CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.15 XII - Aanmeldingsnotitie

Commissie Wonen en Ruimte 13 maart 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Hoogspanningsstation Veenoord’ gewijzigd vaststellen (14999-2023)12.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

TenneT TSO B.V. en Enexis Netbeheer B.V. 31 augustus 2022

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk TenneT TSO B.V. en Enexis Netbeheer B.V.

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Definitief 02 31 augustus 2022 125549/22-012.368

125549 ing. I.J.M. de Beer K.A. Haans MSc

M.E. Graff MSc, R. de Jong MSc Mr. E. J. Overbosch-de Graaf/ing. I.J.M. de Beer Ing. I.J.M. de Beer

Paraaf

Adres

ACT TWB Postbus 133 7400 AC Deventer

Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd op basis van ISO 9001.

Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Er wordt geen aansprakelijkheid aanvaardt voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Achtergrond van het project

5

1.1.1 1.1.2

5 6

Aanleiding Voornemen

1.2

Noodzaak vormvrije m.e.r.-beoordeling

8

1.3

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

10

1.4

Werkwijze

10

1.5

Leeswijzer

10

2

PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT

11

2.1

Plaats van het project

11

2.1.1 2.1.2 2.1.3

11 12 12

Locatie van het project Huidig grondgebruik Kwetsbaarheid van het milieu

2.2

Kenmerken van het project

13

3

BESCHRIJVING EN BEOORDELING VAN DE MILIEU- EN OMGEVINGSEFFECTEN

15

Milieu- en omgevingseffecten per thema

15

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8 3.1.9 3.1.10 3.1.11

15 17 18 22 24 26 29 30 30 31 32

3.1

Geluid Magneetvelden Natuur Bodem Water Archeologie, aardkunde, landschap en cultuurhistorie (Externe) veiligheid Ontplofbare oorlogsresten (OO) Luchtkwaliteit Trillingen Verkeershinder

4

SAMENVATTENDE CONCLUSIES

33

4.1

Samenvatting milieu- en omgevingseffecten

33

4.2

Kenmerken van de potentiële effecten

34

4.3

Conclusie

34

Laatste pagina

34

Bijlage(n) I

Geluidsonderzoek

65

II

Natuurtoets (quickscan)

31

III

Dassenonderzoek

25

IV

Onderzoek grote bosmuis en veldspitsmuis

14

V

Inventarisatie nesten en boomholtes

8

VI

Onderzoek draadslachtoffers

7

VII

Stikstofdepositieberekening

30

VIII

Historisch vooronderzoek bodem

59

IX

Verkennend (water)bodemonderzoek

1788

X

Bemalingsadvies

155

XI

Watertoets

28

XII

Archeologisch vooronderzoek

44

XIII

Inventariserend archeologisch veldonderzoek

171

XIV

Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten

61

1 INLEIDING 1.1

Achtergrond van het project

1.1.1

Aanleiding

TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) en Enexis Netbeheer B.V. (hierna: Enexis) zijn als respectievelijk landelijke netbeheerder van het hoogspanningsnet en regionale netbeheerder van het middenspanningsnet in Noordoost-Nederland verantwoordelijk voor de leveringszekerheid van elektriciteit. Er zijn aanpassingen en uitbreidingen van het hoogspanningsnet noodzakelijk. Dit is nodig om de energietransitie mogelijk te maken en het sterk stijgende aanbod van duurzame elektriciteitsproductie, zoals zonne- en windenergie op het netwerk te kunnen aansluiten en te transporteren. Daarnaast is uitbreiding van het hoogspanningsnet nodig om op termijn te kunnen voldoen aan de verwachte groei van de vraag naar elektriciteit. TenneT en Enexis zijn voornemens het nieuwe 380/110kV-hoogspanningsstation en 20kVmiddenspanningsstation ‘Veenoord-Boerdijk’ (hierna: hoogspanningsstation) te realiseren in de gemeente Emmen, nabij de gemeentegrens met de gemeente Coevorden. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling worden de te verwachten milieu- en omgevingseffecten beschreven van dit hoogspanningsstation (in de gemeente Emmen) en de daarbij behorende verbindingen (in de gemeenten Emmen en Coevorden).

Op basis hiervan kan het bevoegd gezag (gemeenten Emmen en Coevorden) beoordelen of er sprake is van milieu- en omgevingseffecten van een dusdanige aard dat het doorlopen van een milieueffectrapportage (m.e.r.procedure) of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Netversterking Noordoost Nederland van TenneT en Enexis TenneT werkt samen met regionale netbeheerders zoals Enexis, aan het versterken van het elektriciteitsnet in Drenthe en Groningen. Dat is nodig om de energietransitie mogelijk te maken en het sterk stijgende aanbod van duurzame elektriciteitsproductie, zoals zonne- en windenergie op het elektriciteitsnet te kunnen aansluiten en op termijn ook te kunnen voldoen aan de verwachte groei van de vraag naar elektriciteit. De versterking van het elektriciteitsnet vindt onder meer plaats door nieuwe 380/110kV en 220/110kV hoogspanningsstations te bouwen en bestaande hoogspanningsstations uit te breiden. De verschillende deelprojecten vallen onder de 'Netversterking Noordoost Nederland' (NNON). De geplande uitbreidingen en nieuwbouw zijn in de onderstaande afbeelding schematisch weergegeven.

5 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Afbeelding 1.1 Geplande uitbreidingen in Noordoost Nederland van TenneT

1.1.2

Voornemen

In opdracht van TenneT is in het kader van de NNON een locatieonderzoek uitgevoerd voor een nieuw hoogspanningsstation in de gemeente Emmen of gemeente Coevorden (zie navolgende kader). Locatiekeuze Om de grote hoeveelheid duurzaam opgewekte energie in Noordoost-Nederland te kunnen afvoeren op het hoogspanningsnet, is het nodig het 110kV-net te splitsen in deelnetten (load pockets). Door de realisatie van deelnetten wordt het 110kV-net niet langer gebruikt voor elektriciteitstransport tussen afzonderlijke netdelen. Dat transport verloopt dan via het hoogspanningsnet op de hogere spanningsniveaus (220 en 380kV). Deze netstructuur vereist extra koppelpunten tussen het 110kV-net en het 220- en 380kV-net. Eén van de te realiseren deelnetten in Noordoost-Nederland bedient grofweg de gemeenten Emmen en Coevorden. Bij het zoeken naar geschikte locaties voor het koppelpunt voor dit deelnet (het nieuwe 380/110kVhoogspanningsstation) is gestreefd naar een locatie die onder of direct naast de bestaande 380/110kVlijnverbinding Zwolle-Meeden ligt, zodat er zo min mogelijk nieuwe hoogspanningsverbindingen aangelegd hoeven te worden. Enerzijds om het ruimtebeslag te limiteren, anderzijds om de visuele impact op de omgeving en het landschap te beperken. Er zijn meerdere locaties beschouwd.

Deze locaties zijn besproken in meerdere overleggen met Enexis, de gemeente Emmen, de gemeente Coevorden en de provincie Drenthe. Uit het locatieonderzoek kwam naar voren dat de locatie ten noorden van afrit Veenoord het meest geschikt is om een hoogspanningsstation te bouwen met directe aansluiting op de 380kV-lijnverbinding. De locatie is landschappelijk goed in te passen, heeft relatief weinig woningen in de directe omgeving die ook nog eens op een ruime afstand liggen (meer dan 300 m, richtafstand milieu inrichting). Door de gunstige ligging naast de bestaande verbinding dient de bovengrondse hoogspanningsverbinding beperkt te worden aangepast en op de gekozen locatie (door TenneT en Enexis) kan het project worden gerealiseerd tegen de laagste maatschappelijke kosten.

