CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c - Bijlagen Emmer-Compascuum, Koppelwijk OZ 30 en 31

Commissie Wonen en Ruimte 8 januari 2024, gemeente EmmenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Emmer-Compascuum, Koppelwijk OZ 30 en 31’24.281 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Emmer-Compascuum, Koppelwijk OZ 30 en 31 (vastgesteld)

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Nota van beantwoording

Bijlage 2

Quickscan Flora en fauna

Bijlage 3

Bodemonderzoek

Bijlage 4

Watertoets

Bijlage 5

Uitgangspuntennotitie waterschap

1

Nota van beantwoording behorende bij bestemmingsplan Emmer-Compascuum, Koppelwijk OZ 30 en 31

Inhoudsopgave Inhoudsopgave .......................................................................................................................................... 2 1. 1. 2. 2.

Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro ............................................................................................................ 3 Provincie Drenthe ......................................................................................................................................................... 3 VRD (brandweer).......................................................................................................................................................... 3 Kopie reacties ................................................................................................................................ 4

1.

Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het artikel 3.1.1. Bro overleg is het bestemmingsplan “Emmer-Compascuum, Koppelwijk OZ 30 en 31” naar de wettelijk verplichte en andere door de gemeente erkende overlegpartners verzonden. In dit geval is op 27 juli 2023 provincie Drenthe, Waterschap Hunze en Aa’s , RUD Drenthe, Dorpsbelangen EmmerCompascuum en de Veiligheidsregio Drenthe (brandweer) op de hoogte gebracht. In het kader van het overleg hebben wij een reactie terug ontvangen van Provincie Drenthe en de brandweer. Bij de beantwoording wordt onder A een samenvatting van de reactie gegeven. Onder B staat het gemeentelijke antwoord hierop en- indien van toepassing - onder C de eventuele doorvertaling ervan in het bestemmingsplan.

1. Provincie Drenthe 1a 1b 1c

De provincie geeft aan dat sprake is van ligging in bestaand stedelijk gebied en dat de provinciale aandachtspunten voldoende zijn verwoord. Onder dankzegging van deze positieve bericht wordt het bestemmingsplan verder in de procedure gebracht. Voor kennisgeving aangenomen.

2. VRD (brandweer) 2a. De VRD geeft aan dat er voldoende rekening wordt gehouden met externe veiligheid. Voor de praktische uitvoering heeft zij echter twee opmerkingen. Het aanleggen van een keerlus omdat de woningen aan een doodlopende straat worden gebouwd is een wens. Daarnaast dient overleg te komen over het WAS-systeem. 2b De aanleg van een keerlus is naar verhouding te duur voor de bouw van twee woningen. Gezien de beperkte toevoeging van woningen, wordt niet noodzakelijk geacht om grond te verwerven voor de aanleg een keerlus. De veiligheid wordt niet onevenredig aangetast zonder keerlus. Er staan meer woningen achter het plangebied, waarvoor ook geen keerlus in het verleden is aangelegd. De bereikbaarheid van het plangebied is goed, het ligt immers aan een verharde weg. Het plan betreft bouwen van woningen in bestaand lint. Het is geen stedenbouwkundige uitbreiding, er staan immers al diverse woningen. Voor dit bebouwingslint verandert in de huidige situatie qua veiligheid niet. Het WAS-systeem is geen aspect waar de ruimtelijke ordening op toeziet. Het plaatsen van dergelijke palen is geen onderdeel van de uitvoering van dit bestemmingsplan. 2c Voor kennisgeving aangenomen.

2.

