3.7 Bijlagen bij toelichting Natuurtoets
Tekst van het document
RAPPORT Natuurtoets nieuwe GGOR-peilen Landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek
Klant:
Waterschap Vechtstromen
Referentie: BE3102-WM-RP-220302-1322 Status:
S2/0001
Datum:
11 april 2022
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Koggelaan 21 8017 JN Zwolle Water & Maritime Trade register number: 56515154 +31 88 348 65 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Natuurtoets nieuwe GGOR-peilen Landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek Referentie: BE3102-WM-RP-220302-1322 Status: 0001/S2 Datum: 11 april 2022 Projectnaam: Landbouwgebied Schoonebeek Projectnummer: BE3102 Auteur(s): TDW, JS
Opgesteld door: TDW Gecontroleerd door: AKDV & HZ Datum: 11-04-2022 Goedgekeurd door: Datum:
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doel
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Juridisch kader
2
2.1
Gebiedsbescherming (Natura 2000)
2
2.2
Soortenbescherming
3
2.3
Natuurnetwerk Nederland
5
3
Plangebied en voorgenomen ingreep
6
3.1
Plangebied
6
3.2
Voorgenomen ingreep
8
4
Gebiedsbescherming
10
4.1
Wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000)
11
4.1.1 4.1.2 4.1.3
Gebiedsbeschrijving Bargerveen Mogelijke effecten Effectbeoordeling
11 12 14
4.1.3.1
Stikstof
14
4.1.3.2
Verstoring door geluid, licht en optische verstoring
14
4.1.3.3
Conclusie wettelijk beschermde gebieden
15
4.2
Planologisch beschermde gebieden (Natuurnetwerk Nederland)
15
5
Natuurtoets - Soortenbescherming
16
5.1
Vaatplanten
16
5.2
Grondgebonden zoogdieren
16
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4
Damhert Das Eekhoorn Waterspitsmuis
16 17 17 18
5.3
Vleermuizen
18
5.4
Amfibieën
19
5.4.1 5.4.2
Heikikker Poelkikker
19 19
5.5
Reptielen
20
5.5.1 5.5.2 5.5.3
Adder Gladde slang Levendbarende hagedis
20 20 21
5.6
Vissen
21
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
iii
Projectgerelateerd
5.6.1
Grote modderkruiper
21
5.7
Vogels
22
5.8
Ongewervelden
24
5.8.1 5.8.2 5.8.3
Aardbeivlinder Grote weerschijnvlinder Gevlekte witsnuitlibel
24 24 24
5.9
Mitigerende maatregelen
25
5.9.1 5.9.2 5.9.3
Algemene maatregelen Vissen Vogels
25 25 26
6
Eindconclusies en aanbevelingen
28
6.1
Beschermde soorten Wnb
28
6.2
Gebiedsbescherming
28
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
iv
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Waterschap Vechtstromen is voornemens om in een landbouwgebied in Nieuw-Schoonebeek ten zuiden van het Bargerveen een aantal watergangen aan te leggen en watergangen te herprofileren (verdiepen) voor de nieuwe GGOR peilen (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime) naar aanleiding van de nieuw te realiseren Buffer Zuid. De werkzaamheden worden gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Voor de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen is het verplicht om de ingreep te toetsen aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Hierbij is het noodzakelijk om de mogelijke effecten op beschermde soorten en natuurgebieden in beeld te brengen en eventuele mitigerende maatregelen te treffen of een ontheffing/vergunning aan te vragen. Royal HaskoningDHV is gevraagd om onderhavig natuurtoets uit te voeren.
1.2
Doel
Dit rapport geeft een algemene indruk van het onderzoeksgebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Hierbij is gekeken naar de onderdelen soortenbescherming (flora & fauna) en gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) uit de Wnb en naar het Natuurnetwerk Nederland. De toetsing bestaat uit onderstaande punten: • Het vaststellen van het eventuele voorkomen van beschermde soorten in het onderzoeksgebied; • Beoordelen of het voorgenomen project leidt tot verbodsovertredingen van de Wnb t.a.v. de soortenbescherming; • Het analyseren van eventuele effecten op Natura 2000-gebieden en NNN; • Het bepalen van de noodzaak tot aanvullend onderzoek en het doen van aanbevelingen over de te doorlopen procedures en vervolgstappen.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het juridisch- en beleidskader weergegeven. In hoofdstuk 3 is het plangebied en de voorgenomen ingreep weergegeven en in hoofdstuk 4 wordt de werkwijze besproken. Hoofdstuk 5 beschrijft het voorkomen en de mogelijke effecten op beschermde soorten, in hoofdstuk 6 zijn de mogelijke effecten op beschermde gebieden beschreven. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de conclusies en aanbevelingen ten aanzien van beschermde natuurwaarden.
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
1
Projectgerelateerd
2
Juridisch kader
De juridische kaders die volgen uit de Wnb en het beleid rond het NNN vormen het toetsingskader. Wat betreft de Wnb zijn de onderdelen Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de wet), Soortenbescherming (Hoofdstuk 3 van de wet) en Bescherming van houtopstanden (Hoofdstuk 4 van de wet) van belang in het licht van de voorgenomen activiteit.
2.1
Gebiedsbescherming (Natura 2000)
Natuurwaarden zijn op diverse manieren beschermd, via het wettelijk spoor en via de ruimtelijke ordening. Internationale richtlijnen, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, hebben een vertaling gekregen naar Nederlandse wetten. De Wet natuurbescherming beschrijft in hoofdstuk 2 de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en stelt de kaders voor de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden. Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn Natura 2000−gebieden aangewezen om habitatten en soorten van Europees belang te beschermen. De beoordeling van plannen, projecten is geregeld onder Wet natuurbescherming art. 2.7: 1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. 2.
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dit betekent dat er een passende beoordeling opgesteld dient te worden en dat het bestuursorgaan de vergunning alleen af mag geven als de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000 gebied niet aangetast worden. Mochten er significante gevolgen zijn dan dient een ADC (alternatieve oplossingen, dwingende redenen van groot openbaart belang en compensatie) toetsing doorlopen te worden en kan vergunning alleen verleend worden als aan alle voorwaarden wordt voldaan (geen alternatieve oplossingen, dwingende reden van groot openbaar belang en compensatie). De voorwaarden staan vermeld in art 2.8 van de wet. Conform de EU-richtlijn kan gewerkt worden met een Voortoets in de oriëntatiefase. Een Voortoets kan twee mogelijke uitkomsten hebben: • Er is zeker geen negatief effect. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. • Significant negatieve effecten kunnen niet worden uitgesloten. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is.
Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een Passende beoordeling vereist, aanvullend op de Voortoets. Ook ontwikkelingen buiten Natura 2000-gebieden kunnen onder deze wet vergunning plichtig zijn; de wet kent namelijk de zogenoemde externe werking. Hierdoor moet ook worden bekeken of ontwikkelingen buiten een Natura 2000-gebied negatieve effecten kunnen hebben op de daarbinnen vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. De Wet natuurbescherming kent voor wat betreft externe werking géén grenzen en schrijft voor dat alle gebieden die mogelijk beïnvloed worden door een activiteit in de toetsing moeten worden meegenomen. Naast de wet vormen aanwijzingsbesluiten en de Natura 2000-beheerplannen het toetsingskader bij de vergunningverlening.
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
2
Projectgerelateerd
2.2
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes voor soorten waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Het gaat om de volgende beschermingsregimes (er wordt hierbij verwezen naar de artikelen van de Wet natuurbescherming): • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1); Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2); Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. • Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3); Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Verbodsbepalingen Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.
De verbodsbepalingen in de paragrafen 3.1 en 3.2 (van de Wet natuurbescherming) zijn een-op-een overgenomen uit de genoemde richtlijnen (zie Tabel 2-1) en verdragen, en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming wordt bepaald of er beschermde dier- en plantensoorten kunnen voorkomen in het projectgebied en of de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten aangetast wordt als gevolg van het project, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan komen. Mitigerende maatregelen & voorkomen van overtreding verbodsbepalingen Indien de negatieve effecten op de functionaliteit van het leefgebied volledig kunnen worden opgeheven als gevolg van mitigerende maatregelen (waarmee overtreding van de verbodsbepalingen wordt voorkomen) is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Hierbij is het van belang dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort wordt behouden. De mitigerende maatregelen moeten als randvoorwaarde meegegeven worden aan de aannemer.
Indien dit niet wenselijk of mogelijk is moet voor het overtreden van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden Middels mitigerende maatregelen moet er in beginsel voor gezorgd worden dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden dus verbodsbepalingen overtreden, dan is een ontheffing nodig. Het beschermingsregime van de soort bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing. Artikelen 3.3, 3.8 en 3.11 van de Wet natuurbescherming bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang). Onder de Wet natuurbescherming geldt voor deze soorten een ontheffingsplicht, behalve als het bevoegd gezag door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit 1. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het 1 Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van de Wet natuurbescherming genoemde projecten (van nationaal belang)
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
3
Projectgerelateerd
ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode. De provincies zijn het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van EZ bevoegd gezag2. Het bevoegd gezag voor dit project is de provincie Drenthe. Tabel 2-1. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn §3.1
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn §3.5
Beschermingsregime andere soorten §3.10
Art. 3.1 lid 1 Art. 3.5 lid 1 Art. 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende vogels Het is verboden soorten in hun natuurlijk Het is verboden soorten opzettelijk te verspreidingsgebied opzettelijk te doden of doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen. te vangen. Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art. 3.1 lid 3 Art. 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren te rapen en deze Het is verboden eieren van dieren in de onder zich te hebben. natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Art. 3.5 lid 2 Niet van toepassing Het is verboden vogels opzettelijk te Het is verboden dieren opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke verstoren. invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing
Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten, die niet zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming) geldt, conform Wet natuurbescherming art. 1.11, de algemene zorgplicht. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is. Bij ruimtelijke ingrepen dient beoordeeld te worden welke negatieve gevolgen de ingrepen zullen hebben voor de eventueel aanwezig beschermde inheemse soorten.
Hierbij is het van belang dat de volgende aspecten duidelijk worden: • Welke beschermde dier- en plantensoorten komen in en rondom het gebied voor? • Leidt het realiseren van de plannen of de uitvoering van de geplande werkzaamheden tot handelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming betreffende planten op hun groeiplaats of dieren in hun natuurlijke leefomgeving? 2
Besluit Wet natuurbescherming 11 oktober 2016
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
4
Projectgerelateerd
• •
Kunnen de plannen of de voorgenomen werkzaamheden zodanig aangepast worden dat dergelijke handelingen niet of in mindere mate gepleegd worden? Is om de plannen te kunnen uitvoeren of de werkzaamheden te kunnen verrichten ontheffing (ex. art. 3.3, 3.8 of 3.11 van de Wet natuurbescherming) van de verbodsbepalingen vereist?
Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant”. Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of er sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort (zie voorbeelden). Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort.
In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort. Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is. Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.
2.3 Natuurnetwerk Nederland Provincie Drenthe zorgt binnen haar gebied voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk en vormt daarmee onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie heeft daartoe gebieden aangewezen die tot dit netwerk behoren. Tevens wijst de provincie aan deze gebieden natuurdoelen met specifieke wezenlijke kenmerken en waarden toe. Gedeputeerde staten kunnen daarnaast gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘’bijzondere provinciale natuurgebieden’’ en ‘’bijzondere provinciale landschappen’’. In geval van directe negatieve effecten op de aangewezen wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden die onder het Natuurnetwerk Nederland vallen, geldt een compensatieplicht.
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
5
Projectgerelateerd
3
Plangebied en voorgenomen ingreep
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het plangebied en de directe omgeving. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de waarnemingen die zijn opgedaan tijdens het veldbezoek. Vervolgens zijn de werkzaamheden beschreven die worden uitgevoerd.
3.1
Plangebied
Het plangebied ligt ten noorden van Nieuw- Schoonebeek en Twist-Bult en ten zuiden van het Bargerveen en Weiteveen. Het onderzoek betreft werkzaamheden aan watergangen voor de nieuwe GGOR-peilen (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime) in het rood omlijnde gebied. Grenzend aan de noordoosthoek van het plangebied is het toekomstige ‘Buffer Zuid’ gelegen. Buffer Zuid is landbouwgebied dat in de toekomst wordt ingericht als bufferzone om de grondwaterstand in het Bargeveen te verhogen om zo het gebied weer te herstellen. Dit gebied behoort niet tot deze natuurtoets en is onderzocht in natuurtoets Bargerveen Buffer Zuid3. In Figuur 3-1 is de locatie van het plangebied aangegeven.
Figuur 3-1: Indicatieve ligging van het plangebied (rood omlijnd). Ligging Buffer Zuid (Blauw omlijnd) Bron: Cyclomedia, 2020.
