3.6 Bijlagen bij toelichting M.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
• Werkzaamheden zoveel mogelijk clusteren in de tijd, zodat er steeds delen van het plangebied niet verstoord worden; • Werklocaties circa 2 weken voorafgaand aan de uitvoering van de grondwerkzaamheden ongeschikt maken door de vegetatie te maaien met de maaibalk afgesteld op ongeveer 10 cm boven maaiveld en maaisel af te voeren. Na het verwijderen van de vegetatie, bij voorkeur binnen de minst kwetsbare periode (oktober), mogen minimaal 1-2 dagen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. • Werkzaamheden zo uitvoeren dat kleine (zoog)dieren de kans hebben om te vluchten naar veilige gebieden. Dus bijvoorbeeld van binnen naar buiten maaien. • Behouden van de verbinding en doorgang naar andere leefgebieden en schuilplekken buiten de invloedsfeer van het werkgebied. Het behouden van stroken met ruigte vegetatie die in verbinding staan met gebieden geven kleine (zoog)dieren kans te vluchten naar veilige gebieden.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
30
Open
•
De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden en werkt één richting op. Als er meerder machines tegelijkertijd aan het werk zijn moeten die niet naar elkaar toe werken zodat dieren opgesloten raken.
Grote modderkruiper en algemeen voorkomende vissen Voor de grote modderkruiper kunnen overtredingen op de Wet natuurbehescherming niet worden uitgesloten. In verband met de zorgplicht dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vissen: • Bij leegpompen van een watergang worden vissen en amfibieën tijdig weggevangen door een erkend ecoloog en elders uitgezet. De pomp moet visvriendelijk afgeschermd zijn, zodat er geen vissen en andere dieren in de pomp terecht komen. • Het afdammen, vergraven of leegpompen van delen van watergangen wordt bij voorkeur uitgevoerd in de periode tussen 1 september en 1 november, dus na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen (en amfibieën). • Verder vinden werkzaamheden in de watergang alleen plaats als de luchttemperatuur boven het vriespunt ligt en er geen ijs aanwezig is in de watergang. De temperatuur mag echter ook niet te hoog zijn, deze moet beneden de 25º C zijn. Bij koude temperaturen zijn vissen inactief en bij hele warme temperaturen kan er al snel zuurstofgebrek ontstaan. • Bij baggerwerkzaamheden dient een erkend ecoloog de bagger uit te zoeken op vissen en andere waterdieren en deze uit te zetten in geschikt biotoop buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden.
• Aanbeveling: het graven van nieuwe watergangen kan eerst plaatsvinden zodat deze als extra nieuw leefgebied gebruikt kan worden aanvullend op de te verbreden watergangen. • Aanbeveling: bij de inrichting van de watergang en oevers rekening houden met geschikt leefgebied van grote modderkruiper (zie Figuur 4.3).
Figuur 4.3: De Grote Modderkruiper is afhankelijk van ondiep water met verlandingsvegetaties en een 10-30 cm dikke modderlaag en onderwatervegetatie. Het is oorspronkelijk een soort van laagdynamisch systeem in het rivierengebied. Essentieel is jaarrond beschikbaar zijn van water. Diepere plekken waar in drogere periodes alsook in de winter naar uitgeweken kan (zie bijgaande afbeelding). De soort is relatief honkvast en heeft een gering dispersievermogen van 1 tot 3 km (Kennisdocument BIJ12, 2021).
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
31
Open
Broedvogels Binnen het plangebied kunnen verschillende broedvogelsoorten voorkomen. Bij de werkzaamheden dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vogels: • Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt, moet het werkterrein vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels door vegetatie kort te maaien en kort te houden tot de werkzaamheden aanvangen. De ecoloog dient het werkterrein regelmatig te inspecteren. Indien nodig (als de ecoloog territoriale vogels waarneemt) worden de percelen geweidesleept tot aanvang van de werkzaamheden en als er een paar dagen niet gewerkt wordt. • Het werkgebied en de omgeving wordt binnen het broedseizoen gecontroleerd op territoriale vogels en broedgevallen door een deskundig ecoloog. Indien broedgevallen worden vastgesteld binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden moeten aanvullende maatregelen worden genomen. • Werkzaamheden binnen de verstoringsafstand van jaarrond beschermde nesten moeten worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de soort. Indien dit niet mogelijk is, zijn aanvullende maatregelen nodig. Te denken valt aan het werken buiten de verstoringsafstand. • Steilranden in ontgravingen en depots zijn zeer geschikte nestplaatsen voor oeverzwaluw. Deze steilranden moeten daarom voorkomen worden tijdens de werkzaamheden.
