3.21 Bijlagen bij toelichting Principeafweging inrichting Buffer Zuid
Tekst van het document
3.3.4
Overzicht beoordeling natuur Principe 1
Principe 2
Principe 3
Effect stijghoogte Natura 2000
0/+
++
++
Effect stikstofdepositie Natura 2000
-
-
-
Ruimte voor ontwikkeling NNN en kwaliteit
++
++
+
3.4
Landbouw
Het effecten van landbouw wordt beoordeeld ten aanzien ruimtebeslag, de gebruikswaarde en het effect op ontsluiting.
3.4.1
Principe 1
De buffer gaat ten koste van circa 220 ha landbouwgrond. Gelijktijdig wordt het zuidelijk gelegen landbouwgebied waterhuishoudkundig opnieuw ingericht en de peilen ingesteld zoals deze zijn afgesproken in het GGOR. Door de grotere drooglegging ontstaan hier betere landbouwkundige omstandigheden. Berekeningen met het grondwatermodel laten zien dat de grondwaterstanden in het landbouwgebied met deze peilen ook na inrichting van de buffer verlagen. Hierdoor neemt de kwaliteit / waarde van de grond per hectare toe. Echter omdat er netto grond verloren gaat wordt dit beoordeeld als ‘-‘. Doordat de buffer volgens Principe 1 vooral in het oostelijk deel gedeeltelijk uit land bestaat biedt de buffer ook mogelijkheden voor agrarisch medegebruik. Dan zal het vooral gaan om extensieve landbouw
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
30
Projectgerelateerd
bijvoorbeeld hooilandbeheer en nabeweiding, als onderdeel van het beheer voor NNN doelstellingen. Omdat het oostelijk deel van de buffer mogelijkheden biedt voor agrarisch medegebruik wordt dit principe voor de gebruikswaarde beoordeeld als ‘+’. De huidige ontsluiting van de landbouwpercelen vindt plaats via de Stheemanstraat. In dit principe is voorzien in een nieuwe weg aan de zuidzijde, waarmee de landbouwpercelen worden ontsloten. Hiermee wijzigt de ontsluiting niet en wordt de score neutraal toegekend ‘0’.
3.4.2
Principe 2
Principe 1 en 2 verschillen voor landbouw niet van elkaar. De buffer gaat ten koste van circa 220 ha landbouwgrond. Gelijktijdig wordt het zuidelijk gelegen landbouwgebied waterhuishoudkundig opnieuw ingericht en de peilen ingesteld zoals deze zijn afgesproken in het GGOR. Door de grotere drooglegging ontstaan hier betere landbouwkundige omstandigheden waardoor de kwaliteit en waarde per hectare toeneemt. Echter omdat er netto grond verloren gaat wordt dit beoordeeld als ‘-‘. Doordat de buffer volgens Principe 1 en 2 vooral in het oostelijk deel gedeeltelijk uit land bestaat biedt de buffer ook mogelijkheden voor agrarisch medegebruik. Dan zal het vooral gaan om extensieve landbouw bijvoorbeeld hooilandbeheer en nabeweiding, als onderdeel van het beheer voor NNN doelstellingen. Omdat het oostelijk deel van de buffer mogelijkheden biedt voor agrarisch medegebruik wordt dit principe voor de gebruikswaarde beoordeeld als ‘+’. De huidige ontsluiting van de landbouwpercelen vindt plaats via de Stheemanstraat. In dit principe is voorzien in een nieuwe weg aan de zuidzijde, waarmee de landbouwpercelen worden ontsloten. Hiermee wijzigt de ontsluiting niet en wordt de score neutraal toegekend ‘0’.
3.4.3
Principe 3
De buffer gaat ten koste van circa 220 ha landbouwgrond. Gelijktijdig wordt het zuidelijk gelegen landbouwgebied waterhuishoudkundig opnieuw ingericht en de peilen ingesteld zoals deze zijn afgesproken in het GGOR. Door de grotere drooglegging ontstaan hier betere landbouwkundige omstandigheden waardoor de kwaliteit en waarde per ha toeneemt. Echter omdat er netto grond verloren gaat wordt dit beoordeeld als ‘-‘. Doordat de buffer volgens Principe 3 voor 90% uit water bestaat zijn er geen mogelijkheden voor landbouwkundig medegebruik. Vanwege de mogelijkheden in het oostelijk deel van de buffer voor agrarisch medegebruik wordt dit principe voor de gebruikswaarde beoordeeld als ‘-’. De huidige ontsluiting van de landbouwpercelen vindt plaats via de Stheemanstraat. In dit principe is voorzien in een nieuwe weg aan de zuidzijde, waarmee de landbouwpercelen worden ontsloten. Hiermee wijzigt de ontsluiting niet en wordt de score neutraal toegekend ‘0’.
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
31
Projectgerelateerd
3.4.4
Overzicht beoordeling landbouw Principe 1
Principe 2
Principe 3
LandbouwRuimtebeslag
-
-
-
LandbouwGebruikswaarde
+
+
-
LandbouwOntsluiting
0
0
0
3.5
Bebouwing
Voor bebouwing wordt beoordeeld of verhoging van grondwaterstanden optreedt en of dit met waterhuishoudkundige maatregelen te voorkomen is.
3.5.1
Principe 1
De effecten van de buffer op de bebouwing worden vooral bepaald door de peilen in het westelijk deel van de buffer en dan vooral in de winterperiode. In de peilverkenning is vastgesteld dat indien de GGOR peilen in het zuidelijk landbouw gebied worden gerealiseerd er geen verhogingen van de grondwaterstand worden verwacht in Nieuw-Schoonebeek. Bij Principe 1 zakken de peilen zowel in de zomer als in de winter uit, hiermee worden geen grondwaterstandsveranderingen in Weiteveen en Zuidersloot verwacht. Daarom wordt een score ‘0’ toegekend.