Het plangebied bestaat uit een open veenkoloniaal landschap met voornamelijk grootschalige akkers. Daarnaast zijn enkele boomsingels aanwezig met zwarte elzen, berken en struwelen. In het akkerland zijn veel intensief beheerde ontwateringssloten aanwezig. De sloten zijn veelal ondiep met steile onbegroeide oevers. Langs de bosschages is er meer oeverbegroeiing aanwezig. Het plangebied grenst daarnaast aan de dorpen Nieuw-Schoonebeek, Middendorp en Twist-Bult.
3
Royal HaskoningDHV 2021; Geactualiseerde Natuurtoets Bargerveen – Buffer Zuid. BE3102WMRP2111221147
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
6
Projectgerelateerd
Figuur 3-2: Sfeerimpressie van het plangebied. Linksboven: ontwateringssloot langs de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat (Tussen de Dordseweg en de Kerkeweg) Rechtsboven: ontwateringssloot aan de noordkant van het bosschage ten noorden van de schaatsbaan in Nieuw-Schoonebeek. Onder: ontwateringssloot haaks op de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat (Tussen de Dordseweg en de Kerkeweg). Bron: RHDHV. 2021.
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
7
Projectgerelateerd
3.2
Voorgenomen ingreep
Doel van het voorgenomen project is het verbeteren van de interne hydrologie van het Bargerveen voor de regeneratie en de instandhouding van hoogveen- en natte heidevegetaties en de hydrologie voor de landbouw te verbeteren. Hiervoor vindt binnen Buffer Zuid, herinrichting van voormalig landbouwgebied naar natuur plaats met als doel water op een hoger peil te zetten en vast te houden om het weglekken van water uit het Bargerveen te stoppen. In het plangebied Schoonebeek rond het plangebied Buffer Zuid worden watergangen aangelegd met kunstwerken (stuwen, gemaal, etc.) om de gewenste waterpeilen binnen dit landbouwgebied te realiseren. De werkzaamheden binnen de Buffer Zuid zijn onderzocht in een andere natuurtoets4. Op figuur 3-3 is de huidige en nieuwe situatie van de hoofdwatergangen weergegeven voor het plangebied landbouwgebied Schoonebeek. Er worden geen gebouwen gesloopt of bomen gekapt. Werkzaamheden bestaan onder andere uit: • Graven van nieuwe hoofdwatergangen; • Dempen van watergangen; • Het verbreden en verdiepen van watergangen tot hoofdwatergangen; • Plaatsen van kunstwerken (stuwen, gemaal, etc.) ten behoeve van de waterhuishouding. De exacte werkwijze en planning zijn nog niet bekend. Voor de werkzaamheden wordt groot materieel ingezet zoals dumpers en graafmachines.
4
Royal HaskoningDHV 2021; Geactualiseerde Natuurtoets Bargerveen – Buffer Zuid. BE3102WMRP2111221147
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
8
Projectgerelateerd
Figuur 3-3: Boven: Huidige situatie hoofdwatergangen en stuwen (Paars). Onder: Nieuwe situatie hoofdwatergangen en stuwen (Groen)
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
9
Projectgerelateerd
4
Gebiedsbescherming
In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het plangebied wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) zijn gelegen en wordt beoordeeld of storingsfactoren kunnen optreden (voortoets) vanuit het project. Tevens is onderzocht of het plangebied in of nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt. Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot het NNN wordt bepaald of negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN naar verwachting aan de orde zijn.
Figuur 4-1. Overzicht van het plangebied (omlijnd met rood), Natuur Netwerk Nederland (omlijnd met groen), Natura 2000 (vlak met zwarte horizontale strepen) en Buffer zuid (Blauw geruit).
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
10
Projectgerelateerd
4.1
Wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000)
Het plangebied grenst in het noordwestelijke deel aan het Natura 2000-gebied Bargerveen (zie Figuur 6-2). Voor het Natura 2000-gebied Bargerveen zijn zowel habitattypen, broedvogelsoorten en nietbroedvogelsoorten aangewezen vanuit de Europese habitat- en vogelrichtlijnen.
4.1.1
Gebiedsbeschrijving Bargerveen
Het Bargerveen in het zuidoosten van Drenthe is een van de meest waardevolle hoogveengebieden van Nederand. Het is een restant van het ooit zeer uitgestrekte Bourtangerveen. In het gebied zijn zeldzame planten en dieren aanwezig. Het betreft grote populaties van adder, gladde slang en heikikker. Als een van de weinige veengebieden heeft het Bargerveen nog delen met vrijwel onaangetast hoogveen. Het gebied kan worden opgedeeld in drie delen. In het noorden ligt het Meerstalblok welke voornamelijk bestaat uit vergraven en ontwaterd hoogveen met kleine onvergraven kernen levend hoogveen. Centraal ligt het Amsterdamsche Veld, welke tot op het restveen is afgegraven. In het zuiden ligt het Schoonebekerveld. Dit deel is een afwisselend gebied met deels vergraven hoogveen en bovenveengraslanden die zijn ontwaterd, maar bijna niet vergraven. Sinds de jaren 70 zijn door Staatsbosbeheer maatregelen getroffen op het herstel van het veengebied. Om het water vast te gouden zijn dammen aangelegd en lekken in de zandige ondergrond gedicht. Ook zijn er verschillende watergangen gedicht. Ook zijn er bufferzones aangelegd en worden er nieuwe bufferzones gecreëerd. Desondanks alle maatregelen blijft het lastig om het gebied te herstellen gezien de bovenste lagen van het restveen vermoedelijk onherstelbaar zijn aangetast.
Figuur 4-2. Begrenzing Natura 2000-gebied Bargerveen. Instandhoudingsdoelstellingen Bargerveen. Kaart: Natura20005
5
Groen:
Vogelrichtlijngebied
+
Habitarichtlijngebied.
https://www.natura2000.nl/gebieden/drenthe/bargerveen/bargerveen-kaart Geraadpleegd december 2021
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
11
Projectgerelateerd
Voor het Bargerveen zijn verschillende instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor habitattypen, broedvogels en niet-broedvogels (zie Tabel 6-1) Tabel 4-1. Instandhoudingsdoelstellingen Bargerveen (Minsterie van EZ, 2013). Soort
SVI Landelijk
Doelst. Opp.vl.
Doelst. Kwal.
