CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.15 XII - Aanmeldingsnotitie

Commissie Wonen en Ruimte 13 maart 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Hoogspanningsstation Veenoord’ gewijzigd vaststellen (14999-2023)12.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Archeologie Voor het thema archeologie is een bureauonderzoek archeologie 1 uitgevoerd (zie bijlage XII), waarin onder andere het archeologisch beleid en mogelijke archeologische waardes worden geïnventariseerd. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Emmen hebben onderdelen van het projectgebied een hoge tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan (Buitengebied 2011) hebben deze zones de waarde ‘archeologie 4’ gekregen. Ten zuiden van de A37 liggen tevens gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde. Deze gebieden hebben echter in het daar geldende bestemmingsplan (Nieuw-Amsterdam-Veenoord, Bedrijventerrein de Tweeling) geen dubbelbestemming archeologie gekregen. Volgens de beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen is hier echter ook waarde Archeologie 4 van toepassing. Volgens de beleidsregels is bij grondwerkzaamheden binnen zones met waarde archeologie 4 archeologisch onderzoek verplicht, tenzij de omvang van het onderzoeksgebied kleiner is dan 1000 m2 en de verstoringsdiepte minder dan 0,3 m-mv. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Coevorden valt het projectgebied grotendeels in gebieden met een lage of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Een klein deel overlapt met een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde.

Voor de gebieden met een hoge verwachtingswaarde geldt een verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij een verstoringsdiepte van 0,3 m-mv of meer. Voor de gebieden met een lage of middelhoge verwachtingswaarde geldt deze verplichting alleen als het onderzoeksgebied groter is dan 500 m2. Tot slot overlapt het plangebied met archeologische beekdalen die onderdeel zijn van het provinciale archeologiebeleid. De provincie stuurt hier op een goede uitvoering van archeologisch onderzoek, conform de gangbare, in de beroepsgroep geldende kwaliteitseisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Op basis van bovengenoemd archeologisch beleid en gebiedskenmerken is in het vooronderzoek archeologie een gespecificeerde archeologische verwachting gedefinieerd voor het projectgebied (zie afbeelding 3.4). Hieruit blijkt dat in het projectgebied waardevolle archeologische resten aanwezig kunnen zijn, die bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Voor deze gebieden is een verdiepend veldonderzoek2 uitgevoerd op basis van het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) om de archeologische verwachting te toetsen (zie bijlage XIII). Op basis hiervan kan de aanwezigheid van vindplaatsen met een matig-hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van meer dan 1000 m2 worden uitgesloten.

De aanwezigheid van vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, een kleine omvang of alleen een sporenniveau kan niet overal worden uitgesloten, maar omdat de kans op een waardevolle archeologische vindplaats klein is wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Waarbij wordt geadviseerd de aannemer te wijzen op de plicht om eventuele ‘toevalsvondsten’ te melden bij de bevoegde overheid.

1

Van Hoof, B.I. (2021). Netversterking Noord-Oost Nederland (NNON), locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. RAAP, Weesp.

2

Hanemaaijer, M. (2021). Netversterking Noord-Oost Nederland, locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden; een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en deels karterend booronderzoek. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort.

26 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Afbeelding 3.4 Gespecificeerde archeologische verwachtingenkaart

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect archeologie, omdat voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden op basis waarvan is bepaald dat de kans op waardevolle archeologische vindplaatsen klein is. Voor de aanlegfase wordt een extensieve begeleiding op het gebied van archeologie geadviseerd. Aardkunde, landschap en cultuurhistorie Het project ligt in een gebied met een generieke bescherming ten aanzien van aardkundige waarden, zoals dit volgt uit de provinciale Omgevingsverordening. Hiervoor geldt dat de provincie van de gemeenten verwacht dat zij nagaan welke kenmerkende aardkundige waarden aanwezig zijn en hieraan bescherming geven via het bestemmingsplan en initiatieven beoordeling op basis van de aardkundige waarden. Het project kruist met een aantal gebiedskenmerken van cultuurhistorisch belang (zie afbeelding 3.5). Zo kruisen de lijn- en kabelverbindingen richting mast 116 een ‘cultuurhistorische lijn’ (de Verlengde Hoogeveense Vaart).