6 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Op basis van het locatieonderzoek en de overleggen hebben TenneT en Enexis besloten om in de gemeente Emmen het nieuwe 380/110kV-hoogspanningsstation en 20kV-middenspanningsstation ‘Veenoord-Boerdijk’ (hierna: hoogspanningsstation) te realiseren in het zuidoosten van de provincie Drenthe. Omdat het nieuwe hoogspanningsstation is voorzien nabij de gemeentegrens Emmen/Coevorden vallen de benodigde nieuwe en aangepaste verbindingen om het nieuwe hoogspanningsstation aan te sluiten op de bestaande hoogspanningsverbinding gedeeltelijk ook binnen de gemeente Coevorden. De ontwikkeling bestaat uit de volgende onderdelen (zie ook afbeelding 1.2).

Ontwikkeling binnen de gemeente Emmen - realisatie van een 380/110kV hoogspanningsstation; - realisatie nieuw middenspanningsstation Enexis (20 kV); - realisatie van een toegangsweg naar het nieuwe hoogspannings- en middenspanningsstation vanaf de N376; - aanleggen van de landschappelijke inpassing van het nieuwe hoogspannings- en middenspanningsstation overeenkomstig het landschapsplan; - aanpassing van de 380kV-lijnverbinding tussen mast 119 en 121 ten behoeve van aansluiting op hoogspanningsstation; - reconstructie (verwijderen van 110kV-lijnen tussen gemeentegrens en mast 121) van de bestaande bovengrondse 110/380kV-lijnverbinding; - realisatie nieuwe masten (119B, 120A, 120B en 120C); - verwijderen van de bestaande masten 119 en 120 (en verwijderen lijnen tussen deze masten); - realisatie van ondergrondse 110kV-kabelverbinding vanaf het nieuwe hoogspanningsstation tot de gemeentegrens (in zuidwestelijke richting, parallel aan de zuidzijde van de A37, richting mast 116); - realisatie van ondergrondse 110kV-kabelverbinding tussen het nieuwe hoogspanningsstation tot aan het opstijgpunt bij mast 121; - realisatie van opstijgpunt bij mast 121; - het gedeeltelijk laten vervallen van de bestaande dubbelbestemming die geldt ter plekke van de huidige 380/110kV-lijnverbinding (maximaal 2 jaar na realisatie hoogspanningsstation); - kabelstroken voor de realisatie van de ontsluiting

van het middenspanningsnet van de regionale netbeheerder Enexis; - laten vervallen van de bestaande dubbelbestemming die een bovengrondse 110kV-lijnverbinding (Veenoord - Hoogeveen) mogelijk maakt. Deze is niet meer in gebruik. Ontwikkeling binnen de gemeente Coevorden - het opstijgpunt bij mast 116 voorzien van een enkelbestemming; - realisatie van ondergrondse 110kV-kabelverbinding vanaf de gemeentegrens, parallel en ten zuiden van de A37 tot aan het opstijgpunt bij mast 116; - kabelstroken voor de realisatie van de ontsluiting van het middenspanningsnet van de regionale netbeheerder Enexis; - reconstructie (verwijderen van 110kV-lijnen tussen mast 116 en gemeentegrens) van de bestaande bovengrondse 380kV-lijnverbinding, inclusief het toepassen van een tijdelijke voorziening (wordt niet opgenomen in bestemmingsplan); - realisatie mast 119A ten zuidwesten ter vervanging van huidige mast 119; - het gedeeltelijk laten vervallen van de bestaande dubbelbestemming die geldt ter plekke van de huidige 380/110kV-lijnverbinding (maximaal 2 jaar na ingebruikname nieuwe 380kV-lijnverbinding en ondergrondse 110kV-kabelverbinding) vanaf mast 119A tot aan gemeentegrens; - aanpassen 380kV-lijnverbinding tussen mast 118 en 119 (tot aan de nieuwe mast 119A); - toevoegen dubbelbestemming voor bestaande 380/110kV-lijnverbinding ten noordoosten van mast 121 nabij grens gemeenten Coevorden en

Emmen.

7 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Afbeelding 1.2 Vlekkenplan locatie Veenoord-Boerdijk

Daarnaast zijn er bouwwegen, lierplaatsen, werkstroken en enkele gebieden voor tijdelijke opslag tijdens de bouwfase gereserveerd. Het huidige voornemen heeft enkel betrekking op de bovengenoemde onderdelen. In de toekomst kunnen verdere netuitbreidingen van TenneT en Enexis noodzakelijk zijn vanuit de met dit voornemen gerealiseerde infrastructuur. Dit vormt geen onderdeel van het huidige voornemen.

1.2

Noodzaak vormvrije m.e.r.-beoordeling

In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is in onderdeel C en D van de bijlage (de zogenaamde Cen D-lijst) aangegeven welke activiteiten m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. (kolom 2 in de C- en D-lijst) drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. De onderdelen waaruit het project bestaat, zijn beschreven in paragraaf 1.1.2. Het realiseren van een hoogspanningsstation en middenspanningsverbindingen is niet opgenomen in de C- of D-lijst. Hiervoor hoeft derhalve formeel geen vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Ten aanzien van hoogspanningsverbindingen en grondwateronttrekkingen is het volgende opgenomen in de C- en D-lijst1, zie hiervoor tabel 1.1.

1

De activiteiten uit de C-lijst (C15 en C24) worden niet genoemd, omdat de ontwikkeling ruim onder de in kolom 2 genoemde drempelwaarden blijft.

8 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Tabel 1.1 Categorieën uit het Besluit m.e.r. van toepassing op de ontwikkeling

C15.1

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

de infiltratie van water in de

in gevallen waarin

de structuurvisie,

het besluit, bedoeld in de

bodem of onttrekking van

de activiteit

bedoeld in de artikelen

artikelen 6.4 of 6.5, onderdeel

grondwater aan de bodem

betrekking heeft op

2.1, 2.2 en 2.3 van de

b, van de Waterwet, dan wel

alsmede de wijziging of

een hoeveelheid

Wet ruimtelijke

van het besluit tot

uitbreiding van bestaande

water van 10

ordening, en het plan,

vergunningverlening bedoeld

infiltraties en onttrekkingen

miljoen m3 of meer

bedoeld in de artikelen

in een verordening van een

per jaar

3.1, eerste lid, 3.6,

waterschap

eerste lid, onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet D24.1

de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding

D24.2

de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding

in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1 een spanning van 150kV of meer; en 2 een lengte van 5 km of meer in een gevoelig gebied

de structuurvisie,

het plan, bedoeld in artikel 3.6,

bedoeld in de artikelen

eerste lid, onderdelen a en b,

2.1, 2.2 en 2.3 van de

van de Wet ruimtelijke

Wet ruimtelijke

ordening dan wel bij het

ordening, en het plan,

ontbreken daarvan van het

bedoeld in de artikelen

plan, bedoeld in artikel 3.1,

3.1, eerste lid, 3.6,

eerste lid, van die wet

in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1 een spanning van 150kV of meer; en 2 een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage

