Bijlage 2: Beleidsregel Participatiewet gemeente Emmen 2024
Tekst van het document
JONGER DAN 27 JAAR
Wanneer een belanghebbende jonger dan 27 jaar de aanvraag niet indient binnen 5 werkdagen na de wachttijd van 28 dagen is de ingangsdatum de dag waarop de aanvraag is ingediend. Wanneer een belanghebbende jonger dan 27 jaar de aanvraag in de wachttijd van 28 dagen indient, wordt de aanvraag pas in behandeling genomen nadat de wachttijd is verstreken. De belanghebbende krijgt dan een hersteltermijn voor de resterende tijd van de wachttijd. Hij moet aantonen wat hij in de resterende tijd gedaan heeft om scholing of werk te vinden.
INGANGSDATUM
De datum van de melding geldt in het algemeen als de ingangsdatum van de uitkering.
Ingangsdatum na verwijzing/afwijzing van een sociale verzekeringsinstantie
In het geval van een verwijzing/afwijzende beschikking, afkomstig van een sociale verzekeringsinstantie, geldt de meldings-/aanvraagdatum bij die instantie als ingangsdatum voor de bijstandsuitkering.
Wanneer de belanghebbende na verwijzing/afwijzing vanuit een voorliggende voorziening zich niet binnen 5 werkdagen nadat de verwijzing dan wel afwijzing is ontvangen meldt om een uitkering aan te vragen, is er sprake van een te late
melding. De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt dan de datum van de melding. Als de belanghebbende zich later dan 5 dagen vanaf het moment dat hij geen of onvoldoende inkomen heeft meldt, dan gaat de bijstand pas in op de datum van de melding.
WIJZIGINGEN WOON-/ LEEFSITUATIE
INLICHTINGENBUREAU
Wijzigingen in de woon-/ leefsituatie moeten doorgegeven worden. Voorbeelden van wijzigingen in de woon-/leefsituatie zijn onder andere: ▪ verhuizing; ▪ verandering van het aantal medebewoners/kinderen; ▪ tijdelijk verblijf elders; ▪ wijziging verblijfsrecht; ▪ start/einde studie medebewoners/inwonende kinderen ouder dan 21 jaar. Wijzigingen dienen binnen 5 werkdagen via het wijzigingsformulier te worden doorgegeven. De gemeente Emmen maakt gebruik van Stichting Inlichtingenbureau Gemeenten (IB). De Stichting Inlichtingenbureau Gemeenten (IB) verzorgt het gegevensverkeer van team Uitkeringsverwerking Sociaal Domein (UVS) van de gemeente met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de Belastingdienst (BD) en de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) in het kader van de bestrijding van witte fraude.
HOOFDSTUK 4. BIJZONDERE GROEPEN GEDETINEERDEN
Iemand die gedetineerd wordt heeft geen recht meer op een uitkering. Wanneer een bijstandsgerechtigde in detentie gaat wordt de uitkering beëindigd als de detentie langer dan 30 dagen duurt en er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Bij een gezamenlijke huishouding wordt de gezamenlijke uitkering beëindigd per datum detentie. Voor de achterblijvende partner wordt een uitkering naar de norm voor een alleenstaande of kostendeler toegekend. Na detentie kan de ex-gedetineerde (eventueel samen met partner) opnieuw aanvragen met een verkorte aanvraag als de detentie korter dan 6 maanden heeft geduurd. Hierbij moet de ex-gedetineerde een ontslagbewijs van detentie aanleveren.
DAK- EN THUISLOZEN
De gemeente Emmen is aangewezen als centrumgemeente voor de bijstandsverlening aan daklozen zonder adres.
Domicilie
Wanneer zich bij de gemeente een dakloze meldt zonder adres wordt er doorgevraagd op het domicilie-vraagstuk. Uit welke gemeente de dakloze afkomstig is en of er sprake is van een inschrijving in de bevolkingsadministratie in die gemeente zijn vragen die in dit verband worden gesteld. Is er sprake van een inschrijving in een andere gemeente dan wordt de dakloze verwezen naar die gemeente of wordt de aanvraag doorgestuurd naar die gemeente. Immers, er is in dit geval geen sprake van een dakloze zonder adres. Het doel van de daklozenregeling in de Participatiewet is het voorkomen van zinloze verwijzingen van daklozen zonder adres naar andere gemeenten. Bij elke aanvraag voor een uitkering van een dakloze zonder adres wordt het doel van de daklozenregeling in het oog gehouden. Of de aanvraag hoort bij de gemeente Emmen, of de aanvraag hoort bij een andere bepaalde gemeente thuis. Als niet duidelijk is welke andere gemeente de aanvraag dient af te handelen dan is de gemeente Emmen als centrumgemeente de aangewezen instantie om de aanvraag in behandeling te nemen. Er mag geen sprake zijn van een verwijzing met onbekende bestemming.
Voorwaarden
De dak- en thuisloze is verplicht zich in te schrijven op een door het college ter beschikking gesteld adres. Hiervoor wordt een instemmingsverklaring ondertekend door een daartoe gemachtigde ambtenaar. Deze ambtenaar heeft de verplichting om de binnengekomen post op dit adres te overhandigen aan de dak- en thuisloze. De dak- en thuisloze heeft de verplichting om wekelijks zijn post te komen ophalen. Hij moet zich voldoende inspannen om huisvesting te vinden. Verder moet hij wekelijks een overzicht inleveren van de adressen/locaties waar hij die week heeft verbleven.
Hoogte uitkering
Een dak- en thuisloze heeft geen woonlasten (huur, hypotheek, energie- en water) De dak- en thuislozennorm wordt daarom als volgt vastgesteld door de geldende bijstandsnorm te verlagen met: •
bedrag van de normhuur zoals opgenomen in de Wet op de huurtoeslag;
•
bedrag voor gas en elektra voor een flat respectievelijk voor één persoon, zoals vastgesteld door het NIBUD;
•
bedrag voor waterverbruik gebaseerd op één douchebeurt per dag en 3 wasmachinebeurten per 2 weken (1 van 90 graden en 2 van 40 graden) zoals vastgesteld door het NIBUD;
De bedragen worden éénmaal per jaar vastgesteld en wel op 1 januari.
HOOFDSTUK 5: LEEFVORMEN EN HOOGTE UITKERING COMMERCIËLE RELATIES
Er is geen sprake van kostendelers wanneer er een commerciële relatie is tussen de kamer(ver)huurder en de kostganger/gever. Bij kamerverhuur is sprake van een commerciële relatie wanneer: ▪ er een schriftelijke huurovereenkomst is; ▪ er een commerciële huurprijs wordt betaald; ▪ de huur via de bank wordt overgemaakt; ▪ de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd. Er is sprake van een commerciële huurprijs wanneer de huurprijs per maand minimaal gelijk is aan 20% van de echtparennorm per 1 januari van het betreffende jaar. Bij kostgangers is sprake van een commerciële relatie wanneer: ▪ er een schriftelijke kostgangersovereenkomst is; ▪ er een commerciële kostgangersprijs wordt betaald; ▪ de vergoeding via de bank wordt overgemaakt; ▪ de prijs jaarlijks wordt geïndexeerd. Er is in ieder geval sprake van een commerciële prijs wanneer deze per maand minimaal gelijk is aan 20% van de echtparennorm per 1 januari van het betreffende jaar en de kosten van maaltijden per maand voor een alleenstaande volgens de Nibudnormen. Bij lagere bedragen moet er een individuele afweging worden gemaakt waarbij onder andere rekening wordt gehouden met: ▪ ▪ ▪
GEEN/ WEINIG WOONKOSTEN OF WOONLASTEN
de grote van de kamer; is er gebruik gemaakt van het puntensysteem van de huurcommissie; of het een officieel kamerverhuuradres is.
