3.6 Bijlagen bij toelichting M.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
RAPPORT M.e.r.-beoordeling Watersysteem Nieuw-Schoonebeek Klant:
Waterschap Vechtstromen
Referentie: BE3102-MI-RP-220519-1351 Status:
S2/P01
Datum:
25 augustus 2022
Open
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 +31 33 463 36 52 info@rhdhv.com royalhaskoningdhv.com
Titel document: M.e.r.-beoordeling Sub titel: Watersysteem Nieuw-Schoonebeek Referentie: BE3102-MI-RP-220519-1351 Status: P01/S2 Datum: 25 augustus 2022 Projectnummer: BE3102
Classificatie Open
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
ii
T F E W
Open
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Waarom een m.e.r.- beoordeling
2
1.3
Samenhang met andere projecten ter plaatse
6
1.4
Leeswijzer
6
2
Plaats van de activiteit
7
2.1
Ligging
7
2.2
Gebiedskenmerken per milieuaspect
8
3
Kenmerken van de activiteiten
22
3.1
Voornemen
22
3.2
Uitvoering
25
4
Kenmerken van potentiële effecten
26
4.1
Bodem
26
4.2
Water
28
4.3
Natuur
29
4.4
Archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie
33
4.5
Conventionele explosieven
34
4.6
Cumulatie met andere projecten
35
5
Samenvatting en conclusie
36
5.1
Samenvatting
36
5.2
Conclusie
38
6
Referenties
39
Bijlage 1: Schematische kaart maatregelen
25 augustus 2022
40
BE3102-MI-RP-220519-1351
iii
Open
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In 2008 heeft het waterschap Vechtstromen in het Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterregime (GGOR) voor het Natura 2000-gebied Bargerveen en voor het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek en EmmenZuid verschillende mogelijkheden onderzocht en vastgelegd om de gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie in en om het Bargerveen te realiseren. Dit alles heeft tot doel het natuurgebied Bargerveen meer overlevingskansen te geven en om de waterhuishouding in het landbouwgebied te verbeteren. Na een zorgvuldige afweging is in het GGOR 2008 voor het gebied ten zuiden van het Bargerveen gekozen voor de aanleg van een bufferzone van 500 meter breed en ca. 4.500 meter lang (zie Figuur 1.1). Ten behoeve van de realisatie van deze bufferzone wordt een apart bestemmingsplan en MER in procedure gebracht (zie ook paragraaf 1.3 samenhang). In samenhang met de bufferzone worden daarnaast een aantal waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek uitgevoerd. Dit gebied bevindt zich ten zuiden en westen van de bufferzone (zie bruine lijn Figuur 1.1 voor plangebied). Als uitgangspunt voor het streefpeil in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek geldt een minimale drooglegging van 1 meter beneden maaiveld in 90% van een peilvak. Dommerskanaal Bargerveen
Bufferzone
Landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek
Figuur 1.1: De kaart laat de ligging van het plangebied voor de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied NieuwSchoonebeek zien (bruin omlijnd). Ook is de Bufferzone zichtbaar (rood gestippeld).
Om de gewenste waterhuishouding in het landbouwgebied te kunnen realiseren is in 2021 het GGOR geactualiseerd en zijn de volgende waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied voorzien:
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
1
Open
•
• • •
In het gebied worden nieuwe waterlopen aangelegd die zorgen voor een goede afwatering. Deze waterlopen worden ook benut voor de afvoer van overtollig regenwater uit de buffer naar het Schoonebeekerdiep. Het gebied wordt opgedeeld in een aantal peilvakken. Om de streefpeilen in te kunnen stellen worden stuwen en peilvakscheidingen aangebracht. Vanaf het Dommerskanaal wordt wateraanvoer gerealiseerd ten behoeve van Buffer zuid en het naastgelegen landbouwgebied. Daar waar watergangen worden gegraven zijn toegangsdammen nodig voor de eigenaren om op hun percelen te kunnen komen.
Ten behoeve van de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De uitvoering van de waterkundige aspecten worden op basis van de Waterwet geregeld middels een projectplan Waterwet. Als onderdeel van het bestemmingsplan en projectplan Waterwet wordt deze m.e.r.-beoordeling opgesteld. Het Waterschap Vechtstromen is het bevoegd gezag voor het projectplan, de gemeente Emmen voor het bestemmingsplan.
1.2
Waarom een m.e.r.- beoordeling
Uit Hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en het Besluit m.e.r. volgt dat voor activiteiten die belangrijke nadelige effecten kunnen hebben voor het milieu een procedure in het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden doorlopen. Zo kan het milieubelang volwaardig worden meegenomen in de besluitvorming. In onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. staan de activiteiten vermeld die direct m.e.r.-plichtig zijn. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. Als een project onder onderdeel D valt dient een m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden om te onderzoeken of belangrijke nadele milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Op grond van artikel 2, lid 5 Besluit m.e.r. dient, voor activiteiten die wel zijn genoemd in onderdeel D, maar onder de drempelwaarden blijven, evenwel een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.‐beoordeling’ te worden gemaakt om te bezien of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. Dit toetsingskader staat schematisch weergegeven in Figuur 1.2.
Figuur 1.2: M.e.r.-procedure schematisch (Commissiemer.nl, 2021)
M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor de beslissing of wel of niet de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen, niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Het bevoegd gezag moet bepalen of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het 25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
2
Open
milieu’, die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. Het uitgangspunt is hierbij dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Hierbij moet getoetst worden aan de richtlijnen in bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectrapportage met de volgende drie criteria: 1. Kenmerken van de activiteit 2. Plaats van de activiteit 3. Kenmerken van het potentiële effect M.e.r.-plichtig vanuit Besluit-m.e.r. Voor de ontwikkelingen rondom Nieuw-Schoonebeek is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. De voorgenomen activiteit zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r., zie Tabel 1.1. Tabel 1.1: Voorgenomen Activiteiten zijn de D-lijst van het Besluit m.e.r. Activiteiten
Gevallen
D 3.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken.
Plannen
Besluiten
De structuurvisie, bedoeld in De goedkeuring van gedeputeerde staten van de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van het projectplan, bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, de Wet ruimtelijke ordening, en van de Waterwet of, bij het ontbreken daarvan, de plannen, bedoeld in de het projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, van die wet, of, indien artikel 5.4, zesde lid, van eerste lid, onderdelen a en b, die wet van toepassing is, de vaststelling van het van die wet en het plan, tracé op grond van de Tracéwet of de Spoedwet bedoeld in de artikelen 4.1 en wegverbreding door de Minister van 4,4 van de Waterwet. Infrastructuur en Waterstaat of het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
D9
Een In gevallen waarin de De structuurvisie, bedoeld in De vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld landinrichtingsproject activiteit betrekking heeft op de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk dan wel een wijziging of 1. een functiewijziging met de Wet ruimtelijke ordening, en gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 uitbreiding daarvan. een oppervlakte van de plannen, bedoeld in de van de Reconstructiewet concentratiegebieden 125 hectare of meer artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, dan wel bij het ontbreken daarvan het plan van water, natuur, eerste lid, onderdelen a en b, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en recreatie of landbouw of van die wet, de vaststelling b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het 2. vestiging van een van het inrichtingsplan, ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in glastuinbouwgebied of bedoeld in artikel 17 van de artikel 3.1, eerste lid, van die wet. bloembollenteeltgebied Wet inrichting landelijk gebied, van 50 hectare of meer. het plan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
3
Open
D 13 D 16.1
De aanleg, wijziging of In gevallen waarin de uitbreiding van een activiteit betrekking heeft op waterbeheersingsproject een oppervlakte van 100 voor hectare of meer. landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten.