de structuurvisie,

het plan, bedoeld in artikel 3.6,

bedoeld in de artikelen

eerste lid, onderdelen a en b,

2.1, 2.2 en 2.3 van de

van de Wet ruimtelijke

Wet ruimtelijke

ordening dan wel bij het

ordening, en de

ontbreken daarvan van het

plannen, bedoeld in de

plan, bedoeld in artikel 3.1,

artikelen 3.1, eerste lid,

eerste lid, van die wet of het

3.6, eerste lid,

besluit, bedoeld in artikel 6.5,

onderdelen a en b, van

onderdeel c, van de Waterwet

eerste lid, onderdelen a en b, van die wet

die wet

De bovengrondse lijnverbinding uit het voornemen blijft onder de drempelwaarden voor categorie D24.1, omdat de lengte van de lijnverbinding circa 2 km bedraagt en deze niet door gevoelig gebied komt. De ondergrondse kabelverbindingen uit het voornemen blijven onder de drempelwaarden voor categorie D24.2 omdat de spanning lager is dan 150kV en de kabelverbindingen niet door gevoelig gebied komen. De hoeveelheid te onttrekken grondwater blijft ruim onder de drempelwaarde van 10 miljoen m3 per jaar voor categorie C15.1 (zie paragraaf 3.1.5). Grondwateronttrekking maakt geen onderdeel uit van de D-lijst. Omdat (onderdelen van) het initiatief in de C- en D-lijst genoemd worden, maar op geen van beide lijsten boven de drempelwaarden uitkomen, geldt voor het initiatief een vormvrije m.e.r. beoordelingsplicht.

9 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

1.3

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

TenneT en Enexis zijn de initiatiefnemers van de genoemde activiteiten in paragraaf 1.1.2 en van de daarvoor benodigde bestemmingsplanwijziging. Voor de onderdelen die door Enexis worden uitgevoerd hoeft formeel geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Om de milieu- en omgevingseffecten van de gehele ontwikkeling in beeld te brengen zijn in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling alle activiteiten van de ontwikkeling beschouwd. TenneT en Enexis zijn daarom voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling de initiatiefnemers. ACT-TWB treedt hierbij als adviseur op van TenneT en Enexis. Het bevoegd gezag bestaat uit de gemeenten Emmen en Coevorden. De voorgenomen activiteiten passen niet binnen de vigerende bestemmingsplannen van de gemeenten Emmen en Coevorden. Om de voorgenomen activiteiten mogelijk te maken wordt voor beide gemeenten apart een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt ingediend ter voorbereiding op en als bijlage bij de nieuwe bestemmingsplannen. Het college van burgemeester en wethouders van zowel de gemeente Emmen als de gemeente Coevorden neemt op basis van de ingediende notitie een besluit over de m.e.r.-plicht van de voorgenomen activiteiten in het kader van het op te stellen bestemmingsplan. Hierbij wordt beoordeeld of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’ die een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

De vormvrije m.e.r.beoordeling vindt plaats op basis van informatie, die door de initiatiefnemer bij het bevoegd gezag wordt ingediend. Deze informatie is verzameld in voorliggende notitie. Hoofdstuk 4 geeft een samenvatting van de potentiële milieu- en omgevingseffecten van de voorgenomen ontwikkeling, alsmede een toelichting op de kenmerken van deze effecten.

1.4

Werkwijze

In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is gewerkt op basis van de richtlijnen zoals die zijn uiteengezet in bijlage III van de EU-m.e.r.-richtlijn1. Hierin zijn de criteria vastgelegd met betrekking tot de kenmerken van het project, (de eigenschappen van) de plaats van het project en de kenmerken van de mogelijke effecten. Door deze in onderlinge samenhang te beschouwen kan worden bepaald of een MER of m.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden. Het uitgangspunt bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het nee-tenzij principe: het doorlopen van een m.e.r-beoordeling of MER is niet nodig tenzij de aard van de te verwachten effecten daar wel om vragen. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag om te beoordelen of een m.e.r.-beoordeling of MER doorlopen moet worden.

1.5

Leeswijzer

In dit rapport komen achtereenvolgens aan de orde: - plaats en kenmerken van het project (hoofdstuk 2); - beschrijving van de milieu- en omgevingseffecten (hoofdstuk 3); - samenvattende conclusie (kenmerken van de milieu- en omgevingseffecten) (hoofdstuk 4).

1 Bijlage III (van EU richtlijn m.e.r.) In artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria, van de Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011.

10 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

2 PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1

Plaats van het project

2.1.1

Locatie van het project

Het project ligt in de gemeenten Emmen en Coevorden, in het zuidoosten van de provincie Drenthe. Het hoogspanningsstation is voorzien in landelijk gebied ten westen van de N376 en ten noorden van de A37 en (het nog deels te ontwikkelen) bedrijventerrein De Tweeling in Veenoord, in de gemeente Emmen. Het hoogspanningsstation ligt ten zuiden van de bestaande 380/110kV-lijnverbinding Zwolle-Meeden, ter hoogte van mast 120. De benodigde lijn- en kabelverbindingen (zie afbeelding 1.2) lopen vanaf het nieuwe hoogspanningsstation richting de nieuw te realiseren opstijgpunten bij de huidige mast 121 ten noordoosten van het hoogspanningsstation (gemeente Emmen) en het al aanwezige opstijgpunt bij mast 116 in het (zuid-)westen (gemeente Coevorden).

Afbeelding 2.1 Overzichtskaart plangebied

11 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

2.1.2

Huidig grondgebruik

Het grondgebruik rondom het project is overwegend agrarisch. Uitzondering hierop zijn de bospercelen die gekruist worden door de bestaande bovengrondse 380/110kV-lijnverbinding, de A37 die gekruist wordt door de bovengrondse lijnverbinding en ondergrondse kabelverbindingen, de N376 waarop de toegangsweg uitkomt en de Verlengde Hoogeveense Vaart. Voor het gedeelte ten zuiden van de A37 geldt dat hier de ontwikkeling van bedrijventerrein De Tweeling planologisch mogelijk is.

2.1.3

Kwetsbaarheid van het milieu

De beoogde locatie voor het nieuwe hoogspanningsstation kent geen bijzondere natuurlijke rijkdom die gebruikt of uitgeput wordt door de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast zal het aanwezige groen in de eindsituatie (op het terrein van het hoogspanningsstation na) grotendeels overeenkomen met de huidige situatie. Ten westen van het nieuwe hoogspanningsstation liggen enkele bospercelen (buiten het gebied van Natuurnetwerk Nederland (NNN)). zonder beschermde gebiedswaarden. Het planvoornemen voorziet in het kappen van enkele bosstroken in dit bosgebied, omdat hier tijdelijke en nieuwe 380kV-lijnverbindingen worden gerealiseerd en aanlegactiviteiten uitgevoerd worden. Op de plek waar de bestaande 380/110kVlijnverbinding de bospercelen kruist zijn deze reeds gekapt ten behoeve van de bestaande 380/110kVlijnverbindingen. Op overige locaties waar de nieuwe 38kV-lijnverbindingen de bospercelen kruisen dienen delen van deze bospercelen ook te worden gekapt. Voor de tijdelijke en bestaande lijnverbindingen geldt dat de bospercelen na het verwijderen worden hersteld. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van wetlands, kust- of berggebieden, reservaten, natuurparken, NNN-gebieden of Natura 2000-gebieden (zie afbeelding 2.2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Bargerveen) ligt op ongeveer 11,5 km van het project.

Mogelijke effecten op Natura 2000gebieden worden in paragraaf 3.1.8 verder toegelicht. Het planvoornemen doorkruist geen dichtbevolkt gebied. De milieu- en omgevingseffecten zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 3.

Afbeelding 2.2 Kwetsbare gebieden rondom de projectlocatie

12 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

2.2

Kenmerken van het project

Tabel 2.1 beschrijft de kenmerken van het project.