Bulten zand/ grond moeten dus worden afgeplat, zodat er geen steile randen zijn.
Kern mogelijke effecten: Op voorhand kunnen negatieve effecten door het planvoornemen niet uitgesloten worden voor vleermuizen, grote modderkruiper en broedvogels. In verband met de zorgplicht dienen er verschillende mitigerende maatregelen genomen te worden om (leefgebieden van) beschermde soorten te beschermen. Natura 2000-gebieden Binnen Natura 2000-gebied Bargerveen bestaan 19 storingsfactoren. Storingsfactoren zijn bepaalde handelingen die de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied kunnen belemmeren. Op basis van de voorgenomen activiteit kunnen op voorhand 14 van de 19 storingsfactoren uitgesloten worden, omdat de afstand van het voornemen tot Bargerveen te groot is. De effecten van geluid, licht en optische verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen door het nemen van maatregelen worden uitgesloten. Voor de verstoringsfactoren vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie is een Aerius berekening uitgevoerd (RHDHV, 2022c). Binnen het project wordt landbouwgrond omgezet in water. Deze landbouwgrond wordt niet meer regulier bemest waardoor de emissie van stikstof (ammoniak) in de permanente gebruiksfase zal afnemen. De maximale afname van de depositie bedraagt 1,55 mol N/ha/j. Significant negatieve effecten tijdens de permanente gebruikssituatie kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten.
In het Besluit natuurbescherming is een partiele vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie tijdens de bouw- en aanlegfase opgenomen. Voorgenomen werkzaamheden voor verbreden en graven van watergangen, realisatie van kunstwerken en de bouw van een nieuw gemaal kunnen, onder de huidige wetgeving, voor stikstofdepositie vergunningsvrij worden uitgevoerd. Om een volledig beeld van de effecten van het nieuwe bestemmingsplan op de stikstofdepositie binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden te verkrijgen zijn deze tijdelijke effecten wel berekend en beoordeeld. Uit de stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator (versie 2021) volgt dat, op basis van de aangeleverde informatie over de uit te voeren werkzaamheden in het landbouwgebied rondom NieuwSchoonebeek, de emissies tijdens de aanlegfase, na vermindering met de ammoniakemissies van vervallen landbouwgronden, leiden tot een tijdelijke toename van de stikstofdepositie van 0,18 mol/ha/j. Dit is een 25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
32
Open
kleine tijdelijke toename, welke geen significant negatieve effecten instandhoudingsdoelstellingen aangewezen voor Natura 2000-gebied Bargerveen.
heeft
op
de
Door gebruik te maken van een elektrisch alternatief voor de betonmixer, kunnen de emissies tijdens de bouw van het gemaal worden beperkt en wordt, na vermindering met de emissies van vervallen landbouwgronden, ook geen tijdelijke toename van de stikstofdepositie binnen nabijgelegen Natura 2000gebeiden meer berekend. Natuurnetwerk Nederland De werkzaamheden vinden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) plaats. Het NNN-deel ten noorden van het plangebied bestaat uit het beheertype “N00.01 Nog om te vormen naar natuur” (de nog in te richten Buffer Zuid). Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend, en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten. Kern mogelijke effecten: Op basis van de voorgenomen activiteit kunnen op voorhand 14 van de 19 storingsfactoren uitgesloten worden voor Natura 2000 Bargerveen. De effecten van geluid, licht en optische verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen door het nemen van maatregelen worden uitgesloten. Omdat stukken landbouwgrond verdwijnen en plaats maken voor water zal emissie van stikstof in de permanente gebruiksfase afnemen met maximaal 1,55 mol N/ha/j.