Kopie reacties

provinciehuis Westerbrink i, Assen postadres Postbus x ii, 9400 AC Assen

provincierenthe

www.drenthe.nl O92 - 36 55 55

46-2o

3

Aan: Gemeente Emmen

EMMEN 000040 15.082023 10:40

Postbus 30001 7800 RA EMMEN

'III'Ii=

iI= 1111,111

I=

1.111.111

II=

Assen, 14 augustus 2023 Ons kenmerk 20230211 4-01 083476 Behandeld door mevrouw KE. Blanke (0592) 36 58 97 Onderwerp: Bestemmingsplan Emmer Compascuum Koppelwijk OZ 30 en 31

Geacht college, In het kader van het overleg, zoals bedoeld in artikel 3.1 .1 Besluit ruimtelijke ordening, heeft u ons college om een reactie gevraagd over het voorontwerp-Bestemmingsplan Emmer Compascuum Koppelwijk OZ 30 en 31. Het plan, ten behoeve van de bouw van 2 woningen binnen door ons als "bestaand stedelijk" aangemerkt gebied, geeft ons geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien het plan overeenkomstig dit voorontwerp in procedure wordt gebracht, mag u er vanuit gaan dat Gedeputeerde Staten geen reden zal zien om vanuit provinciaal belang in te grijpen in de verdere procedure. Hiermee is, wat ons betreft, voldaan aan het vooroverleg als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Drenthe, namens dezen,

w.J.. van Elsacker, Themamanager a.i. Ruimte & Wonen

Gemeente Emmen t.a.v. mevr. B. Bruins Postbus 30001 7800 RA Emmen

Veiligheidsregio Drenthe Mien Ruysweg 1 Postbus 402 9400 AK Assen www.vrd.nl

ons kenmerk 2023/1999/ADVS

uw kenmerk IMRO.0114.2023015-B301

datum 4 augustus 2023

inlichtingen bij Gijs van den Hengel

telefoonnummer 06-52490041

email gijs.vandenhengel@vrd.nl

onderwerp COBP Emmer-Compascuum, Koppelwijk OZ 30 en 31

Geachte mevrouw Bruins, Op 28 juli stuurde u het verzoek om een advies uit te brengen op bovengenoemd conceptontwerpbestemmingsplan (COBP). In deze brief vindt u mijn advies. Wij adviseren de volgende maatregelen -

Keerlus Gruintendwarsweg realiseren

-

WAS-dekking nader bepalen met uw AOV’er

Tot slot Heeft u nog vragen over deze brief, dan kunt u contact met mij opnemen. De contactgegevens vindt u bovenaan deze brief. Met vriendelijke groet, Namens het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Drenthe,

Team Risicobeheersing

Bijlage:

-

Onderdelen die van toepassing zijn Toelichting op onderdelen die van toepassing zijn

Bijlage 1 – Onderdelen die van toepassing zijn De toetsing Het plangebied is getoetst op de volgende onderdelen. In de bijlage vindt u een toelichting op de onderdelen die van toepassing zijn. Externe veiligheid 1.

Bevi-inrichtingen binnen het plangebied

geen Bevi bedrijven

2.

Bevi-inrichtingen buiten het plangebied

geen Bevi bedrijven

3.

Bevt en route gevaarlijke stoffen

Niet van toepassing

4.

Buisleidingen

Niet aanwezig

5.

Plaatsgebonden risico

Niet van toepassing

6.

Groepsrisico

Niet van toepassing

Overig 7.

Hoogspanningslijnen

Niet aanwezig

8.

Extreme neerslag

Wel van toepassing

Inrichting en ontwikkeling 9.

Bluswatervoorziening

voldoende

10.

Waarschuwings- en alarmeringssysteem

Buiten de dekking van het WAS-stelsel

11.

Bereikbaarheid

Voldoet !

12.

Opkomsttijd

Aandacht voor brandveiligheidsmaatregelen

Verantwoording Groepsrisico 13.

Advies

Niet van toepassing

Bijlage 2 – Toelichting op onderdelen die van toepassing zijn Externe veiligheid Paragraaf 4.4.1 van de toelichting beschrijft op een adequate wijze de situatie m.b.t. externe veiligheid.

Overig 8. Extreme neerslag Binnen en in de directe nabijheid van het plangebied is er volgens de Kaarten | Atlas Leefomgeving, 4 aug. 2023, enige kans op wateroverlast met ca. 5 centimeter waterstand in de oosthoek van het terrein. Dit weergegeven bij een bui van 2 uur met 70 mm neerslag.