De structuurvisie, bedoeld in Het besluit tot vergunningverlening, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van een verordening van een waterschap, dan wel, de Wet ruimtelijke ordening, en bij het ontbreken daarvan, het besluit tot de plannen, bedoeld in de vergunningverlening, bedoeld in artikel 6.5, artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet, dan eerste lid, onderdelen a en b, wel het projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste van die wet. lid, van de Waterwet of, indien artikel 5.4, zesde lid, van die wet van toepassing is, de vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat of het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De ontginning dan wel In gevallen waarin de wijziging of uitbreiding activiteit betrekking heeft op van de ontginning van een terreinoppervlakte van steengroeven of 12,5 hectare of meer. dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D 16.2.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.
Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet.
D 49.3
De structurele verlaging In gevallen waarin de Het plan, bedoeld in de Het peilbesluit op grond van artikel 5.2 van de van het (streef-)peil van activiteit: artikelen 4.1, 4.4 en 4.6 van de Waterwet. een oppervlaktewater. 1. betrekking heeft op een Waterwet. verlaging van 16 centimeter of meer, 2. plaatsvindt in een gevoelig gebied of een weidevogelgebied, en 3. betrekking heeft op een oppervlakte van 200 hectare of meer.
De ontwikkeling rondom Nieuwe Schoonbeek is m.e.r.-beoordelingsplichtig op basis van de activiteiten D 3.2, D 13 en D 16.1. De activiteit D 3.2 wordt niet onderverdeeld/ beperkt in gevallen (geen drempelwaarden in kolom 2). Hieruit volgt dat er een verplichte m.e.r.-beoordeling is ten behoeve van het bestemmingsplan en projectplan waterwet waarin deze activiteiten staan opgenomen. In het projectplan waterwet staan de activiteiten D 13 benoemd voor een totaaloppervlak van 1.685 hectare. Dit overschrijdt de drempelwaarde van 100 ha uit kolom 2. Er volgt dus een verplichte m.e.r. beoordeling ten behoeve van het projectplan waterwet. Bij D 16.1 gaat het om een activiteit van 18 à 20 hectare. Dit ligt onder de drempelwaarde van m.e.r. plichtige activiteiten op basis van C 16.1 kolom 2 (dat is 25 hectare). Wel wordt de drempelwaarde van D 16.1 overschreden (12,5 ha) waardoor er ten behoeve van het bestemmingsplan sprake is van een verplichte m.e.r. beoordeling.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
4
Open
Ontgrondingsvergunning Een ontgrondingenvergunning kan ook m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Soms is er geen ontgrondingsvergunning nodig als men een bodemlaag wil afgraven (vergunningvrije ontgrondingswerkzaamheden). Dit geldt voor: • aanleg en onderhoud van watergangen (maximaal 15 meter breed en maximaal 3 meter diep) • normale werkzaamheden voor land-, tuin- of bosbouw • planten en rooien van bomen, struiken of andere gewassen • bouwen van bouwwerken • onderhouden of opruimen van bouwwerken, kelders en graven • boren in de grond • opruimen van buizen, palen en kabels Er hoeft geen ontgrondingsvergunning aangevraagd te worden. Er wordt gebruik gemaakt van artikel 7.1 onder f van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe. De ontgronding wordt mogelijk gemaakt middels de herziening van het bestemmingsplan. Er van uit gaande dat niet dieper gegraven wordt dan 3 meter en de hoogteligging van het terrein met niet meer dan 1,5 meter vermindert, hoeft er geen ontgrondingsvergunning worden aangevraagd. Er moet mogelijk wel een melding worden gedaan. Dit moet gecontroleerd worden bij gemeente of provincie. Wanneer uit deze m.e.r.-beoordeling blijkt dat er risico bestaat op significant negatieve effecten, dan kan bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een m.e.r.-procedure.
M.e.r.-plicht vanuit wet natuurbescherming In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor waardoor een ontwikkeling direct m.e.r.-plichtig kan zijn. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten en er een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden opgesteld. Uit de notitie stikstofdepositie blijkt dat en geen significant negatieve effecten optreden tijdens de permanente gebruikssituatie waardoor er geen sprake is van een m.e.r.-plicht in het kader van de Wet natuurbescherming.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
5
Open
1.3
Samenhang met andere projecten ter plaatse
Het Natura 2000-gebied Bargerveen is het grootste hoogveenrestant van Nederland. Om dit bijzondere hoogveen te behouden en te versterken zijn er maatregelen nodig. Het grondwater lekt weg naar de lagergelegen gronden, waardoor de grondwaterstanden te laag zijn en het veenmos niet meer kan groeien. En dus kan er geen nieuw veen worden gevormd. Voor de kwaliteit en ontwikkeling van het hoogveengebied, uitbreiding van actief hoogveen in de kern en het verbeteren van hoogveenvorming zijn de hydrologische omstandigheden bepalend en moet de grondwaterstand omhoog. De afgelopen jaren zijn veel instandhoudingsmaatregelen uitgevoerd, zoals het dempen van sloten en greppels en het aanleggen van kades. Het doel van deze maatregelen is om de waterhuishouding in het Bargerveen te verbeteren en om overgangszones vanuit het hoogveen naar het omliggende landschap te ontwikkelen. Om de ontwikkeling van actief hoogveen mogelijk te maken, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk, zowel binnen als buiten het Natura 2000 gebied. Eén van deze maatregelen is het creëren van bufferzones rondom het Bargerveen. Aangrenzend aan het plangebied Nieuw-Schoonebeek bevindt zich een 500 m brede bufferzone aan de zuidzijde van het Natura 2000-gebied tussen de Kerkenweg en de Duitse grens in de gemeente Emmen. De lengte van de bufferzone is circa 4500 m.
Figuur 1.3: De kaart laat de ligging van Buffer Zuid zien (rood omlijnd). In de overzichtskaart is het Natura 2000-gebied Bargerveen en de locatie van de bufferzone gegeven (de bufferzone is blauw gearceerd en het Natura 2000-gebied Bargerveen is in de overzichtskaart groen gemarkeerd). Het plangebied Nieuw-Schoonebeek is weergegeven met oranje omlijning.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een nadere beschrijving van de ligging van het plangebied en de kenmerken per milieuaspect. Hoofdstuk 3 beschrijft de voorgenomen activiteit waarin de kenmerken van het project zijn beschreven. In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit beschouwd. Tot slot is in hoofdstuk 5 een samenvatting gegeven en is de conclusie geformuleerd.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
6
Open
2
Plaats van de activiteit
Dit hoofdstuk zal ingaan op de ligging van het plan, de gebiedskenmerken en de kenmerken van de huidige situatie van het plangebied.