Er kan sprake zijn van geen woonkosten of – lasten als iemand bijvoorbeeld in een (anti)kraakpand woont of als een derde deze voor belanghebbende betaalt. Als een belanghebbende geen huur- of hypotheeklasten heeft wordt de uitkering verlaagd met het bedrag van de normhuur zoals opgenomen in de Wet op de huurtoeslag. Als belanghebbende geen energielasten en/of andere vaste lasten heeft wordt de uitkering verlaagd met de bedragen die door het NIBUD hiervoor zijn vastgesteld. De bedragen worden eenmaal per jaar vastgesteld en wel op 1 januari. Daarbij wordt uitgegaan van: ▪ het bedrag van de normhuur zoals opgenomen in de Wet op de huurtoeslag; ▪ het bedrag voor gas en elektra voor een flat respectievelijk voor één persoon; ▪ het bedrag voor waterverbruik gebaseerd op één douchebeurt per persoon dag en een reëel aantal wasmachinebeurten per week (afhankelijk van de gezinsgrootte); Bij woonkosten boven de maximum huur voor huurtoeslag wordt, ondanks de betaling van de derde, aan de bijstandsverlening de voorwaarde verbonden om om te zien naar goedkopere huisvesting.
TIJDELIJKE OPVANG IN CRISISSITUATIE
Wanneer een persoon in een crisissituatie voor een korte periode opvang vindt bij familie of vrienden, wordt de bijstandsuitkering van degene die opvangt niet meteen aangepast. Gedurende de lopende maand en de volgende twee maanden wordt de uitkering van degenen die onderdak verleend, voorgezet volgens de “oude norm”. Dit betekent dat de uitkering uiterlijk na drie maanden wordt aangepast. Voor degene die gaat inwonen, wordt de norm direct vastgesteld naar de nieuwe situatie.
ALLEENSTAANDE OUDERS
Als een alleenstaande ouder geen recht heeft op de ALO-kop kan bij bijzondere individuele omstandigheden de algemene bijstand, op grond van artikel 18 PW, worden verhoogd met hetzelfde bedrag als de verhoging van het Kindgebondenbudget van de Belastingdienst. Het bedrag wordt door de Belastingdienst jaarlijks geïndexeerd.
HOOFDSTUK 6. OPNAME IN EEN INRICHTING ALGEMEEN
Belanghebbenden die ter verpleging of verzorging in een inrichting zijn opgenomen, worden niet geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten. Daarom is de voor hen geldende bijstandsnorm lager (de zogenaamde zak- en kleedgeld norm). Voor wat betreft ziekenhuizen en verpleeg- en verzorgingshuizen etc. is het duidelijk dat het gaat om inrichtingen in de zin van de wet. Omdat deze zich richten op het bieden van verpleging of verzorging van de daar verblijvende hulpbehoevenden. Lastiger wordt het om vast te stellen of er sprake is van een instelling die zich richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan twaalf uur van ieder etmaal aanwezig is. In het algemeen is bijvoorbeeld een serviceflat of slaaphuis geen inrichting ter verpleging en verzorging.
GEEN WLZ-INRICHTING, MAAR VOLDOET WEL AAN CRITERIA DIE DE PW DAAR AAN STELT
GEEN WLZ-INRICHTING EN VOLDOET OOK NIET AAN CRITERIA DIE DE PW DAAR AAN
Het komt steeds vaker voor dat belanghebbenden verblijven in een instelling die voldoet aan de criteria die de Participatiewet daar aan stelt, maar die geen WLZinrichting is. Denk hierbij aan zorgboerderijen. Wanneer deze belanghebbenden een uitkering aanvragen, wordt de norm vastgesteld op de zak- en kleedgeldnorm verhoogd met de toeslag premie Zorgverzekeringswet. Moeten belanghebbenden daarnaast nog woon- en/of leefgeld betalen aan de instelling dan kan deze norm plus toeslag verhoogd worden met datzelfde bedrag aan bijstand. De norm plus verhoging mag niet hoger zijn dan de norm, waar belanghebbenden recht op zouden hebben als ze niet in de instelling hadden verbleven. Is deze verhoging niet toereikend voor alle lasten die belanghebbenden moeten betalen, dan moeten ze omzien naar goedkopere woonruimte. In principe wordt voor deze kosten geen bijstand verleend, maar elke aanvraag wordt individueel beoordeeld. Belanghebbenden kunnen ook verblijven in een instelling die niet voldoet aan de criteria die de Participatiewet daar aan stelt. In dat geval moet de feitelijke woonsituatie beoordeeld worden en is de (individuele) bijstandsnorm van toepassing die past bij de leeftijd en de woonsituatie.
STELT
VOLLEDIG PAKKET THUIS (VPT)
Instellingen werken soms ook met een VPT. Dit betekent dat de zorgbehoevende in principe zelfstandig woont, maar wel de zorg krijgt zoals de zorgbehoevende die ook had gehad wanneer hij of zij in de instelling zou verblijven. Zij hebben dus wel woonlasten, maar betalen een eigen bijdrage aan het CAK voor de zorg die zij afnemen. Zij krijgen de bijstandsnorm die geldt voor hun leeftijd en woonsituatie. Bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage CAK is in die situatie niet mogelijk. (LET OP: Volledig Pakket Thuis is vaak inclusief maaltijden)
DOMICILIE
In principe is de gemeente waar een belanghebbende zijn woonplaats heeft verantwoordelijk voor de bijstandsverlening. Als een belanghebbende in een andere gemeente wordt opgenomen in een inrichting, is het niet per definitie zo dat die gemeente bijstand gaat verlenen. Uit het feitelijk handelen van de belanghebbende moet blijken dat zijn woonstede wijzigt (opzeggen van de huur, uitschrijving uit het bevolkingsregister etc.). Als hier geen sprake van is, wordt de bijstandsverlening voortgezet. Als op voorhand duidelijk is, dat de opname (vanaf dag één) langer gaat duren dan zes maanden, wordt aangenomen dat de belanghebbende praktisch gezien in die andere gemeente zijn domicilie heeft en wordt de bijstandsverlening beëindigd. De belanghebbende moet dan in de gemeente van feitelijk verblijf een aanvraag indienen. Was de opnameduur niet vooraf bekend, dan wordt de bijstand na zes maanden verblijf in de andere gemeente beëindigd. Als bij opname al duidelijk is dat de belanghebbende terug gaat naar de gemeente Emmen, wijzigt het domicilie niet. Ook niet als de opname langer dan zes maanden duurt.
GEDWONGEN OPNAME WET BIJZONDERE OPNEMING IN PSYCHIATRISCHE ZIEKENHUIZEN (BOPZ)
Bij gedwongen opname bestaat geen recht op algemene bijstand. In deze situaties kan de norm zak- en kleedgeld worden verstrekt in de vorm van bijzondere bijstand inclusief de verhoging voor de zorgverzekering.
JONGEREN BENEDEN DE 21 JAAR
Belanghebbenden die jonger zijn dan 21 jaar en in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand omdat hun ouders onderhoudsplichtig zijn. Als er in verband met bijzondere omstandigheden toch kosten moeten worden gemaakt, die niet te verhalen zijn op de ouders, dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit geldt zowel voor de eventueel te verstrekken zak- en kleedgeldnorm, als voor de overige te verstrekken bijzondere bijstand. De mogelijkheden tot onderhoudsplicht worden voorafgaand aan de bijstandverlening onderzocht.
IN EEN INRICHTING
De hoogte van de eventueel te verstrekken zak- en kleedgeldnorm (bijzondere bijstand) voor een 18- tot 21-jarige is in bovenstaande gevallen gelijk aan de hoogte van de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar ex artikel 20 lid 1 onder a Participatiewet.
INGANGSDATUM ZAK- EN KLEEDGELD-UITKERING
De ingangsdatum van de zak- en kleedgelduitkering is afhankelijk van de omstandigheid of belanghebbende voor de opname al dan niet een bijstandsuitkering ontving. Beschikte belanghebbende direct voorafgaande aan de opname niet over een bijstandsuitkering, dan wordt de uitkering vanaf de datum opname berekend naar de zak- en kleedgeld norm. Genoot de belanghebbende wel een bijstandsuitkering, dan blijft de geldende norm nog van toepassing gedurende de maand van opname en de daarop volgende twee maanden. Daarna wordt de uitkering gewijzigd in de zak- en kleedgeldnorm. N.B. Dit geldt alleen voor belanghebbenden die alleenstaand en geen kostendeler zijn en die gedurende de opname woonlasten moeten blijven doorbetalen. In alle andere situaties wordt de uitkering per datum opname gewijzigd in de zak- en kleedgeldnorm.