3.5.2
Principe 2
Bij Principe 2 worden een vast zomer- en een vast winterpeil gehandhaafd in het westelijk deel van de buffer. De effecten van de buffer op de bebouwing worden vooral bepaald door de peilen in het westelijk deel van de buffer. In de peilverkenning is vastgesteld dat indien de GGOR peilen in het zuidelijk landbouw gebied worden gerealiseerd er geen verhogingen van de grondwaterstand worden verwacht in Nieuw-Schoonebeek. Zuidersloot Ter plaatse van de berekende effecten (ca 5-10 cm verhoging grondwaterstand) langs de woningen van de Zuidersloot bevinden zich geen sloten, waardoor hier vernattingseffecten optreden (zie ook figuur 317). In dit deel van Zuidersloot zijn geen grondwaterstandsverlagende maatregelen getroffen naar aanleiding van de inrichting van Weiteveen. Het maaiveld ligt hier hoger dan de rest van Zuidersloot omdat het op de Hondsrug ligt. De verwachting is dan ook dat de grondwaterstand zich hier dieper ten opzichte van maaiveld bevindt. Er zijn echter nog geen meetgegevens van beschikbaar. In het voorjaar is hier wel een peilbuis geplaatst die dit inzicht gaat geven. Deze gegevens worden nog nagegaan.
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
32
Projectgerelateerd
Figuur 0-17 Effecten GHG ter plaatse van Zuidersloot ten opzichte van de autonome ontwikkeling
Doordat sprake is van een stijging van ca 5 cm en er geen maatregelen zijn getroffen betreft de verhoging een verslechtering. Onduidelijk is nog of de grondwaterstand zich binnen een kritische waarde bevindt. Ingeschat wordt dat de nog geplande leemrug aan de zuidzijde van de huiskavels (daar waar ongeveer de vlek aan de zuidkant begint) de situatie wel verbetert, maar dat dit meer invloed heeft op afstromend water dan op het hier getoonde grondwatereffect. Voor Principe 2 geldt het volgende: De effecten zijn weg te nemen door: • Aanleg van drainage of sloten langs de Zuidersloot en/of rondom de woningen. • Aanpassing peilen in de buffer. • De effecten worden vooral bepaald door het westelijk deel van de buffer. Om de effecten te verminderen zou hier gekozen kunnen worden voor lagere winter en/of zomer peilen. Dit betekent een afweging ten opzichte van vooral ecologie. • De oostelijke peilen in de buffer lijken een beperkte invloed te hebben. Indien deze omlaag zouden gaan dan heeft dat vooral gevolgen voor Principe 3, waardoor onvoldoende water kan worden geconserveerd. Lagere peilen voor Principe 2 betekent dat het oppervlak aan water moet worden vergroot om het water uit het Bargerveen te kunnen vasthouden. Accepteren van optredend effect, mits huidige grondwaterstanden voldoende diep zijn en rekening houdende met onzekerheidsmarge model.
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
33
Projectgerelateerd
Weiteveen – Kerkenweg De situatie ter plaatse van de Kerkenweg wordt sterk bepaald door onlangs aangelegde en verbeterde ontwateringsmiddelen zoals aanleg van het regenwaterriool en verbreding van de sloot langs de Kerkenweg. Het regenwaterriool draineert op een niveau van 15,30 m NAP terwijl de gemeten hoogste grondwaterstanden zich tussen de 16,5 en 17,5 m NAP bevonden. Daarnaast is een verbreding van de sloot langs de Kerkenweg uitgevoerd. Dit zorgt er in de praktijk voor dat de grondwaterstanden worden verlaagd ten opzichte van de vroegere situatie (zonder de maatregelen van de Laars, inclusief leemruggen en nieuwe sloten en de riolen bij de Kerkenweg en achterlangs de bebouwing).
Figuur 0-18 Effecten op GHG maatregelen autonome ontwikkeling ter plaatse van Weiteveen/Kerkenweg
Het effect van de aanleg van het regenwaterriool met drainage ter plaatse van de Kerkenweg en de verbreding van watergang er langs is met het model doorgerekend. Hieruit volgt dat de grondwaterstand ter plaatse van de bebouwing met circa 50 tot 75 cm (bruintinten op figuur 3-18) verlaagt als gevolg van de aanleg van de drainage. Het model berekent langs de rand van het N2000 gebied een lokale verhoging van de grondwaterstanden. Dit is als gevolg van de keileem ruggen, waardoor grondwater aan de ‘natuurzijde’ stagneert en niet meer afstroomt naar de bebouwing.
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
34
Projectgerelateerd
Figuur 0-19 Effecten op GHG als gevolg van inrichting Buffer Zuid ter plaatse van Weiteveen-Kerkenweg
Met het model is vervolgens de inrichting van de buffer (conform Principe 2) doorgerekend. De resultaten betreffen een vergelijking ten opzichte van de situatie dat de maatregelen in en rond Weiteveen zijn getroffen. De resultaten staan weergegeven in figuur 3-19. Uit de berekeningsresultaten volgt dat er geen effecten optreden ter plaatse van de bestaande bebouwing langs de Kerkenweg. De ligging van de drainage en de sloot zorgt er voor dat de grondwaterstand hier niet verandert. Er treedt nog wel een effect op in een klein deel van het N2000 gebied zelf ten westen en ten oosten van de Kerkenweg, waar de grondwaterstand met circa 5 cm verhoogt.