27 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Doordat de bovengrondse lijnverbinding op een ongewijzigde locatie deze cultuurhistorische lijn kruist en de ondergrondse 110kV-kabelverbinding de cultuurhistorische lijn door middel van een boring kruist, zullen geen (nieuwe) effecten optreden op dit cultuurhistorisch lijnelement. Daarnaast zijn een deel van het hoogspanningsstation zelf en de bijbehorende verbindingen gelegen in een cultuurhistorisch beekdal. Het provinciaal beleid in dit gebied is gericht op het behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting. In de eindsituatie loopt de 110kVkabelverbinding ondergronds en de 380kV-lijnverbinding grotendeels over hetzelfde tracé als de huidige situatie, waardoor hiervan weinig effecten te verwachten zijn op het landschap door de verbindingen.

Afbeelding 3.5 Archeologische en cultuurhistorische elementen van provinciaal belang

28 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Om de landschappelijke effecten van het hoogspanningsstation en de nieuwe bovengrondse lijnverbindingen direct daaromheen (buiten de bestaande verbinding) zoveel mogelijk te beperken wordt het hoogspanningsstation landschappelijk ingepast. Hiervoor wordt met een ‘werkgroep landschappelijke inpassing’ samengewerkt, waarin door omwonenden, vertegenwoordigers van TenneT en Enexis, de gemeente Emmen en specialisten van het advies- en ingenieursbureau Movares een landschapsplan wordt samengesteld. Het ontwerp van het landschapsplan is door de gemeente Emmen beoordeeld en akkoord bevonden. In dit landschapsplan wordt een selectie gemaakt van passende, duurzame en gedragen maatregelen die het hoogspanningsstation gewenste inpassing geven in het landschap. Het landschapsplan wordt onderdeel van het bestemmingsplan. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de structuur, elementen en kenmerken van het landschap en deze waar mogelijk versterkt. Als onderdeel van dit project wordt in de aanlegfase ook een tijdelijke bovengrondse 380kV-lijnverbinding aangelegd, parallel aan de bestaande bovengrondse lijnverbinding. Vanwege de tijdelijke aard van deze ontwikkeling en de ligging parallel aan de huidige verbinding worden geen onevenredige effecten verwacht op landschap, cultuurhistorie of aardkunde door deze ontwikkeling.

Conclusie Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen voor het aspect aardkunde, landschap, en cultuurhistorie. Het project is niet gelegen in gebieden met een beschermde aardkundige waarde. Omdat de verbindingen grotendeels ondergronds of over het tracé van de bestaande lijnverbindingen lopen worden geen aanvullende landschappelijke of cultuurhistorische effecten verwacht voor deze verbindingen. Rondom het station zelf vindt landschappelijke inpassing plaats om de landschappelijke en cultuurhistorische effecten van het station en de nieuwe bovengrondse verbindingen hier direct omheen zoveel mogelijk te mitigeren. Hiermee wordt voorkomen dat er onevenredige effecten plaatsvinden met betrekking tot landschap of cultuurhistorie.

3.1.7

(Externe) veiligheid

Hoogspanningsstations en -verbindingen zijn geen kwetsbaar of beperkt kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hoogspanningsstations en -verbindingen vallen daarnaast ook niet onder de categorie ‘risicovolle inrichtingen’. Op het terrein vindt geen opslag van gevaarlijke stoffen plaats. Derhalve is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoering van de plannen. Daarnaast hanteert TenneT standaarden (programma’s van eisen) waaraan haar assets moeten voldoen. Hiermee wordt onder andere de veiligheid van (personeel op) assets geborgd, evenals het voldoen aan relevante wet- en regelgeving. Een voorbeeld hiervan zijn de standaarden waarmee wordt geborgd dat voldaan wordt aan de standaarden op het gebied van brandveiligheid, zoals het Bouwbesluit 2012 (zie tekstkader). Brandveiligheid TenneT hanteert standaarden (programma’s van eisen) waaraan haar assets moeten voldoen. Deze standaarden borgen tevens dat voldaan wordt aan geldende wet- en regelgeving waaronder het Bouwbesluit.