AANHOUDEN WONING
Beoordeeld moet worden in hoeverre het aanhouden van de woonruimte noodzakelijk is. Wanneer de opname (vanaf dag één) langer dan zes maanden gaat duren, wordt de noodzaak voor het aanhouden van de woonruimte in principe niet aanwezig geacht. De domicilie wijzigt dan in die van de gemeente van verblijf. Staat de noodzaak voor het aanhouden van de woonruimte vast? Dan kan naast de zak- en kleedgeld uitkering aan een alleenstaande, die geen kostendeler is, bijzondere bijstand worden verstrekt voor de doorlopende verschuldigde woonlasten. Hieronder wordt verstaan: ▪ de huur minus huurtoeslag; ▪ de kosten van het gas, water en elektriciteit. De bijstand wordt verstrekt als bijzondere bijstand. Dat wil zeggen dat rekening dient te worden gehouden met eventuele draagkracht.
OPSLAG INBOEDEL
Wordt er geen woning aangehouden maar heeft een belanghebbende wel zijn inboedel opgeslagen? Dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt, als de noodzaak hiervoor is vastgesteld. De hoogte en duur van deze bijstand wordt individueel bepaald.
GEDEELTELIJK IN INRICHTING EN
Indien een belanghebbende per week gedeeltelijk thuis verblijft, wordt de norm naar evenredigheid vastgesteld. Dus het werkelijk aantal dagen per week verblijf in de instelling keer de zak- en kleedgeldnorm plus toeslag en het werkelijk aantal dagen per week verblijf buiten de inrichting keer de toepasselijke bijstandsnorm gedeeld door zeven.
GEDEELTELIJK VERBLIJF THUIS
In deze gevallen wordt de apart verstrekte bijzondere bijstand voor de woonlasten eveneens naar evenredigheid gecontinueerd. Als richtlijn voor het aantal 'weekenddagen' thuis geldt de volgende regeling. Vrijdag voor 12.00 uur vertrek uit de inrichting en zondag na 12.00 uur terug
geldt als drie weekenddagen.
HOOFDSTUK 7. INKOMSTEN EN BIJSTAND INKOMSTEN UIT (ONDER-) VERHUUR OF HET HEBBEN VAN KOSTGANGERS
VERMINDERING INKOMSTEN UIT ONDERHUUR
Inkomsten uit commerciële verhuur/kostgangers worden in mindering gebracht op de uitkering. Inkomsten uit verhuur van een woning waar de belanghebbende zelf niet woont, worden volledig aangemerkt als inkomsten.
Er mag rekening gehouden worden met meerkosten vanwege verhoogd energieverbruik vanwege douchen, wassen en elektra door de onderhuurder. Deze kosten worden in mindering gebracht op de inkomsten uit onderhuur. Voor het berekenen van het verhoogd energieverbruik wordt het NIBUD geraadpleegd. ▪ kosten douchebeurt op basis van een gasboiler: één x per dag ▪ kosten wassen drie wasmachinebeurten per twee weken: één van 90 graden en twee van 40 graden ▪ meerkosten elektra wordt berekend op basis van het verschil in aantal personen in het huishouden (met of zonder onderhuurder). Bijvoorbeeld een gezin bestaat uit drie personen en met de onderhuurder uit vier personen. Dan mag het verschil in elektra tussen een drie en een vier persoonshuishouden in mindering worden gebracht op de inkomsten uit onderhuur. Het college hoeft geen rekening te houden met gemis aan huurtoeslag. Als de verhuurder bij de Belastingdienst aantoont dat het gaat om onderhuur, zal er voor de huurtoeslag geen rekening gehouden worden met de inkomsten van de onderhuurder. Er is dus geen gemis in huurtoeslag.
INKOMSTEN UIT GASTOUDEROPVANG
Inkomsten uit gastouderopvang worden bruto gekort, tenzij de gastouder al een maandelijkse aanslag hiervoor betaalt. Bij het bruto korten wordt door de gemeente de loonheffing volledig afgedragen, zodat de belanghebbende in principe achteraf geen aanslag meer van de Belastingdienst krijgen. Mocht de belanghebbende toch een aanslag krijgen, dan moet de gemeente hiervoor bijstand verlenen. De inkomsten worden volledig gekort zonder rekening te houden met onkosten. Als er een teruggaaf van de Belastingdienst voor deze onkosten uit gastouderopvang volgt, wordt deze buiten beschouwing gelaten.
HOOFDSTUK 8. VERMOGEN EN BIJSTAND ALGEMEEN GEBRUIKELIJKE BEZITTINGEN
Bij het vaststellen van het vermogen wordt geen rekening gehouden met algemeen gebruikelijke bezittingen. Onder algemeen gebruikelijke bezittingen wordt verstaan: ▪ gebruikelijke huisraad en inboedel; ▪ de waarde van de auto’s (ook 45-kilometerwagen),motoren, brommers, scooters en elektrische fietsen (onder aftrek van € 500,00 zijnde de gemiddelde waarde van een gewone fiets) tot een bedrag van in totaal € 5.000,00 die bij de aanvang van de uitkering in het bezit zijn. De meerwaarde wordt in deze gevallen meegenomen in de vermogensvaststelling. Voor de waarde vaststelling van de auto wordt aangesloten bij de ANWB-lijst. Als een auto niet meer voorkomt op de ANWB-lijst wordt uitgegaan van de gemiddelde prijs op www.autotrack.nl Wanneer echter voorzienbaar was dat een belanghebbende een beroep op bijstand zou moeten doen en hij voor die tijd nog een auto, motor, brommer, scooter of elektrische fiets aanschaft, wordt de waarde van de auto wel volledig tot het vermogen gerekend. Onder algemeen gebruikelijke bezittingen wordt niet verstaan: ▪ vrachtauto ▪ aanhangwagen ▪ caravan en/of boot
INTEREN VERMOGEN
Wanneer vaststaat dat een belanghebbende voor de aanvraag om bijstand over vermogen beschikte boven de vrijlatingsgrens en hij er redelijkerwijs vanuit kon gaan dat hij een beroep zou moeten doen op een bijstandsuitkering wanneer dit vermogen op was, wordt nagegaan of hij zijn vermogen op een verantwoorde wijze heeft ingeteerd. Wanneer hij maandelijks niet meer heeft uitgegeven dan anderhalf keer de voor hem geldende bijstandsnorm, wordt aangenomen dat het vermogen op een verantwoorde wijze is ingeteerd.
KREDIETHYPOTHEEK Inleiding
Bij de beoordeling of een belanghebbende aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering moet de vraag gesteld worden of belanghebbende in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ook bij een zelf bewoonde eigen woning kunnen dergelijke omstandigheden zich voordoen. Een eigen woning vertegenwoordigt echter, na aftrek van de daarop rustende schulden, een bepaald vermogen. De belanghebbende beschikt dan over middelen die in aanmerking moeten worden genomen. Eigenlijk is er geen aanleiding om bijstand te verlenen. De belanghebbende heeft immers de mogelijkheid om of zijn huis verder te bezwaren of zijn huis te verkopen. Het eerste is niet altijd realiseerbaar omdat de bank ook naar het inkomen kijkt en bij het verkopen van het huis dient vervangende woonruimte aanwezig te zijn. Bovendien is het in een aantal gevallen niet redelijk dat de zelf bewoonde woning wordt verkocht of verder te gelde wordt gemaakt. Voor deze situatie is de mogelijkheid ingevoerd om, als verkoop, bezwaring of verdere bezwaring niet in redelijkheid kan worden verlangd, de bijstandsverlening in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, de zogenaamde krediethypotheek, te verstrekken.