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
35
Projectgerelateerd
Op basis van uitgevoerde berekeningen zijn geen effecten te verwachten ter plaatse van NieuwSchoonebeek omdat deze worden afgevangen door de GGOR peilen in het landbouwgebied. In Weiteveen zorgen de eerder aangelegde maatregelen er voor dat hier ook geen effecten ter plaatsen van de bebouwing optreden. Omdat op dit moment nog een effect wordt berekend bij de bebouwing in Zuidersloot wordt een score ‘-’ toegekend.
3.5.3
Principe 3
Principe 3 verschilt niet of nauwelijks van Principe 2 doordat de effecten vooral in de winterperiode optreden. Op basis van uitgevoerde berekeningen zijn geen effecten en deels een verbetering te verwachten ter plaatse van Nieuw-Schoonebeek omdat deze worden afgevangen door de GGOR peilen in het landbouwgebied. In Weiteveen zorgen de eerder aangelegde maatregelen er voor dat hier geen effecten ter plaatse van de bebouwing optreden. Doordat ter plaatse van Zuidersloot sprake is van een stijging van circa 5 cm en er geen maatregelen zijn getroffen betreft de verhoging een verslechtering. Onduidelijk is nog of de grondwaterstand zich binnen een kritische waarde bevindt. Afhankelijk van de diepte van de grondwaterstand gelden hier volgende opties: ◼ Verhoging van de grondwaterstand accepteren indien deze voldoende diep zit (voldoende marge). ◼ Drainerende maatregelen ter plaatse van Zuidersloot. ◼ Aanpassing peilen in Buffer-Zuid met minder ecologische effectiviteit tot gevolg. Omdat op dit moment nog een effect wordt berekend bij de bebouwing in Zuidersloot wordt een score ‘-’ toegekend.
3.5.4
Overzicht beoordeling bebouwing
Bebouwing
Principe 1
Principe 2
Principe 3
0
-*
-*
*effect wordt nog nader beoordeeld
3.6
Landschap en leefbaarheid
Er is onderzocht in hoeverre de varianten effect hebben op de belangrijkste landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied en hoe hiermee wordt omgegaan. Hierbij is niet alleen gekeken naar de aantasting en/of het verlies van waardevolle waarden, maar ook naar kansen voor landschapsversterking of –vernieuwing of het versterken van cultuurhistorische waarden. Effecten op de landschappelijke waarden zijn beoordeeld aan de hand van de mate van aantasting, verlies, herstel of toevoeging van landschappelijke waarden. Een principe wordt positief beoordeeld indien nieuwe opgaven en oude waarden elkaar versterken en er sprake is van een toegevoegde waarde in de omgeving. De effecten zijn kwalitatief beoordeeld op basis van de best beschikbare informatie en expertjudgement. Ook is er gekeken naar het effect van de bufferkade in relatie tot zichtverstoring. Het gebied waarvan de zuidelijke bufferzone deel uit maakt – het Schoonebeekerveld, Schoonebeek, Nieuw Schoonebeek, en Bargerveen – vertoont een bijzonder rijk en rijk geschakeerd cultuurhistorisch palet. Het geheel maar ook de afzonderlijke objecten en structuren krijgen een hoge tot zeer hoge waardering. Dit maakt dat de bufferzone zuid onderdeel uitmaakt van een van de cultuurhistorisch rijkste delen, zo niet het rijkste deel van gemeente Emmen.
Het landschap rondom de nieuw te ontwikkelen Buffer Zuid is zeer divers, veel verschillende landschapstypen komen hier samen. De nieuw te ontwikkelen buffer ligt namelijk nabij de overgang van 26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
36
Projectgerelateerd
het voormalige hoogveen (Bargerveen) en het beekdal van het Schoonebeekerdiep. Het dorp NieuwSchoonebeek ligt op de grens van deze twee landschapstypen. De kenmerkende slagen/ strokenverkaveling (lange en smalle stroken met sloten) en de daarbij behorende lintbebouwing van de randveenontginning van het Schoonebeekerveld, is nog altijd herkenbaar (zuidzijde van de nieuw te ontwikkelen waterbuffer). Het beekdal aan de zuidkant van Nieuw-Schoonebeek is nog goed herkenbaar als open landschap en functioneert tevens als grens tussen Nederland en Duitsland. In het gebied zijn daarnaast ook overblijfselen van de meer recente historie aanwezig. Het landschap in de toekomstige bufferzone zelf kenmerkt zich vooral door de afwisselende maaiveldhoogten veroorzaakt door afwisselend vergraven percelen veen (restanten bovenveencultuur). Het agrarisch gebruik is hier ook op gericht. Voorts is het agrarisch gebruik, vaak gebaseerd op het onderliggende geomorfologische patroon en het reliëf, kenmerkend voor en nog goed herkenbaar in het gebied: Bouwland of grasland op de hogere delen met een hoger zanddek en/of onvergraven veen (restanten bovenveencultuur) en grasland op de lagere, vochtigere delen lager door vergraven, ontwatering en/of klink.
Ook op de niet (meer) in cultuur gebrachte hogere onvergraven delen (bovenveencultuur) ten noorden van de Stheemanweg is de slagenverkaveling nog herkenbaar: percelen met natuurlijk grasland, heide hoogveenbegroeiing en water wisselen elkaar af, hier en daar doorsneden door de historische padenstructuur.