Ten aanzien van ‘Weerstand brand doorslag brand overslag (WBDBO)’ hanteert TenneT de volgende voor het CDG (centraal dienstengebouw) de volgende relevante eisen: - de WBDBO van scheidende bouwkundige elementen van de ruimte met vitale installaties naar een naastliggende ruimte of installatie is 120 minuten; - voor deuren geldt dat bij een WBDBO van meer of gelijk aan 60 minuten er deurdrangers worden toegepast (deuren zijn zelfsluitend). Ten aanzien van verlichting en vluchtrouteaanduiding geldt conform de TenneT-eisen dat technische ruimten zijn voorzien van vluchtdeuren met een Anti-paniekslot en een Anti-paniekbalk. Alle omsloten ruimten zijn voorzien van noodverlichting (LED) en vluchtwegverlichting (LED) die bij stroomuitval

29 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

automatisch overschakelen op de noodstroom-/hulpstroomvoorziening van het schakelstation (accubatterij van het schakelstation). De vluchtwegverlichting (pictogram) is tevens voorzien van een accu ingeval van het wegvallen van de noodstroom-/hulpstroomvoorziening van het hoogspanningsstation. Ten aanzien van de bestrijding van brand geldt dat het CDG wordt voorzien van een brandmeldinstallatie conform de hierop betrekking hebbende eisen. Alle verblijfs-, verkeers- en technische ruimten zijn voorzien van brandblussers. Alle toegepaste brandblussers moeten CO2 brandblussers van 5 kg zijn. Het blussen met water of poeder (zouten) in technische ruimten is niet toegestaan. Het toepassen van een vaste blusinstallatie is eveneens niet toegestaan. In het CDG staan alleen de secundaire installaties; de daadwerkelijk hoogspanningsinstallaties bevinden zich buiten het CDG. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect externe veiligheid, omdat het project niet voorziet in het realiseren van een of meerdere (beperkt) kwetsbare objecten of risicovolle inrichtingen. Daarnaast worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen op het hoogspanningsstation. De veiligheid van en op de hoogspanningsstationslocatie (bijvoorbeeld met betrekking tot brandveiligheid) wordt geborgd door het vastgelegde beleid van TenneT.

3.1.8

Ontplofbare oorlogsresten (OO)

Voor het aspect ontplofbare oorlogsresten is een bureauonderzoek ontplofbare oorlogsresten (OO) uitgevoerd1. Dit onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen of in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat (delen van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is geweest bij oorlogshandelingen waardoor er mogelijk OO in de bodem zijn achtergebleven (zie bijlage XIV). Voor het bureauonderzoek zijn onder andere literatuur, gemeentelijke en provinciale archieven, Nederlands Instituut Militaire Historie, Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Explosieven Opruimingsdienst en luchtfoto’s geraadpleegd. Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het plangebied niet verdacht is op OO. Wel hebben er in de directe omgeving diverse oorlogshandelingen plaatsgevonden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat deze oorlogshandelingen hebben geleid tot achtergebleven OO in het gebied. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek OO kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet verdacht is op OO. Derhalve kunnen de voorgenomen ontwikkelingen regulier, zonder vervolgstappen op het gebied van OO worden gerealiseerd.