2.1
Ligging
Het plangebied, zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan en het projectplan watersysteem, is gelegen nabij Natura 2000-gebied Bargerveen. De kern Nieuw-Schoonebeek wordt omsloten door het plangebied, zoals te zien in Figuur 2.1. Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door het Dommerskanaal en door de bufferzone (Buffer Zuid, zoals in voorgaand hoofdstuk beschreven). De zuidelijke en oostelijke grens is de landsgrens met Duitsland. In het midden van het plangebied ligt de kern Nieuw-Schoonebeek.
Bargerveen
Buffer Zuid Kern NieuwSchoonebeek
Figuur 2.1: Plangebied watersysteem Nieuw-Schoonebeek
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
7
Open
2.2
Gebiedskenmerken per milieuaspect
Deze paragraaf beschrijft de verschillende gebiedskenmerken per milieuaspect in de huidige situatie. Er is hierbij ingegaan op landgebruik, bodemopbouw- en kwaliteit, de hoogteligging, grond- en oppervlaktewater, natuurwaarden, archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie, en aanwezigheid van Conventionele explosieven.
2.2.1
Landgebruik
Het landbouwgebied ten zuiden van het Bargerveen wordt zowel voor veeteelt als voor akkerbouw (vooral aardappels) gebruikt. De aardappels worden voornamelijk het dichtst bij het Bargerveen geteeld. De agrariërs uit Nieuw-Schoonebeek geven aan dat de wisselteelt van akkerbouw en grasland gunstig is voor de kwaliteit van de bodem en dus voor hun bedrijfsvoering. Veelal worden de percelen voor het telen van de aardappels op jaarbasis verpacht aan boeren van buiten het gebied. De agrariërs geven aan dat vooral in het voorjaar sprake is van natte omstandigheden op de percelen dicht bij het Bargerveen. Daardoor kunnen de agrariërs later in het seizoen met de machines het land op dan gewenst. Bebouwing en infrastructuur zijn verspreid door het gebied aanwezig. Lintbebouwing bevindt zich voornamelijk langs de Europaweg weg (zie Figuur 2.1). De Stheemanstraat heeft een belangrijke functie voor de landbouwkundige ontsluiting van de akkerbouwpercelen ten zuiden van het Bargerveen (RHDHV, 2022a).
2.2.2
Bodemopbouw en -kwaliteit
Bodemopbouw Binnen het plangebied liggen restveenpakketten in de bodem. Daarnaast bevindt zich leem en zand in de ondergrond, zie Figuur 2.2 (DINOloket, 2022). Figuur 2.3 geeft een beeld van het voorkomen van restveen in de ondergrond in het landbouwgebied. Lokaal is sprake van percelen waar zich nog restveen met een dikte van circa 1-1,5 m in de ondergrond bevindt. In de overige delen van het gebied is het afwezig of nog maximaal 0,5 m dik, waarbij wordt opgemerkt dat er sprake is van verstoorde lagen. Het veen wordt afgewisseld met moerige gronden en een sporadische podzol. Dit houdt in dat het van nature nattere en iets zure gronden zijn waarbij, met name voor de landbouw, een goede afwateringstructuur van belang is. Door de bodemopbouw kan inklinking als gevolg van verdroging in het gebied optreden (RHDHV, 2022a).
Figuur 2.2: Bodemopbouw op een boorlocatie in het plangebied (DINOloket, 2022) 25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
8
Open
Figuur 2.3: Veendikte in het gebied (RHDHV, 2022a)
Bodemkwaliteit Grondverzet De gemeente Emmen heeft samen met de gemeentes Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, De Wolden, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo en Westerveld en de provincie Drenthe een Nota bodembeheer op laten stellen, waar de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctiekaart een integraal onderdeel van vormen. In de bodembeheernota wordt beschreven hoe grond en bagger kan worden hergebruikt. In de bodemfunctiekaart zijn gebieden met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen en industrie aangewezen, waarbij het uitgangspunt is dat de klasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie binnen het betreffende gebied. In de bodemfunctieklassenkaart valt het plangebied Schoonebeek vrijwel geheel onder ‘Landbouw/natuur’. Ter plaatse van de woonkernen Weiteveen en Nieuw-Schoonebeek en bij de lintbebouwing langs de Europaweg geldt de functieklasse ‘Wonen’. De bodemkwaliteitskaart bestaat uit twee kaarten: een ontgravingskaart en een toepassingskaart. In de ontgravingskaart zijn zowel de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) als de ondergrond (0,5-2,0 mmv) voor vrijwel het gehele plangebied ingedeeld in de bodemkwaliteitszone ‘Achtergrondwaarde’. Ook hier geldt dat de woonkernen Weiteveen en Nieuw-Schoonebeek en de lintbebouwing langs de Europaweg vallen in de bodemkwaliteitszone ‘Wonen’.
Hetzelfde geldt voor de toepassingskaart: boven- en ondergrond van het plangebied vallen hoofdzakelijk in bodemkwaliteitszone ‘Achtergrondwaarde’ met uitzondering van de genoemde woonzones (‘Wonen’) (RHDHV, 2021). Asbest Op historische kaarten is te zien dat door het gebied veel sloten hebben gelopen die in de loop der jaren zijn gedempt. Bij het dempen van watergangen werden in het verleden vaak alle beschikbare materialen gebruikt. Dit kon grond zijn, maar ook werd soms gebruik gemaakt van puin en bouw- en sloopafval. Bij een eventuele aanwezigheid van deze bouw- en sloopafval zijn dempingen van watergangen verdacht op asbest. Daarnaast bevinden zich in het plangebied verschillende dammen in watergangen. In de praktijk blijken deze soms met puin verstevigd te zijn. Ook dan valt asbest niet uit te sluiten (RHDHV, 2021). In Figuur 2.4 zijn deze verdachte locaties weergegeven.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
9
Open
Figuur 2.4: Te onderzoeken puntlocaties en tracés vanuit het bodemonderzoek (RHDHV, 2021)
Verdachte locaties In het plangebied bevindt zich een voormalige boor- of productielocatie (zie Figuur 2.4, dikke bruine en blauwe lijnen). Ondanks de inspanningen in de jaren ’90 om de productielocaties zo schoon mogelijk op te leveren kunnen verontreinigingen van de (water)bodem niet worden uitgesloten. Naast verdachte locaties door oliewinning bestaan er nog andere verdachte bodemlocaties door diverse activiteiten binnen het plangebied (zie Figuur 2.4, gestreepte bruin en blauwe lijnen) (RHDHV, 2021).
2.2.3
Hoogteligging
In Figuur 2.5 is te zien dat het plangebied in zuidwestelijke richting afhelt, waarbij het laagste punt op circa 14 m-NAP ligt. Het noordoostelijk deel van het gebied heeft een maaiveldhoogte van circa 17 m-NAP. Het hoogteverschil van het maaiveld in het plangebied bedraagt circa 3 m.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
10
Open
Figuur 2.5: Hoogtekaart (AHN3)
2.2.4
Grond- en oppervlaktewater
Grondwater In het kader van het projectplan Watersysteem Nieuw-Schoonebeek zijn door middel van een grondwatermodelberekening de grondwaterstanden in kaart gebracht. In Figuur 2.6 en Figuur 2.7 zijn de huidige grondwaterstanden weergegeven, berekend aan de hand van het grondwaterwatermodel. In dit model is een lange periode doorgerekend, waaruit de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is bepaald. De huidige GHG (Figuur 2.6) varieert sterk. In het oostelijke deel van het gebied worden hoge grondwaterstanden tot aan maaiveld berekend tijdens zeer natte periodes. Meer naar het westen ligt de GHG voor het grootste gedeelte tussen de 0,5 en 0,8 m-mv. Aan de zuidelijke rand, langs de Europaweg, ligt de GHG dieper onder maaiveld. De huidige GLG (zie Figuur 2.7) wordt vooral beïnvloed door de drogere periodes. De GLG bevindt zicht tussen de 0,8 m-mv en ter plaatse van de hogere delen meer dan 2 meter beneden maaiveld. Ook in de GLG is een duidelijk verschil te zien tussen oost en west, met de diepere grondwaterstanden in het westen van het gebied (RHDHV, 2022a).