3.6.1
Principe 1
Landschappelijke waarden Ter plaatse van de buffer zelf zal door vergraving geen verbetering of herstel van het bestaande landschap(pelijke waarden) plaats vinden; dit landschap/deze waarden verdwijnen. Dit is een negatief effect (-).Wel zal gezocht worden naar een nieuw landschap in aansluiting op het omringende landschap, hetzij hoogveenlandschap en/of strokenverkaveling en daarmee de beleving hersteld en/of versterkt wat positief is (+). Dit heeft ook alles te maken met het feit dat de buffer op een overgang van verschillende landschappen ligt. Ten noorden van de buffer ligt het Bargerveen maar aan de zuidzijde het ontginningslandschap, er zijn dus meerdere opties mogelijk. Belangrijk is dat de buffer een goede ruimtelijke relatie heeft met haar omgeving. Er zal dus een verbetering of herstel van waardevolle landschappelijke en/ of van de beleving van structuren plaatsvinden. De buffer biedt kansen om verbindingen te leggen tussen het Bargerveen, het slagenlandschap met de lintbebouwing en het beekdallandschap. Te denken valt aan nieuwe fiets- en wandelroutes en/ of kanoroutes. De kans op aansluiting, herstel of een landschap wordt daarbij vooral echter bepaald door de hoeveelheid (bestaand) land dat het principe toelaat. Principe 1 biedt deze ruimte door het grotere aandeel land. Dit is een positief effect (+). Om deze reden wordt Principe 1 beoordeeld als positief (+).
Effect kaden Door de ontwikkeling van de bufferzone komt er een nieuwe kade te liggen in het landschap die duidelijk hoger is dan het omliggende maaiveld. Het maximale hoogteverschil tussen het bestaande maaiveld en de nieuw te ontwikkelen kade is 1.30 meter (zie ook figuur 3-20). Dit zal een negatief effect hebben op het uitzicht en beleving. De buffer en daarmee ook de kade, ligt echter op een geruime afstand van het dorp Nieuw-Schoonebeek, waardoor de impact van deze nieuw te ontwikkelen kade minimaal is. Bovendien wordt het talud niet als steil en strak uitgevoerd, maar krijgt het een meer natuurlijke uitstraling. Daardoor wordt de kade minder dominant in het beeld. De zichtverstoring door de nieuw te ontwikkelen buffer zal dus (beperkt) toenemen en beoordeeld worden als (-).
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
37
Projectgerelateerd
3.6.2
Principe 2
Landschappelijke waarden De landschappelijke inrichting voor Principe 2 is gelijk aan die van Principe 1. Er worden bestaande waarden teniet gedaan en er worden nieuwe waarden/nieuw landschap toegevoegd. Daarnaast biedt Principe 2 net als 1 vanwege de verhouding tussen land en water mogelijkheden en ruimte voor aansluiting op het omringende landschap. Daarom wordt dit principe positief gescoord (+). Effect kaden De hoogte van de kaden voor Principe 2 zijn gelijk aan die van Principe 1. Het maximale hoogteverschil tussen het bestaande maaiveld en de nieuw te ontwikkelen kade is 1.30 meter. Dit zal een negatief effect hebben op het zicht. De buffer en daarmee ook de kade, ligt echter op een geruime afstand van het dorp Nieuw-Schoonebeek waardoor de impact van deze nieuw te ontwikkelen kade minimaal is. Bovendien wordt het talud niet als steil en strak uitgevoerd, maar krijgt een meer natuurlijke uitstraling. Daardoor wordt hij minder dominant in het beeld. De zichtverstoring door de nieuw te ontwikkelen buffer zal dus (beperkt) toenemen en beoordeeld worden als (-).
3.6.3
Principe 3
Landschappelijke waarden Bij Principe 3 bestaan alle peilvakken voor 90% uit open water. Hierdoor is sprake van verlies van bestaande landschappelijke waarden binnen de buffer. (-) Er is dus geen sprake van herstel of versterking. (-) Het grote wateroppervlak en geringe mogelijkheden voor land maken de mogelijkheden voor een landschap in aansluiting op het hoogveenlandschap ten noorden en met name op het randveenontginningslandschap van het Schoonebeekerveld ten noordwesten en zuiden van de buffer zeer gering. Ook in het hoogveenlandschap speelt de afwisseling tussen land en water een grote rol. Totaal effect: kansen voor herstel of versterking (-), aansluiting (-), kans op gevarieerder nieuw landschap in de buffer gezien de zeer ongelijke verhouding land en water (-) = totaal (-). Effect kaden Dit principe heeft te maken met een groter benodigd wateroppervlak en hogere peilen in vergelijking met variant 1 en 2. Dit heeft tot gevolg dat de kades hoger zijn dan in variant 1 en 2. Het maximale hoogteverschil tussen het bestaande maaiveld en de nieuw te ontwikkelen kade is ca 2.50 meter zie figuur 3-20. Op deze manier kan men niet meer over de kade heen kijken, waar dit in variant 1 en 2 nog wel mogelijk is. Dat leidt dus tot een sterkere zichtverstoring door de nieuw te ontwikkelen buffer. Om deze reden wordt variant 3 als sterk negatief beoordeeld (- -).