3.1.9

Luchtkwaliteit

Als gevolg van de bouwwerkzaamheden kan in de aanlegfase een verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Deze verslechtering is lokaal en tijdelijk van aard. Emissies in de gebruiksfase zijn verwaarloosbaar. Het nieuwe hoogspanningsstation wordt elektrisch verwarmd en heeft bij regulier gebruik geen stookinstallaties of productieprocessen waarbij emissies vrijkomen. Het hoogspanningsstation bevat wel een diesel noodstroomaggregaat (NSA). Dit NSA wordt periodiek getest en ingezet bij calamiteiten. Vanwege de aard en omvang van het NSA gaat het hierbij slechts om een tijdelijke en geringe verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling leidt ook niet tot een significante toename van verkeer (enkel periodiek onderhoud en reparaties).

1

Bombs Away (24 februari 2021). Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (Conventionele Explosieven) Netversterking Noordoost Nederland, Locatie Veenoord-Boerdijk (VOB), Gemeente Emmen en Coevorden. Kenmerk 20P258.

30 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

In het plangebied liggen de huidige concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de wettelijke grenswaarden zoals vastgesteld in de Wet milieubeheer. Het project beïnvloedt niet in betekenende mate de luchtkwaliteit omdat de uitstoot in zowel de aanleg- als de gebruiksfase gering en tijdelijk is en de huidige achtergrondwaarden in het projectgebied ruim onder de grenswaarden liggen. In de gebruiksfase kan mogelijk een geringe hoeveelheid SF 6 (broeikasgas gebruikt als isolatiegas en blusmiddel in vermogensschakelaars, zie tekstkader) vrijkomen. Hierbij wordt voldaan aan het wettelijk maximum van 0,5 % per jaar. Zwavelhexafluoride (SF6) Binnen het hoogspanningsstation wordt SF6 gebruikt als isolatiemiddel. SF6 is een broeikasgas dat wordt gebruikt als isolatiegas en blusmedium in vermogensschakelaars. Het SF6 wordt toegepast in de vermogensschakelaars (onderdeel van de transformatorvelden om de verbindingen in en uit te kunnen schakelen). Momenteel is er geen technisch betrouwbaar alternatief voor het gebruik van SF 6 als vlamdovend medium in circuitonderbrekers, welke geschikt zijn voor spanningen van 220kV en hoger.

Voor stroomonderbrekers geschikt voor spanningen van 110/150kV zijn andere brandblusmiddelen zoals olie en lucht technisch mogelijk, deze worden echter vanwege hun relatieve dure ontwerp- en onderhoudsbehoeften, niet langer aangeboden door de belangrijkste fabrikanten. Verschillende fabrikanten zijn begonnen met het ontwikkelen van 110/150kV stroomonderbrekerbasis op vacuümonderbrekingtechnologie. De ontwikkelingen dekken echter nog niet de specificaties die vereist zijn voor algemeen gebruik in het elektriciteitsnet van TenneT. Er moet nog worden geconcludeerd of TenneT het gebruik van SF6 in stroomonderbrekers niet kan weglaten op de middellange termijn. Waar schakelinstallaties met SF6 worden toegepast zal altijd sprake zijn van enige SF6 lekkage naar de buitenlucht, bijvoorbeeld als gevolg van installeren, uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, fabricagefouten of veroudering van de installatie. Vanzelfsprekend tracht men om SF6-verlies tijdens het gebruik van de installaties zo laag mogelijk te houden (richtlijn is 0,5 % per jaar). Op Europees niveau is besloten dat de elektriciteitssector nog wel (zij het onder aangescherpte regels) gebruik kan maken van SF6. Voor een aantal andere sectoren is het gebruik inmiddels verboden.

In Nederland wordt de toepassing van SF6 strikt gemonitord, zodat de overheid kan nagaan of de markt zich daadwerkelijk inspant om de toepassing van SF 6 zoveel mogelijk te beperken. In het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen streeft TenneT naar minimalisatie van de SF6 lekkage. Conclusie Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot luchtkwaliteit omdat de uitstoot in zowel de aanleg- als de gebruiksfase gering en tijdelijk is en de huidige achtergrondwaarden in het projectgebied ruim onder de grenswaarden liggen. Mogelijk komen er geringe hoeveelheden SF6 vrij in de gebruiksfase. Hierbij wordt voldaan aan het wettelijk maximum van 0,5 % per jaar. Eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit is lokaal en van tijdelijke aard.