Draagkracht aantal vogels
Draagkracht aantal paren
Habitattypen H6230
*Heischrale graslanden
--
=
=
H7110A
*Actieve hoogvenen
--
>
>
H7120
Herstellende hoogvenen
+
= (<)
>
Broedvogels A008
Geoorde fuut
+
=
=
95
A082
Blauwe Kiekendief
--
=
=
1
A119
Porseleinhoen
--
=
=
15
A153
Watersnip
--
=
=
16
A222
Velduil
--
=
=
1
A224
Nachtzwaluw
-
=
=
30
A272
Blauwborst
+
=
=
150
A275
Paapje
--
>
>
30
A276
Roodborsttapuit
+
=
=
90
A338
Grauwe Klauwier
--
>
>
100
Niet-broedvogels A037
Kleine Zwaan
-
=
=
130 (slaap- en rustplaats)
A039b
Toendrarietgans
+
=
=
17600 (slaap- en rustplaats)
Legenda SVI landelijk = > = (<)
4.1.2
Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) Behoudsdoelstelling Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering
Mogelijke effecten
In Tabel 4-2 zijn de verstoringsfactoren weergeven die in de gebruiksfase alsmede in de aanlegfase kunnen optreden. Bepaald wordt of de voorgenomen ingreep een negatief effect kan veroorzaken ten aanzien van deze storingsfactoren en of hiervoor vervolgstappen zijn vereist.
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
12
Projectgerelateerd
Tabel 4-2. Effecten die volgens de effectindicator van het ministerie van LNV kunnen optreden tijdens de permanente situatie en tijdens de aanlegfase en die voor de voorgenomen ingrepen in het Natura 2000-gebied Bargerveen van toepassing zijn. In sommige gevallen zijn de storingsfactoren samengenomen. Storingsfactor
Tijdelijke situatie
Permanente situatie
Toelichting
Verlies oppervlak (1)
Nee
Nee
Binnen het plangebied is geen sprake van ruimtebeslag.
Versnippering (2) en verandering in populatiedynamiek (18)
Nee
Nee
De voorgenomen ingreep leidt niet tot versnippering en verandering in populatiedynamiek
Toename stikstof (vermesting (3) en verzuring (4))
Mogelijk
Nee
De werkzaamheden (en met name de materiele inzet) kunnen in de tijdelijke situatie leiden tot een toename in stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied.
Verzoeting (5)
Nee
Nee
Van verzoeting van de Natura 20000-gebieden is geen sprake.
Verzilting (6)
Nee
Nee
Van verzilting en verdroging is mogelijk sprake als er door de werkzaamheden (grootschalige) grondwateronttrekking plaats. Dat kan leiden tot verdroging en daarmee indirect ook tot verzilting van de bodem. De afstand tot de verzilte ondergrond is dermate groot dat er geen effect zijn voorzien als gevolg van de werkzaamheden.
Verontreiniging (7)
Nee
Nee
Van verontreiniging van de Natura 2000-gebieden is geen sprake. Het is niet voorzien dat bij de werkzaamheden gebiedsvreemde stoffen gebruikt worden.
Verdroging (8)*
Nee
Nee
De voorgenomen ingrepen leidt niet tot verdroging zoals bedoeld in de Effectenindicator.
Vernatting (9)*
Nee
Nee
De voorgenomen ingrepen leidt niet tot vernatting zoals bedoeld in de Effectenindicator.
Verandering stroomsnelheid (10)
Nee
Nee
De voorgenomen ingrepen leidt niet tot verandering van verandering stroomsnelheid zoals bedoeld in de Effectenindicator.
Verandering overstromingsfrequentie (11)
Nee
Nee
De voorgenomen ingrepen leidt niet tot verandering van overstromingsfrequentie zoals bedoeld in de Effectenindicator.
Verandering dynamiek substraat (12)
Nee
Nee
De voorgenomen ingrepen leidt niet tot verandering van verandering dynamiek substraat zoals bedoeld in de Effectenindicator.
Nee
Het plan leidt mogelijk tot verstoring door geluid van het Natura 2000gebied. In de tijdelijke situatie kan de aanwezigheid van materieel in het Natura 2000-gebied leiden tot verstoring van de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen.
Geluid (13)
Mogelijk
Licht (14)
Mogelijk
Nee
Wanneer de werkzaamheden niet volledig overdag worden uitgevoerd kan de voorgenomen ingreep in de tijdelijke situatie zorgen voor een toename in verlichting en leiden tot verstoring van de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen.
Trillingen (15)
Nee
Nee
In het Bargerveen zijn effecten door trillingen als gevolg van werkzaamheden tijdens de aanlegfase op voorhand uit te sluiten.
Optisch (16)
Mogelijk
Nee
In het Bargerveen is gedurende de tijdelijke situatie sprake van een toename in optische effecten door de zichtbaarheid van materieel direct langs of op het Natura 2000-gebied.
Mechanische effecten (17)
Nee
Nee
De voorgenomen ingreep leidt niet tot verstoring door mechanische effecten zoals bedoeld in de Effectenindicator.
Bewuste verandering soortensamenstelling (19)
Nee
Nee
De werkzaamheden hebben geen invloed op de soortensamenstelling (er worden geen soorten herintroduceert of bewust dieren gedood).
*De werkzaamheden komen voort uit de aanleg van de Buffer Zuid. Die zorgt voor een (positieve) vernatting in het Bargerveen. 11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
13
Projectgerelateerd
4.1.3
Effectbeoordeling
4.1.3.1 Stikstof Tijdelijke effecten De inzet van werktuigen (met verbrandingsmotoren) tijdens werkzaamheden aan de watergangen leidt mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie in de omgeving van het plangebied. De gebruiksfase leidt niet tot een toename in stikstofdepositie gezien er geen toename van verkeer (met verbrandingsmotoren) is. In de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn diverse stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Een toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot verzuring en vermesting. Door verzuring kunnen daarvoor gevoelige plantensoorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen (dier)soorten. Door vermesting kan een beperkt aantal plantensoorten sterk toenemen ten koste van andere (zeldzame) plantensoorten die vaak gebaad zijn bij weinig stikstof. Dit heeft effect op diersoorten doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, als gevolg van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht (tijdens de aanlegfase) zijn niet op voorhand uit te sluiten. Voor de aanlegfase is zekerheidshalve een aerius-berekening uitgevoerd6.
