CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.7 Bijlagen bij toelichting Natuurtoets

Commissie Wonen en Ruimte 12 april 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Nieuw-Schoonebeek, waterschap Vechtstromen’ (voorstel: bespreken in combinatie met agendapunt 7B) (81906-2023)10.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

11 april 2022

BE3102-WM-RP-220302-1322

23

Projectgerelateerd

5.8

Ongewervelden

De NDFF (afgelopen 10 jaar) bevat waarnemingen van de aardbeivlinder (par 3.3), gevlekte witsnuitlibel (par. 3.2/HR) en de grote weerschijnvlinder (par. 3.3) buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige ongewervelden worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten.

5.8.1

Aardbeivlinder

De aardbeivlinder (par. 3.3) heeft een voorkeur voor vochtige tot droge graslanden en heiden, extensief begraasde terreinen met een afwisseling van hoge en lage vegetatie. Als waardplant wordt vooral tormentil gebruikt.19 De waarnemingen van de aardbeivlinder zijn gedaan ten noorden van de Doctor Ingenieur H.A. Stheemanstraat. De akkers en agrarische graslanden binnen het plangebied zijn ongeschikt als voortplantingsplaats voor de aardbeivlinder door het ontbreken van de waardplant tormentil en het ontbreken van een kruidenrijke vegetatie. Derhalve kan het voorkomen van de aardbeivlinder ter plaatse van het plangebied worden uitgesloten. Conclusie Een overtreding op de Wnb kan op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.8.2

Grote weerschijnvlinder

Voorkomen De grote weerschijnvlinder (par. 3.3) is een weinig mobiele vlinder, maar er liggen soms vele kilometers tussen de boom waar de vlinders vliegen en de plek waar de rups zich ontwikkelt. De habitat van de soort bestaat uit oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. De vlinders voeden zich vooral met honingdauw en sap van bloedende bomen en leven hoog in de bomen.20 In de NDFF zijn drie waarnemingen bekend van de grote weerschijnvlinder buiten het plangebied in het Bargerveen. Het open akkerlandschap voldoet niet aan de habitateisen (oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen) van de grote weerschijnvlinder. Derhalve kan het voorkomen van de grote weerschijnvlinder ter plaatse van het plangebied worden uitgesloten. Conclusie Een overtreding op de Wnb kan op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.8.3

Gevlekte witsnuitlibel

De gevlekte witsnuitlibel (par. 3.2/HR) komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de gevlekte witsnuitlibel voor in het Bargerveen ten noorden van het plangebied. Het plangebied voldoet niet aan het habitat van de gevlekte witsnuitlibel en derhalve kan het voorkomen van deze soort op voorhand worden uitgesloten. Conclusie Een overtreding op de Wnb kan op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

19 20

https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/aardbeivlinder geraadpleegd december 2021 https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/grote-weerschijnvlinder geraadpleegd december 2021

11 april 2022

BE3102-WM-RP-220302-1322

24

Projectgerelateerd

5.9

Mitigerende maatregelen

In de onderstaande paragraaf staan de mitigerende maatregelen samengevat om overtreding van de Wnb te voorkomen. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de overige soortgroepen is uitgesloten.

5.9.1

Algemene maatregelen

In verband met de zorgplicht dienen onderstaande algemene maatregelen te worden getroffen: • Opslagplaatsen van materieel moeten zoveel mogelijk centraal worden gehouden en afgeschermd worden met amfibieënschermen net als de aanvoerroutes. Hiermee wordt voorkomen dat amfibieën onder het materieel kruipen om te schuilen of te overwinteren en de aanvoerroutes worden gebruikt als opwarmingsplaatsen. • De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten (vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien ook in de schemering en het donker wordt gewerkt moet gebruik worden gemaakt van (amberkleurig) licht dat zoveel mogelijk naar beneden is gericht. • Bij voorkeur worden de werkzaamheden zoveel mogelijk geclusterd in de tijd, zodat er steeds delen van het plangebied niet verstoord worden; • De werklocaties worden circa 2 weken voorafgaand aan de uitvoering van de grondwerkzaamheden ongeschikt gemaakt door de vegetatie te maaien met de maaibalk afgesteld op ongeveer 10 cm boven maaiveld en maaisel af te voeren. Na het verwijderen van de vegetatie, bij voorkeur binnen de minst kwetsbare periode (oktober), mogen minimaal 1-2 dagen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Dieren die zich hebben verstopt in hun hol, krijgen zo de kans om het gebied te verlaten.