3.1.10 Trillingen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient het aspect trillingen beoordeeld te worden. Trillingen bewegen zich door de bodem en gebouwconstructies. De effecten als gevolg van trillingen kunnen zijn: schade aan gebouwen en hinderbeleving. Naast hinder voor mensen kunnen de effecten van trillingen ook zijn schade of verstoring van trilling gevoelige apparatuur. In tegenstelling tot de Wet geluidhinder bij geluid, bestaat in Nederland nog geen wettelijk kader voor trillingen. De beoordeling van trillingen vindt daarom zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De Stichting Bouw Research (hierna: SBR) meet- en beoordelingsrichtlijn is in Nederland de meest gebruikte richtlijn voor het meten en beoordelen van trillingen. De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Tijdens de aanlegfase vinden echter aanlegwerkzaamheden plaats (onder andere tijdelijke heiwerkzaamheden) die

31 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

trillingen in de bodem kunnen veroorzaken. Hierbij ligt het zwaartepunt bij de aanleg van het hoogspanningsstation. De bodem in en rondom het projectgebied bestaat voornamelijk uit zandgronden. Dit zijn weinig trilling gevoelige grondsoorten. In de regel wordt voor dit soort gronden nader onderzoek aanbevolen voor woningen of andere trilling gevoelige objecten binnen 100 m van de trillingsbron. Op meer dan 250 m van de trillingsbron zijn voor zandgronden de effecten van trillingen verwaarloosbaar. Gezien de afstand van het werkterrein (exclusief toegangsweg) tot de dichtstbijzijnde woning (Emerveen 1, circa 280 m van mast 121) is de verwachting dat trillingen op deze afstand geen negatief effect hebben. Voor bedrijven geldt een richtafstand van circa 20-30 m van de trillingsbron voor trillinghinder. De minimale afstand tussen bedrijven en trillingsbronnen voor de werkzaamheden bedraagt ongeveer 700 m. Derhalve worden ook hiervoor geen noemenswaardige negatieve effecten verwacht. Ten aanzien van het opstijgpunt bij mast 116 geldt dat de dichtstbijzijnde woning op circa 35 m ligt. Aangezien de werkzaamheden hier beperkt zijn, zijn er geen negatieve effecten te verwachten voor de woningen. Conclusie Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot trillingen doordat, waar nodig, maatregelen worden genomen.

3.1.11 Verkeershinder Tijdens de aanlegfase kan verkeershinder ten gevolge van het benodigde bouwverkeer niet geheel worden uitgesloten. In alle gevallen zal worden voorkomen dat woningen of bedrijven onbereikbaar zijn. Door goede communicatie zullen belanghebbenden tijdig in de gelegenheid worden gesteld om kennis te nemen van de plannen, waardoor overlast tot een minimum beperkt zal blijven. Indien nodig worden door de aannemer tijdelijke verkeersmaatregelen getroffen, zoals verkeersregelaars, tijdelijke verkeersborden of tijdelijke verkeerslichten. De te selecteren aannemer dient zich te allen tijde te houden aan geldende wet- en regelgeving met betrekking tot de verkeersveiligheid. In de gebruiksfase zorgt het project niet voor een wezenlijke verkeersaantrekkende werking, waardoor omliggende woningen of bedrijvigheid hinder zouden kunnen ondervinden. Extra verkeersbewegingen in de gebruiksfase beperken zich tot periodiek onderhoud en eventuele reparaties en leiden niet tot extra verkeershinder. Conclusie Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot verkeershinder doordat eventuele verkeershinder zicht beperkt tot de aanlegfase en beperkt van aard is. Indien nodig worden maatregelen genomen om onveilige situaties te voorkomen.