Tabel 2.1 Kenmerken van het project Kenmerken

Toelichting

omvang van het project

paragraaf 1.1 omschrijft de verschillende onderdelen van het project. Hiermee is de omvang van het project afgebakend. De omvang van het project blijft onder de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r.. Daarmee geeft het project alleen aanleiding tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie paragraaf 1.2).

cumulatie met andere projecten

om te bepalen of er sprake is van mogelijke cumulatie van milieu- en omgevingseffecten van het voornemen met andere projecten is gekeken of er andere ontwikkelingen in de omgeving zijn. Hierbij is alleen gekeken naar projecten waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld een bestemmingsplanwijziging, vergunningverlening of vergunningaanvragen) of waarvan anderszins met grote zekerheid gesteld kan worden of en wanneer deze projecten binnen afzienbare termijn gerealiseerd worden. Voor overige projecten kan namelijk niet geconcludeerd worden of en op welke manier sprake kan zijn van cumulatie de effecten van het voornemen betreffen met name effecten in de aanlegfase (zie hoofdstuk 3). Met uitzondering van het aspect ‘stikstofdepositie’ zijn de effecten lokaal van aard. Middels de stikstofdepositieberekening (paragraaf 3.1.3 ‘Natuur’) is geconcludeerd dat er geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar in de directe omgeving van het voornemen bestaat het plan voor het aanleggen van de Drentse Zonneroute A37, waarvoor een provinciaal inpassingsplan is vastgesteld.

Het plan maakt het ruimtelijk mogelijk om langs de A37 zonnepanelen te realiseren omdat het de bedoeling is dat na vaststelling van het provinciaal inpassingsplan marktpartijen de Drentse Zonneroute A37 gaan realiseren via een openbare marktbenadering kan nog niet gesteld worden op welke termijn de realisatie gaat plaatsvinden. Hierdoor kan niet geconcludeerd worden of en op welke manier sprake kan zijn van cumulatie op het moment dat de aanleg van (onderdelen van) beide projecten gelijktijdig plaatsvindt dient nader te worden afgestemd om significant negatieve cumulatieve effecten tijdens de aanlegfase te voorkomen ten zuiden van de A37 heeft de gemeente Emmen het voornemen om bedrijventerrein De Tweeling te ontwikkelen. Hiervoor wordt gewerkt aan een bestemmingsplanwijziging. Op het moment van schrijven is niet bekend wat de effecten van deze ontwikkeling zijn en hoe dit zorgt voor cumulatie met de voorgenomen ontwikkeling er zijn geen concrete andere projecten in de directe omgeving van het voornemen die in combinatie met het project kunnen leiden tot extra effecten

gebruik van natuurlijke hulpbronnen

voor het project worden geen relevante natuurlijke hulpbronnen uit de omgeving gebruikt. Er worden bouwmaterialen gebruikt, zoals staal, hout, steenachtige materialen en koperen of aluminium kabels. Dit betreft een eenmalige gebruikelijke verrichting en deze materialen worden niet onttrokken uit de directe omgeving van het project

productie van afvalstoffen

bij de aanleg van het project komt afval vrij (onder andere mogelijk verontreinigde grond, (niet verontreinigde) boorvloeistof en bouwafval). Met de aannemer worden afspraken gemaakt over hoe hier mee omgegaan dient te worden. Op basis van nader bodemonderzoek wordt bepaald hoe wordt omgegaan met eventuele verontreinigde grond (zie paragraaf 3.1.4). Daarnaast komen bij het amoveren van de tijdelijke verbindingen gebruikte bouwmaterialen vrij in de gebruiksfase betreft het vrijkomende afval onder andere huishoudelijk afval. Eventueel gevaarlijk afval (zoals afgewerkte olie of SF6) wordt direct met het onderhoud van de inrichting verwijderd door de aannemer, conform vigerende wet- en regelgeving, en afgevoerd naar erkende inzamelaars. Derhalve is er geen sprake van nadelige milieugevolgen als gevolg van de productie van (gevaarlijke) afvalstoffen (bouw)afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Boorvloeistof wordt zoveel mogelijk hergebruikt

13 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Kenmerken

Toelichting

verontreiniging en hinder

verontreiniging: bij de aanlegwerkzaamheden kan plaatselijk verontreinigde grond vrijkomen. Op basis van nader bodemonderzoek wordt bepaald hoe hiermee om te gaan (zie paragraaf 3.1.4). In de gebruiksfase is er voor de voorgenomen ontwikkeling sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico (zie paragraaf 3.1.4 ‘bodem’). als gevolg van emissies vanwege het bouwverkeer en de werkzaamheden kan tijdens de aanleg een tijdelijke, beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Het project leidt verder niet tot andere vormen van verontreiniging hinder: als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden kan tijdens de aanlegfase lokaal een beperkte geluids-, trillings- en verkeershinder optreden. In de gebruiksfase produceren de transformatoren geluid wat in de directe omgeving beperkte hinder kan opleveren (zie nadere toelichting paragraaf 3.1.1). Extra verkeersbewegingen in de gebruiksfase beperken zich tot onder andere periodiek onderhoud en eventuele reparaties en leiden niet tot extra verkeershinder

risico op ongevallen

14 | 34

er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht omdat het voornemen geen risicovolle inrichting of een (beperkt) kwetsbaar object mogelijk maakt zoals opgenomen in het Bevi

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

3 BESCHRIJVING EN BEOORDELING VAN DE MILIEU- EN OMGEVINGSEFFECTEN 3.1

Milieu- en omgevingseffecten per thema

In dit hoofdstuk worden de mogelijke milieu- en omgevingseffecten per thema beschouwd en beoordeeld. De beschouwde thema’s zijn als volgt: - geluid; - magneetvelden; - natuur; - bodem; - water; - archeologie, aardkunde, landschap en cultuurhistorie; - (externe) veiligheid; - ontplofbare oorlogsresten (OO); - luchtkwaliteit; - trillingen; - verkeershinder.

3.1.1

Geluid

Aanlegfase Om de ontwikkeling mogelijk te maken vinden de nodige werkzaamheden plaats. Deze werkzaamheden en het hierbij in te zetten materieel veroorzaken een bepaalde geluidsbelasting op de omgeving, wat zich vooral bij de realisatie van het hoogspanningsstation voor een langere periode zal voordoen. Omdat de dichtstbijzijnde woning (Boerdijk 66) op circa 360 m afstand ten oosten (exclusief de toegangsweg) ligt van de oostelijke grens van het hoogspanningsstation zijn de directe effecten beperkt. De werkzaamheden vinden (grotendeels) overdag plaats, waardoor hinder ’s nachts tot een minimum beperkt zal zijn. De woning aan de Boerdijk 66 ligt op circa 90 m van de toegangsweg, nabij de op- en afrit van de A37. In de overige richtingen bevinden de woningen zich op een afstand van tenminste 490 m van het hoogspanningsstation. Nabij het opstijgpunt bij mast 116 ligt op circa 35 m een woning. Hier vinden geen fysieke aanpassingen plaats, behoudens tijdelijke werkzaamheden om de ondergrondse 110kV-kabelverbinding aan te leggen. De geluidhinder tijdens de aanlegfase wordt veroorzaakt door vrachtverkeer, graven en boren. De Wet geluidhinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties.

Voor bouwen zijn regels voor deze tijdelijke situaties opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (artikel 8.3) en voor overige activiteiten in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) (artikel 4:6). Tijdens de aanlegwerkzaamheden dient aan deze regels voldaan te worden. Hierdoor is geen sprake van onaanvaardbare milieu- of omgevingseffecten voor het thema geluid in de aanlegfase. Gebruiksfase In de gebruiksfase is een aantal onderdelen van het hoogspanningsstation dat geluid produceert en mogelijk overlast voor de omgeving kan veroorzaken: - 5 transformatoren van 77/90 MVA; - 4 transformatoren van 370 MVA;

15 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

-

noodstroomaggregaat (NSA) in het centraal dienstgebouw; 31 vermogensschakelaars (12 schakelaars 380kV en 19 schakelaars 110kV).