Vervolgens wordt de vegetatie ongeschikt (kort) gehouden gedurende de periode dat werkzaamheden uitgevoerd worden of wordt het gebied dagelijks verstoord zodat voorkomen wordt dat hervestiging kan optreden; • Werkzaamheden zo uitvoeren dat kleine (zoog)dieren de kans hebben om te vluchten naar veilige gebieden. Dus bijvoorbeeld van binnen naar buiten maaien. De werkzaamheden ook niet richting een doodlopend punt aan werken. • Behoud de verbinding en doorgang naar andere leefgebieden en schuilplekken buiten de invloedsfeer van het werkgebied. Het behouden van stroken met ruigte vegetatie die in verbinding staan met gebieden geven kleine (zoog)dieren kans te vluchten naar veilige gebieden. • De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden en werkt één richting op. Als er meerder machines tegelijkertijd aan het werk zijn moeten die niet naar elkaar toe werken zodat dieren opgesloten raken. Zo wordt onnodige verstoring van dieren, planten en gevoelige habitattypen voorkomen. • De werkzaamheden moeten door een deskundig ecoloog worden begeleid. Dit houdt in dat een ecoloog betrokken moet zijn bij de planning en uitvoering van de beheerwerkzaamheden. De ecoloog stelt vast of en wanneer er sprake is van kwetsbare periodes van soorten en vegetaties.

Voor aanvang van de werkzaamheden controleert een deskundig ecoloog het gebied op eventueel aanwezige beschermde soorten. • Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog.

5.9.2

Vissen

In verband met de zorgplicht dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vissen: • Bij leegpompen van een watergang worden vissen en amfibieën tijdig weggevangen door een erkend ecoloog en elders uitgezet. De pomp moet visvriendelijk afgeschermd zijn, zodat er geen vissen en andere dieren in de pomp terecht komen. 11 april 2022

BE3102-WM-RP-220302-1322

25

Projectgerelateerd

•

•

• • •

Het afdammen, vergraven of leegpompen van delen van watergangen wordt bij voorkeur uitgevoerd in de periode tussen 1 september en 1 november, dus na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen (en amfibieën). Verder vinden werkzaamheden in de watergang alleen plaats als de luchttemperatuur boven het vriespunt ligt en er geen ijs aanwezig is in de watergang. De temperatuur mag echter ook niet te hoog zijn, deze moet beneden de 25º C zijn. Bij koude temperaturen zijn vissen inactief en bij hele warme temperaturen kan er al snel zuurstofgebrek ontstaan. Bij baggerwerkzaamheden dient een erkend ecoloog de bagger uit te zoeken op vissen en andere waterdieren en deze uit te zetten in geschikt biotoop buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Aanbeveling: het graven van nieuwe watergangen kan eerst plaatsvinden zodat deze als extra nieuw leefgebied gebruikt kan worden aanvullend op de te verbreden watergangen. Aanbeveling: bij de inrichting van de watergang en oevers rekening houden met geschikt leefgebied van grote modderkruiper (zie onderstaand figuur).

De Grote Modderkruiper is afhankelijk van ondiep water met verlandingsvegetaties en een 10-30 cm dikke modderlaag en onderwatervegetatie. Het is oorspronkelijk een soort van laagdynamisch systeem in het rivierengebied. Essentieel is jaarrond beschikbaar zijn van water. Diepere plekken waar in drogere periodes alsook in de winter naar uitgeweken kan (zie bijgaande afbeelding). De soort is relatief honkvast en heeft een gering dispersievermogen van 1 tot 3 km (Kennisdocument BIJ12).