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
38
Projectgerelateerd
Figuur 0-20
3.6.4
Vergelijking dwarsprofiel bij Principe 1/2 en 3
Overzicht beoordeling landschap en leefbaarheid Principe 1
Principe 2
Principe 3
Landschappelijke waarden
+
+
-
Effect kaden
-
-
--
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
39
Projectgerelateerd
3.7
Cultuurhistorie en archeologie
Er is gekeken naar aantasting of verlies van archeologische en cultuurhistorische waarden en/of archeologische monumenten. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden en structuren hangen nauw met elkaar samen. De beoordeling is daarom daarbij geïntegreerd. Archeologie is wel een duidelijk separaat criterium. Over het algemeen geldt: maatregelen die verstoring in de bodem veroorzaken kunnen effect hebben op aanwezige archeologische waarden in de ondergrond. Door de nieuw te ontwikkelen buffer worden archeologische waarden aangetast of treedt verlies van deze waarden op. Omdat er gegraven moet worden is realisatie van de buffer dus in geen geval positief. Uit het bureauonderzoek blijkt dat binnen het plangebied voornamelijk archeologische waarden uit de Steentijd kunnen worden verwacht. Deze kunnen vooral verwacht worden op de hogere droge dekzandgronden waarin bodemvorming heeft plaatsgevonden, hetgeen heeft geleid tot de vorming van een podzol. Deze zijn in de Bronstijd overveend geraakt waardoor bewoning in het plangebied niet meer mogelijk was. Pas in de 19e en met name de 20e eeuw vindt weer bewoning in het plangebied plaats. Geadviseerd wordt in de gebieden met een hoge-middelhoge verwachting, waar bodemingrepen gepland zijn, een verkennend booronderzoek uit te laten voeren gericht op de intactheid van de dekzandondergrond en de aanwezigheid van bodemvorming/podzol.
Figuur 0-21
3.7.1
Archeologische verwachtingskaart
Principe 1
Hoe meer er gegraven wordt hoe groter de aantasting/verlies van de archeologische waarden. De op te treden effecten zijn daarmee sterk afhankelijk van de diepte van ontgraving en het oppervlak waar ontgraving plaatsvindt. Bij dit principe zijn de percentages oppervlaktewater in de peilvakken 90% - 90% 70% - 40%. Ter plekke van de buffer liggen niet alleen gebieden met een lage, maar ook gebieden met een hoge/middelhoge verwachtingswaarde. Om deze reden scoort dit principe dus ook negatief (-).
3.7.2
Principe 2
Hoe meer er gegraven wordt hoe groter de aantasting/ verlies van de archeologische waarden. Bij dit principe zijn de percentages oppervlaktewater in de peilvakken 90% - 90% - 70% - 40% Ter plekke van de
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
40
Projectgerelateerd
buffer liggen niet alleen gebieden met een lage, maar ook gebieden met een hoge/middelhoge verwachtingswaarde. Om deze reden scoort dit principe dus ook negatief (-).
3.7.3
Principe 3
Bij dit principe is sprake van een constant waterpeil van 90% oppervlaktewater in alle peilvakken. Bij Principe 3 wordt meer oppervlak aan grond afgegraven maar kan mogelijk met minder diep afgraven worden volstaan vanwege de hogere peilen. De inschatting is dat bij Principe 3 de kans op aantasting/ verlies van archeologische waarden hoger is dan bij de andere varianten. Dit principe scoort daarom zeer negatief (- -).
3.7.4
Overzicht beoordeling cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorische en archeologische waarden
3.8
Principe 1
Principe 2
Principe 3
-
-
--
Recreatie
De recreatieve mogelijkheden van het gebied worden bepaald aan de hand van de route structuren (aantal en typen) die in het plangebied worden ontwikkeld en de manier waarop deze aansluiten op het bestaande netwerk van het Bargerveen en de lokale route structuren van het dorp Nieuw Schoonebeek. Naast route structuren wordt ook gekeken naar de toe- of afname van recreatieve voorzieningen voor recreatief medegebruik zoals rustplaatsen, vissteigers, mogelijkheden voor kanovaren en informatievoorzieningen.
3.8.1
Principe 1
Bij Principe 1 worden nieuwe mogelijkheden ontwikkeld op het gebied van recreatie. Zo komen er nieuwe fietspaden/ wandelpaden/ vlonderpaden en informatiepunten die allemaal goed aansluiten op bestaande structuren. Verder zijn er ook mogelijkheden om te kanoën op de buffer. Om deze reden is er sprake van een sterke verbetering van de recreatieve mogelijkheden in en rond het plangebied en scoort dit principe (++).
3.8.2
Principe 2
Principe 2 en 1 zijn vergelijkbaar. Er worden nieuwe mogelijkheden ontwikkeld op het gebied van recreatie. Zo komen er nieuwe fietspaden/ wandelpaden/ vlonderpaden en informatiepunten die allemaal goed aansluiten op bestaande structuren. Verder zijn er ook mogelijkheden om te kanoën op de buffer. Om deze reden is er sprake van een sterke verbetering van de recreatieve mogelijkheden in en rond het plangebied en scoort dit principe (++).
3.8.3
Principe 3
Ook bij Principe 3 worden nieuwe mogelijkheden ontwikkeld op het gebied van recreatie. Echter zal de buffer bestaan uit 90% oppervlaktewater. De nadruk bij dit principe zal meer op mogelijkheden voor waterrecreatie liggen. De speelruimte/oppervlakte om eventueel struinpaden/ vlonderpaden en ander recreatief medegebruik te ontwikkelen zijn kleiner waardoor de verschillende mogelijkheden op recreatief beperkter zullen zijn. Om deze reden scoort deze variant positief (+).
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
41
Projectgerelateerd
3.8.4
Overzicht beoordeling recreatie
Recreatief (mede)gebruik en ontsluiting Bargerveen
3.9
Principe 1
Principe 2
Principe 3
++
++
+
Klimaat
Bij klimaatrobuustheid is gekeken naar de robuustheid van de inrichting bij veranderende klimaatomstandigheden. Dit betekent extremere droge en natte omstandigheden. Daarom is gekeken naar de klimaatrobuustheid bij droge omstandigheden en extreem natte omstandigheden. Verder is gekeken naar de robuustheid en duurzaamheid van de oplossing.