Er kan ook voor worden gekozen de bijstand in de vorm van een gewone geldlening te verstrekken, maar een krediethypotheek biedt extra zekerheid. Als binnen twee jaar na beëindiging van bijstand onder verband van
krediethypotheek opnieuw recht bestaat op bijstand, wordt deze verstrekt met toepassing van de "oude" krediethypotheek. Daarop voortbordurend kan ook worden afgezien van het opnieuw taxeren van een woning, wanneer de woning in de vorige bijstandsperiode al onderdeel is geweest van de vermogensbepaling. Ook in dit geval mag de periode tussen de beëindigingsdatum en de nieuwe aanvangsdatum niet meer dan twee jaar bedragen.
Vaststellen van de krediethypotheek
Uitgegaan wordt van de taxatiewaarde die geldt voor de WOZ. In bijzondere situaties kan alsnog een beëdigd taxateur worden ingeschakeld. Bijvoorbeeld wanneer de woning net ingrijpend is verbouwd en hier bij de bepaling van de WOZ geen rekening is gehouden. Op de waarde van het huis moeten in mindering worden gebracht de hypotheekschuld en/of de overige reële schulden die verband houden met het huis en eventueel de contante waarde van de zakelijke rechten, zoals het recht van gebruik en bewoning.
Aflossing, looptijd en beëindiging
Na afloop van de bijstandsverlening moet de geldlening maandelijks worden terugbetaald. Uitgangspunt is dat de geldlening in tien jaar wordt afgelost. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor de periode van een jaar vastgesteld. Als het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm niet overschrijdt, hoeft er niet te worden afgelost. Als het inkomen hoger is dan de geldende bijstandsnorm, wordt de aflossing vastgesteld op 50% van het verschil tussen de bijstandsnorm en het inkomen. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt de gemeente, zo nodig tussentijds, de aflossing hoger of lager vast. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de eventuele bijzondere kosten van de belanghebbende. Als de belanghebbende gedurende de aflossing nalatig is in het maandelijks betalen van de aflossing, wordt het nog niet afgeloste deel van de lening direct opeisbaar en is daarover ook de wettelijke rente verschuldigd. De geldlening is niet rentedragend over de periode waarin bijstand werd genoten. Als na afloop van een tienjarige aflossingsperiode een deel van de geldlening nog niet is afgelost, moet helft van de wettelijke rente worden betaald over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
Verkoop van de woning
Bij verkoop of vererving van de woning wordt het nog niet afgeloste gedeelte van de geldlening en de bijgeschreven rente direct afgelost. Als er sprake is van bijzondere omstandigheden van sociale of medische aard of werkaanvaarding elders, kan de gemeente toestemming geven om een andere woning te kopen. Als de woning wordt verkocht tegen een prijs die normaal is in het economisch verkeer en de opbrengst lager is dan het restant bedrag van de geldlening en rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
Opgave stand krediethypotheek aan belanghebbende
Na afloop van het kalenderjaar wordt aan de belanghebbende opgave gedaan van de stand van de geldlening en de rentevordering. Ook bij de beëindiging van de bijstand wordt een dergelijke opgave verstrekt.
WOONWAGENS EN
Bij overwaarde wordt de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt.
WOONSCHEPEN
VRIJLATING GIFTEN Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4 Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7 Uitzondering
Artikel 8 Verplichtingen Artikel 9 Hardheidsclausule
Artikel 10 Inkomsten/vermogen
Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. Een gift wordt vrijgelaten als deze is bedoeld voor kosten waarvoor de cliënt, zonder de gift, een vergoeding bijzondere bijstand of WMO-voorziening voor zou krijgen. Dit kunnen eenmalige en periodieke giften zijn. Andere eenmalige en periodieke giften anders dan genoemd in artikel 2 van dit onderdeel, wordt vrijgelaten tot € 1.200,- per uitkering per kalenderjaar. Meldingsplicht geldt in dezen niet tot de hoogte van de vrijlating. (valt buiten de werkingssfeer van artikel 17 Pw). Indien er een gift ontvangen wordt die het genoemde bedrag onder artikel 3 overstijgt, dan dient het meerdere tot middelen gerekend te worden. Tenzij het een gift betreft voor noodzakelijke kosten dan wel uit medisch oogpunt wenselijke kosten, voor zover de levensstandaard hierdoor niet wordt verhoogd. Bij een gift in natura bepaalt het college wat de gift waard is in geld en of dit tot de middelen gerekend wordt (zie toelichting). 1. Inkomsten uit arbeid; 2. Inkomsten uit vermogen; 3. Giften in natura die verstrekt worden vanuit charitatieve instellingen (wordt reeds ten alle tijden vrijgelaten); 4. Zie artikel 5.
Voor bedragen boven het grensbedrag van € 1.200,-, geldt de inlichtingenplicht als genoemd in artikel 17 van de wet. Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze regeling, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid. In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college. Giften met een periodiek karakter worden voor het meerdere boven de maximum vrijlating in aanmerking genomen als inkomen. Giften met een eenmalige karakter worden voor het meerdere boven de maximum vrijlating in aanmerking genomen als vermogen.
Toelichting Algemeen
De definitie van een gift kan worden omschreven als ‘een betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling, waarvoor niets wordt terugverlangd’. Deze beleidsregel geeft aan hoe er met het ontvangen van giften moet worden omgegaan. Door giften niet volledig in aanmerking te nemen, wordt
voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Het uitgangspunt hierbij is dat particuliere en maatschappelijke initiatieven zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Wanneer deze giften niet leiden tot een duidelijke besparing op de kosten van levensonderhoud, zal vrijlating in beginsel mogelijk moeten zijn. Dit mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand kan de vrijlating daarom niet onbeperkt zijn. Bij het vaststellen van deze beleidsregels is geen onderscheid gemaakt tussen uitkeringsgerechtigden van 18 tot 21 jaar die in vergelijking met personen van 21 jaar en ouder een lagere bijstandsnorm ontvangen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de landelijke zienswijze met betrekking tot kwetsbare jongeren. Kwetsbare jongeren vallen vaak tussen wal en schip wat betreft (schuld)hulpverlenende instanties. Het is wenselijk om (verdere) schuldproblematiek te voorkomen bij deze groep. Er is daarom gekozen om geen aparte (beleids-)regel op te nemen voor jongeren van 18 tot 21 jaar.
De genoemde criteria in deze beleidsregels zijn slechts handvatten om tot een redelijke afweging te komen wat wel en wat niet verantwoord is in het kader van (verdere) bijstandsverlening: in bijzondere gevallen kan het individualiseringsprincipe worden toegepast. Omdat geen enkele situatie hetzelfde is, blijft het kunnen bieden van maatwerk een belangrijk uitgangspunt voor deze beleidsregels. Artikelsgewijs toelichting Artikel 2 van het beleid
Giften kunnen in verschillende vormen aan de belanghebbende worden geschonken: per bankoverschrijving, contant of in natura. Voor het vaststellen van de economische waarde van giften in natura wordt gebruik gemaakt van de NIBUD-prijzengids. Het krijgen van een gift heeft niet altijd gevolgen voor een uitkering. Wij laten giften voor een bepaald doel vrij als de cliënt - wanneer diegene de gift niet had gekregen – speciaal daarvoor een vergoeding uit een voorziening als de bijzondere bijstand of de Wet maatschappelijke ondersteuning had kunnen krijgen. Het wordt onredelijk geacht om de besparing van een beroep op een van deze overheidsvoorzieningen te niet te doen door deze mee te wegen bij de verlening van algemene bijstand. Daarom wordt dit soort giften vrijgelaten. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om periodieke of eenmalige giften.