Op basis van de uit te voeren werkzaamheden is een inschatting gemaakt van het in te zetten materieel en voertuigen van en naar het plangebied. De bijbehorende uitgangspunten staan beschreven in de notitie. Als gevolg van de werkzaamheden neemt de stikstofdepositie binnen nabijgelegen Natura 2000-gebied Bargerveen, na vermindering van het effecten door afname van de reguliere bemesting, tijdelijk nog toe met maximaal 0,18 mol N/ha/j. Het permanente effect van de afname van de ammoniakemissies door het wegvallen van de bemesting leidt tot een afname van de stikstofdepositie in grote delen van het Natura 2000-gebied Bargerveen. De maximale afname van de depositie bedraagt 1,55 mol N/ha/j. Permanente effecten Binnen het project wordt landbouwgrond omgezet in water. Deze landbouwgrond wordt niet meer regulier bemest waardoor de emissie van stikstof (ammoniak) in de permanente gebruiksfase zal afnemen. Significant negatieve effecten tijdens de permanente gebruikssituatie kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten.
4.1.3.2 Verstoring door geluid, licht en optische verstoring Verstoring door geluid, licht en optische verstoring Tijdelijke effecten Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied: - Geluidseffecten en lichteffecten door materieel; - Optische effecten door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen; Hierdoor is het plangebied de directe omgeving tijdelijk niet of minder beschikbaar voor de aangewezen (niet-) broedvogelsoorten. Om verstoring te voorkomen van de broedvogelsoorten kunnen de maatregelen uit paragraaf 7.2.3 worden genomen. Voor de niet-broedvogels zijn voldoende uitwijkmogelijkheden met geschikt leefgebied aanwezig. Gezien de rust- slaapplaatsen met name in het oostelijk deel van het Bargerveen liggen en de werkzaamheden aan de oostzijde niet grenzen aan het Bargerveen, wordt er geen effect verwacht door verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen van het Bargerveen. Permanente effecten 6
BE3102-MI-NT-220405-1254 Notitie Stikstofdepositie Nieuw-Schoonebeek. Royal HaskoningDHV (April, 2022).
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
14
Projectgerelateerd
In de permanente situatie is er geen sprake van (extra) verstoringen gecreëerd door geluid licht en optische verstoring
4.1.3.3 Conclusie wettelijk beschermde gebieden De volgende conclusies ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen worden getrokken: • Significant negatieve effecten tijdens de permanente gebruikssituatie kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. • Er wordt geen effect verwacht van geluid, licht en optische verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen.
4.1.4
Cumulatie
Naast de werkzaamheden die zijn voorzien in het plangebied Schoonebeek rond het plangebied Buffer Zuid om de gewenste waterpeilen binnen dit landbouwgebied te realiseren zijn ook werkzaamheden voorzien in Buffer Zuid zelf. Op dit moment is de uitvoeringsplanning van beide projecten nog niet bekend. Het is dan ook niet uit te sluiten dat deze projecten geheel of gedeeltelijk overlappen in de tijd. In de gemaakte berekeningen voor zowel Buffer Zuid als het GGOR zie je dat er een kleine toename is bij de aanleg (een tijdelijke maximale bijdrage van 0,55 mol N/ha/j en 0,18 mol N/ha/j respectievelijk) echter staat dit niet in verhouding tot afname in de gebruiksfase (De maximale afname van de depositie voor het GGOR bedraagt alleen al 1,55 mol N/ha/j. Als gevolg van de beperkte tijdelijke toename van stikstofdepositie zal er geen significant negatieve effecten zijn op de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen (habitattypen) van Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de beide projecten. Terwijl in de permanente situatie juist een gunstigere situatie ontstaat voor de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van de realisatie van de projecten.
4.2
Planologisch beschermde gebieden (Natuurnetwerk Nederland)
Figuur 4-1 laat zien dat de werkzaamheden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vallen. Het NNN-deel ten noorden van het plangebied, plangebied Buffer Zuid, bestaat uit het beheertype “N00.01 Nog om te vormen naar natuur” (hier wordt de buffer gerealiseerd). Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend, en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten. Conclusie planologisch beschermde gebieden De werkzaamheden vinden plaats buiten het NNN. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten.
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
15
Projectgerelateerd
5
Natuurtoets - Soortenbescherming
Er zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit onder andere verspreidingsatlassen en de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) voor het plangebied en de nabije omgeving van de afgelopen 10 jaar7. De straal van de opgevraagde gegevens verschilt per soort(groep). Dit is onder andere afhankelijk van de mobiliteit van een soort(groep). Voor de reeds uitgevoerde natuurtoets is een veldbezoek uitgevoerd op 10 december 2021, gericht op geschiktheid van de biotopen voor de in de regio voorkomende soorten. Dit veldbezoek is uitgevoerd door J. Schepers, ecoloog van Royal HaskoningDHV. Het was een deels bewolkte dag van ongeveer 4 ºC. Tijdens het veldbezoek zijn niet alle watergangen bekeken gezien de bereikbaarheid van de watergangen en het algemene beeld van de watergangen gelijk was.
5.1
Vaatplanten
Voorkomen De NDFF (afgelopen 10 jaar) bevat geen waarnemingen van beschermde vaatplanten binnen en in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn alleen algemene vaatplanten vastgesteld binnen het plangebied. In oevers van sloten soorten die duiden op voedselrijke omstandigheden. Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikte standplaatsen voor praktisch alle onder de Wnb beschermde vaatplanten. Dit zijn vooral soorten van extensief beheerde en onbemeste akkers en soorten van kalkrijke standplaatsen. Daarnaast staan er soorten van zeer schrale, zwak zure standplaatsen op de lijst met beschermde vaatplanten. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Conclusie Binnen het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten aanwezig, een overtreding van de Wnb t.a.v. vaatplanten is uitgesloten.
5.2
Grondgebonden zoogdieren
De NDFF (afgelopen 10 jaar) wijst op het voorkomen van strikt beschermde zoogdieren in de omgeving van het plangebied, namelijk damhert, das, eekhoorn, waterspitsmuis en grote bosmuis. Deze soorten vallen onder ‘andere soorten’ onder paragraaf 3.3. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene beschermde soorten voorkomen zoals egel, haas, konijn, ree, kleine marterachtigen, verschillende muizensoorten en vos. Voor deze algemene soorten geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’. Voor de soorten die onder deze vrijstelling vallen blijft wel de algemene zorgplicht van toepassing bij ruimtelijke ingrepen. In het kader van de zorgplicht zijn mitigerende maatregelen opgenomen voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren in paragraaf 5.9.