32 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

4 SAMENVATTENDE CONCLUSIES 4.1

Samenvatting milieu- en omgevingseffecten

Tabel 4.1 geeft per milieuthema de conclusie van de milieu- en omgevingseffecten weer.

Tabel 4.1 Samenvatting van de milieu- en omgevingseffecten Aspect

Effect

Toelichting

geluid

geen grote nadelige gevolgen

eventueel geluidsoverlast in de aanlegfase is lokaal en tijdelijk van aard en hierbij wordt de geluidsbelasting bewaakt in de gebruiksfase geldt dat ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen voldaan kan worden aan de redelijkerwijs te stellen criteria op grond van de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus, waardoor sprake is van een toelaatbare en toepasbare situatie. Daarnaast geldt dat binnen de woningen niet of nauwelijks sprake is van laagfrequent geluid voor de voorgenomen ontwikkeling dient een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld te worden. Het vaststellen van een dergelijke zone is mogelijk zonder daarbij op bezwaren van geluidstechnische aard te stuiten

magneetvelden

geen nadelige gevolgen verwacht

door de ontwikkelingen komen geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone en/of magneetveldcontour te liggen. Derhalve is er geen sprake van grote nadelige effecten voor het thema magneetvelden

natuur

geen grote nadelige gevolgen

de gronden ter hoogte van de stationslocatie kennen geen bijzondere natuurwaarde. Wel dienen bomen gekapt te worden voor de gewijzigde 380kV-lijnverbinding. De kap van bomen wordt gecompenseerd. Er bevinden zich geen natuurgebieden met een beschermde waarde in of direct rondom de projectlocatie. De uitgevoerde stikstofdepositieberekening onderbouwt dat er geen sprake is van stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden. Door middel van een natuurtoets zijn mogelijke in het gebied voorkomende beschermde soorten in kaart gebracht. Voor deze soorten wordt voor aanvang van de werkzaamheden soortgericht onderzoek uitgevoerd om het voorkomen van deze soorten vast te stellen en om juridische en economische kaders voor de uitvoering en eventuele benodigde mitigerende maatregelen in kaart te brengen. Derhalve is er geen sprake van grote nadelige effecten voor het thema natuur

bodem

geen grote nadelige gevolgen. mogelijke positieve gevolgen

er is veldonderzoek gedaan naar mogelijke verontreiniging op basis waarvan passende maatregelen genomen kunnen worden voor de aanleg. Bij sanering van verontreinigde gronden zal een positief effect optreden op de bodemkwaliteit. In de gebruiksfase is binnen de inrichting sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico conform de NRB. Het projectgebied ligt op weinig zettingsgevoelige grond (zandgrond en kleine veen- en leemlagen boven de grondwaterspiegel) waardoor onttrekking van grondwater niet tot versnelde zetting van de grond leidt

water

geen grote nadelige gevolgen.

het project ligt niet binnen grondwaterbeschermings-, waterwin-, of waterbergingsgebieden. Kruising van de Verlengde Hoogeveense Vaart gebeurt door middel van een gestuurde boring. Watercompensatie is vastgelegd in het landschapsplan. Effecten op grondwater zijn beperkt en van tijdelijke aard. Op het

33 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Aspect

Effect

Toelichting hoogspanningsstation worden maatregelen getroffen met betrekking tot de waterhuishouding

archeologie

geen grote nadelige gevolgen

er heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden op basis waarvan het projectgebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Extensieve begeleiding wordt geadviseerd. Eventuele ‘toevalsvondsten’ kunnen niet worden uitgesloten en dienen te worden gemeld aan het bevoegd gezag

landschap, cultuurhistorie en aardkunde

geen grote nadelige gevolgen.

het project is niet gelegen in gebieden van een bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarde. De aard van de locatie, de vergelijkbare ligging van de bestaande bovengrondse lijnverbinding maken dat de verwachte effecten op het landschap, cultuurhistorie en aardkunde zeer beperkt zijn. Daarnaast wordt voor het nieuwe hoogspanningsstation een landschapsplan opgesteld wat zorgt voor een goede inpassing in de omgeving

ontplofbare oorlogsresten (OO)

geen nadelige gevolgen.