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
11
Open
Figuur 2.6: GHG huidige situatie (RHDHV, 2022a)
Figuur 2.7: GLG huidige situatie (RHDHV, 2022a)
Oppervlaktewater De peilen in het landbouwgebied bevinden zich tussen 13 en 17 meter + NAP. Het landbouwgebied watert in zuidelijk richting af naar het Schoonebeekerdiep. Het westelijke gedeelte van het landbouwgebied wordt in de huidig situatie in de zomer voorzien van aanvoerwater via het Dommerskanaal dat noordelijk van het plangebied is gelegen. Het landbouwgebied gelegen ten zuiden van de Boôvenen en de dr. ingenieur H.A. Stheemanstraat wordt momenteel niet voorzien van aanvoerwater in droge tijden (Gemeente Emmen, 2022).
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
12
Open
2.2.5
Natuurwaarden
De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft tot doel in de natuur voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen als een algemene zorgplicht. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Daarnaast vindt soortenbescherming plaats via verschillende beschermingsregimes. In het kader van de voornemens in Nieuw-Schoonebeek is een natuurtoets uitgevoerd, waarin de aanwezige soorten en gebieden in kaart gebracht zijn. Soortenbescherming Via een natuurtoets is onderzoek gedaan naar het voorkomen van onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten (RHDHV, 2022b). In het onderzoek is onder andere gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en is er veldonderzoek verricht. Hieronder wordt per soortgroep een korte conclusie gegeven. Vaatplanten Binnen het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten aanwezig, een overtreding van de Wnb t.a.v. vaatplanten is uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren De NDFF wijst op het voorkomen van strikt beschermde zoogdieren in de omgeving van het plangebied, namelijk damhert, das, eekhoorn, waterspitsmuis. Een overtreding t.a.v. van de Wnb voor deze beschermde soorten is uitgesloten, omdat de dieren niet voorkomen binnen het plangebied dan wel het geen essentieel leefgebied betreft. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene beschermde soorten voorkomen zoals egel, haas, konijn, ree, kleine marterachtigen, verschillende muizensoorten en vos. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’. Vleermuizen In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen in de nabije omgeving van het plangebied. Soorten als laatvlieger, rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis kunnen foeragerend voorkomen. Vleermuizen verblijven ‘s zomers overdag in een zomerverblijfplaats of kraam- of paarverblijfplaats, ’s winters zoeken ze een winterverblijfplaats op waar ze de hele dag verblijven. Tijdelijke negatieve effecten op vleermuizen die mogelijk binnen het plangebied foerageren zijn op voorhand niet uitgesloten. De natuurtoets beschrijft voorzorgsmaatregelen om tijdelijke negatieve effecten te voorkomen (RHDHV, 2022b).
Amfibieën De NDFF bevat waarnemingen van de heikikker en poelkikker buiten het plangebied, in het Bargerveen, maar beide soorten komen niet voor binnen het plangebied. Voor de algemeen voorkomende beschermde bastaard-, meer-, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’. Reptielen De NDFF bevat waarnemingen van de adder, gladde slang en de levendbarende hagedis, buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige reptielen worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten. Uit veldonderzoek blijkt dat het plangebied alleen een geschikt leefgebied vorm voor adder.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
13
Open
Vissen De NDFF wijst op het voorkomen van de grote modderkruiper in de oostkant van het plangebied ter plaatse van de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat. Vogels Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Het struweel aan de randen van akkers is geschikt als broedlocatie voor verschillende (algemene) broedvogelsoorten o.a. zwartkop, spotvogel, winterkoning, merel, grasmus, geelgors, fitis en tjiftjaf. De oevers van de sloten zijn veelal onbegroeid en steil waardoor deze niet geschikt zijn als broedplaats voor soorten als de wilde eend. Op de akkers kunnen o.a. kieviten en scholeksters broeden. Jaarrond beschermd nest en rustplaatsen Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan geen potentiële jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Wel is er een overvliegende buizerd waargenomen. Dat deze soort een horst heeft mogelijk binnen of in de directe omgeving van het plangebied is niet uitgesloten. Deze is echter niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Ook is er een nestpaal voor een ooievaar waargenomen. Deze was nog niet in gebruik. Deze kan in het broedseizoen wel in gebruik genomen worden. Ongewervelden De NDFF bevat waarnemingen van de aardbeivlinder, gevlekte witsnuitlibel en de grote weerschijnvlinder buiten het plangebied, in het Bargerveen.
Overige ongewervelden worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten. Natura 2000-gebied Het plangebied grenst in het noordwestelijke deel aan het Natura 2000-gebied Bargerveen (zie Figuur 2.8). Voor het Natura 2000-gebied Bargerveen zijn zowel habitattypen, broedvogelsoorten en nietbroedvogelsoorten aangewezen vanuit de Europese habitat- en vogelrichtlijnen. Het Bargerveen in het zuidoosten van Drenthe is een van de meest waardevolle hoogveengebieden van Nederland. Het is een restant van het ooit zeer uitgestrekte Bourtangerveen. In het gebied zijn zeldzame planten en dieren aanwezig. Het betreft grote populaties van adder, gladde slang en heikikker. Als een van de weinige veengebieden heeft het Bargerveen nog delen met vrijwel onaangetast hoogveen. Het gebied kan worden opgedeeld in drie delen. In het noorden ligt het Meerstalblok welke voornamelijk bestaat uit vergraven en ontwaterd hoogveen met kleine onvergraven kernen levend hoogveen. Centraal ligt het Amsterdamsche Veld, welke tot op het restveen is afgegraven. In het zuiden ligt het Schoonebekerveld. Dit deel is een afwisselend gebied met deels vergraven hoogveen en bovenveengraslanden die zijn ontwaterd, maar bijna niet vergraven. Sinds de jaren 70 zijn door Staatsbosbeheer maatregelen getroffen op het herstel van het veengebied.
Om het water vast te houden zijn dammen aangelegd en lekken in de zandige ondergrond gedicht. Ook zijn er verschillende watergangen gedicht. Daarnaast zijn er bufferzones aangelegd en worden er nieuwe bufferzones gecreëerd. Desondanks alle maatregelen blijft het lastig om het gebied te herstellen gezien de bovenste lagen van het restveen vermoedelijk onherstelbaar zijn aangetast.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
14
Open
Figuur 2.8: Begrenzing Natura 2000-gebied Bargerveen. Groen: Vogelrichtlijngebied + Habitarichtlijngebied
Natuurnetwerk Nederland (NNN) In en rondom het plangebied bevinden zich locaties die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (zie Figuur 2.9). Binnen de NNN worden natuurfuncties behouden, hersteld of ontwikkeld. Andere ontwikkelingen zijn aanvaardbaar zolang deze verenigbaar zijn met, of ten dienste staan van, de natuurontwikkeling.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
15
Open
Figuur 2.9: Natuurnetwerk Nederland in en rondom het plangebied
2.2.6 Archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie Archeologie Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen blijkt dat het plangebied voor een groot deel een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde -archeologie 4). In Figuur 2.10 zijn de gebieden weergegeven (met arcering) die de waarde – archeologie 4 hebben. Voor het uitvoeren van werken (die geen bouwwerken zijn) of van werkzaamheden geldt een verbod voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 30 centimeter. Voor de aanleg van deze werken dient met een archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden geschaad worden (Gemeente Emmen, 2022).