Significant negatieve effecten tijdens de permanente gebruikssituatie kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Tijdens de aanlegfase leiden de werkzaamheden tot een tijdelijke toename van de stikstofdepositie van 0,18 mol/ha/j. Dit is een kleine tijdelijke toename, welke geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen aangewezen voor Natura 2000-gebied Bargerveen. De werkzaamheden vinden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) plaats. Het NNN bij de bufferzone kent momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten.
4.4
Archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie
Archeologie Door RAAP is in het voorjaar/zomer 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd (RAAP, 2021). Uit het onderzoek is gebleken dat er op vier locaties waar watergangen gegraven gaan worden, sprake is van (zeer) hoge archeologische verwachting. In drie van deze locaties is archeologische begeleiding voorgeschreven bij uitvoering. Bij één locatie is aanvullend karterend booronderzoek verricht (zie Figuur 2.11 en RAAP, 2022). In geen van de boringen zijn (bij het zeven van de top van het dekzand) archeologische indicatoren aangetroffen. De kans wordt zeer klein geacht dat zich een archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied bevindt. Daarom kan ervanuit gegaan worden dat in het onderzoeksgebied geen archeologische resten bedreigd worden. Aardkundige waarden In het plangebied ligt een gebied met een hoog beschermingsregime t.a.v. de aardkundige waarden. In dit gebied vinden, afgezien van de doorsnijding van één nieuwe watergang, geen ingrepen plaats in de bodem. De macro gradiënt, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties blijven hier behouden. De ingreep is lokaal van aard. Met het planvoornemen worden de aardkundige kenmerken van het gebied niet aangetast.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
33
Open
Landschap en cultuurhistorie Het realiseren van de watergangen draagt bij aan het behouden en versterken van het landbouwgebied. De waterpeilen die nagestreefd worden ten gunste van de landbouw hebben als basis gediend voor de situering van de watergangen. Hierbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de landschappelijke indeling van het gebied, waarbij de linten in het landschap zijn behouden en waarbij de openheid in stand blijft. Er wordt zorg gedragen voor behoud van de cultuurhistorische- en landschappelijke waarden. Met het realiseren van de watergangen wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk beleid. Daarnaast worden er geen beschermde rijks-of gemeentemonumenten aangetast. Hierdoor zullen geen negatieve effecten optreden op de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Kern mogelijke effecten: Uit het onderzoek is gebleken dat er op vier locaties waar watergangen gegraven gaan worden, sprake is van (zeer) hoge archeologische verwachting. In een gebied is aanvullend karterend booronderzoek verricht. Uit dit onderzoek blijkt dat in het gebied geen archeologische resten bedreigd worden. In de overige drie gebieden is archeologische begeleiding voorgeschreven. Als gevolg hiervan kunnen optimalisaties plaats vinden in het ontwerp waardoor verstoring van mogelijke archeologische waarden niet optreden.
Hierdoor zullen naar verwachting geen negatieve effecten optreden op archeologische waarden. In het plangebied ligt een gebied met een hoog beschermingsregime t.a.v. de aardkundige waarden. Ontwikkelingen kunnen alleen worden toegestaan als de kenmerken en gaafheid worden behouden. Met het planvoornemen worden de aardkundige kenmerken van het gebied niet aangetast. Het realiseren van de watergangen draagt bij aan het behouden en versterken van het landbouwgebied, waarbij de linten in het landschap zijn behouden en waarbij de openheid in stand blijft. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden worden hiermee versterkt.
4.5
Conventionele explosieven
De voor Conventionele explosieven verdachte locaties zijn getoetst aan de kaart waarop de nieuw aan te leggen watergangen zijn geprojecteerd. Op basis van de vergelijking kan geconcludeerd worden dat het plangebied samenvalt met het invloedsgebied van een bombardement (locatie B6 in afbeelding 4.4) en het invloedsgebied van een vliegtuigcrash (locatie B3 in afbeelding 4.4). Op deze locaties wordt nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is gepland uit te voeren nadat de gewassen van het maaiveld zijn gehaald. Het onderzoek zal in het najaar van 2022 gereed zijn. Indien resten worden aangetoond dienen deze veiliggesteld te worden. Dit veiligstellen is mogelijk. Voor het overige deel van het plangebied geldt dat de kans op het aantreffen van conventionele explosieven bij grondwerkzaamheden net zo groot is als de gemiddelde kans op het aantreffen van conventionele explosieven op als ‘onverdacht’ aangemerkte locaties in de rest van Nederland (AVG, 2016).