vooronderzoek heeft uitgewezen dat het projectgebied niet verdacht is op OO

luchtkwaliteit

geen grote nadelige gevolgen.

eventuele verslechtering van luchtkwaliteit is lokaal en tijdelijk van aard. Derhalve is er geen sprake van grote nadelige effecten voor het thema luchtkwaliteit

trillingen

geen grote nadelige gevolgen.

woningen en bedrijven liggen op een dusdanige afstand dat geen noemenswaardige trilling effecten worden verwacht

verkeershinder

geen grote nadelige gevolgen.

eventuele verkeershinder beperkt zich tot de aanlegfase en leidt niet tot grote nadelige gevolgen

4.2

Kenmerken van de potentiële effecten

Tabel 4.2 Kenmerken van de potentiële effecten Kenmerk

Toelichting

bereik van het effect

de effecten zijn lokaal van aard en hebben dus alleen betrekking op het plangebied zelf en de directe omgeving. Effecten ten behoeve van de aanleg zijn tijdelijk van aard

grensoverschrijdend karakter

de effecten hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is dus geen sprake van grote nadelige grensoverschrijdende effecten

waarschijnlijkheid effect

gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden en het lokale karakter van de effecten zijn grote negatieve milieu- en omgevingseffecten onwaarschijnlijk

duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect

de meeste effecten ten gevolge van de aanleg zijn van tijdelijke aard en eenmalig. Deze effecten zijn omkeerbaar door de aanleg te beëindigen. Alleen de thema’s bodem (zettingen), natuur en water kunnen onomkeerbare gevolgen hebben. De kans op deze effecten is echter klein doordat passende maatregelen worden genomen (bodem), of de effecten worden gemitigeerd (water/natuur). De effecten ten gevolge van het gebruik doen zich voor zolang het hoogspanningsstation en de hoog- en middenspanningsverbindingen in gebruik zijn, hetgeen in beginsel voor de komende decennia het geval is

4.3

Conclusie

Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project, kan worden geconcludeerd dat het project geen grote negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling is daarom, op basis van de informatie zoals gepresenteerd in deze aanmeldingsnotitie, niet noodzakelijk.

34 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Bijlage(n)

I BIJLAGE: GELUIDSONDERZOEK

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage I | Definitief 02

II BIJLAGE: NATUURTOETS (QUICKSCAN)

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage II | Definitief 02

III BIJLAGE: DASSENONDERZOEK

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage III | Definitief 02

IV BIJLAGE: ONDERZOEK GROTE BOSMUIS EN VELDSPITSMUIS

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage IV | Definitief 02

V BIJLAGE: INVENTARISATIE NESTEN EN BOOMHOLTES

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage V | Definitief 02

VI BIJLAGE: ONDERZOEK DRAADSLACHTOFFERS

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage VI | Definitief 02

VII BIJLAGE: STIKSTOFDEPOSITIEBEREKENING

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage VII | Definitief 02

VIII BIJLAGE: HISTORISCH VOORONDERZOEK BODEM

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage VIII | Definitief 02

IX BIJLAGE: VERKENNEND (WATER)BODEMONDERZOEK

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage IX | Definitief 02

X BIJLAGE: BEMALINGSADVIES

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage X | Definitief 02

XI BIJLAGE: WATERTOETS

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage XI | Definitief 02

XII BIJLAGE: ARCHEOLOGISCH VOORONDERZOEK

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage XII | Definitief 02

XIII BIJLAGE: INVENTARISEREND ARCHEOLOGISCH VELDONDERZOEK

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage XIII | Definitief 02

XIV BIJLAGE: VOORONDERZOEK ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Bijlage XIV | Definitief 02

V.O.F. ACT TWB

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=22bc5510-e4c4-4857-873b-d1872d5dea14