5.9.3

Vogels

Binnen het plangebied kunnen verschillende broedvogelsoorten voorkomen bij de watergangen, de akkers/weilanden en bosopstanden. Bij de werkzaamheden dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vogels: • Werken buiten het broedseizoen indicatief medio maart-medio juli. Start broedseizoen kan eerder zijn afhankelijk van soort en soortgroep (weide-/akkervogels en watervogels kunnen eerder beginnen met nestindicerend gedrag, onderdeel van broedseizoen). • Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt, moet het werkterrein vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels door vegetatie kort te maaien en kort te houden tot de werkzaamheden aanvangen. Het is wel van belang dat in deze periode de locatie ongeschikt gehouden wordt voor broedvogels door in deze de vegetatie kort te houden en continue door te werken, met name na een periode zonder werkzaamheden kunnen er toch ineens broedvogels opduiken. De ecoloog dient het werkterrein regelmatig te inspecteren. Indien nodig (als de ecoloog territoriale vogels waarneemt) worden de percelen geweidesleept tot aanvang van de werkzaamheden en als er een paar dagen niet gewerkt wordt. • Het werkgebied en de omgeving wordt binnen het broedseizoen gecontroleerd op territoriale vogels en broedgevallen door een deskundig ecoloog.

Indien broedgevallen worden vastgesteld binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden moeten aanvullende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen zijn afhankelijk van de soort en de locatie waar de soort is aangetroffen. Maatregelen worden getroffen in overleg met de ecoloog. • Jaarrond beschermde nesten:

11 april 2022

BE3102-WM-RP-220302-1322

26

Projectgerelateerd

o

•

Deze zijn niet vastgesteld maar kunnen zich gaan vestigen, specifiek bezetting van ooievaarsnest en horst in bosopstand. Monitoren van gebruik voor de start van werkzaamheden. o Indien aanwezig werkzaamheden binnen de verstoringsafstand van jaarrond beschermde nesten uitvoeren buiten het broedseizoen van de soort. Indien dit niet mogelijk is, zijn aanvullende maatregelen nodig. Te denken valt aan het werken buiten de verstoringsafstand van de betreffende soort en deze verstoringsafstand in het veld uit te zetten. Steilranden in ontgravingen en depots zijn zeer geschikte nestplaatsen voor oeverzwaluw. Deze steilranden moeten daarom voorkomen worden tijdens de werkzaamheden. Bulten zand/ grond moeten dus worden afgeplat, zodat er geen steile randen zijn. Hiermee wordt voorkomen dat werkzaamheden in het voorjaar stil komen te liggen door nesten van oeverzwaluwen. Deze nesten mogen niet verstoord worden.

11 april 2022

BE3102-WM-RP-220302-1322

27

Projectgerelateerd

6 Eindconclusies en aanbevelingen 6.1

Beschermde soorten Wnb

Het voorgenomen project kan effecten hebben op onderstaande krachtens de Wnb beschermde soorten en soortgroepen: • Verschillende soorten vleermuizen (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, par. 3.5), foerageergebied. • Verschillende soorten grondgebonden zoogdieren (Beschermingsregime soorten Andere soorten, par. 3.10), foerageer- en leefgebied. • Verschillende soorten amfibieën (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, par. 3.5 en Andere soorten, par. 3.10), leefgebied. • Broedvogels (Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, art. 3.1) kunnen mogelijk broeden en rusten binnen de planlocatie. In paragraaf 5.9 staan de mitigerende maatregelen samengevat om overtreding van de Wnb te voorkomen. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de overige soortgroepen is uitgesloten.

6.2

Gebiedsbescherming

Conclusie wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000) De volgende conclusies ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen worden getrokken: • Van de 19 storingsfactoren kunnen er 14 al op voorhand worden uitgesloten omdat de voorgenomen activiteit niet in het Natura 2000-gebied wordt uitgevoerd of omdat de afstand tot de voorgenomen activiteit te groot is. • Significant negatieve effecten tijdens de permanente gebruikssituatie kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. • De effecten van geluid, licht en optische verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen door het nemen van maatregelen worden uitgesloten. Conclusie planologisch beschermde gebieden (Natuurnetwerk Nederland) De werkzaamheden vinden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) plaats. Het NNN-deel ten noorden van het plangebied bestaat uit het beheertype “N00.01 Nog om te vormen naar natuur” (de nog in te richten Buffer Zuid). Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend, en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten.

11 april 2022

BE3102-WM-RP-220302-1322

28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=46dd5ca3-a480-40e2-b7cb-4f34e057b0ed