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
16
Open
Figuur 2.10: Ontwerpbestemmingsplan Emmen, met gearceerd de gebieden met een waarde – archeologie 4 (Gemeente Emmen, 2022)
Door RAAP is in het voorjaar/zomer 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. In het onderzoek zijn alleen de locaties meegenomen van de nieuwe waterlopen voor zover deze gelegen zijn binnen de, op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen aangegeven, gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde -archeologie 4) (Raap, 2021). Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek volgt dat er voor grote delen van het onderzoeksgebied vanwege verstoring van de bodem of vanwege de lage en natte ligging van het (dek)zand sprake is van lage verwachting. Enkele zones blijven een middelhoge tot zeer hoge verwachting houden. De op de kaart geel gemarkeerde gedeelten (zie Figuur 2.11) betreffen intacte podzolbodems. Voor deze zone geldt een hoge archeologische verwachting, voor zowel het vondstenniveau als het sporenniveau. De groen gemarkeerde delen betreffen zones met beekafzettingen. Voor de zone in de directe nabijheid van de Wilms' Boo en de dekzandkop met een vindplaats is de verwachting zeer hoog (Raap, 2021).
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
17
Open
Figuur 2.11: Advieskaart archeologische waarde (geel = aaneengesloten zone met intacte podzolbodem, groen = zone met beekafzettingen) (Raap, 2021)
Aardkundige waarden Binnen de provincie Drenthe bestaat een beschermingsregime voor aardkundige waarden. Er bestaan vier niveaus van bescherming die richting geven aan de ontwikkelingen in een gebied. 1. Stergebieden: dit zijn de meest bijzondere en gave gebieden met een hoge aardkundige kwaliteit, die de provincie met een hoog beschermingsniveau wil behouden. 2. Hoog beschermingsniveau: gebieden met een hoge aardkundige kwaliteit 3. Middelhoog beschermingsniveau: gebieden die minder zeldzaam of gaaf zijn, maar wel bijdragen aan de kernmerken van het aardkundig hoofdlandschap. De hiervoor genoemde gebieden zijn van provinciaal belang. 4. Generiek beschermingsniveau: gebieden die niet kenmerkend zijn voor een aardkundig hoofdlandschap en evenmin zeldzaam zijn op provinciaal niveau. In Figuur 2.12 zijn de aardkundige waarden in en rond het plangebied weergegeven. Het plangebied valt voor het grootste deel onder het generieke beschermingsniveau. Eén gebied binnen het plangebied valt
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
18
Open
onder het hoge beschermingsniveau. Het gebied maakt onderdeel uit van de Hondsrug en Keileemruggen. Het gebied in het oosten van het plangebied is onderdeel van het beekdal en heeft een middelhoog beschermingsniveau. Verandering van inrichting of beheer zijn in deze gebieden ongewenst, tenzij ze nodig zijn om de aardkundige waarde te behouden of te versterken of om aardkundige processen te herstellen. Ontwikkelingen kunnen alleen worden toegestaan als de kenmerken en gaafheid worden behouden. Ten noorden van Nieuw Schoonenbeek ligt het stergebied Meerstalblok/Bargerveen (Provincie Drenthe, 2018). In het gebied met een hoog beschermingsniveau binnen het plangebied dient aandacht te zijn voor instandhouding van de macro gradiënt, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties. De aardkundige kenmerken zijn normerend voor wat mogelijk is. Waterbeheer, terrein- en landschapsbeheer moeten zodanig zijn dat de kenmerken in stand worden gehouden (Provincie Drenthe, 2018).
Figuur 2.12: Beschermingsniveau aardkundige waarden provincie Drenthe (Provincie Drenthe, 2018)
Landschap Het landschap ten zuiden van het Bargerveen, het plangebied, heeft in de afgelopen eeuwen een grote transformatie doorgemaakt; van hoogveenlandschap tot veenkoloniaal landschap, waarin landbouw de belangrijkste functie is. Het is een door mensen geschapen landschap en kenmerkt zich door een open karakter met een afwisseling van graslanden en bouwlanden. Als gevolg van de vervening is een slagenlandschap ontstaan met lange en smalle percelen met ertussen sloten, ontgonnen vanaf ontginningslijnen waarlangs lintbebouwing is ontstaan. In de laatste decennia heeft een schaalvergroting plaatsgevonden, wat ten koste is gegaan van de fijnmazigheid van het slagenlandschap. In het gebied is aan de oppervlakte reliëf ontstaan door verschillen in de hoogten van de vaste ondergrond (het zand of keileem) en de (gedeeltelijk) afgegraven veengronden. Ter hoogte van de dorpen heeft het landschap een iets meer gesloten karakter met her en der elzensingels, erfbeplanting en eikenrijen langs de historische kavelpaden (Gemeente Emmen, 2022). De landschappelijk waardevolle elementen en structuren in het Veenkoloniaal/slagenlandschap zijn: 1. Langgerekte smalle strokenverkaveling; 2. Europaweg met daaraan de boerderijen en doorkijken naar het achterliggende ontgonnen land; 3. Openheid; 4. Microreliëf; 5. Bosje Rikken-Jan. 25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
19
Open
Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden zijn tastbare elementen en structuren die een beeld geven van onze bewoningsgeschiedenis en het gebruik van het land door de mens. In Figuur 2.13 is de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Emmen weergegeven. Het gebruik en de bewoning van het landschap door de eeuwen heen is nog steeds goed herkenbaar in het ensemble van het stroomdal van het Schoonebeeker Diep tot aan het hoogveengebied met van zuid naar noord: lagergelegen graslanden, de ontginningsbasis (Europaweg) met noordelijk ervan de boerderijen en daarachter de hoger gelegen bouwlanden en de daar weer achterliggende woeste gronden en het hoogveengebied. Dit landschappelijke ensemble heeft een hoge cultuurhistorische waarde. De historische en ruimtelijke structuur en samenhang ervan dienen herkenbaar en behouden te worden. De smalle strokenverkaveling en de lintbebouwing langs de Europaweg zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen (Gemeente Emmen, 2022). In het plangebied bevinden zich geen rijks- en gemeentelijke monumenten.