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
34
Open
Figuur 4.4: Begrenzing onderzoeksgebied (rood omlijnd) en analysegebied (zwart omlijnd) CE Gedeelte van de Bodembelastingskaart
Kern mogelijke effecten: Het plangebied is op twee kleine locaties verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hier wordt nader onderzoek uitgevoerd. Indien hier resten worden aangetoond dienen deze veiliggesteld te worden. Voor het overige gedeelte is het plangebied niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Grondwerkzaamheden kunnen hier onder reguliere omstandigheden uitgevoerd worden.
4.6
Cumulatie met andere projecten
In 2008 heeft waterschap Vechtstromen in het GGOR (Gewenst Grondwater en Oppervlaktewater Regime) voor het Natura 2000-gebied Bargerveen en het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek en Emmen-Zuid de mogelijkheden onderzocht om de gewenste grond- en oppervlaktewater situatie in en om het Bargerveen te realiseren. In dit traject kwam Buffer Zuid (zie hoofdstuk 1.3), een bufferzone van 500 m over het traject tussen de Kerkenweg en de Duitse grens, als beste optie naar voren in combinatie met een aantal waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek. Buffer Zuid en de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied hebben een nauwe samenhang met elkaar. De Buffer Zuid en de maatregelen rondom het landbouwgebied (GGOR), waar deze m.e.r.-beoordeling op in gaat, kunnen niet zonder elkaar worden uitgevoerd. Op dit moment is de uitvoeringsplanning van beide projecten nog niet bekend. Het is dan ook niet uit te sluiten dat deze projecten geheel of gedeeltelijk overlappen in de tijd. In de gemaakte berekeningen van stikstofdepositie voor zowel de Buffer Zuid als het GGOR is sprake van een kleine toename bij de aanleg (respectievelijk een tijdelijke maximale bijdrage van 0,55 mol N/ha/j en 0,18 mol N/ha/j).
Dit staat echter niet in verhouding tot de afname van stikstofdepositie in de gebruiksfase (de maximale afname van de depositie voor het GGOR bedraagt enkel al 1,55 mol N/ha/j). Als gevolg van de beperkte tijdelijke toename van stikstofdepositie zal er geen significant negatieve effecten zijn op de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen (habitattypen) van Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de beide projecten. Terwijl in de permanente situatie juist een gunstigere situatie ontstaat voor de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van de realisatie van de projecten. Overige cumulerende effecten worden niet verwacht.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
35
Open
5
Samenvatting en conclusie
5.1
Samenvatting
In dit hoofdstuk is per aspect een samenvatting gegeven van de belangrijkste conclusies. Er is geconcludeerd of het planvoornemen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. Aspect
Sprake van onaanvaardbare gevolgen voor het milieu?
Bodemverontreiniging
In het plangebied zijn meerdere locaties aanwezig die verdacht zijn van (water)bodemverontreiniging. Vooronderzoek naar deze verdachte locaties is verricht. Al met al zijn er geen bodemverontreinigingen aangetroffen die gesaneerd moeten worden.
Nee
Bodemdaling
Door de hogere zomerpeilen ten opzichte van de huidige situatie en wateraanvoer is er in het grootste deel van het plangebied sprake van een verhoging van de zomergrondwaterstanden. In enkele delen van het gebied is er ook sprake van een verlaging van de GLG. Dit kan lokaal mogelijk tot verdergaande veenoxidatie leiden. Ter plaatse van bebouwing is de GLG lager dan de veenbasis en wordt als gevolg van peilaanpassing geen extra veenoxidatie verwacht. Er wordt dus geen bodemdaling verwacht bij bebouwing in en rond het plangebied.