Artikel 3 van het beleid
Ook andere giften dan genoemd in het tweede artikel van het beleid laten wij voor een deel vrij. Bij het vaststellen van de hoogte van de vrijlating is aansluiting gezocht bij een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep: 25-1-2012, nr. 09/5310 WWB, ECLI:NL: CRVB:2012. In deze uitspraak heeft de Raad besloten dat giften verantwoord zijn om vrij te laten, voor zover deze per kalenderjaar beneden de voor die persoon geldende bijstandsnorm per maand blijft. Vanuit een praktisch en systeemtechnisch oogpunt, is gekozen voor een vast drempelbedrag van € 1200,- per kalenderjaar. Daarnaast zorgt een vast bedrag voor gelijkheid onder alle belanghebbenden, ook
wanneer men gedurende het jaar meerdere uitkeringsnormen ontvangt. Voor de uitvoering van deze beleidsregels gelden de vrijlatingen per uitkering, niet per persoon. Dit houdt in dat voor een alleenstaande ouder en gehuwden (en daarmee gelijkgestelden) dezelfde vrijlating van toepassing is als voor een alleenstaande. Het drempelbedrag ad € 1200,- wordt toegerekend aan een kalenderjaar (1 januari tot en met 31 december). Wanneer iemand minder dan het drempelbedrag aan giften heeft ontvangen, mag het restant niet mee worden genomen naar het volgend jaar. Voor mensen die gedurende het jaar een uitkering toegekend hebben gekregen, geldt dat de drempel van € 1200,- geldt voor de periode van de aanvraag van de bijstandsuitkering tot en met 31 december van dat jaar. Artikel 4 van het beleid
Artikel 5 van het beleid
Er geldt geen meldingsplicht voor het ontvangen van giften wanneer deze onder €1200,00 per jaar bedragen. Wel wordt van de bijstandsgerechtigde gevraagd en verwacht dat zij dit zelf bijhouden en daardoor kunnen melden wanneer dit bedrag overschreden wordt. Voorbeelden van giften zijn: verjaardagsgeld, cadeaus, boodschappengeld van een familielid, financiële ondersteuning van bijvoorbeeld familie of naasten, onderhandse leningen, et cetera. Wanneer de gift het drempelbedrag van € 1200,- overstijgt, dient het meerdere als middel in aanmerking genomen te worden. Bij de beoordeling of een bijdrage als een gift kan worden beschouwd is het niet van belang of deze eenmalig is verstrekt of een zekere periodiciteit kent.
Boodschappen
Artikel 6 van het beleid
Artikel 8 van het beleid
Ter verduidelijking worden boodschappen wél aangemerkt als een gift. Daarom wordt een uitkering niet nader afgestemd (buitenwettelijk begunstigd beleid). Een gift hoeft niet enkel verstrekt te worden in de vorm van geld. Dit kan ook in de vorm van natura zijn. Hierbij is eveneens sprake van een vrijlating ter hoogte van € 1200,- per kalenderjaar. Voor het vaststellen van de economische waarde van giften in natura wordt gebruik gemaakt van de NIBUD-prijzengids. Over alle ontvangsten die het grensbedrag van €1200,- overschrijden, dient de cliënt onverwijld mededeling te doen conform de inlichtingenverplichting van artikel 17 eerste lid Participatiewet. Wanneer deze inlichtingenplicht geschonden wordt, dient het college per individuele casus te achterhalen of dit (on)bewust geschonden is.
HOOFDSTUK 9: BIJZONDERE BIJSTAND DRAAGKRACHT IN INKOMEN
Al het inkomen dat boven 110% van de toepasselijke bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) wordt als draagkracht aangemerkt. Wanneer een belanghebbende inkomsten heeft inclusief vakantietoeslag wordt bij de draagkrachtberekening ook uitgegaan van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Inkomsten uit een vrijwilligersvergoeding tot de in de wet genoemde bedragen worden niet meegenomen bij het vaststellen van de draagkracht. Ook de vrijlating inkomsten wordt niet meegenomen in de draagkrachtberekening. Bij wisselende inkomsten wordt de draagkracht vastgesteld aan de hand van het gemiddelde van de inkomsten van de zes maanden voorafgaand aan de aanvraag. Als de kosten hoger zijn dan de draagkracht dan komt het meerdere voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dus als bijvoorbeeld de draagkracht per maand € 20,00 is en de kosten bedragen per maand € 30,00 dan bestaat er recht op € 10,00 per maand bijzondere bijstand voor periodieke kosten. Als het om incidentele kosten gaat dan wordt de draagkracht per jaar bepaald en als de kosten hoger zijn dan wordt voor het verschil bijzondere bijstand toegekend. Periodieke bijstand wordt voor maximaal drie jaar toegekend voor bijstandsgerechtigden, pensioengerechtigden, WAO- en Wajongers. Indien de aanvrager buiten deze doelgroepen valt dan wordt de draagkracht jaarlijks vastgesteld.
Op de algemene regel van 110% bestaan enkele uitzonderingen voor bepaalde kostensoorten. Dit wordt per kostensoort aangegeven en betreft bijvoorbeeld: ▪ ▪ ▪
DRAAGKRACHT IN INKOMEN EN VERBLIJF IN EEN INSTELLING
Beschermingsbewind (inclusief griffiekosten en opstart-kosten); Woonkostentoeslag; Bijzondere bijstand voor levensonderhoud.
Voor belanghebbenden die verblijven in een instelling (zie hoofdstuk 6) en een ander inkomen hebben wordt voor de draagkracht uitgegaan van de zak- en kleedgeldnorm plus toeslag plus de daadwerkelijke eigen bijdrage voor wonen en leven. Dit inkomen is immers niet beschikbaar voor de bijzondere kosten. De norm zak- en kleedgeld plus de eventuele verhoging is maximaal de reguliere bijstandsnorm voor de berekening van de draagkracht. De bijzondere bijstand wordt in deze gevallen voor maximaal een jaar toegekend.
GEEN SPRAKE VAN
In de volgende gevallen is er geen sprake van draagkracht:
DRAAGKRACHT
1. 2. 3.
als de belanghebbende is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp); als er maximaal beslag op het inkomen van de belanghebbende ligt; als voor belanghebbende een minnelijke schuldregeling is opgestart door een instelling genoemd in art. 48 van de Wet op het consumentenkrediet.
GEMIS HUURTOESLAG
Het gemis aan huurtoeslag wordt alleen meegenomen in de draagkrachtberekening als er sprake is van kosten waarbij er draagkracht is boven 100% van de geldende bijstandsnorm. Het gemis huurtoeslag moet daarbij niet veroorzaakt worden door medebewoners of als de belanghebbende deze niet heeft aangevraagd.
DRAAGKRACHT IN VERMOGEN
Het vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet wordt buiten beschouwing gelaten net zoals dat geldt voor algemene bijstand.
INKOMEN MINDERJARIG KIND
Wordt er voor een minderjarig kind bijzondere bijstand aangevraagd? En heeft dit minderjarig kind inkomsten uit arbeid? Dan wordt geen rekening gehouden met dit inkomen voor het recht of hoogte van de bijzondere bijstand.
INGANGSDATUM
Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB vloeit uit artikel 44 lid 1 Participatiewet voort dat in beginsel geen bijstand wordt verstrekt voor kosten die zijn gemaakt voor de meldingsdatum. De meldingsdatum is de datum waarop een belanghebbende zich bij de gemeente heeft gemeld en heeft aangegeven dat hij bijzondere bijstand wil aanvragen.
Incidentele kosten
Er kan nog bijstand worden verleend voor incidentele kosten die zijn gemaakt tot drie maanden voor de datum melding.
Periodieke kosten
Voor periodieke kosten geldt niet dat zij met terugwerkende kracht vergoed kunnen worden. De eerste vergoeding vindt plaats vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor bijzondere bijstand is gedaan. Uitzondering hierop is de bijstand voor de kosten van het salaris van een bewindvoerder, curator of mentor. Bijstand voor deze kosten kan tot drie maanden na de beschikking van de rechtbank worden aangevraagd. Belanghebbende heeft een aantoonplicht en zal bewijsstukken van de gemaakte kosten moeten inleveren. Dit kan bijvoorbeeld door middel van kopieën van nota’s. Bij elke kostensoort zal apart worden aangegeven welke bewijsstukken ingediend moeten worden als dit afwijkt van de algemene regeling.
BABYUITZET
Alle benodigdheden die noodzakelijk zijn voor de komst van een baby. Hieronder vallen niet de inrichting van de babykamer, zoals het bed, matras en commode.