Figuur 2.13: Cultuurhistorische waardenkaart, gemeente Emmen (2016)
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
20
Open
2.2.7
Aanwezigheid Conventionele explosieven
In Nederland zijn in de (Eerste en) Tweede Wereldoorlog (WOII) veel munitie en explosieven achtergebleven in de (water)bodem, die niet tot ontploffing zijn gekomen: ontplofbare oorlogsresten (OO). Op het moment dat in de nabijheid van deze ontplofbare oorlogsresten trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze alsnog afgaan. Dit levert gevaar op voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, uitvoerders en andere personen in de omgeving van de werkzaamheden. Bij vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten (OO) is geconcludeerd dat er een indicatie is voor de mogelijke aanwezigheid van OO in het onderzoeksgebied (AVG, 2016). Kijkend naar het gehele onderzoeksgebied kan worden vastgesteld dat de volgende gevechtshandelingen in of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden: • het neerkomen van afwerpmunitie; • vliegtuigcrashes; • aanleg van mijnenvelden. In het onderzoeksgebied kunnen mogelijk de volgende OO worden aangetroffen: • afwerpmunitie; • OO als onderdelen van vliegtuigcrashes; • landmijnen.
Figuur 2.14: Ontplofbare oorlogsresten in en rond het plangebied (AVG, 2016)
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
21
Open
3
Kenmerken van de activiteiten
In dit hoofdstuk is het voornemen specifiek toegelicht, om een beter beeld te geven van de voorgenomen activiteiten. Ten behoeve van de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw Schoonebeek wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De waterkundige aspecten worden op basis van de Waterwet geregeld middels een projectplan Waterwet.
3.1
Voornemen
Drooglegging In het GGOR is vastgelegd dat het landbouwgebied, in de winterperiode, een drooglegging krijgt van 1 m in 90% van een peilvak. Dit uitgangspunt is gehanteerd bij het maken van een update van het GGOR. Na ruim 10 jaar was een update nodig om eventuele bodemdaling en de laatste inzichten, ook voor afgelopen droge jaren, te kunnen verwerken. Op initiatief van de LTO-afdeling Schoonebeek hebben begin februari 2021 twee online-bijeenkomsten met de agrarische grondeigenaren plaatsgevonden. Voor de wintersituatie wordt vastgehouden aan de drooglegging van 1 m in 90% van een peilvak. Om in de zomer beter om te kunnen gaan met droogte worden in een aantal peilvakken zomerpeilen voorgesteld met een drooglegging kleiner dan 1 m (0,8 m). Hier hebben de agrarische grondeigenaren mee ingestemd. De kaart met de geactualiseerde peilvakken, peilen en maatregelen is opgenomen in Figuur 3.1.
Figuur 3.1 Geactualiseerde peilvakken en streefpeilen GGOR (Bron: Waterschap Vechtstromen 2021).
Waterkundige maatregelen Naast de actualisatie van het GGOR (peilwijzigingen) zijn er aanpassingen nodig aan het watersysteem om de gewenste waterhuishouding in het landbouwgebied te realiseren. Er dienen nieuwe waterlopen aangelegd te worden die zorgen voor een goede afwatering. Deze waterlopen worden ook benut voor de afvoer van overtollig regenwater uit de buffer naar het Schoonebeekerdiep. Daarnaast dienen er duikers, stuwen en een gemaal aangelegd te worden. In Figuur 3.2 zijn de benodigde aanpassingen schematisch weergegeven. In Bijlage 1 is een leesbare versie van deze kaart opgenomen. Onderstaand worden de maatregelen nader toegelicht.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
22
Open
Dommerskanaal Griendtsveenstraat
Buffer Zuid
Figuur 3.2: Schematische kaart benodigde aanpassingen
Watergangen Voor het functioneren van het nieuwe systeem worden er meerdere hoofdwatergangen aangelegd om de af- en aanvoer van water mogelijk te maken (zie Figuur 3.2 in blauw). Bij het ontwerpen van de watergangen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Aansluiten op de bestaande watergangen (qua bodemhoogte en talud). 2. Inpassen binnen beschikbare ruimte. 3. Talud van 1:1,5. Duikers Onder de Boôvenen, de Dordseweg, de Bargerweg en de Griendtsveenstraat worden nieuwe duikers aangelegd. Onder de Europaweg waren (op één na) al duikers aangelegd. Deze duikers zijn van belang voor de afwatering van de nieuw aan te leggen watergangen. Daarnaast moeten enkele van deze bestaande duikers verlengd worden (zie Figuur 3.2). Stuwen Voor het functioneren van het watersysteem en het handhaven van de peilen worden door het plangebied heen verschillende stuwen aangelegd. Het betreft hier een viertal automatische stuwen, verscheidene handbediende stuwen en ook vaste overlaten (zie de driehoeken in Figuur 3.2).
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
23
Open
Gemaal Ten behoeve van de wateraanvoer is voorzien in de realisatie van een aanvoergemaal binnen het plangebied (zie de zeshoek in Figuur 3.2). Het gemaal pompt het water op vanuit het aanvoertracé langs de Boôvenen (vanaf het Dommerskanaal) in de Buffer zuid. Van hieruit kan het worden verdeeld over de Buffer zuid en het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek. Om het water ook weer te kunnen afvoeren wordt er tevens een uitstroomvoorziening richting het aanvoertracé en het Schoonebeekerdiep gerealiseerd. Peilscheidingen en dammen In de watergangen worden peilscheidingsdammen gerealiseerd. Ten behoeve van de bereikbaarheid van de percelen, dienen meerdere dammen met duikers te worden aangelegd. Op basis van de veldinventarisatie zijn de locaties van deze dammen met duikers vastgesteld. Deze dammen en peilscheidingen liggen verspreidt door het plangebied. In Bijlage 1 zijn de dammen en duikers duidelijk weergegeven. Ruimtelijke inpassing De kunstwerken worden verdiept in het landschap aangebracht waarbij de bovenzijde overeenkomt komt met het maaiveldniveau ter plaatse. Het omgevingsbeeld verandert daardoor niet. Alleen een bedieningskast is boven het maaiveld zichtbaar bij kunstwerken die automatisch werken. Ontwerpuitgangspunten In het projectplan zijn ontwerpuitgangspunten gehanteerd om tot het ontwerp te komen. Ontwerpuitgangspunten
(Waterstaatkundige) veiligheid
Waterbeheer
• • •
Het op veilige wijze op peil houden van waterlopen De kunstwerken dienen boven-en benedenstrooms bereikbaar te zijn voor beheeren onderhoudsdiensten Het ontwerp en beheer van voorzieningen voor de veiligheid van het personeel voldoet aan de relevante wet-en regelgeving
•
Opstellen van streefpeilen (plankaart in bijlage III a, Projectplan)
•
Het ontwerp wordt getoetst en moet voldoen aan de vormen voor regionale wateroverlast vanuit het nationaal bestuursakkoord water (NBW)
• •
De kunstwerken dienen bereikbaar te blijven voor onderhouds-voertuigen Er dient rekening te worden gehouden met bestaande kabels en leidingen en hoogspanningsleidingen
•
De bouw van de kunstwerken dient te passen in de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving
Natuur
•
Er dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden in het plangebied
Duurzaamheid
•
Het ontwerp van de kunstwerken dient duurzaam te zijn
•
Het beheer en onderhoud van de kunstwerken in de hoofdwatergangen deel uitmakend van de legger van het waterschap ligt onder de verantwoording van het waterschap Vechtstromen Beheer en onderhoud van in het projectplan opgenomen watergangen voor lokale waterafvoer en daarin opgenomen kunstwerken ligt bij de betreffende grondeigenaar/grondeigenaren.