5.2.1
Damhert
Voorkomen Het damhert (par. 3.3) komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden.8 7 8
https://ndff-ecogrid.nl/, geraadpleegd december 2021 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/damhert geraadpleegd december 2021
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
16
Projectgerelateerd
De NDFF wijst op het voorkomen van het damhert in het Bargerveen op ongeveer 300 meter ten noorden van het plangebied. Binnen het plangebied ontbreekt het aan bos. Wel kunnen damherten incidenteel foeragerend voorkomen binnen het plangebied. Effectbeoordeling Het open akkerlandschap is ongeschikt als vast leefgebied voor damherten. Als gevolg van de werkzaamheden worden geen vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen vernield. De akkers maken ook geen deel uit van essentiële foerageergebieden. De essentiële foerageergebieden van damherten vallen binnen het Bargerveen. Damherten zijn zeer mobiel en goed in staat om de werkzaamheden te ontvluchten. Het doden van damherten wordt uitgesloten. Conclusie Binnen het plangebied komt damhert niet voor, een overtreding van de Wnb t.a.v. het damhert is uitgesloten.
5.2.2
Das
Voorkomen De das (par. 3.3) leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse biotooptypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Die kunnen als beschutting en geleiding dienen. Belangrijke kenmerken van dassenhabitat zijn: ▪ Een bodem die goed vergraafbaar is en die het regenwater snel kan afvoeren voor de burchten ▪ Aanwezigheid van voldoende dekking rond de burchten en de migratieroutes ▪ Weinig verstoring. De NDFF wijst op het voorkomen van de das in het Bargerveen op ongeveer 2,2 km ten noorden van het plangebied. Het foerageergebied ligt tot ongeveer 1,5 tot 12 kilometer van de burcht. 9 Derhalve komt de das mogelijk foeragerend voor in het onderzoeksgebied. Tijdens het veldbezoek zijn de bosjes onderzocht op de aanwezigheid van dassenburchten. Ook is er gelet op sporen zoals wissels, latrines, prenten of krabsporen. Zowel burchten als sporen zijn niet vastgesteld tijdens het veldbezoek. Het open akkerlandschap biedt weinig dekking voor dassen. Daarnaast worden de akkers intensief bewerkt. Vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen worden binnen het plangebied niet verwacht. De das kan hooguit foeragerend voorkomen binnen het plangebied.
Effectbeoordeling De intensief bewerkte akkers maken geen essentieel onderdeel uit van het foerageergebied van de das. De werkzaamheden leiden niet tot de het beschadigen of vernietigen van vaste voortplantings- of rustplaatsen en heeft geen invloed op de beschikbaarheid van geschikt foerageergebied. Ook het doden van dassen is uitgesloten. Conclusie Een overtreding van de Wnb t.a.v. de das is uitgesloten.
5.2.3
Eekhoorn
Voorkomen Eekhoorns (par. 3.3) komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied 9
Kennisdocument BIJ12 geraadpleegd september 2021
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
17
Projectgerelateerd
voor. De eekhoorn is een echte boombewoner, die vooral in de vroege ochtend en namiddag actief is. Voedsel zoeken ze in bomen en op de grond. Ze kunnen goed springen en klimmen en bewegen zeer behendig tussen bomen en takken. Eekhoorns bouwen nesten in bomen die vooral in de winter, wanneer er geen blad aan de bomen zit, goed waarneembaar zijn. Het nest is bolvormig, zo groot als een voetbal en heeft een doorsnede van 30 tot 50 cm. Het wordt op minstens 5 meter boven de grond gebouwd. Soms gebruiken ze ook boomholten, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Naast één hoofdnest zijn ook vijf tot zes kleinere 'reservenesten' in gebruik10. De NDFF wijst op het voorkomen van de eekhoorn rondom het plangebied. Er zijn waarnemingen bekend van de eekhoorn langs de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat en in Nieuw-Schoonebeek. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van eekhoorns in de houtopslag in de nabije omgeving. Het open akkerlandschap, met lokaal enkele bosopstanden, maakt geen onderdeel uit van het leefgebied van de eekhoorn. Conclusie Een overtreding van de Wnb t.a.v. de eekhoorn is uitgesloten.
5.2.4
Waterspitsmuis
Voorkomen Waterspitsmuizen worden aangetroffen bij schoon, voedselarm water, zowel vrij snelstromend als stilstaand, met een goed ontwikkelde watervegetatie en met oevers die ruig begroeid zijn. Hij komt voor in zeer uiteenlopende biotopen waar meestal bodembedekkende vegetatie en water binnen 500 meter aanwezig is. De NDFF wijst op het voorkomen van de waterspitsmuis in het Bargerveen op circa 2,5 km afstand van het plangebied. De meeste agrarische sloten in het plangebied zijn niet permanent watervoerend en zeer voedselrijk. Bovendien zijn de oevers weinig begroeid en is er geen goed ontwikkelde watervegetatie. De waterspitsmuis wordt op basis van habitatgeschiktheid uitgesloten binnen het plangebied. Conclusie Binnen het plangebied komt waterspitsmuis niet voor, een overtreding van de Wnb t.a.v. waterspitsmuis is uitgesloten.
5.3
Vleermuizen
Voorkomen In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen (par. 3.2/HR) in het plangebied en de nabije omgeving. De meer algemenere soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis kunnen foeragerend voorkomen in het plangebied waarbij mogelijk gebruik wordt van waterlijnelementen en bosschages. Vleermuizen verblijven ‘s zomers overdag in een zomerverblijfplaats of kraam- of paarverblijfplaats, ’s winters zoeken ze een winterverblijfplaats op waar ze de hele dag verblijven. Effectbeoordeling Er worden geen bomen gekapt of gebouwen gesloopt waardoor het vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen is uitgesloten. Ook worden geen lijnvormige elementen onderbroken die als vliegroute fungeren. Bosjes en struweel blijven beschikbaar als foerageergebied voor de verschillende vleermuissoorten. Indien er binnen het vleermuisactieve seizoen (grofweg van april tot
10
https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn geraadpleegd december 2021
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
18
Projectgerelateerd
november) in het donker wordt gewerkt, kan de inzet van verlichting leiden tot verstoring van foeragerende en/of doortrekkende vleermuizen. Conclusie Tijdelijke negatieve effecten op vleermuizen die mogelijk binnen het plangebied foerageren zijn op voorhand niet uitgesloten. In paragraaf 5.9 zijn voorzorgsmaatregelen opgenomen om tijdelijke negatieve effecten te voorkomen.
5.4
Amfibieën
De NDFF bevat waarnemingen van de heikikker (par. 3.2) en poelkikker (par. 3.2/HR.) buiten het plangebied, in het Bargerveen. Voor de algemeen voorkomende beschermde bastaard-, meer-, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’. Wel zijn in het kader van de zorgplicht mitigerende maatregelen opgenomen voor algemeen voorkomende amfibieën in paragraaf 5.9.