3.9.1
Principe 1
Klimaat – droogte Bij Principe 1 zal bij steeds droger wordende zomers de effectiviteit van de buffer verder verminderen. De inrichting biedt geen mogelijkheden om bij dit principe extra water aan te voeren. De score is daarom ‘-‘. Klimaat – extreem nat Indien de neerslag extremer wordt biedt de inrichting van de buffer extra ruimte voor het opvangen van extra hoeveelheden neerslag. Delen binnen de buffer die nu nog ‘land’ zijn, geven dan aanvullende ruimte voor waterberging. De score is ‘+’. Duurzaamheid Doordat er sprake is van een natuurlijk functionerend systeem en er geen kunstwerken die energie gebruiken worden toegepast is er sprake van een duurzaam systeem en scoort dit principe op duurzaamheid ‘+‘.
3.9.2
Principe 2
Klimaat - droogte Bij Principe 2 zal bij steeds droger wordende zomers meer water worden aangevoerd, hierdoor blijft de effectiviteit onverminderd. Voorwaarde is dat bij het ontwerp van het aanvoergemaal rekening wordt gehouden met klimaatscenario’s. Bij extreme droogte bestaat afhankelijk van de keuzes met betrekking tot waterverdeling de mogelijkheid dat er geen water beschikbaar is. De score is daarom ‘0/+’. Klimaat – extreem nat Indien de neerslag extremer wordt biedt de inrichting van de buffer extra ruimte voor het opvangen van extra hoeveelheden neerslag. Delen binnen de buffer die nu nog ‘land’ zijn, geven dan aanvullende ruimte voor waterberging. De score is daarom positief ‘+’. Duurzaamheid Om de waterbeheersing en het functioneren van de buffer mogelijk te maken en te houden zijn kunstwerken nodig die energie gebruiken. Dit geldt voor de wateraanvoer waarbij niet alleen water vanuit het Dommerskanaal moet worden opgepompt, maar feitelijk via meerdere opvoergemalen uit het IJsselmeer. Ter illustratie het IJsselmeer zomerpeil bevindt zich op circa -0,10 m+NAP en het beoogde zomerpeil in de Buffer op 16,5 m+NAP. Op dit onderdeel is de buffer minder duurzaam dan Principe 1. Onder invloed van klimaatverandering en meer droogte zal ook meer water moeten worden aangevoerd
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
42
Projectgerelateerd
dit betekent dat dit principe mogelijk steeds meer energie zal gaan gebruiken. De score voor duurzaamheid is daarom negatief ‘-‘.
3.9.3
Principe 3
Klimaat - Droogte Doordat bij Principe 3 in de winter water wordt opgeslagen is dit principe niet afhankelijk van droge zomers en beperkte waterbeschikbaarheid op dat moment. Wel dient op te worden gemerkt dat bij steeds droger wordende zomers meer water in de winter moeten worden opgeslagen. Dit vereist op termijn hogere peilen en daarmee ook hogere kaden. Mogelijk kan dit betekenen dat een groter deel van het water uit het Bargerveen dan niet meer kan worden opgevangen en dient te worden afgevoerd. Omdat het functioneren bij droge periodes mogelijk blijft, scoort dit principe ‘+’. Klimaat - Extreem nat Indien de neerslag extremer wordt biedt de inrichting van de buffer wat betreft wateroppervlak geen extra ruimte voor het opvangen van extra hoeveelheden neerslag en dient de opslag van water in de hoogte te worden gezocht. Daarbij wordt in de huidige situatie al een aanmerkelijk deel vanuit het Bargerveen afgevoerd in plaats van opgeslagen. Hier is wel verdere optimalisatie in mogelijk. Omdat de robuustheid met betrekking tot extreme neerslag beperkt is scoort dit principe ‘-‘. Duurzaamheid Bij Principe 3 is er ook sprake van kunstwerken die energie gebruiken. Er dient circa twee keer zoveel te worden verpompt dan bij Principe 2, maar het is wel uit de directe omgeving.
Het totale energieverbruik zal waarschijnlijk lager liggen ten opzichte van Principe 2 waarbij het water uiteindelijk vanaf het IJsselmeer tot aan de Buffer met circa 16 meter omhoog wordt gepompt (zie paragraaf 3.9.2). Het principe is minder duurzaam dan Principe 1. Vanwege het benodigde energieverbruik scoort dit principe ‘0/-‘.
3.9.4
Overzicht beoordeling klimaat Principe 1
Principe 2
Principe 3
Klimaat – Droogte
-
0/+
+
Klimaat – Extreem nat
+
+
-
Duurzaamheid
+
-
0/-
3.10
Bodem
Bij bodem wordt gekeken naar aanwezigheid van bekende verontreinigingen, bodemdaling en de grondbalans. Er is nog geen onderzoek gedaan naar bodemkwaliteit en de principes zijn niet onderscheidend ten opzichte van elkaar ten aanzien van het optreden van bodemdaling. De grondbalans is op basis van eerste verkennende berekeningen wel onderscheidend, maar sterk afhankelijk van keuzes met betrekking tot variabelen die de infiltratiecapaciteit en waterkwaliteit bepalen.