In opdracht van TenneT is onderzoek verricht naar de in de omgeving optredende geluidsniveaus ten gevolge van het nieuwe hoogspanningsstation. Uit het onderzoek (zie bijlage I) blijkt dat ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen voldaan kan worden aan de redelijkerwijs te stellen criteria op grond van de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Dit geldt zowel voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus. Gelet op voornoemde punten kan worden gesteld dat sprake is van een toelaatbare en toepasbare situatie. Omdat het in de toekomst buiten opgestelde gelijktijdig in te schakelen elektrische vermogen op het hoogspanningsstation meer dan 200 MVA bedraagt, dient een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld te worden. Het voorgenomen hoogspanningsstation is deels gelegen binnen de geluidzone van bedrijventerrein ‘De Tweeling’, maar maakt geen onderdeel uit van dat bedrijventerrein. Afbeelding 3.1 laat de voorgestelde toekomstige geluidzone voor het hoogspanningsstation zien. Binnen de geluidzone bevinden zich geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen. Het vaststellen van de voorgestelde geluidzone kent derhalve geen bezwaren van geluidstechnische aard.

Afbeelding 3.1 Voorgestelde geluidzone rond hoogspanningsstation

De opstijgpunten, ondergrondse 110kV-kabelverbindingen, bovengrondse 380kV-lijnverbindingen en middenspanningsverbindingen zijn niet geluidsgevoelig en veroorzaken geen geluidhinder. Daarom is er geen akoestisch onderzoek noodzakelijk ten aanzien van deze onderdelen van voorliggend plan. Laagfrequent geluid Hoogspanningsstations (transformatoren) produceren laagfrequent geluid. Laagfrequent geluid is geluid met een frequentie beneden de 125 Hz. De genoemde installaties bezitten relatief veel geluidenergie bij 100 Hz en hogere harmonischen daarvan (200 Hz en volgende veelvouden van 100 Hz).

16 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

In het kader van laagfrequent geluid zijn voor hoogspanningsstations derhalve alleen de geluidniveaus bij 100 Hz van belang. Deze frequentie vormt het overgangsgebied tussen laagfrequent geluid en 'normaal geluid'. Daardoor worden de laagfrequente geluidniveaus bij hoogspanningsstations al beperkt door de normstelling in dB(A) (hoge geluidniveaus bij 100 Hz zullen al snel leiden tot een overschrijding van de norm in dB(A)). Voor de beoordeling van laagfrequent geluid bestaat nog geen wettelijke grondslag. In bijzondere gevallen kan bij klachten en bezorgdheid over laagfrequent geluid aansluiting worden gezocht bij de Vercammencurve. De Vercammen-curve is een richtlijn voor laagfrequent geluid op basis van (geobjectiveerde) hinder. Dit is echter geen wettelijke norm. In dit geval worden bij 100 Hz geluidniveaus verwacht van 39 dB (lineaire waarden; overeenkomend met ten hoogste 25 dB(A)). Op basis van de berekeningen wordt verwacht dat bij 100 Hz geluidniveaus kunnen optreden van ten hoogste 33 à 42 dB (lineaire waarden; overeenkomend met ten hoogste 14 à 23 dB(A)). Het betreft hier de op de gevels van de woningen invallende geluidniveaus. Op grond van het onderzoek wordt gesteld dat ten gevolge van het project binnen woningen niet of nauwelijks sprake zal zijn van laagfrequent geluid. De zogenaamde Vercammencurve zal niet worden overschreden.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen en onaanvaardbare milieu- of omgevingseffecten met betrekking tot geluid. Gedurende de aanlegfase kan tijdelijk sprake zijn van overlast door bouwlawaai. Bij de voorbereiding van de uitvoering door de te selecteren aannemer zal aandacht zijn voor de maximaal toegestane geluidsbelasting om de geluidhinder te beperken. Voor de gebruiksfase geldt dat ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen voldaan kan worden aan de redelijkerwijs te stellen criteria op grond van de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus, waardoor sprake is van een toelaatbare en toepasbare situatie. Daarnaast geldt dat binnen de woningen niet of nauwelijks sprake is van laagfrequent geluid. De Vercammencurve wordt niet overschreden. Voor de voorgenomen ontwikkeling dient een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld te worden. Het vaststellen van een dergelijke zone is mogelijk zonder daarbij op bezwaren van geluidstechnische aard te stuiten. De geluidzone wordt in de regels van het bestemmingsplan opgenomen als gebiedsaanduiding, waardoor deze ook juridisch-planologisch wordt vastgesteld.

3.1.2

Magneetvelden

Als er elektrische stroom door een geleider loopt, ontstaat een magneetveld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen en -stations. Mensen in de nabijheid van hoogspanningsinfrastructuur maken zich soms zorgen over magneetvelden. Daarom wordt hier in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling aandacht aan besteed. Bovengrondse hoogspanningsverbindingen Met betrekking tot magneetvelden bij bovengrondse hoogspanningslijnverbindingen is in 2005 door de Rijksoverheid een beleidsadvies1 uitgebracht. Daarin wordt geadviseerd om bij bovengrondse hoogspanningslijnverbindingen zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla (µT). Dit komt erop neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 µT te houden.

1 Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, Ministerie van VROM, 3 oktober 2005 / Verduidelijking van het advies met

betrekking tot hoogspanningslijnen, Ministerie van VROM, 4 november 2008.

17 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

380kV-lijnverbinding De 380kV-lijnverbinding wordt tussen mast 116 en 121 aangepast. Voor de bestaande bovengrondse 380kVlijnverbinding geldt een indicatieve magneetveldzone van 2 x 110 m aan weerszijden van het hart van de hoogspanningsverbinding (bron: https://geodata.rivm.nl/netkaart.html). De huidige conceptberekeningen tonen aan dat er wel woningen binnen de magneetveldcontour liggen, maar dat er geen nieuwe woningen aan worden toegevoegd. Het beleid van TenneT is er daarnaast op gericht om het te voorkomen dat er bij wijzigingen aan het hoogspanningsnet nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldcontour komen te vallen. Tijdelijke 380kV-hoogspanningsverbinding De bestaande 380/110kV-lijnverbinding wordt tijdens de werkzaamheden tijdelijk omgeleid. Doordat de dichtstbijzijnde woningen op ruime afstand van deze tijdelijke verbinding liggen (dichtstbijzijnde woning ligt op circa 450 m, Deutlanden 1) treden ook hier geen onaanvaardbare milieu- of omgevingseffecten op voor het thema magneetvelden. Hoogspanningsstations en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Het hiervoor beschreven beleidsadvies geldt alleen voor bovengrondse hoogspanningslijnverbindingen. Voor ondergrondse hoogspanningskabelverbindingen, opstijgpunten en hoogspanningsstations geldt een geadviseerde blootstellingslimiet van 100 µT conform aanbeveling 1999/519/EG van de Europese Unie.