5.4.1
Heikikker
Voorkomen De heikikker (par. 3.2) komt veel voor in relatief voedselarme, vaak zwak zure wateren en is meer zuurtolerant dan de bruine kikker. Waterhabitat is vaak relatief voedselarm en bestaat uit ondiep, zon beschenen water. Buiten de voortplantingsperiode worden de heikikkers aangetroffen in hoge, dichte vegetaties zoals vochtige heide, pijpenstrootjesvegetatie, kruidenrijk vochtig grasland en in mindere mate in open loofbos. De landhabitat van de heikikker bevindt zich in de nabije omgeving van het voortplantingswater, tot op een afstand van 300 meter wat kan oplopen tot 1200 meter 11. De NDFF wijst op het voorkomen van de heikikker langs de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat en het Bargerveen. Voortplantingswater en landhabitat van de heikikker zijn gelegen in het Bargerveen. De agrarische sloten zijn ongeschikt als voortplantingswater aangezien deze te voedselrijk zijn en onvoldoende oeverbegroeiing aanwezig is. Daarnaast zijn de akkers en oevers ongeschikt als overwinteringsgebied voor de soort gezien deze niet vorstvrij is en het ontbreekt aan voldoende dekking. Conclusie De heikikker komt niet voor binnen het plangebied. Een overtreding van de Wnb t.a.v. de heikikker is uitgesloten.
5.4.2
Poelkikker
De poelkikker (par. 3.2/HR) leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in de landschapstypen bos, heide en hoogveen. Ook wordt de soort gemeld uit half natuurlijke graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen en op ruderaal terrein. De poelkikker wordt slechts zelden aangetroffen bij grote vijvers, meren of stromende wateren. Wel kan hij in de uiterwaarden aanwezig zijn. Hij heeft een voorkeur voor niet beschaduwde wateren, maar de oeverzone moet goed begroeid zijn12. De NDFF wijst op het voorkomen van de poelkikker in het Bargerveen op ongeveer 1,8 kilometer ten noorden van het plangebied. De oevers binnen het plangebied zijn weinig begroeid en er is geen goed
11 12
BIJ12 (2017), Kennisdocument heikikker, geraadpleegd september 2021 BIJ12 (2017), Kennisdocument poelkikker, geraadpleegd december 2021
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
19
Projectgerelateerd
ontwikkelde watervegetatie. De akkers zijn ongeschikt als winterverblijfplaats voor de soort gezien deze niet vorstvrij zijn. Het voorkomen van poelkikker is binnen het plangebied uitgesloten. Conclusie De poelkikker komt niet voor binnen het plangebied. Een overtreding van de Wnb t.a.v. de poelkikker is uitgesloten.
5.5
Reptielen
De NDFF (afgelopen 10 jaar) bevat waarnemingen van de adder, gladde slang en de levendbarende hagedis, buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige reptielen worden op basis van verspreidingsgegevens (Ravon) en habitatgeschiktheid uitgesloten.
5.5.1
Adder
Voorkomen De adder is binnen zijn verspreidingsgebied een bewoner van halfopen tot open leefgebieden, met een rijke vegetatiestructuur. In Nederland komt de adder voor op de hoge zandgronden en in hoogveenlandschappen. De voorkeurshabitat bestaat uit ‘hoogveengebieden met vennen’ en ‘heideterreinen’. Voor de overwintering gebruikt de adder ondergrondse, vorstvrije winterverblijven welke vaak begroeid zijn met ondoordringbare dichte vegetatie zoals braamstruweel. 13 De NDFF wijst op het voorkomen van de adder in het Bargerveen langs de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat. Binnen het plangebied is er geen geschikt leefgebied aanwezig. Ook zijn er geen winterverblijfplaatsen aanwezig gezien het binnen het plangebied ontbreekt aan dichte vegetatie. De adder komt mogelijk alleen zonnend voor langs de randen van het plangebied die grenzen aan het Bargerveen. Effectbeoordeling De geplande werkzaamheden zullen de adder mogelijk verstoren. De adder is mobiel en in staat om tijdens de werkzaamheden het plangebied te ontvluchten. Het tijdelijk ontvluchten van het gebied gedurende de werkzaamheden naar een rustigere plek wordt niet aangemerkt als opzettelijke verstoring 14. Conclusie Een overtreding op de Wnb kan op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.5.2
Gladde slang
Voorkomen De gladde slang komt voornamelijk voor op droge heideterreinen, maar ook op hogere delen van het hoogveengebieden en open bossen en jonge aanplant op zandgrond. De soort komt in Nederland alleen voor op substraat van zandgrond of veengrond en nooit op klei. De gladde slang overwintert in droge vorstvrije plekken.15 De NDFF wijst op het voorkomen van de gladde slang in het Bargerveen. Binnen het plangebied is er geen geschikt leefgebied aanwezig. Ook is er geen winterverblijfplaats aanwezig gezien binnen het plangebied gezien het ontbreekt aan dichte vegetatie.
13
https://www.ravon.nl/soorten/soortinformatie/adder geraadpleegd december 2021 Raad van State. 2009. ABRvS 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701 15 http://soortprotocollenflora-enfaunawet.stowa.nl/documents/soortprotocollenflora-enfaunawet/gladde%20slang.pdf geraadpleegd december 2021 14
11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
20
Projectgerelateerd
Conclusie Een overtreding op de Wnb kan op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.5.3
Levendbarende hagedis
Voorkomen De levendbarende hagedis komt voor in(vochtige) heide, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Dichte vegetatie- structuren worden als dekking gebruikt en open plekken om op te warmen. Voor het opwarmen klimt de soort vaak op boomstronken, dode takken en weidepalen en soms klimt de soort hoog de vegetatie in. Overwintering vindt plaats in grote pollen, onder boomstronken of in holen onder de grond. Per jaar kan de hagedis zich over een afstand van meer dan één kilometer verplaatsen.16 De NDFF wijst op het voorkomen van de levendbarende hagedis in het Bargerveen. Ter plaatse het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig. Ook zijn er geen geschikte winterverblijfplaatsen aanwezig. De levendbarende hagedis komt mogelijk alleen zonnend voor langs de randen van het plangebied die grenzen aan het Bargerveen. Conclusie Een overtreding op de Wnb kan op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.6
Vissen
Op basis van de NDFF komt enkel één waarneming van een Grote Modderkruiper naar voren, verder zijn er geen waarnemingen van beschermde vissoorten binnen het onderzoeksgebied. Alle andere beschermde vissoorten kunnen worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens.