Nee
Grondwater
De peilverlaging in de winterperiodes en de peilverhoging in de zomerperiodes, hebben geen negatieve effecten op de bebouwde gebieden in en rondom het plangebied. Het is voordelig voor de landbouw, omdat boeren hierdoor in het voorjaar eerder het land op kunnen en in de zomer minder last hebben van verdroging.
Oppervlaktewater
Het watersysteem voldoet aan de geldende normen van het waterschap voor regionale wateroverlast en de overstromingsnormen. Er is geen sprake van wateroverlast bij extreme buien.
Waterkwaliteit
Daarnaast heeft de wijziging van de waterhuishouding naar verwachting geen negatief effect op de waterkwaliteit in en rondom het plangebied.
Soortenbescherming
Op voorhand kunnen negatieve effecten door het planvoornemen niet uitgesloten worden voor vleermuizen, grote modderkruiper en broedvogels. In verband met de zorgplicht dienen er verschillende mitigerende maatregelen genomen te worden om (leefgebieden van) beschermde soorten te beschermen.
Nee, uitgaande dat de mitigerende maatregelen geborgd worden in de uitvoeringsvergunning en aanbesteding.
Natura 2000-gebieden
Op basis van de voorgenomen activiteit kunnen op voorhand 14 van de 19 storingsfactoren uitgesloten worden voor Natura 2000 Bargerveen. De effecten van geluid, licht en optische verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen door het nemen van maatregelen worden uitgesloten. Omdat stukken landbouwgrond verdwijnen en plaats maken
Nee, uitgaande dat er maatregelen genomen worden om de effecten van geluid, licht en optische verstoring tegen te gaan.
Bodem
Water
Natuur
25 augustus 2022
Effect ten opzichte van huidige situatie (kansen en risico’s)?
Nee
BE3102-MI-RP-220519-1351
36
Open
Aspect
Effect ten opzichte van huidige situatie (kansen en risico’s)?
Sprake van onaanvaardbare gevolgen voor het milieu?
voor water zal emissie van stikstof in de permanente gebruiksfase afnemen met maximaal 1,55 mol N/ha/j. Significant negatieve effecten tijdens de permanente gebruikssituatie kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Tijdens de aanlegfase leiden de werkzaamheden tot een tijdelijke toename van de stikstofdepositie van 0,18 mol/ha/j. Dit is een kleine tijdelijke toename, welke geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen aangewezen voor Natura 2000gebied Bargerveen.
Archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie
Conventionele explosieven
25 augustus 2022
Natuurnetwerk Nederland
De werkzaamheden vinden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) plaats. Het NNN bij de bufferzone kent momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten.
Nee
Archeologie
Uit het onderzoek is gebleken dat er op vier locaties waar watergangen gegraven gaan worden, sprake is van (zeer) hoge archeologische verwachting. In een gebied is aanvullend karterend booronderzoek verricht. Uit dit onderzoek blijkt dat in het gebied geen archeologische resten bedreigd worden. In de overige drie gebieden is archeologische begeleiding voorgeschreven. Als gevolg hiervan kunnen optimalisaties plaats vinden in het ontwerp waardoor verstoring van mogelijke archeologische waarden niet optreden. Hierdoor zullen naar verwachting geen negatieve effecten optreden op archeologische waarden.
Nee
Aardkundige waarden
In het plangebied ligt een gebied met een hoog beschermingsregime t.a.v. de aardkundige waarden. Ontwikkelingen kunnen alleen worden toegestaan als de kenmerken en gaafheid worden behouden. Met het planvoornemen worden de aardkundige kenmerken van het gebied niet aangetast.
Nee
Landschap en cultuurhistorie
Het realiseren van de watergangen draagt bij aan het behouden en versterken van het landbouwgebied, waarbij de linten in het landschap zijn behouden, rijks- en gemeentemonumenten niet worden aangetast en waarbij de openheid in stand blijft. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden worden hiermee versterkt.
Nee
Conventionele explosieven
Het plangebied is op twee kleine locaties verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hier wordt nader onderzoek uitgevoerd. Indien hier resten worden aangetoond dienen deze veiliggesteld te worden. Voor het overige gedeelte is het plangebied niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Grondwerkzaamheden kunnen hier onder reguliere omstandigheden uitgevoerd worden.