De Nederlandse Rijksoverheid heeft deze geadviseerde blootstellingslimiet overgenomen. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze blootstellingslimiet volgens het RIVM nergens overschreden (zie ook https://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen/magneetvelden). De magneetveldcontour van 100 µT (jaargemiddeld) voor hoogspanningsstations ligt op minder dan 40 m van het hek van een hoogspanningsstation. Voor ondergrondse 110kV-kabelverbindingen geldt een traceringseis van 25 m uit het hart van de kabel. Zolang hieraan wordt voldaan liggen er geen gevoelige objecten in de 100 µT magneetveldcontour. Hierdoor is ook ten aanzien van het nieuwe hoogspanningsstation en de ondergrondse kabelverbindingen uitgesloten dat woningen worden blootgesteld aan magneetveldsterkten hoger dan 100 µT. Middenspanningsverbindingen Voor middenspanningsverbindingen geldt enkel de geadviseerde blootstellingslimiet van 100 µT conform aanbeveling 1999/519/EG van de Europese Unie. De sterkte van magneetvelden rondom kabelverbindingen is afhankelijk van de hoeveelheid stroom die door de kabels gaat: hoe lager de stroomsterkte, hoe zwakker het veld. Door de middenspanningsverbindingen van dit project gaat aanzienlijk minder stroom dan door de hoogspanningsverbindingen (20kV in plaats van bijvoorbeeld 110kV of 380kV).

Hierdoor is het magneetveld boven het grondoppervlak voor middenspanningsverbindingen te verwaarlozen. De middenspanningsverbindingen liggen daarnaast op +/- 80 m van de dichtstbijzijnde woning. Conclusie Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect magneetvelden aangezien het nieuwe hoogspanningsstation en de nieuwe hoog- en middenspanningsverbindingen buiten het bestaande tracé zich op voldoende afstand van de dichtstbijzijnde potentiële gevoelige bestemmingen met betrekking tot magneetvelden bevinden en/of er geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone vallen.

3.1.3

Natuur

Het hoogspanningsstation wordt gerealiseerd in open land, momenteel in agrarisch gebruik, zonder beschermde natuurwaarde. Het project ligt ook niet in of in de directe nabijheid van natuurgebieden met een bijzondere beschermde waarde (zoals NNN of Natura 2000), waardoor door de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling geen verstoring van deze gebieden optreedt.

18 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Voor het project worden op meerdere locaties (tijdelijk) bospercelen gekruist (door de lijn- en kabelverbindingen), waarbij bosstroken gekapt dienen te worden. Deze bosstroken hebben geen beschermde natuurlijk waarden. Door in het op te stellen landschapsplan (voor landschappelijke inpassing van het station) rekening te houden met herplant van de gekapte bomen kunnen effecten voorkomen, dan wel gemitigeerd worden. Aan de hand van de uitgevoerde natuurtoets (quickscan) (bijlage II) kan het voorkomen van enkele beschermde soorten in de omgeving van het plangebied niet op voorhand uitgesloten worden. Het betreft hierbij de volgende soorten en functies.

Tabel 3.1 Mogelijk voorkomende soorten op basis van natuurtoets Soorten

Functies

eekhoorn

verblijfplaatsen en foerageergebied

steenmarter

verblijfplaatsen en foerageergebied

boommarter

verblijfplaatsen en foerageergebied

das

verblijfplaatsen (gedeeltelijk aangetoond) en foerageergebied

grote bosmuis

verblijfplaatsen en foerageergebied

Veldspitsmuis

verblijfplaatsen en foerageergebied

vleermuizen

verblijfplaatsen in bomen, foerageergebied en vliegroutes

jaarrond beschermde vogelsoorten (buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, ransuil en ooievaar)

nesten

poelkikker

voortplantingswater en landhabitat

Aan de hand van de bevindingen uit de natuurtoets zijn soortgerichte onderzoeken uitgevoerd om het voorkomen van de betreffende soorten vast te stellen en om juridische en ecologische kaders voor de aanlegwerkzaamheden en eventuele benodigde mitigerende maatregelen in kaart te brengen. Dassenburcht Ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van dassen is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie bijlage III). De dassenburcht binnen het plangebied is een actief belopen burchtgedeelte met 9 pijpen, waarvan 2 belopen zijn en 2 intensief worden belopen. De geschatte fysieke afmetingen van de dassenburcht zijn circa 100 bij 45 m (zie afbeelding 3.2). Dassenburchten zijn wettelijk beschermd. In artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt bepaald dat de vaste voorplanting- en verblijfsplaats van beschermde dieren (onder andere de da)s, niet beschadigd mag worden. Dit betekent dat de ecologische functionaliteit van de dassenburcht tijdens de werkzaamheden en na het realiseren van de plannen behouden moet blijven. Alle functies die noodzakelijk zijn om een dassenburcht duurzaam ecologisch te kunnen laten voorbestaan, moeten dus behouden blijven, of als dat niet kan, worden gecompenseerd of gemitigeerd. De belangrijkste voorwaarden in verband met de geplande werkzaamheden zijn: 1 zorgen voor voldoende rust op en rond de burcht.

Overdag (vanaf 07.00 uur) geen incidentele verstorende activiteiten binnen 50 m van de burcht, ‘s nachts (vanaf 19.00 uur) binnen 200 m geen incidenteel verstorende activiteiten; 2 zorgen voor de aanwezigheid van voldoende dekking op de burcht; 3 zorgen voor de beschikbaarheid en bereikbaarheid van gevarieerd voedselaanbod (jaarrond); 4 zorgen voor uitwisselingsmogelijkheden met nabijgelegen dassenfamilies.

19 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

De adviezen, zoals benoemd in het onderzoek, worden opgevolgd. Door het verleggen van het tracé van de 380kV-lijnverbinding om de dassenburcht heen (50 meter afstand), het verbeteren van een veilige route voor de dassen naar het noorden, het aanbieden van een alternatief in de vorm van een kunstburcht en het naleven van alle genoemde voorzorgsmaatregelen zal de aantasting van de ecologische functionaliteit zoveel mogelijk voorkomen worden. Daarmee wordt een overtreding voorkomen van art 3.10 van de Wet natuurbescherming en tegemoetgekomen aan de voorzorg bepalingen van art 1.11 van de Wet natuurbescherming. In dit kader zal een ontheffing worden aangevraagd op de Wet natuurbescherming.

Afbeelding 3.2 Overzicht van de bevindingen van het veldonderzoek

Grote bosmuis en veldspitsmuis De aanwezigheid van de grote bosmuis en veldspitsmuis kon op basis van de quickscan niet worden uitgesloten. Daarom is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie bijlage IV). In het plangebied zijn beschermde functies aanwezig van grote bosmuis. In alle bosschages in het plangebied zijn grote bosmuizen aangetroffen. Indien er sprake is van het verwijderen van bosschages om te komen tot realisatie, wordt mogelijk een gedeelte van het leefgebied van grote bosmuis inclusief voortplantings- en rustplaatsen vernield. Wanneer het plan definitief is vastgesteld kan bepaald worden in welke mate de beoogde ontwikkeling effect heeft op de lokale populatie grote bosmuis. Aangaande het eventueel vernielen van leefgebied van grote bosmuis dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1b en lid 1a aangevraagd te worden. RVO is het bevoegd gezag in het kader van de ontheffing voor de Wet natuurbescherming. De veldspitsmuis is niet aanwezig in het plangebied. Hierdoor zijn negatieve effecten door de beoogde ontwikkeling op veldspitsmuis uitgesloten.