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
43
Projectgerelateerd
3.10.1 Principe 1 Grondbalans De grondbalans wordt bepaald door de mate van ontgraven en het toepassen van de vrijgekomen grond in kaden en land. In dit stadium zijn verkennende grondbalansberekeningen uitgevoerd om een gevoel te krijgen bij de grondbalans. Bij verdere uitwerking van het inrichtingsplan zal nader onderzoek naar type bodem, grondeigenschappen en toepasbaarheid in kaden en ophoging worden uitgevoerd. Voor de grondbalans gelden de volgende uitgangspunten: ◼ De delen die als land zijn aangemerkt in het landschappelijk ontwerp ligt minimaal 25 cm boven het maximaal waterpeil. ◼ De kaden worden aangelegd op circa 50 cm boven het maximaal waterpeil. ◼ Voor een goede infiltratiecapaciteit en waterkwaliteit wordt grond ontgraven. De diepte van ontgraven is te koppelen aan de aanwezigheid van de veenlaag in de ondergrond en de minimaal gewenste waterdiepte ten opzichte van het laagste peil. Met bovenstaande uitgangspunten is gevarieerd met de grondbalans. In tabel 3-4 staat de grondbalans weergegeven bij 0,5 m waterdiepte, 1 m waterdiepte (ten opzichte van minimaal peil) en bij het ontgraven van de toplaag die een wisselende diepte kent. De uiteindelijke keuze voor de ontgravingsdiepte zal in nauwe samenhang met de benodigde diepte vanuit waterkwaliteitsoogpunt worden bepaald.
Uit de analyse volgt dat bij een waterdiepte van iets meer dan 0,5 m beneden minimaal peil een gesloten grondbalans mogelijk is. De benodigde ontgraving is afhankelijk van de ontgravingsdiepte ca 700.000 tot 900.000 m3. Voor de ophoging van het land en de kaden is respectievelijk circa 792.000 m3 en 61.000 m3 noodzakelijk. Doordat hoge waterpeilen in de buffer worden gerealiseerd zal het ‘landdeel’ worden gerealiseerd door ophoging van land. Figuur 3-22 geeft ter illustratie het maaiveldsniveau weer en in figuur 3-23 staat de benodigde ophoging en ontgraving bij een minimale waterdiepte van 1 m ten opzichte van het minimumpeil. Tabel 0-4 Verkenning grondbalans bij verschillende ontgravingsdieptes Principe 1 en 2
0,5 m – minimaal waterpeil
Afgraven water Afgraven
1,0 m – minimaal waterpeil
Verwijderen toplaag
-717.000
-1.298.000
-984.000
Ophogen kaden
61.000
61.000
61.000
Ophogen land
792.000
792.000
792.000
Aanvoeren (positief)/Afvoeren (negatief)
136.000
-445.000
-131.000
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
44
Projectgerelateerd
Figuur 0-22 Indicatieve aanleghoogtes en ontgravingsniveau in NAP bij 1,0 m- minimale waterdiepte Principe 1
Figuur 0-23 Ontgravingsdiepte en ophoging (m) bij 1 m-minimale waterdiepte Principe 1
Uit eerste grondbalansberekeningen volgt dat bij Principe 1 afhankelijk van de ontgravingsdiepte circa 700.000 tot 1,3 miljoen m3 grond wordt ontgraven. Afhankelijk van de ontgravingsdiepte en keuzes die worden gemaakt is afvoer van grond noodzakelijk of kan met een gesloten grondbalans worden gewerkt. Een gesloten grondbalans wordt als neutraal beoordeeld en afvoeren als negatief. Omdat de definitieve grondbalans nog niet duidelijk is wordt dit beoordeeld als ‘0/-‘.
3.10.2 Principe 2 Grondbalans Principe 2 verschilt niet van Principe 1. Uit eerste grondbalansberekeningen (zie tabel 3-4) volgt dat bij Principe 2 afhankelijk van de ontgravingsdiepte circa 700.000 tot 1,3 miljoen m3 grond wordt ontgraven. Afhankelijk van de ontgravingsdiepte en keuzes die worden gemaakt is afvoer van grond noodzakelijk of kan met een gesloten grondbalans worden gewerkt. Een gesloten grondbalans wordt als neutraal beoordeeld en afvoeren als negatief. Omdat de definitieve grondbalans nog niet duidelijk is wordt dit beoordeeld als ‘0/-‘.
3.10.3 Principe 3 Grondbalans In tabel 3-5 staat voor Principe 3 de grondbalans weergegeven bij 0,5 m waterdiepte, 1 m waterdiepte ten opzichte van het minimumpeil en bij het ontgraven van de toplaag die een wisselende diepte kent. De 26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
45
Projectgerelateerd
uiteindelijke keuze voor de ontgravingsdiepte zal in het vervolgtraject in nauwe samenhang met de benodigde diepte vanuit waterkwaliteitsoogpunt worden bepaald. Uit de verkenning volgt dat het verschil in totale afgraving ten opzichte van het minimale waterpeil tussen Principe 1,2 en Principe 3 niet groot is. Bij Principe 3 is het oppervlak te ontgraven weliswaar groter, maar doordat het minimumpeil van Principe 3 hoger is (zie figuren 3-3, 3-7 en 3-12 met optredende waterpeilen) hoeft er minder diep te worden ontgraven. Bij het verwijderen van de bovenste laag is het verschil juist wel groot tussen Principe 1, 2 en Principe 3. Uit de analyse volgt dat bij een waterdiepte van circa 0,5 m beneden minimaal peil een gesloten grondbalans mogelijk is. De benodigde ontgraving is afhankelijk van de ontgravingsdiepte ca 740.000 tot 1.480.000 m3. Voor de ophoging van het land en de kaden is respectievelijk circa 630.000 m3 en 77.000 m3 noodzakelijk. Doordat hoge waterpeilen in de buffer worden gerealiseerd zal het ‘landdeel’ worden gerealiseerd door ophoging van land. Figuur 3-24 geeft ter illustratie het maaiveldsniveau weer en in figuur 3-25 staat de benodigde ophoging en ontgraving bij een minimaal waterdiepte van 1 m. Tabel 0-5 Verkenning grondbalans bij verschillende ontgravingsdieptes Principe 3
0,5 m – minimaal waterpeil
Afgraven water Afgraven
1,0 m – minimaal waterpeil
Verwijderen toplaag
-741.000
-1.481.000
-1.445.000
Ophogen kaden
77.000
77.000
77.000
Ophogen land
634.000
634.000
634.000
Aanvoeren (positief)/Afvoeren (negatief)
-30.000
-770.000
-734.000
Figuur 0-24 Indicatieve aanleghoogtes en ontgravingsniveau in NAP bij 1,0 m- minimale waterdiepte Principe 3
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
46
Projectgerelateerd
Figuur 0-25 Ontgravingsdiepte en ophoging (m) bij 1 m-minimale waterdiepte Principe 3
Bij Principe 3 wordt meer grond ontgraven vanwege het grotere oppervlak aan water. Uit eerste grondbalansberekeningen volgt dat bij Principe 3 afhankelijk van de ontgravingsdiepte circa 740.000 tot 1,5 miljoen m3 grond wordt ontgraven. Afhankelijk van de ontgravingsdiepte en keuzes die worden gemaakt is afvoer van grond noodzakelijk of kan met een gesloten grondbalans worden gewerkt. Een gesloten grondbalans wordt als neutraal beoordeeld en afvoeren als negatief. Omdat de definitieve grondbalans nog niet duidelijk is wordt dit beoordeeld als ‘0/-‘.