Normering
Infrastructuur
Ruimte
Beheer en onderhoud
25 augustus 2022
•
BE3102-MI-RP-220519-1351
24
Open
3.2
Uitvoering
Wanneer de benodigde vergunningen zijn verleend en het bestemmingsplan is gewijzigd, kan naar verwachting in de tweede helft van 2022 gestart worden met de uitvoering. Naar verwachting zal de uitvoering circa één jaar duren. Slechte weer-en terreinomstandigheden kunnen over het algemeen de uitvoeringsperiode verlengen. De vrijkomende grond wordt ter plekke verwerkt. Voordat met de uitvoering wordt gestart is nog nadere informatie nodig met betrekking tot detailplanning, werkvolgorde, fasering en dergelijke. De nadere uitwerking van deze details vindt in de uitwerkingsfase plaats op basis van het projectplan en de verleende vergunningen.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
25
Open
4
Kenmerken van potentiële effecten
Op basis van de activiteiten die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden uitgevoerd en de kenmerken van het plangebied zijn de volgende milieuaspecten in het kader van de m.e.r.-beoordeling van belang: • Bodem • Water • Natuur • Archeologische, aardkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden • Conventionele explosieven Onderstaand wordt voor betreffende milieuaspecten de potentiële milieueffecten toegelicht. Ook wordt ingegaan op mogelijke cumulatieve effecten. De bronnen die gebruikt zijn om de potentiële effecten in kaart te brengen zijn allen opgenomen als Bijlage in het nieuwe bestemmingsplan.
4.1
Bodem
Bodemkwaliteit Voor de verbetering van de waterhuishouding worden bestaande watergangen verbreed en nieuwe hoofdwatergangen en kunstwerken aangelegd. Ter plaatse van de tracés van de toekomstige watergangen en kunstwerken is milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd (RHDHV, 2021). Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd op basis van een eerder verricht vooronderzoek. Uit het vooronderzoek blijkt dat een groot gedeelte van het plangebied onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. Voor de onverdachte terreindelen is de bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart van toepassing. In het vooronderzoek is een aantal locaties/situaties geïdentificeerd die niet op voorhand als onverdacht kunnen worden aangemerkt. Voor deze locaties is in het verkennend onderzoek nagegaan in welke mate de bodemkwaliteit afwijkt. Omdat de herkomst onbekend is van de grond die in het verleden gebruikt is voor het dempen van sloten en van het materiaal waarmee dammen verstevigd zijn, is aanwezigheid van verontreinigingen zoals metalen, PAK of asbest niet uitgesloten als bodemvreemde bijmengingen aanwezig zijn. Daarnaast liggen delen van graaftracés van nieuwe watergangen direct langs de contouren van een voormalige boor- of productielocatie of een andere als ‘verdacht’ aangemerkte locatie.
Hieronder zijn de resultaten van het onderzoek opgesomd: • Dammen: Bij 22 van de 53 onderzochte dammen zijn puinbijmengingen in de grond aangetroffen. Analytisch gaat het hoogstens om overschrijdingen van de achtergrondwaarde; er zijn geen overschrijdingen van interventiewaarden aangetoond. In een aantal gevallen leidt de concentratie aan minerale olie tot een indicatieve indeling in hergebruikscategorie ‘niet toepasbaar’. In één van de asbestverdachte dammen is enig asbest aangetoond. De concentratie is ruim lager dan de interventiewaarde. • Kruisende dempingen: Er zijn achttien kruisende dempingen onderzocht. Bij één locatie was sprake van een afwijking in de vorm van een lichte puinbijmenging. Er is geen sprake van overschrijding van achtergrondwaarden dus deze bodemlaag wordt aangemerkt als niet verontreinigd. • Verdachte tracés waterbodem: er zijn vijftien locaties onderzocht. Incidenteel zijn afwijkingen waargenomen in de vorm van bodemvreemde bijmengingen in geringe mate. Bij zes van de 15 locaties zijn analytisch overschrijdingen van achtergrondwaarden aangetoond met uiteenlopende parameters. Interventiewaarden zijn niet overschreden. • Verdachte tracés droge bodem: er zijn zeven locaties onderzocht. Incidenteel zijn afwijkingen waargenomen in de vorm van bodemvreemde bijmengingen in geringe mate.
Bij drie van de zeven onderzochte locaties is sprake van lichte overschrijdingen van de achtergrondwaarde. Interventiewaarden worden niet overschreden. 25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
26
Open
•
• •
•
Dammetjes met duikers: er zijn tien dammetjes onderzocht. In twee van de dammetjes werd dermate veel puin aangetroffen dat een analyse op asbest is verricht. Analytisch is hierbij geen asbest aangetoond. Bij de overige dammetjes met duikers werden hoogstens overschrijdingen van de achtergrondwaarde aangetoond (PAK, olie, zink). Te verlengen duikers: er zijn vier plaatsen onderzocht. Op één plaats werd een geringe bijmenging met puin aangetroffen. Er zijn geen overschrijdingen van de streefwaarde aangetroffen. Boringen: op twee locaties zijn meerdere boringen gedaan. Bij boerderij Wilmsboo zijn bij één boring resten plastic/glas/asfalt in de bodem aangetroffen. Deze bodemlaag is analytisch boven de achtergrondwaarde is verontreinigd met PAK, olie, PCB en cadmium. Bij één van de boringen is veel puin in de grond aanwezig. Analytisch is geen sprake van asbest en er zijn ook geen andere verontreinigingen boven de achtergrondwaarde aanwezig. Wegkruisingen: bij een aantal wegkruisingen is sprake van de aanwezigheid van teerhoudend asfalt. In de onderliggende funderingslagen en grond zijn hoogstens verontreinigingen boven achtergrondwaarden aangetroffen.
Al met al zijn er in het verkennende bodemonderzoek geen bodemverontreinigingen aangetroffen die gesaneerd moeten worden. Wel zal plaatselijk rekening gehouden moeten worden met vrijkomende grond die mogelijk niet zonder beperkingen kan worden toegepast en met vrijkomend teerhoudend asfalt. Bodemdaling Door de hogere zomerpeilen ten opzichte van de huidige situatie en wateraanvoer is er in het grootste deel van het plangebied sprake van een verhoging van de zomergrondwaterstanden. In enkele delen van het gebied is er ook sprake van een verlaging van de GLG. Verdergaande veenoxidatie treedt op als de GLG zich in de huidige situatie in de veenlaag bevindt en na peilverlaging tot onder de veenlaag. Met behulp van berekend grondwaterstanden en de resultaten van door TNO uitgevoerde veenkarteringen zijn de grondwaterstanden ten opzichte van de diepteligging van de veenbasis in beeld gebracht. Figuur 4.1 toont de GLG ten opzichte van de onderkant van de veenlaag in de huidige situatie. In het merendeel van het gebied bevindt de grondwaterstand zich onder de veenlagen. In Figuur 4.2 is te zien dat de situatie vrijwel gelijk blijft, met uitzondering van een peilvak in het noordoostelijk deel van het plangebied (rood omcirkeld). Hier is in de huidige situatie deels sprake van grondwaterstanden die zich in de veenlagen bevinden.