20 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Inventarisatie nesten en boomholtes In januari 2022 heeft een aanvullende inventarisatie plaatsgevonden (bijlage V) om de eventuele aanwezigheid van nesten van jaarrond beschermde vogels en eekhoorns vast te stellen. Daarnaast zijn de locaties waar bomen worden gekapt geïnventariseerd op boomholtes die geschikt zijn voor boommarter, eekhoorn en vleermuizen. De resultaten van de aanvullende inventarisatie laten zich als volgt samenvatten: in totaal zijn er 6 nesten aangetroffen die geschikt zijn als jaarrond beschermd vogelnest. 5 nesten bevinden zich in bomen, 1 nest is in een hoogspanningsmast aangetroffen. Vanwege de geringe grootte van de nesten zijn wespendief, havik en ooievaar uitgesloten; eekhoornnesten zijn niet aangetroffen; de aangetroffen boomholtes kunnen gebruikt worden door boommarter, eekhoorn en vleermuizen, omdat een gedeelte is ingerot en hierdoor voldoende ruimte aanwezig is voor eventuele verblijfplaatsen. Ten aanzien van nesten dient aanvullend onderzoek plaats te vinden voorbuizerd, sperwer, boomvalk, slechtvalk en ransuil. Voor boommarter en vleermuizen dient eveneens nader onderzoek plaats te vinden. De aanvullende onderzoeken zullen worden uitgevoerd en de hieruit volgende maatregelen zullen worden opgevolgd.

Draadslachtoffers Er is onderzoek uitgevoerd om de kans op extra draadslachtoffers te beoordelen ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen (bijlage VI). Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat: er geen negatieve effecten zijn te verwachten ten aanzien van vleermuizen; er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten ten aanzien van Vogelrichtlijngebieden en vogels. Flora Door de voedselrijke situatie in het plangebied en de bospercelen (getuige het voorkomen in groten getale van braam en brandnetel) is de aanwezigheid van overige beschermde flora uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde flora zijn uitgesloten. Stikstofdepositie Door stikstofemissies kan het project tevens effecten hebben op verderaf gelegen Natura 2000-gebieden. De bijdrage aan de stikstofdepositie van het project hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk is berekend (bijlage VII) met de vigerende versie het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2021.1). AERIUS Calculator berekent voor de beoogde situatie een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. De toename van stikstofdepositie als gevolg van het projecteffect is met 0,00 mol/ha/jaar in omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten. Stikstofdepositie vormt daarmee geen knelpunt en negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.

De effecten als gevolg van stikstofdepositie hoeven daarmee niet nader beschouwd te worden en het uitvoeren van een ecologische voortoets is niet noodzakelijk. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist.

21 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Afbeelding 3.3 Natura 2000-gebieden rondom de projectlocatie

Conclusie Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect natuur omdat: - de gronden ter hoogte van het projectgebied geen bijzondere gebiedswaarden kennen; - (tijdelijke) kap van bosstroken wordt gecompenseerd in het landschapsplan en indien nodig op andere locaties; - voor aanvang van de werkzaamheden soortgericht onderzoek volledig wordt uitgevoerd om vast te stellen of de beschermde soorten aanwezig zijn in het gebied en om juridische en ecologische kaders voor de uitvoering en eventuele benodigde mitigerende maatregelen in kaart te brengen; - de uitgevoerde stikstofdepositieberekening onderbouwt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

3.1.4

Bodem

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is allereerst een historisch vooronderzoek (water)bodem uitgevoerd (zie bijlage VIII). Hierbij is het plangebied opgedeeld in verschillende gebieden. Dit historisch vooronderzoek is uitgevoerd voor zowel de land- als waterbodem. Op basis van dit onderzoek zijn een aantal locaties binnen het plangebied als verdacht aangemerkt. Zo zijn onder andere een aantal asbestverdachte gebieden aangemerkt waarvoor nader onderzoek gedaan dient te worden, en zijn gebieden aangemerkt als verdacht op PFAS in de toplaag waarnaar nader onderzoek moet worden gedaan.

22 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Op basis van de resultaten van het historisch vooronderzoek is vervolgens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740), een verkennend bodemonderzoek naar asbest (NEN 5707), een verkennend onderzoek asbest en puin (NEN 5897), een onderzoek naar de aard en samenstelling van dempingsmateriaal en een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (zie bijlage IX). Hierbij is de grond tevens geanalyseerd op de aanwezigheid van PFAS. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: - de gemeten gehalten aan PFAS bevinden zich onder de achtergrondwaarde. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek; - in het grondwater van peilbuis 535 is een matig verhoogde concentratie aan nikkel gemeten. Dit betreft een verhoogde achtergrondconcentratie die te relateren is aan het gebruik als landbouwgrond. Verder maximaal licht verhoogde gehalten gemeten in de bodem. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek; - ter plaatse van graafgat 578 is een gehalte aan asbest gemeten boven de 50 mg/kg d.s. Nader asbestonderzoek is noodzakelijk om het exacte gehalte aan asbest vast te stellen; - in het grondwater van peilbuis 651 is een matig verhoogde concentratie aan barium gemeten.

Dit betreft een verhoogde achtergrondconcentratie die te relateren is aan het gebruik als landbouwgrond; - ter plaatse van 1 van de dammen (graafgaten 3163 t/m 3165) is een gehalte aan asbest gemeten boven de 50 mg/kg d.s. Nader asbestonderzoek is noodzakelijk om het exacte gehalte aan asbest vast te stellen. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat op 2 plaatsen nader asbestonderzoek benodigd is. Het vervolgonderzoek zal uitwijzen welke maatregelen genomen moeten worden om met de verontreiniging om te gaan. Bij eventuele sanering van verontreinigde gronden zal het effect op de bodemkwaliteit positief zijn. De resultaten hebben dus geen invloed op de conclusie met betrekking tot het doorlopen van een m.e.r.procedure. In de gebruiksfase wordt olie gebruikt voor koeling en isolatie van de transformatoren. Als deze olie weglekt in de bodem vindt bodemverontreiniging plaats. Om dit te voorkomen wordt onder de transformatoren een opvangbak gerealiseerd, waar eventueel gelekte olie en vervuild hemelwater in weg kan lopen. De olieopvangbak is afgedekt door een betonvloer met roosters. De transformatoren vormen een gesloten voorziening. Lozing vanuit de put geschiedt via een olie-waterafscheider. Overgebleven olie wordt afgevoerd door een daarvoor gekwalificeerd bedrijf.

Hierdoor is er binnen de inrichting in de gebruiksfase slechts sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Daarnaast zal worden voldaan aan de geldende regels uit het Activiteitenbesluit en dus is er sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico conform de NRB. Verlaging van het grondwater kan in algemene zin leiden tot zetting van de bodem, met name in zettingsgevoelige gronden zoals veen en klei. Zandgronden zijn daarentegen weinig zettingsgevoelige gronden. Op basis van bemalingsadvies (bijlage X) blijkt dat het zettingsrisico uiteindelijk klein is, omdat de hoekverdraaiing (verschilzetting over een bepaalde afstand van fundaties) beperkt blijft. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect bodem om de volgende redenen: - er is onderzoek gedaan naar mogelijke verontreiniging op basis waarvan passende maatregelen kunnen worden genomen. Bij eventuele sanering van verontreinigde gronden zal een positief effect optreden op de bodemkwaliteit; - in de gebruiksfase is sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico conform de NRB; - de gemeten gehalten aan PFAS bevinden zich onder de achtergrondwaarde. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek; - geen versnelde zetting door ligging op voornamelijk zand- en leemgrond en kleine veenlagen boven de grondwaterstand.