Vergoeding bijzondere bijstand
Vergoeding via bijzondere bijstand is in beginsel niet mogelijk. De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand, door middel van reservering, dan wel gespreide betaling achteraf. In uitzonderingssituatie kan er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. In dat geval kan bijzondere bijstand om niet verstrekt worden voor de kosten van kleding en verzorging. Wanneer een alleenstaande (ouder) de vergoeding aanvraagt moet ook worden bekeken of de vader van het kind kan bijdragen in de kosten.
Bijzonderheden
Indien er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor er toch bijzondere bijstand verleend wordt, dan wordt de hoogte van de bijzondere bijstand jaarlijks op 1 januari vastgesteld.
BELASTINGAANSLAG
Er kan bijstand voor een belastingaanslag worden verleend wanneer: ▪ een belanghebbende bruto inkomsten heeft die zijn gekort op de uitkering; ▪ en zijn inkomen door die belastingaanslag in dat jaar onder de bijstandsnorm komt; ▪ een voorlopige of definitieve aanslag kan overleggen.
ALLEENVERDIENENDE
Inwoners van de gemeente Emmen die in het jaar 2022 e.v. zorg- en huurtoeslag zijn misgelopen door een ongewenst effect van verschillende weten regelgevingen, kunnen beroep doen op de individuele bijzondere bijstand.
HUISHOUDENSPROBLEMATIEK Artikel 1: Vergoeding 2022
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen de definitieve beschikking en in het individuele geval mogelijke maximale huur- en zorgtoeslag.
Artikel 2: Vergoeding 2023 e.v.
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen de voorlopige beschikking en in het individuele geval mogelijke maximale mogelijke huur- en zorgtoeslag.
Artikel 3: Voorwaarden
I. II. III.
Zij zijn toeslagenpartners en voeren een gezamenlijk huishouden (art. 3 Participatiewet); Alleenverdiener ontvangt een loongerelateerde uitkering; De uitkering wordt aangevuld middels (de Toeslagenwet en) een uitkering op grond van de Participatiewet;
IV. V. VI. Artikel 4: Bijzonderheden
Er worden geen maximale toeslagen ontvangen; Het gemis aan toeslagen is een gevolg van de afbouw van de algemene heffingskorting minst verdienende partner; Een aanvullende uitkering wordt het gehele kalenderjaar verkregen.
De berekening van 2023 vindt plaats aan de hand van de voorlopige beschikking van het jaar 2023. In het jaar 2024 (rond september) kunnen inwoners geconfronteerd worden met een terugvordering van Dienst toeslagen. Indien er aan de voorwaarden wordt voldaan, kan ook deze aanslag vergoed worden middels de individuele bijzondere bijstand. Draagkracht berekening is niet van toepassing.
BEGRAFENIS- EN CREMATIEKOSTEN Vergoeding bijzondere bijstand
Alle kosten die verband houden met de begrafenis of crematie van een overledene, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn. Bijzondere bijstand voor deze kosten is mogelijk. De kosten van een begrafenis of crematie behoren tot de passiva (schulden) van de nalatenschap en komen voor rekening van de erfgenamen. Deze kunnen ieder voor zich en op persoonlijke titel bijzondere bijstand aanvragen, voor zover hun erfdeel niet toereikend is en het hen aan middelen ontbreekt om hun aandeel in deze kosten te kunnen voldoen.
Voorliggende voorzieningen
Uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering of de nalatenschap van de overledene
Bijzonderheden
Er zijn richtbedragen vastgesteld: € 5.000,- voor een begrafenis en € 3.000,voor een crematie. Indien de kosten onder de maximale vergoeding vallen dan wordt er een onderzoek naar de nota verricht en alleen dat bedrag toegekend voor de kosten die daadwerkelijk gemaakt zijn. Indien deze richtbedragen worden overschreden dan wordt nagegaan in hoeverre de extra kosten reëel zijn.
BESCHERMINGSBEWIND, CURATELE EN MENTORSCHAP Vergoeding bijzondere bijstand
Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor onderbewindstelling indien de tarieven zijn goedgekeurd door de kantonrechter. Dit kan door dit te benoemen in de uitspraak van de onderbewindstelling/curatele/mentorschap of door een machtiging of goedkeuring.
Bijzonderheden
100% van het inkomen boven de bijstandsnorm wordt als draagkracht aangemerkt.
Ingangsdatum kosten
Maandelijkse kosten voor bewindvoering, curatele en mentorschap zijn periodieke kosten. Volgens de wet kan bijstand worden toegekend vanaf de datum van melding. Voor periodieke bijzondere bijstand wordt de bijstand in principe toegekend vanaf de eerste van de maand waarin is aangevraagd. Dit geldt ook voor deze kosten. Hierop wordt één uitzondering gemaakt. Dat is voor de eerste aanvraag nadat de bewindvoerder, curator of mentor door de rechtbank is benoemd. In die situatie wordt een periode van drie maanden na de benoeming gehanteerd. Dit omdat het college zich voor kan stellen dat de situatie niet direct na een uitspraak van de rechtbank inzichtelijk is. Het college is van mening dat dit een redelijke termijn is. De ingangsdatum voor eventuele bijstandsverlening is de eerste van de maand indien de benoeming in de eerste helft van de maand is gedateerd. De ingangsdatum is de zestiende van de maand wanneer de benoeming in de tweede helft van de maand is gedateerd.
BEWASSINGSKOSTEN/
De extra kosten voor het wassen van kleding en beddengoed bij een bepaalde ziekte of handicap. Meegerekend zijn de kosten voor elektriciteit, water, waspoeder en afschrijving en onderhoud van de wasmachine. Slijtagekosten zijn de extra kosten die ontstaan door het extra wassen van de kleding. Bijzondere bijstand voor slijtagekosten is mogelijk na een onafhankelijk medisch advies.
SLIJTAGE
DIEETKOSTEN
Het gaat om de meerkosten die ontstaan door het volgen van een medisch noodzakelijk dieet. Er dient sprake te zijn van meerkosten ten opzichte van
normale voeding. Het feit dat een dieet door een diëtiste is opgesteld maakt nog niet dat een dieet medisch noodzakelijk is.
Vergoeding bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de meerkosten.
Voorliggende voorziening
Als het gaat om dieetpreparaten is de zorgverzekering een voorliggende voorziening.
Bijzonderheden
Extra kosten voor het dieet kunnen vergoed worden na een verklaring van een medisch specialist of een onafhankelijk medisch advies. Alleen de meerkosten komen voor vergoeding in aanmerking.
DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN
De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan moeten in beginsel worden betaald uit eigen middelen (bijstandsuitkering en het aanwezige vermogen). Dit geldt ook voor de noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen, zoals wasmachine, meubels, inrichtingskosten. Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij voor deze kosten spaart of een lening afsluit. In bijzondere gevallen kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt in de vorm van een lening verstrekt. Stoffering valt niet onder de duurzame gebruiksgoederen. Hiervoor wordt bijstand om niet verstrekt. Als naast een complete woninginrichting een gaskachel moet worden aangeschaft voor de woning, wordt voor de kosten van de gaskachel bijstand om niet verstrekt.
Voorliggende voorziening
Een lening bij team Schulddienstverlening van de gemeente Emmen (voorheen de Gemeentelijke Kredietbank) of bij een commerciële bank.
Bijzonderheden
Er wordt uitgegaan van 100% draagkracht. Het aflossingsbedrag wordt vastgesteld op 10% van de toepasselijke bijstandsnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet
Normenlijst woninginrichting (het betreft maximale bedragen)
Leefsituatie
100%
75%
50%
25%
Alleenstaande kamerbewoner € 1.000
€ 750
€ 500
€ 250
Alleenstaande zelfstandig wonend
€ 3.648
€ 2.736
€ 1.824
€ 912
gezin 2 personen
€ 4.271
€ 3.203
€ 2.135
€ 1.068
gezin 3 personen
€ 4.743
€ 3.557
€ 2.371
€ 1.186
gezin 4 personen
€ 5.350
€ 4.012
€ 2.675
€ 1.338
gezin 5 personen
€ 5.822
€ 4.366
€2.911
€ 1.456
gezin 6 personen
€ 6.380
€ 4.785
€ 3.190
€ 1.595
vanaf 7e persoon extra p.p.
