tenzij er sprake is van (een verdenking van) bodemverontreiniging.
4.4.3.1 Bodemonderzoek Voor dit bestemmingsplan is door Sigma Bouw en Milieu een verkennend milieukundig bodemonderzoek (Bijlage 3 Bodemonderzoek 21-M9941) en een aanvullend verkennend onderzoek asbest in puin (Bijlage 4 Bodemonderzoek 21-M10179) verricht naar de bodemgesteldheid ter plaatse van het perceel kadastraal bekend sectie AD nummer 790. Uit de bodemonderzoeken komt naar voren dat de bovengrond een verhoogd gehalte aan minerale olie en het grondwater een verhoogde concentratie aan koper bevat. Voor beide geldt dat de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde niet wordt overschreden waardoor geen aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Daarnaast blijkt dat er asbesthoudend materiaal aanwezig is in de puinlaag onder de bestrating. De gemeten gehalten asbest bevinden zich boven de interventiewaarde. Het aanwezige pad en erfverharding dienen dan ook te worden beschouwd als een zogenaamde asbestweg in de zin van het Besluit asbestwegen. 4.4.3.2 Conclusie De bodemonderzoeken zijn ter beoordeling aan de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) voorgelegd. De RUD concludeert dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. De situatie is getoetst aan het besluit asbestwegen.
Het besluit asbestwegen stelt dat het verboden is een ‘asbestweg’ in bezit te hebben, tenzij deze voor 1993 is aangebracht én onder een verharding aanwezig is (o.a. klinkers). De eigenaren van het perceel hebben middels fotomateriaal verkregen via het kadaster aangetoond dat de verontreiniging is aangebracht voor 1993. Ook is het afgedekt met een klinkerverharding. Daarom geldt de in besluit asbestwegen genoemde uitzondering. Zolang de verharding intact blijft, is geen actie nodig. Verwijdering verharding: Wordt de verharding (deels) verwijderd dan moet de verontreinigde puinlaag worden verwijderd. In geval van verwijdering moeten de werkzaamheden worden gemeld aan het ministerie I&W (Inspectie L&T). De eigenaren zijn verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen. Zij zijn vrij in de keuze tussen verwijderen of afdekken van de asbestlaag. Er zijn argumenten voor zowel afdekken als verwijderen. Kosten, korte/lange termijn gedachte, registratie van de verontreiniging en waarde van het perceel spelen hierin een rol. De eigenaar heeft de plicht de verharding zodanig te onderhouden dat deze ook in de toekomst blijft voldoen aan C.R.O.W.-publicatie 81 (uitgave januari 1994) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Bij een klinkerbestrating bedraagt de termijn voor onderhoud circa vijf tot acht jaar.
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 21
4.4.4
Geluid
Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. 4.4.4.1 Geluidsbronnen in en nabij het plangebied Voor het plangebied Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 geldt dat het plangebied gelegen is binnen de van rechtswege aanwezige geluidszones van het Verlengde Oosterdiep WZ en van Verlengde Oosterdiep OZ buiten de bebouwde kom van Barger-Compascuum. Het plangebied is niet gelegen binnen geluidszones van spoorwegen of industrieterreinen. Deze geluidsbronnen hebben mogelijk effect op eventuele uitbreidingsplannen bij woningen of nieuwbouwplannen.
4.4.4.2 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Conform de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform art. 74 lid 2 Wgh zijn de onderstaande wegen hiervan uitgezonderd: Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. De beoogde locatie is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van het Verlengde Oosterdiep WZ en van het Verlengde Oosterdiep OZ buiten de bebouwde kom van Barger-Compascuum. Op deze wegen bedraagt de maximaal toegestane snelheid respectievelijk 60 en 80 km/uur. Bij de realisatie van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen moeten de wettelijke grenswaarden in acht worden genomen. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB. Indien deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet er onderzoek worden gedaan naar mogelijke bron- en/of overdrachtsmaatregelen. Zijn maatregelen niet mogelijk dan kunnen Burgemeester en Wethouders ontheffing van de voorkeursgrenswaarde verlenen. Indien met maatregelen niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB kan voor woningen in buitenstedelijk gebied een hogere waarde worden vastgesteld van ten hoogste 53 dB.