Door de peilen volgens GGOR2008 en verder voorgestelde peilverlaging verlagen de grondwaterstanden tot onder de veenbasis. Dit kan lokaal mogelijk tot verdergaande veenoxidatie leiden. Ter plaatse van bebouwing is de GLG lager dan de veenbasis en wordt als gevolg van peilaanpassing geen extra veenoxidatie verwacht (RHDHV, 2022a). Er wordt dus geen bodemdaling verwacht bij bebouwing in en rond het plangebied als gevolg van het planvoornemen.
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
27
Open
Figuur 4.1: Grondwaterstand (GLG) ten opzichte van veenbasis huidige situatie (RHDHV, 2022a)
Figuur 4.2: Grondwaterstand (GLG) ten opzichte van veenbasis bij GGOR 2021 peilen (RHDHV, 2022a)
Kern mogelijke effecten: In het plangebied zijn meerdere locaties aanwezig die verdacht zijn van (water)bodemverontreiniging. Vooronderzoek naar deze verdachte locaties is verricht. Al met al zijn er geen bodemverontreinigingen aangetroffen die gesaneerd moeten worden. Door de hogere zomerpeilen ten opzichte van de huidige situatie en wateraanvoer is er in het grootste deel van het plangebied sprake van een verhoging van de zomergrondwaterstanden. In enkele delen van het gebied is er ook sprake van een verlaging van de GLG. Dit kan lokaal mogelijk tot verdergaande veenoxidatie leiden. Ter plaatse van bebouwing is de GLG lager dan de veenbasis en wordt als gevolg van peilaanpassing geen extra veenoxidatie verwacht. Er wordt dus geen bodemdaling verwacht bij bebouwing in en rond het plangebied als gevolg van het planvoornemen.
4.2
Water
Grondwater Als gevolg van de voorgestelde GGOR 2021 peilen worden de winter grondwaterstanden ten opzichte van de huidige situatie verlaagd in het landbouwgebied. Doordat er sprake is van wateraanvoer en hogere zomerpeilen ten opzichte van de huidige situatie zakken de grondwaterstanden in de zomer minder diep weg in delen van het landbouwgebied. Dit is voordelig voor de landbouw, omdat boeren hierdoor in het voorjaar eerder het land op kunnen en in de zomer minder last hebben van verdroging. Door de peilverlaging 25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
28
Open
in de natte winterperiode is er geen sprake van uitstraling van negatieve effecten naar de bebouwing van Nieuw-Schoonebeek. De verschillen tussen de grondwaterstanden bij de peilen van GGOR2008 en GGOR2021 zijn direct te relateren aan de peilwijzigingen en treden vooral op binnen de grenzen van de nieuwe peilvakken. Er is geen sprake van uitstraling van negatieve effecten naar de bebouwing van Nieuw-Schoonebeek of het Bargerveen (RHDHV, 2022a). Oppervlaktewater Om het functioneren van het toekomstige watersysteem in extreme situaties te toetsen is een NBW-toetsing (Nationaal bestuursakkoord water) uitgevoerd (RHDHV, 2022a). Uit de toetsing van het watersysteem volgt dat de toekomstige inrichting voldoet aan de geldende normen (van het waterschap Vechtstromen) voor regionale wateroverlast. Binnen het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de overstromingsnormen. Voor het gehele plangebied geldt dat er geen overstroming is een bui met een herhalingstijd van 100 jaar (T100 situatie). Waterkwaliteit De verwachting is dat de wijzigingen in de waterhuishouding geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Het water rondom het projectgebied is al dermate eutroof (bevat veel minerale voedingsstoffen) dat inlaat van water vanuit het Dommerskanaal hier geen invloed op heeft (RHDHV, 2022a).
Kern mogelijke effecten: De peilverlaging in de winterperiodes en de peilverhoging in de zomerperiodes, heeft geen negatieve effecten op de bebouwde gebieden in en rondom het plangebied. Het is voordelig voor de landbouw, omdat boeren hierdoor in het voorjaar eerder het land op kunnen en in de zomer minder last hebben van verdroging. Het watersysteem voldoet aan de geldende normen van het waterschap voor regionale wateroverlast en de overstromingsnormen. Er is geen sprake van wateroverlast bij extreme buien. Daarnaast heeft de wijziging van de waterhuishouding naar verwachting geen negatief effect op de waterkwaliteit in en rondom het plangebied.
4.3
Natuur
Soortenbescherming Bij het beoordelen van het effect van het planvoornemen op beschermde soorten in de Natuurtoets (RHDHV, 2022b) is uitgegaan van een aantal werkzaamheden: het graven van nieuwe hoofdwatergangen, het verbreden en verdiepen van watergangen tot hoofdwatergangen en het plaatsen van kunstwerken. Aan de hand van deze werkzaamheden is het effect op beschermde soorten bepaald. Hieronder zijn de beschermde soorten genoemd waarbij negatieve effecten door het planvoornemen op voorhand niet uitgesloten zijn. Voor de overige soorten geldt dat een overtreding op de Wnb op voorhand uitgesloten kan worden. Vleermuizen Er worden geen bomen gekapt of gebouwen gesloopt waardoor het vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen is uitgesloten. Ook worden geen lijnvormige elementen onderbroken die als vliegroute fungeren. Bosjes en struweel blijven beschikbaar als foerageergebied voor de verschillende vleermuissoorten. Indien er binnen het vleermuisactieve seizoen (grofweg van april tot
25 augustus 2022
BE3102-MI-RP-220519-1351
29
Open
november) in het donker wordt gewerkt, kan de inzet van verlichting leiden tot verstoring van foeragerende en/of doortrekkende vleermuizen. Grote modderkruiper Tijdens de werkzaamheden worden nieuwe watergangen gegraven en een aantal huidige sloten worden verdiept en verbreed. De sloten die verbreed/verdiept worden zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Door werkzaamheden aan de watergang in de oostkant van het plangebied ter plaatse van de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat kan een mogelijke voortplantings- of rustplaatsen worden beschadigd of vernield. Ook kunnen hierbij grote modderkruipers worden gedood. Het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote modderkruiper is daarmee op voorhand niet uit te sluiten. Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Op basis van de Wnb zijn alle broedvogels beschermd onder het beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen verstorende effecten optreden op broedvogels. Wanneer de werkzaamheden (gedeeltelijk) worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels worden verstoord. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren of jongen van vogels. Het verstoren en vernietigen van nesten en eieren of jongen is een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb.
Jaarrond beschermd nest en rustplaats Er worden geen bomen gekapt en de nestpaal van de ooievaar blijft gehandhaafd. Bij de werkzaamheden gaat een eventueel nest niet verloren. Wanneer tijdens het broedseizoen binnen de verstoringsafstand van een broedende buizerd wordt gewerkt kunnen broedende buizerds worden verstoord. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren of jongen van vogels. Het verstoren en vernietigen van nesten en eieren of jongen is een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb. Indien de broedpaal voor de ooievaar in gebruik is, kunnen tijdens het broedseizoen deze negatieve effecten niet worden uitgesloten. Mitigerende maatregelen Algemene maatregelen In verband met de zorgplicht dienen onderstaande algemene maatregelen te worden getroffen: • Opslagplaatsen van materieel zoveel mogelijk centraal houden en afschermen met amfibieënschermen net als de aanvoerroutes. • Werkzaamheden alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren. Als ook in de schemering en het donker wordt gewerkt moet gebruik worden gemaakt van (amberkleurig) licht dat zoveel mogelijk naar beneden is gericht.