23 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

3.1.5

Water

Het project is niet gelegen ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebieden, waterwingebieden of waterbergingsgebieden. Het station is echter wel deels gelegen in gebieden die in de Omgevingsverordening van de provincie Drenthe zijn aangemerkt als ‘Beekdal’. Hiervoor geldt dat geen kapitaalintensieve functies zijn toegestaan, tenzij: - er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang; - er geen reële alternatieven zijn; - de functie op die locatie geen feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; - het negatieve effect op het watersysteem in het desbetreffende ruimtelijke plan wordt gecompenseerd. De ligging in het door de provincie aangewezen gebied ‘Beekdal’ vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het nieuwe hoogspanningsstation dient namelijk een zwaarwegend maatschappelijk belang en voor de ontwikkeling is een locatieonderzoek uitgevoerd in opdracht van TenneT. Andere locaties zijn op verschillende onderdelen afgevallen. Inzake de afvoer- en bergingscapaciteit en de watercompensatie geldt dat hieraan in het plan ruimte wordt geboden. De ondergrondse en bovengrondse hoog- en middenspanningsverbindingen kruisen in de gemeente Coevorden nabij het opstijgpunt (mast 116) de Verlengde Hoogeveense Vaart.

Op de locatie van deze kruising ligt tevens een waterkering langs de Verlengde Hoogeveense Vaart. Waar mogelijk worden ondergrondse kabelverbindingen aangelegd door middel van een open ontgraving. Ter plaatse van de kruising met de Verlengde Hoogeveense Vaart wordt gebruik gemaakt van een horizontale gestuurde boring (zie tekstkader), waardoor geen effecten op de watergang of de waterkering optreden. De exacte lengte en diepte van de boring zijn op dit moment nog niet bekend en wordt in een later stadium in beeld gebracht. Bij de aanleg wordt er rekening mee gehouden dat er voldoende dekkingsruimte ten aanzien van de watergang is. Hierbij wordt voldaan aan de geldende normen en richtlijnen, bijvoorbeeld van Waterschap Vechtstromen. Voor de boring wordt een boorplan opgesteld conform NEN3650/3651. Dit boorplan wordt ruim voor de aanvang van de werkzaamheden aan het waterschap overlegd. De aanleg en boringen worden uitgevoerd door een nader te bepalen aannemer. De bovengrondse verbinding passeert het kanaal op dezelfde hoogte als de huidige situatie, waardoor geen negatieve effecten op de watergang of de waterkering optreden. Horizontaal gestuurde boringen (HDD’s) Een horizontaal gestuurde boring of horizontal directional drilling (HDD) is een sleufloze techniek voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur.

Een boring kent drie fasen, te weten: - pilotboring: hierbij wordt een boorkop of spuitjet voorop de pilotbuis geplaatst. De boorkop wordt aangedreven door een mengsel van water en bentoniet. De boorspoeling wordt via de pilotbuis naar de boorkop getransporteerd en wordt samen met de losgewoelde grond langs de buitenzijde van de pilotbuis door het boorgat afgevoerd. De boring gaat onder een nader te bepalen hoek de grond in, maakt een boog onder het obstakel door en komt aan de andere kant weer boven; - verruiming: hierbij wordt het boorgat op de gewenste diameter gemaakt. Om de diameter van het boorgat groter te maken wordt op het einde van de boorstang een ruimer gemonteerd. De ruimer wordt teruggetrokken naar het intredepunt; - kabel trekken: de kabel wordt hierbij vanaf het uittredepunt door het boorgat getrokken. De overlast van een gestuurde boring voor de omgeving is beperkt. Voor de gestuurde boring moet bij het intredepunt een werkterrein worden ingericht voor het benodigde materieel (onder andere de boorinstallatie). Daarnaast wordt er bij het intredepunt een gat gegraven voor de boorkop. Het terrein bij het intredepunt wordt tijdens de aanlegfase afgezet met hekwerk. Bij het uittredepunt wordt eveneens een gat gegraven en is een werkterrein aanwezig voor het benodigde materieel.

24 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

Naast de Verlengde Hoogeveense Vaart kruisen de ondergrondse kabelverbindingen nog enkele kleinere hoofdwatergangen. Twee van deze hoofdwatergangen liggen parallel aan de A37 en worden gelijk met de A37 gekruist door middel van een gestuurde boring. Voor het project wordt een watertoets opgesteld waarin onder andere de effecten op deze hoofdwatergangen en mogelijke watercompensatie worden beschouwd. Binnen het ontwerp voor het hoogspanningsstation wordt tevens rekening gehouden met ruimte voor watercompensatie. Voor de aanlegwerkzaamheden is het noodzakelijk om de grondwaterstand tijdelijk te verlagen. Hiervoor is een bemalingsadvies opgesteld (bijlage X). Het maximaal berekende waterbezwaar bedraagt 140.000 m3 (ruim onder de drempelwaarde van 10 miljoen m 3 zoals toegelicht in paragraaf 1.2). De voornaamste risico’s zijn zettingen, verdroging en effecten op onttrekkingen. Uit berekeningen blijkt dat het zettingsrisico uiteindelijk klein is, omdat de hoekverdraaiing beperkt blijft. Het beïnvloedingsgebied van de bemaling reikt tot maximaal 1.500 m. Bij de aanleg van hoogspanningsstations vindt TenneT het belangrijk dat het hoogspanningsstation zo min mogelijk effect heeft op de omgeving, dus ook op de waterhuishouding. Daarom worden er allerlei middelen toegepast om effecten hierop zo veel mogelijk te beperken.

Binnen het hoogspanningsstation wordt riolering aangebracht, onder meer ten behoeve van het afvoeren van het afvalwater vanuit het CDG (centraal dienstengebouw) afkomstig van het toilet met wastafel, de uitstortgootsteen en een pantry. Elke transformator wordt op een olie-waterscheider aangesloten. Het scheidingsprincipe van de oliewaterscheider werkt op het verschil in dichtheid en heeft een eigen opslagput. Het schone, afgescheiden water uit deze put wordt leeggepompt naar open water. Door het aanbrengen van verharding, of aanpassingen aan het watersysteem, kan wateroverlast ontstaan bij piekbuien. Voor de aanleg van het hoogspanningsstation worden verhardingen aangelegd. Deze verhardingen moeten worden gecompenseerd met waterberging in oppervlaktewater (zie nadere toelichting bijlage XI). In totaal wordt 57.519 m2 verharding toegevoegd. Dat betekent dat 5.752 m3 water geborgen moet worden binnen het plangebied. De berging in nieuw gecreëerd wateroppervlak mag gerekend worden als 1 m. waterschijf bovenop het nieuwe water. Dat is omgerekend minimaal 5.752 m2 aan waterberging. In het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de watercompensatie door meerdere watergangen te creëren en een oppervlaktewaterpartij met natuurvriendelijke oevers te creëren aan de zuidkant van het station.

In de watergang ten zuiden van het station is een oppervlak van circa 6.575 m 2 gerealiseerd. Deze waterberging voldoet dus aan de minimale waterberging die vereist is als gevolg van de toename in verhardingen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect water om de volgende redenen: - het project ligt niet binnen grondwaterbeschermings-, waterwin-, of waterbergingsgebieden; - kruising van de Verlengde Hoogeveense Vaart en hoofdwatergangen parallel aan de A37 wordt uitgevoerd met een horizontaal gestuurde boring; - compensatie op de hoofdwatergang en benodigde watercompensatie worden geïntegreerd in de landschappelijke inpassing; - effecten op grondwater zijn beperkt en van tijdelijke aard; - op het nieuwe hoogspanningsstation worden maatregelen getroffen met betrekking tot de waterhuishouding.

25 | 34

ACT TWB | 125549/22-012.368 | Definitief 02

3.1.6

Archeologie, aardkunde, landschap en cultuurhistorie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=22bc5510-e4c4-4857-873b-d1872d5dea14