Rood omkaderd is ca. plangebied

Inrichting en ontwikkeling 9. Bluswatervoorzieningen In beginsel is er in voldoende mate voorzien in de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen. 10. Waarschuwings- en alarmeringssysteem De locatie / plangebied valt buiten de dekking van het Waarschuwingsalarmeringsstelsel. Er zijn tegenwoordig andere manieren bekend van alarmeren bevolking met de digitale middelen die ter beschikking zijn. Advies is om met uw AOV’er nader te onderzoeken of voor het oostelijk deel van Emmercompascuum het wenselijk is om een WAS-paal aan te brengen. 11. Bereikbaarheid Ion beginsel is de locatie bereikbaar voor de hulpdiensten. Echter, doordat de Koppelwijk OZ die overgaat in de Gruintendwarsweg een doodlopende straat is, is het advies om te onderzoeken of de mogelijkheid aanwezig is om aan het einde van de Koppelwijk OZ een keerlus te realiseren. 12. Opkomsttijd Wij adviseren u de initiatiefnemer te informeren over brandveiligheidsmaatregelen. Denk hierbij aan de BIObiz factoren: -

bouwkundige voorzieningen, bijv. voorkomen brandoverslag naar ander perceel door bebouwingsafstand of brandwerende voorzieningen

-

installatietechnische voorzieningen, bijv. woningsprinklers

-

organisatorische voorzieningen, bijv. vluchtplan door de bewoners opgesteld

-

brandweeropkomsttijd, vrij houden van wegen / zo min mogelijk verkeersbelemmerende maatregelen

-

inventaris, toepassen van moeilijk brandbaar materiaal

-

zelfredzaamheid van de aanwezigen, toepassen veilige vluchtroutes

Verantwoording Groepsrisico Niet van toepassing

Quickscan natuurwaardenonderzoek Koppelwijk Oostzijde (ongenummerd) te Emmer-Compascuum

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Koppelwijk Oostzijde (ongenummerd) te Emmer-Compascuum

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000.

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever:

BJZ

Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 5324 versie 1.0 Ligging plangebied: Koppelwijk Oostzijde (ongenummerd) EmmerCompascuum Auteur: Ing. P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 28-6-2023 Veldwerk uitgevoerd door: Ing. P.Leemreise

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. 1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1

Inleiding .................................................................................................................................... 4

Hoofdstuk 2

Het plangebied ......................................................................................................................... 5

2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3

Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 6

3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 6 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 6 Hoofdstuk 4

Toetsingskaders ........................................................................................................................ 7

4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 7 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 7 4.4

Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ..................................................................... 8

4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden ............................................................................................... 8 Hoofdstuk 5

Gebiedsbescherming ................................................................................................................ 9

5.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 5.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 9 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 10 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 12 Hoofdstuk 6

Soortenbescherming .............................................................................................................. 13

6.1 Methode ................................................................................................................................................. 13 6.1.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 13 6.1.2 Bronnenonderzoek .......................................................................................................................... 13 6.1.3 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 13 6.1.4 Methode per soortgroep ................................................................................................................. 14 6.2 Resultaten .............................................................................................................................................. 15 6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 16 6.4 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 19 6.5 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 19 Hoofdstuk 7

Conclusies ............................................................................................................................... 20

2

SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor de bouw van twee woningen op een onbebouwd perceel aan de Koppelwijk Oostzijde (ongenummerd, tussen nr. 29 en 32) te Emmer-Compascuum. Natuurbank Overijssel is gevraagd een verkennend natuurwaardenonderzoek uit te voeren en de voorgenomen ontwikkelingen te toetsen aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming namelijk niet op voorhand niet uitgesloten worden. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 20 juni 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten NNN is verdere toetsing aan provinciale beleidsregels niet aan de orde.