De gemeente dient het vaststellen van de hogere waarde met eigen argumenten te motiveren en de vastgestelde hogere waardes zo snel mogelijk inschrijven in het kadaster. Ten aanzien van wegverkeerslawaai is er door Geluidmeesters BV te Groningen een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 5. 4.4.4.3 Gevolgen voor bestemmingsplan De voorgevellijn van de beoogde woning wordt in dezelfde voorgevellijn gerealiseerd als de naastgelegen woning op het perceel Verlengde Oosterdiep OZ 19. De woning komt daarmee 19 meter uit het hart van de weg te liggen. Uit het rapport volgt dat met deze afstand de geluidbelasting op zowel de linker als rechterzijgevel voldoet aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB Lden. Wel wordt in deze situatie de maximale ontheffingswaarde op de voorgevel overschreden. De voorgevel dient als “dove gevel” uitgevoerd te worden. Een “dove gevel” is een gevel waarin geen te openen delen aanwezig zijn, alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. De dove gevel is in de planregels vastgelegd. Voor zowel de linker als rechterzijgevel dient een hogere waarde van 53 dB Lden vastgesteld te worden.
22 ep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdi
Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Emmen betreffende vaststelling van een hogere grenswaarde Wet geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai als bedoeld in artikel 82 en volgend van de Wet geluidhinder is als Bijlage 6 toegevoegd. Naast bovenstaande voorwaarden dient tevens te worden voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB op grond van het Bouwbesluit. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal (via een gevelweringsonderzoek) moeten worden aangetoond dat aan het toelaatbaar binnengeluidniveau van 33 dB wordt voldaan. Hierbij dienen de gecumuleerde geluidsbelastingen te worden gehanteerd. 4.4.5
Lucht
De Wet luchtkwaliteit is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling. Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. 4.4.5.1 Algemeen beeld luchtkwaliteit plangebied De realisatie van één vrijstaande woning is een project dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Omdat er geen significante ontwikkelingen in het plangebied of rondom het plangebied gepland zijn, zal de concentratie van de NOX en fijnstof niet veranderen. Hierdoor betekent de luchtkwaliteit geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
4.5
Waterparagraaf
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze waterparagraaf wordt beschreven hoe het huidige waterhuishoudkundig systeem voor het plangebied van het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 is ingericht, welke fysieke omstandigheden voor het gebied gelden en of speciale functies voor het plangebied gelden. Naast een beschrijving van de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en de stedelijke wateropgave heeft het wateradvies van het waterschap een duidelijke plaats gekregen. 4.5.1
Wateraspecten plangebied
Bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21 ligt in het stroomgebied Eems en valt onder het beheersgebied van het waterschap Waterschap Hunze en Aa's. Het waterbeleid voor dit gebied is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma van waterschap Hunze en Aa's en in het waterplan van de gemeente Emmen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied in een lint langs het kanaal Verlengde Oosterdiep. Het verharde oppervlak neemt door de realisatie van het plan beperkt toe. De verhardingstoename is minder dan 1500 m2.
bestemmingsplan "Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep OZ tussen nr.19 en 21" (vastgesteld) 23
4.5.2
Waterhuishouding
4.5.2.1 Riolering Naast het inzamelen en afvoeren van afvalwater heeft het rioolstelsel een belangrijke functie in de afwatering van de verharde oppervlakken in het plangebied. In een gemengd rioolstelsel worden afvalwater en regenwater 'gemengd' en vervolgens gezamenlijk afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Tijdens perioden met meer neerslag kan het voorkomen dat de rioolberging geheel gevuld raakt en zal rioolwater via de riooloverstorten naar het oppervlaktewater stromen. Een gescheiden rioolstelsel houdt afvalwater en regenwater gescheiden. Afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, regenwater wordt rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd. Het beleid van de gemeente Emmen en het waterschap is gericht op afkoppelen van hemelwater van de riolering en te lozen op oppervlaktewater of zo mogelijk te laten infiltreren in de bodem. Het rioolstelsel in het plangebied is uitgevoerd als een gemengd stelsel. De te bouwen vrijstaande woning kan aangesloten worden op het bestaande rioolstelsel. 4.5.2.2 Waterbeheer, (grond) waterkwantiteit - en kwaliteit Om de waterkwaliteit te waarborgen heeft het waterschap de zorg voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water, waarin systeem-specifieke dieren en planten voorkomen.