€ 500
€ 375
€ 250
€ 125
De percentages zijn als volgt verdeeld. Als een nieuwe woning moet worden betrokken en de belanghebbende heeft niet de beschikking over eigen inboedel, wordt uitgegaan van 100%. De 50% en 75% wordt gebruikt in geval van beëindiging van de samenwoning. Uitgangspunt is dat de boedel wordt verdeeld en dat de belanghebbende over een deel van de boedel kan beschikken als hij een andere woning moet betrekken. De 75% norm geldt als de belanghebbende in een andere woning moet gaan wonen. De 50% norm wordt gebruikt als de belanghebbende in de huidige woning blijft (en de helft van het meubilair opnieuw moet worden aangeschaft). De 25% norm wordt gebruikt wanneer alleen een vergoeding voor stoffering noodzakelijk is (vloerbedekking/gordijnen).
Belanghebbenden in de Wsnp
Belanghebbenden die toegelaten zijn tot de Wsnp mogen geen nieuwe schulden maken. Daarom wordt de bijstand aan een belanghebbende die in de Wsnp zit om
niet verstrekt. Belanghebbenden die in de Wsnp zitten hebben in principe recht op maximaal 50 % van bovengenoemde bedragen. Alleen voor de kosten van de stoffering blijft de vergoeding 100% van de genoemde bedragen, te verstrekken als bijstand om niet. Alleen als de rechter-commissaris hiervoor toestemmening geeft, kan de bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt.
Kamerbewoning
Bij kamerbewoning kan normaal gesproken gebruik worden gemaakt van gezamenlijke voorzieningen zoals wasmachine en keuken. Heeft een kamerbewoner daadwerkelijk witgoed nodig (verifiëren) dan kan een hoger bedrag worden verstrekt. Tot maximaal € 500,- extra.
EIGEN BIJDRAGE: Rechtshulp en griffiekosten Vergoeding bijzondere bijstand
Vergoeding via bijzondere bijstand is mogelijk mits er sprake is van een toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand en een diagnosedocument van het Juridisch Loket. Daar waar een diagnose document van het Juridisch Loket nodig is, wordt rekening gehouden met de korting. Als er geen toevoeging is dan moet de noodzaak worden onderzocht.
Voorschoolse educatie Algemeen
Emmen heeft een bevolking met een gemiddeld lage opleiding en een lage arbeidsparticipatie. Deze achterstand wordt van generatie op generatie over vererfd en leidt er toe dat mensen niet aan het werk komen, een grote inkomensachterstand blijven houden en weinig maatschappelijk perspectief hebben. De gemeente Emmen zet er met nadruk op in om deze “over vererving” te doorbreken door kinderen extra ontwikkelingskansen te bieden. Deel van de inzet is peuters in de leeftijd van tweeënhalf – drie jaar voorschoolse educatie aan te bieden. Het wegnemen van de financiële barrière voor de ouders bevordert de deelname van de peuters aan voorschoolse educatie.
Vergoeding bijzondere bijstand
Voor de deelname moeten de ouders een eigen bijdrage per maand betalen. Voor deze eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verleend.
Bijzonderheden
De bijstand wordt alleen verstrekt als er een indicatie van consultatiebureau is. Voorschoolse educatie kan samenlopen met reguliere kinderopvang of peuterspeelzaal. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor beide, als er een overlap is. Is er naast een indicatie voor voorschoolse opvang ook een sociaal-medische indicatie voor peuterspeelzaal, dan wordt alleen extra bijzondere bijstand voor peuterspeelzaal gegeven als er meer dan 4 dagdelen worden geïndiceerd vanwege een sociaal-medische reden.
WLZ
Het gaat om de eigen bijdrage die het CAK oplegt voor voorzieningen die zijn verstrekt op basis van de WLZ.
Vergoeding bijzondere bijstand
Alleen voor de lage eigen bijdrage voor wonen en verblijf gedurende het eerste half jaar kan bijzondere bijstand worden verstrekt. (Let op: Er kan geen bijzondere bijstand worden verstrekt bij Volledig Pakket Thuis)
Ziektekosten
ENERGIEKOSTEN Stookkosten
Voor de eigen bijdrage van ziektekosten kan in sommige gevallen bijzondere bijstand worden verleend. Het gaat hier om ziektekosten die volgens de Zorgverzekeringswet als noodzakelijk zijn aangemerkt en waarvan het Rijk heeft bepaald dat hiervoor een eigen bijdrage moet worden betaald. Eigen bijdragen die zijn ingesteld omdat kosten worden bespaard, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
De kosten van extra gasverbruik behoren, als de medische noodzaak is aangetoond, tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Een hogere temperatuur dan de normtemperatuur is slechts bij een zeer beperkt aantal (zeldzame) ziektebeelden noodzakelijk. Bij veel voorkomende gezondheidsproblemen als hartaandoeningen, CARA, vaat- en gewrichtsproblemen bestaat geen medische noodzaak voor een verhoogde temperatuur in enige ruimte. Bij (zeldzame) temperatuurregulatiestoornissen (stoornis in de functie van bepaalde centra in de hersenen) of stofwisselingsstoornissen kunnen extra stookkosten soms wel geïndiceerd zijn. Ook personen die zichzelf niet kunnen voortbewegen c.q. geen spieractiviteit hebben kunnen een hogere omgevingstemperatuur nodig hebben (bijv. bij MS, ALS, paralyse e.d.).
Kosten elektra
De kosten van extra elektraverbruik behoren, als de medische noodzaak is aangetoond, tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Het hogere verbruik moet verband houden met het gebruik van extra apparatuur in verband met het ziektebeeld.
Medische noodzaak
De medische noodzaak voor extra energiekosten moeten aangetoond worden met een onafhankelijk medisch advies.
KINDEROPVANG
Het gaat om de kosten van kinderopvang wanneer er sprake is van een sociaalmedische indicatie en bij studerenden en werkenden met een laag inkomen.
Sociaal medische indicatie
Het college stelt vast of er sprake is van een sociaal medische indicatie voor de kinderopvang. Hiervoor wordt advies ingewonnen bij een onafhankelijke organisatie. Het college stelt de geldigheidsduur van de indicatie vast. Ieder half jaar vindt een herindicatie plaats. Tevens stelt het college de omvang van de noodzakelijke kinderopvang vast. Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de regeling: •
de belanghebbende mag niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van de Belastingdienst voor kosten van kinderopvang;
•
er moet een actuele indicatie (niet ouder dan 3 maanden) aanwezig te zijn;
•
er kan maximaal 1 jaar gebruik worden gemaakt van deze regeling. Daarna wordt opnieuw een sociaal-medische indicatie gevraagd.
Studerenden/werkenden
Alleenstaande ouders die studeren of een laag inkomen hebben kunnen in aanmerking komen voor bijstand voor de eigen bijdrage kinderopvang.
Voorliggende voorzieningen
Wet kinderopvang/ Belastingdienst
Bijzonderheden
Kinderopvang en peuterspeelzaal kunnen niet tegelijkertijd worden vergoed.
KOSTEN VERHUIZING
Bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van een onvoorziene verhuizing is mogelijk. De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt.
Vergoeding bijzondere bijstand
Alleen de kosten van de huur van een (verhuis)busje voor 1 dag worden vergoed. Uitgegaan wordt van de goedkoopste oplossing.
Voorliggende voorzieningen
De verhuiskostenvergoeding op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
LEGES VOOR AANVRAAG/VERLENGING
Het gaat hierbij om de legeskosten van (de verlenging van) een verblijfsvergunning.