Gelet op de aard van de voorgenomen ontwikkeling, en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebiedop voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening of effectbeoordeling is niet aan de orde. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door vogels en grondgebonden zoogdieren benut als foerageergebied. Vogels of grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen vaste rusten/of voortplantingsplaats van een beschermd dier negatief beïnvloed. Door het plangebied in te richten als woningbouwlocatie, met bebouwing, erfverharding en tuininrichting, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor verschillende vogels en grondgebonden zoogdieren aangetast. Dit leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen plannen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

3

HOOFDSTUK 1

INLEIDING Er zijn concrete plannen voor de bouw van twee woningen op een onbebouwd perceel aan de Koppelwijk Oostzijde (ongenummerd, tussen nr. 29 en 32) te Emmer-Compascuum. Natuurbank Overijssel is gevraagd een verkennend natuurwaardenonderzoek uit te voeren en de voorgenomen ontwikkelingen te toetsen aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming namelijk niet op voorhand niet uitgesloten worden. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Drenthe (Natuurnetwerk Nederland).

Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

4

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Koppelwijk Oostzijde ongenummerd, tussen 29 en 32, te EmmerCompascuum. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: toptijdreis.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat volledig uit agrarisch cultuurland, tijdens het veldbezoek in gebruik als grasland. Het heeft een soortenarme grazige vegetatie van raaigras en wordt intensief agrarisch beheerd. Het grenst aan de zuidwestzijde aan een verharde weg, aan de noordwest en zuidoostzijde aan woonerf en aan de noordoostzijde aan grasland, overgaand in agrarisch cultuurland. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.

Luchtfoto van het deelgebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl). 5

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Er zijn plannen voor de bouw en bewoning van twee woningen in het plangebied. Het plangebied zal bouwrijp gemaakt worden en de woningen zullen vervolgens gebouwd en bewoond worden. Rondom de woningen wordt een siertuin aangelegd. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Bouwrijp maken bouwplaatsen; • Bouwen woningen en bijgebouwen; • Aanleg tuinen; • Bewonen woningen;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals bouwwerkzaamheden, aanleggen van erfverharding en tuinbeplanting en het bewonen van de woningen. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

6

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

7

•

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming1. Er is dan geen ontheffing nodig.

4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Drenthe zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Drenthe

4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Het plangebied ligt binnen de bebouwde komgrens Wet natuurbescherming. Bescherming van houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom niet aan de orde.

1

Voor de voorliggende ontwikkeling is geen gedragscode toepasbaar. 8

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Drenthe. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid (bron: Ruimtelijke plannen). 9

Toetsing aan provinciaal beleid De bescherming van NNN kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten NNN is verdere toetsing aan beleidsregels voor bescherming van NNN niet aan de orde.

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 13 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Bargerveen.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

10

13 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren

Ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000-gebied behoren worden met de okergele en lichtgroene kleur aangeduid (bron: Aerius Calculator).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en grote omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tussen plangebied en Natura 2000gebied, kan toename van stikstofemissie op Natura-2000 gebied in de op voorhand uitgesloten worden2. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe in de gebruiksfase, ten opzichte van de referentiesituatie, als gevolg van de bewoning van de nieuwe woningen.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase, op voorhand uitgesloten worden3. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.

23

, Op basis van ervaring met soortgelijke ontwikkelingen op vergelijkbare afstand en kwalificerende Habitattypen in Natura 2000-gebied. 11

5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten NNN is verdere toetsing aan provinciale beleidsregels niet aan de orde. Gelet op de aard van de voorgenomen ontwikkeling, en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebiedop voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening of effectbeoordeling is niet aan de orde.

12

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Methode 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 20 juni 2023 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 18 juni 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank in de periode 2018-2023. Er zijn in de NDFF geen flora- of faunawaarnemingen opgenomen die betrekking hebben op het plangebied. Op onderstaande luchtfoto wordt het zoekgebied weergegeven, waarbinnen gekeken is naar waarnemingen van planten en dieren.

Begrenzing van het zoekgebied waarbinnen de NDFF geraadpleegd is (bron: NDFF).