Nee, uitgaande van het uitvoeren van nader onderzoek en het veiligstellen van resten (indien deze worden aangetroffen).
BE3102-MI-RP-220519-1351
37
Open
5.2
Conclusie
In de voorgaande hoofdstukken is een beschouwing gegeven van de kenmerken van het project, de omgeving van het project en de mogelijke gevolgen van het project op het milieu en de in de omgeving aanwezige waarden. Deze beschouwing geeft het bevoegde gezag, Waterschap Vechtstromen voor het projectplan en de gemeente Emmen voor het Bestemmingsplan, de nodige informatie waarmee zij een afweging kan maken of zij het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk acht. In de beoordeling van de milieugevolgen is aangesloten bij Bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling. In hoofdstuk 2 en 3 zijn de kenmerken van het project (criterium 1) en de locatie en omgeving van het project (criterium 2) beschouwd. Daaruit volgt dat de voorgenomen activiteit beperkt is tot het plangebied en er geen invloeden zijn op de omgeving. In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten beschreven (criterium 3). Gebleken is dat de voorgenomen activiteit over het algemeen geen negatieve milieueffecten heeft. De gevolgen zijn allen lokaal en er zijn ter plaatse geen andere ontwikkelingen waarmee de effecten tot grote gevolgen zouden kunnen cumuleren. De conclusie is daarom dat, mits de voorgestelde maatregelen in acht worden genomen, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
38
Open
6
Referenties
AVG (2016). Vooronderzoek 1862035-VO-02 kn Bergerveen, definitieve versie juli 2016. DINOloket (2022). Geologisch booronderzoek, B23A0008. Toegankelijk via: https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens Gemeente Emmen (2022). Bestemmingsplan Buitengebied Nieuw Schoonebeek Waterschap Vechtstromen (concept). Kennisdocument BIJ12 (2021). Grote modderkruiper, Misgurnus fossilis. Toegankelijk via: https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/10/Kennisdocument-Grote-modderkruiper-Misgurnusfossilis-Versie-2.0-oktober-2021.pdf Provincie Drenthe (2018). Waardevol Drenthe, beleidsnotitie Aardkundige waarden. RHDHV (2022c). Notitie/Memo Stikstofdepositie Nieuw-Schoonebeek. Bronnen die opgenomen zijn als Bijlage in het ontwerp Bestemmingplan • Raap (2021). Plangebied Watergangen Buffer Zuid te Nieuw-Schoonebeek. Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek). • Raap (2022). Plangebied Watergangen Buffer Zuid te Nieuw-Schoonebeek. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek). • RHDHV (2021). Milieuhygiënisch vooronderzoek (water)bodem Landbouwgebied Schoonebeek; Vooronderzoek bodem in het kader van het aanpassen van het bestemmingsplan. • RHDHV (2022). Verkennend water- en landbodemonderzoek GGOR landbouwgebied Nieuw Schoonebeek. • RHDHV (2022a).