5.6.1
Grote modderkruiper
Voorkomen De grote modderkruiper (paragraaf 3.2/HR) heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De grote modderkruiper kan zelfs in drooggevallen wateren enige tijd overleven in de modder. De soort is in staat extreme habitat te bewonen waar de meeste andere vissoorten vaak niet in kunnen overleven. Ook komt de grote modderkruiper voor in waterplantrijke boerensloten17. RAVON heeft in 2017 voor heel Drenthe gekeken naar de aanwezigheid van grote modderkruiper middels eDNA onderzoek18. De conclusie uit dit onderzoek is dat het gebied Nieuw-Schoonebeek in slechte staat is als zijnde leefgebied voor Grote Modderkruiper. Op basis van dit onderzoek is naar voren gekomen dat de grote modderkruiper in de oostkant van het plangebied ter plaatse van de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat aanwezig is, de conclusie uit het onderzoek is dat dit een relictpopulatie betreft. De betreffende watergang is ook de enige binnen het plangebied welke als geschikte sloot (ondiepe sloten met waterplanten) kan worden aangeduid als leefgebied voor de grote modderkruiper. Het voorkomen van de grote modderkruiper kan op voorhand niet worden uitgesloten.
16
http://soortprotocollenflora-enfaunawet.stowa.nl/documents/soortprotocollenflora-enfaunawet/levendbarendehagedis.pdf geraadpleegd december 2021 17 https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/10/Kennisdocument-Grote-modderkruiper-Misgurnus-fossilis-Versie-2.0-oktober2021.pdf; geraadpleegd december 2021 18 Instandhouding grote modderkruiper in Drenthe; Actualisatie verspreiding en strategie tot instandhouding van de soort. Stichting RAVON, Nijmegen (2018). 11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
21
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling Tijdens de werkzaamheden worden nieuwe watergangen gegraven en een aantal huidige sloten worden verdiept en verbreed. De sloten die verbreed/verdiept worden zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Door werkzaamheden aan de watergangen kunnen mogelijke voortplantings- of rustplaatsen tijdelijk worden beschadigd of vernield en kunnen hierbij grote modderkruipers worden gedood. Het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote modderkruiper gedurende de uitvoering is daarmee op voorhand niet uit te sluiten. Mitigerende maatregelen in de uitvoeringsfase zijn nodig om doding en tijdelijke beschadiging van leefgebied te voorkomen. Conclusie Overtreding van de verbodsbepalingen (doding en tijdelijke aantasting van verblijfplaats) voor de grote modderkruiper (par. 3.2) is niet uit te sluiten tijdens de uitvoering. Mitigerende maatregelen tijdens de uitvoering zijn nodig. In paragraaf 5.9.1 zijn deze maatregelen beschreven. Deze maatregelen geven tevens invulling aan de zorgplicht voor overige aanwezige vissoorten. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het leefgebied van de soort; de toename in watergangen betekent mogelijk uitbreiding van leefgebied.
5.7
Vogels
Op basis van verspreidingsgegevens kunnen verschillende vogelsoorten voorkomen binnen het plangebied. In deze paragraaf is onderscheid gemaakt tussen broedvogels zonder een jaarrond beschermd nest en broedvogels met een jaarrond beschermd nest (zoals buizerd). Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Het struweel aan de randen van akkers is geschikt als broedlocatie voor verschillende (algemene) broedvogelsoorten o.a. zwartkop, spotvogel, winterkoning, merel, grasmus, geelgors, fitis en tjiftjaf. De oevers van de sloten zijn veelal onbegroeid en steil waardoor deze niet geschikt zijn als broedplaats voor soorten als de wilde eend. Op de akkers kunnen o.a. kieviten en scholeksters broeden. Effectbeoordeling Op basis van de Wnb zijn alle broedvogels (par. 3.1/VR) beschermd onder het beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten. Bij de aanleg/graafwerkzaamheden van de watergangen en transport kunnen verstorende effecten optreden op broedvogels bij watergangen en op de weilanden/akkers. Wanneer de werkzaamheden (gedeeltelijk) worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels worden verstoord en is mogelijk sprake van doding. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren of jongen van vogels.
Het verstoren en vernietigen van nesten en eieren of jongen en opzettelijke doding is een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb. Conclusie Negatieve effecten zijn op voorhand niet uitgesloten. In paragraaf 5.9 worden mitigerende maatregelen voorgesteld om een overtreding van een verbodsbepaling ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Jaarrond beschermd nest en rustplaatsen Voorkomen Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan geen jaarrond beschermde nesten, onder meer horsten van roofvogels, aangetroffen in de aanwezige bosopstanden. Wel is in het plangebied een nestpaal voor een ooievaar (cat. PM) waargenomen, zie figuur 5-1. Deze was nog niet in gebruik. Deze kan in het broedseizoen wel in gebruik genomen worden. Verder is een overvliegende buizerd (cat. 4) waargenomen die waarschijnlijk buiten het plangebied een horst en territorium heeft. Voor beide soorten geldt dat deze alsnog kunnen gaan vestigen. Voor de 11 april 2022
BE3102-WM-RP-220302-1322
22
Projectgerelateerd
uitvoering is het noodzakelijk om het gebruik van de ooievaarsnest en de bosopstanden in het plangebied op aanwezigheid van horsten te controleren.
Figuur 5-1: Nestpaal voor een ooievaar ten noorden van de schaatsbaan van Nieuw-Schoonebeek. Ster: Locatie nestpaal
Effectbeoordeling Er worden geen bomen gekapt en de nestpaal van de ooievaar blijft gehandhaafd. Bij de werkzaamheden gaat een eventueel nest niet verloren. Wanneer tijdens het broedseizoen binnen de verstoringsafstand van een broedende buizerd wordt gewerkt kunnen broedende buizerds worden verstoord. Wanneer soorten vanwege de verstoring het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren of jongen van vogels. Het verstoren en vernietigen van nesten en eieren of jongen is een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb. Indien de broedpaal voor de ooievaar in gebruik is, kunnen tijdens het broedseizoen deze negatieve effecten niet worden uitgesloten. Conclusie Op dit moment zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig en zijn er geen negatieve effecten. Echter kan deze situatie zijn gewijzigd ten aanzien van potentieel buizerd en ooievaar. Als aandachtspunt zal voor start van de realisatie zal opnieuw een controle op jaarrond beschermde nesten moeten plaatsvinden. In paragraaf 7.2 worden mitigerende maatregelen voorgesteld om een overtreding van een verbodsbepaling ten aanzien van de buizerd en ooievaar te voorkomen.