VERBLIJFSVERGUNNING Vergoeding bijzondere bijstand
De legeskosten van (verlenging van) een verblijfsvergunning behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Voor deze kosten wordt de belanghebbende geacht te reserveren of een lening af te sluiten. Wanneer de belanghebbende niet in staat is geweest te reserveren voor deze kosten dan wel geen lening kan afsluiten, kan bijstand worden verstrekt. De kosten van (verlenging van) een verblijfsvergunning voor erkende vluchtelingen, statenlozen,B-9 situaties en op medische gronden (en hun kinderen) behoren wel tot de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor bijstand kan worden verleend. De bijstand kan worden verleend onder aftrek van de kosten van een identiteitskaart. De kosten die gemaakt worden voor een vergunning tot verblijf bij de partner voor een belanghebbende die geen recht heeft op bijstand behoren ook niet tot de noodzakelijke kosten van bestaan van de partner.
MAALTIJDVOORZIENING
Het gaat hierbij om de meerkosten van het laten verzorgen en bezorgen van de maaltijd ten opzichte van het bereiden van de eigen maaltijd.
Vergoeding bijzondere bijstand
Vergoeding via bijzondere bijstand is mogelijk voor de meerkosten. Er dient een indicatie te zijn van een WMO-consulent of een onafhankelijk medisch advies. Voor de kosten van de maaltijdvoorziening wordt uitgegaan van een maximum bedrag van € 5,50 per maaltijd.
OVERBRUGGINGSUITKERING
Voor belanghebbenden die een inkomen (vergelijkbaar) met zak- en kleedgeld ontvangen en die een woning is toegewezen wordt voor de kosten van eerste huur en de eerste weken levensonderhoud een overbruggingsuitkering verleend ter hoogte van de toepasselijke maandnorm exclusief vakantietoeslag. De bijstand wordt om niet verleend.
PEDICUREKOSTEN Vergoeding bijzondere bijstand
Voorliggende voorziening
De bijzondere bijstand bedraagt maximaal € 18,00 per maand.
De Zorgverzekeringswet.
PERSONENALARMERING
Het gaat hierbij om de abonnementskosten voor het personenalarm. Het personenalarmeringskastje wordt vergoed via de zorgverzekeringswet.
Vergoeding bijzondere bijstand
Als de noodzaak is vastgesteld door de zorgverzekering kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor de abonnementskosten
Voorliggende voorziening
De Zorgverzekeringswet.
PEUTERSPEELZAAL
Het gaat om de kosten van de eigen bijdrage voor de peuterspeelzaal.
Vergoeding bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand voor deze kosten is mogelijk, wanneer er een sociaal medische indicatie is.
Bijzonderheden
Kinderopvang en peuterspeelzaal kunnen niet tegelijkertijd worden vergoed.
PROTHESE BH/ -BADPAK
Kleding hoort tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waar in beginsel geen bijzondere bijstand voor wordt vergoed. In sommige gevallen bestaat er een noodzaak voor een prothese BH of een prothese badpak. Hiervoor kan bijzondere bijstand verstrekt worden.
Vergoeding bijzondere bijstand
De meerkosten worden vergoed onder aftrek van de normale kosten voor een BH of badpak. Voor het vaststellen van de normale kosten wordt gebruik gemaakt van de NIBUD-normen.
Bijzonderheden
Er kan per jaar maximaal twee keer een vergoeding worden verstrekt voor een prothese BH en voor een badpak één keer per vijf jaar.
REISKOSTEN:
Er kunnen reiskosten bestaan voor rechtbankbezoek, school voor kinderen, ziekenhuisbezoeken en bijvoorbeeld bezoek aan familieleden. Reiskosten behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Rechtbankbezoeken
Er is bijzondere bijstand mogelijk voor reiskosten naar de rechtbank, als het verplicht of noodzakelijk is dat de belanghebbende op de zitting verschijnt. Rechtbankbezoeken zijn geen regelmatig terugkerende bezoeken en kunnen daarom bijzondere noodzakelijke kosten zijn.
Detentie
Voor het bezoek aan partner en/of kinderen die in detentie verblijven kan bijstand worden verstrekt voor de reiskosten. Er wordt uitgegaan van maximaal één bezoek per twee weken. Bij meerderjarige kinderen wordt de noodzaak en de frequentie individueel vastgesteld.
Omgangsregeling minderjarige kinderen in pleeggezin of gezinsvervangend tehuis
Er kan bijstand worden verstrekt voor reiskosten voor het bezoek aan minderjarige kinderen die in een pleeggezin of gezinsvervangend tehuis wonen. Daarbij wordt uitgegaan van de door Jeugdzorg vastgestelde bezoekfrequentie. De reiskosten worden vergoed na indiening van een periodiek overzicht/verklaring van Jeugdzorg met de bezoekdata aan het kind/de kinderen.
Ziekenhuisbezoeken
Er kan bijstand worden verstrekt voor reiskosten wanneer partner en/of kinderen in het ziekenhuis zijn opgenomen. Daarbij wordt uitgegaan van maximaal één bezoek per dag. Bij meerderjarige kinderen wordt de noodzaak en de frequentie individueel vastgesteld.
Bijzonderheden
Er wordt uitgegaan van de goedkoopst mogelijke oplossing. Een belanghebbende mag wel met de eigen auto reizen, maar wanneer het openbaar vervoer goedkoper is wordt een bedrag ter hoogte van de kosten openbaar vervoer vergoed. De vergoeding bedraagt de brandstofkostenvergoeding (volgens de site van de ANWB) voor het geval dat een belanghebbende per auto heeft gereisd. Er wordt alleen bijstand voor reiskosten verstrekt wanneer een belanghebbende meer dan tien kilometer (enkele reis) moet reizen.
SCHULDEN
Bijstand voor schulden is op grond van artikel 13 lid 1 onder g niet mogelijk. De beoordeling c.q. uitvoering van bijstand voor schulden in geval van dringende
redenen ligt bij team Schulddienstverlening.
HOOFDSTUK 10 : MINIMAREGELINGEN INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG
Er bestaat geen recht op de individuele inkomenstoeslag als er in de laatste 36 maanden sprake is geweest van het verwijtbaar niet nakomen van arbeidsen/of re-integratieverplichtingen, waarvoor een maatregel van 50% of meer is opgelegd
STIMULERINGSREGELING SOCIAAL-CULTURELE
De stimuleringsregeling is een bijdrage voor de deelname aan allerlei activiteiten op sociaal en cultureel gebied. Bijvoorbeeld een cursus, een abonnement op de dierentuin, de bibliotheek, de sportclub of een abonnement op een krant.
ACTIVITEITEN Hoogte Stimuleringsregeling
Voorwaarden
PARTICIPATIEREGELING VOOR SCHOOLGAANDE KINDEREN
De bijdrage op grond van de stimuleringsregeling sociaal-culturele activiteiten bedraagt € 125,-,- per gezinslid van achttien jaar en ouder. Dit budget moet worden besteed in de participatiewebshop. 1.
Belanghebbende heeft op de aanvraagdatum minimaal één jaar een inkomen van maximaal 110% van de bijstandsnorm.
2.
De aanvraag moet voor 1 november worden ingediend.
De participatieregeling voor schoolgaande kinderen is een bijdrage die ouders kunnen krijgen voor hun schoolgaande kinderen zodat zij kunnen deelnemen aan diverse activiteiten zoals b.v. sporten, muziekles of schoolreis. Ouders van kinderen van vier tot achttien jaar die op hun adres staan ingeschreven, met een minimuminkomen, kunnen een budget krijgen voor allerlei activiteiten. Dit budget moet worden besteed in de participatiewebshop.
Hoogte participatieregeling
Voor kinderen die basisonderwijs volgen is de bijdrage € 275,00 per jaar. Jongeren die naar het voortgezet onderwijs gaan krijgen een bijdrage van € 400,- per jaar.
Voorwaarden
De schoolsituatie en leeftijd van het kind/de kinderen op datum van de aanvraag is bepalend voor de hoogte van de tegemoetkoming. Wanneer de situatie in de loop van het jaar wijzigt, wordt de hoogte van de tegemoetkoming niet gewijzigd. Er kan niet opnieuw worden aangevraagd. 1.