6.1.3 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 20 juni 2023 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28) (deze is niet gebruikt). De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen:

13

• • • •

vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën;

Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als dag- en nachtvlinders, reptielen, libellen, vissen, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.1.4 Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Veel vogels hebben in deze periode van het jaar een bezet net, of hebben al uitgevlogen jongen. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.

Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Veel grondgebonden diersoorten hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomer- of kraamverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.

De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. 14

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

6.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. In deze studie worden de vier deelgebieden als ‘plangebied’ benoemd, tenzij een deelgebied specifiek wordt benoemd. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Geschikte nestplaatsen van vogels, zoals bomen, struiken en dichte vegetatie op de grond ontbreekt. Het perceel vormt geen geschikt nestplaats voor weidevogels vanwege de besloten ligging. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en wordt geen vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van het inrichten van het plangebied als woonlocatie, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogelsoorten af.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Inrichten plangebied als woonlocatie (bebouwing, erfverharding, tuin); Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als vos, steenmarter en haas. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat het plangebied tot foerageergebied van dassen behoort. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van het inrichten van het plangebied als woonlocatie neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde grondgebonden zoogdieren af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Inrichten plangebied als woonlocatie (bebouwing, erfverharding, tuin); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen. Geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals bebouwing, bouwwerken, holenbomen en bomen met losse schors ontbreken in het plangebied.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;

15

• Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als ongeschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen en gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als ongeschikt leefgebied voor amfibieën beschouwd. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en geen rust- of voortplantingsplaats aangetast.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en geen bezet nest of nestplaats negatief beïnvloed. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogelsoorten, leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. 16

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes4 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats negatief beïnvloed. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde grondgebonden zoogdieren leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd amfibie gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats negatief beïnvloed. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

4

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 17

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

18

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels

Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Niet aanwezig

Niet van toepassing; vrijstelling in verband met ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Niet van toepassing

Geen Geen

Vogels

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren

Niet aanwezig

Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Geen

Niet van toepassing Niet aanwezig

Niet van toepassing

Geen

Niet van toepassing

Geen

Niet aanwezig Niet aanwezig Niet van toepassing Niet aanwezig Niet aanwezig Niet aanwezig Niet aanwezig Niet van toepassing Niet aanwezig

Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing

Geen Geen Geen

Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing

Geen Geen Geen Geen Geen

Niet van toepassing

Geen

Vogels Vogels Vleermuizen

Foerageergebied

Vleermuizen Vleermuizen Vleermuizen

Rust- of voortplantingsplaats Foerageergebied Vliegroute Doden van dieren

Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën

Foerageergebied Vaste rustplaats Vaste rustplaats Voortplantingsplaats Doden van dieren

Overige soorten

Dieren en overige functies

Niet van toepassing Diverse soorten

Geen

Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep

Grondgebonden zoogdieren Vogels Vleermuizen Amfibieën

Vaste rust- Voortplanplaats tingsplaats

Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied

Wettelijke consequenties

Nader onderzoek vereist

Ontheffing vereist

Nee

Nee

n.v.t.

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee Nee Nee

Nee Nee Nee

n.v.t. Nee n.v.t.

Nee Nee Nee

Nee Nee Nee

Nee Nee Nee

Nee Nee Nee

Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.

6.4 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.5 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

19

HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Drenthe een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’ en ‘opzettelijk doden’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten NNN is verdere toetsing aan provinciale beleidsregels niet aan de orde. Gelet op de aard van de voorgenomen ontwikkeling, en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebiedop voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening of effectbeoordeling is niet aan de orde.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door vogels en grondgebonden zoogdieren benut als foerageergebied. Vogels of grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen vaste rusten/of voortplantingsplaats van een beschermd dier negatief beïnvloed. Door het plangebied in te richten als woningbouwlocatie, met bebouwing, erfverharding en tuininrichting, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor verschillende vogels en grondgebonden zoogdieren aangetast. Dit leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen plannen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

20

Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

21

Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 22

Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora- en faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=4f18fe27-4460-4279-b9c2-ecabd0856f77