Projectplan watersysteem Nieuw-Schoonebeek. • RHDHV (2022b). Natuurtoets nieuwe GGOR-peilen Landbouwgebied Nieuw Schoonebeek.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
39
Open
Bijlage 1: Schematische kaart maatregelen
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
40
DKR13
HW
G_
41
CO
E C N
B
±
INL1
PT
"
DKR27 HWG_44
"
HWG_42
"
"
" DKR19 "
HWG_8
DKR20
" "
DKR21
DKR22
"
DKR23
" "
B
#$
KST12
HW
G_ 2
Peilvak N1 Advies WP 14,05 / Advies ZP 14,1
" " B H " WG _
HW
"
H WG _
40
"
H WG _
49
INL6
"
"
HWG_14
" "
" "
" Peilvak G " "" Advies vast peil 14,9
HWG_47
"
"
"
"
HWG_24
INL8
HWG_48
"
"
" " B
DKR37
#
interne opsplitsing peilvak F
DKREU_5
KST4
#
B
KST13
# # "
"
B
B #
duiker aan weerszijde verlengen tot in HWG
B
DKR35
#
B
DKREU_11
KST9
HWG_F
Titel Inrichtingskaart Projectplan Watersysteem Nieuw Schoonebeek
Begin en eindpunt watergangen Project Projectplangrens Waterwet BE3102 Nieuw Schoonebeek Peilgebieden GGOR 2021 Opdrachtgever
Waterschap Vechtstromen Datum
Schaal
22/04/2022
1:10000
duiker verlengen tot in nieuwe HWG
B
"
I
#
duiker verlengen tot in nieuwe HWG
H WG _
nieuw uitstroombed in bestaande watergang
#
# DKREU_8
KST7
KST8
"
"
B
B
"
DKREU_7
KST6
Op te waarderen watergang Vergroten bestaande hoofdwatergang Aan te leggen hoofdwatergang Huidige watergangen Watergangen van legger af Watergang dempen Nieuwe lokale afvoer (geen hoofdwatergang)
" " """"" ""
DKREU_10
#
# DKREU_9
B
#
Bestaande stuw automatiseren Nieuwe automatische stuw Nieuwe beweegbare stuw Nieuwe vaste overlaat Handhaven bestaande stuw Nieuwe vaste dam peilscheiding Nieuwe toegangsdam
""
#
KST15
H WG _ 2 8
""
"
DKREU_6
KST5
Legenda
"
4 spirosol duikers vervangen
BB
KST24
"
dubbele stuw: keert peilvak oostzijde en westzijde apart
KST14
KST21
" DKR32
#DKR28
#
#
#
HW
G_
D
KST11
aan weerszijden verlengen tot in nieuwe HWG
perceelsloten aan beide zijden verbinden onder beheerpaden met pvc duikers
Peilvak B1 Advies vast peil 15,4
HWG_H
B
# DKR33
DKREU_4
##
KST20 KST19
Peilvak F Advies WP 14,55 / Advies ZP 14,65
# DKR36 # KST23
KST22
B
B
#
KST17
KST16
B
B
C
KST3
#
"
Peilvak C Advies WP 15,25 / Advies ZP 15,45
B
"
9
B H WG _
DKREU_3
#
HWG_G
1
B
BHW"G_55 " B
"
H WG _ 3
HWG_23
syfon aanleggen
_52
B
"
Peilvak E Advies vast peil 15,15
#
KST18
B
perceelsloten aan beide zijden verbinden onder beheerpaden met pvc duikers
"
Peilvak K Advies vast peil 15,35
0
"_56
"
Peilvak L Advies vast peil 15,2
H WG
Peilvak A Advies vast peil 16,1
Peilvak H Advies vast peil 15,1
perceelsloten noordzijde verbinden onder beheerpad met pvc duikers
H WG _ 3
"
" "
$
"
INL7
INL4
_11
Peilvak M Advies WP 14,35 / Advies ZP 14,45
H WG _ B
KST1
Nieuwe duikers Uitstroom uit buffer door derden Bestaande duikers Europaweg Nieuwe inlaatduiker duikers inspecteren/vervangen Nieuwe syfon Nieuw gemaal
INL3
"
HWG_17
H WG _ 2
B
DKREU_1
KST2
Peilvak N Advies WP 13,95 / Advies ZP 14,1
H WG
B
INL5
""
H WG
DKREU_2
B #"
#
B ""
HW
" " "
DKR30
_2
13
G_
5
B
"
H WG _
B
_A " G " "
"
H WG
"
HWG_46
B
DKR29
"
Peilvak O Advies vast peil 13,1
"
B
"
""
2B
"
B
B
"
INL2
B
"
met afsluitbare verbindingsduiker
aanbrengen bekleding over hele watergangprofiel
B
""
B
"
B
" " 1 " 2
B
" "
aanbrengen bekleding over hele watergangprofiel
H WG _
""
B
met afsluitbare duiker
"
"
B
"
aanbrengen bekleding over hele watergangprofiel
DKR34
B
Peilvak Q Advies vast peil 14,5
B
DKR31
B
""
DKR25 GM1
B
B
Peilvak P Advies vast peil 14,7
DKR18
"
B
DKR16
"
B
B
B
DKR15
"
B B
DKR14
B
"