3.10.4 Overzicht beoordeling bodem
Bodem - grondbalans
26 april 2018
Principe 1
Principe 2
Principe 3
0/-
0/-
0/-
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
47
Projectgerelateerd
3.11
Samenvatting van de effectbeoordeling Principe 1
Principe 2
Principe 3
Water- waterkwaliteit
+
0
-
Natuur- Effect stijghoogte Natura 2000
0/+
++
++
Natuur - Effect stikstofdepositie Natura 2000
-
-
-
Natuur - Ruimte voor ontwikkeling NNN
++
++
+
LandbouwRuimtebeslag
-
-
-
LandbouwGebruikswaarde
+
+
-
LandbouwOntsluiting
0
0
0
Bebouwing
0
-*
-*
LandschapLandschappelijke waarden
+
+
-
Effect kaden
-
-
--
Cultuurhistorische waarden en archeologie
-
-
--
Recreatief (mede)gebruik en ontsluiting Bargerveen
++
++
+
Bodem - grondbalans
0/-
0/-
0/-
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
48
Projectgerelateerd
Principe 1
Principe 2
Principe 3
Klimaat - Droogte
-
0/+
+
Klimaat – Extreem nat
+
+
-
Duurzaamheid
+
-
0/-
*effect wordt nog nader beoordeeld en uitgewerkt
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
49
Projectgerelateerd
Kostenraming Voor de 3 principes zijn op basis van kentallen kostenramingen opgesteld. In bijlage 3 staan de kostenramingen weergegeven. Voor de kostenraming is een eenvoudige levensduurraming opgesteld om inzicht te verkrijgen in de invloed van de jaarlijkse kosten voor beheer en onderhoud van aanvoergemalen en de kosten voor wateraanvoer in de zomer ten opzichte van de investeringskosten voor aanleg. Een belangrijk aandeel in de kostenraming is het benodigde grondverzet. Daarnaast verschillen de principes in benodigde aanvoergemalen ten opzichte van elkaar. In tabel 4.1 staat dit weergegeven. Verder geldt dat op het moment dat er in de zomer aanvoer van water plaats hier ook kosten voor worden gerekend. Tabel 4-1
Uitgangspunten principes Principe 1
Principe 2
Principe 3
Ontgraven
1.298.000
1.298.000
1.481.000
Ophogen kade
61.000
61.000
77.000
Ophogen land
792.000
792.000
634.000
Aanvoer gemaal zomer
N.v.t.
7 m3/min
N.v.t.
Aanpassen gemaal Dommerskanaal
N.v.t.
27 m3/min
N.v.t.
Aanvoer gemaal winter
N.v.t.
N.v.t.
6 m3/min
De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: ◼ Jaarlijkse vaste en variabele kosten wateraanvoer bij wateraanvoer behoefte van 800.000 m3 bedraagt € 14.000 (opgave Waterschap Vechtstromen). ◼ Wateraanvoerbehoefte bij Principe 2 bedraagt 800.000 m3. ◼ Ontgraven tot circa 1 m beneden het laagst optredende peil zie ook figuur 3-23 en 3-25. ◼ Jaarlijkse beheer- en onderhoudskosten gemaal (5- 25 m3/jaar): € 6000 / jaar. ◼ Voor alle varianten is het verleggen van W8 van toepassing, de kosten voor de aanleg van de watergangen zijn niet meegenomen. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten en de belangrijkste onderscheidende kenmerken van de principes zoals weergegeven in tabel 4-2 volgt dat de inrichtingskosten inclusief levensduurkosten het hoogst zijn voor Principe 3 namelijk circa 18,7 miljoen euro (excl. BTW). Voor Principe 1 en 2 bedraagt dit respectievelijk 16 en 17,2 miljoen euro (excl. BTW). Het verschil in kosten zit vooral in de aanname ten aanzien van het benodigd grondverzet. Het verschil tussen Principe 1 en 2 betreft de kosten voor aanvoer van water, namelijk het aanpassen van Dommerskanaal en het realiseren van een aanvoergemaal ter plaatse van de buffer. Hierdoor zijn de investeringskosten van Principe 2 circa 600.000 hoger.
Daarnaast zijn de levensduurkosten vanwege de jaarlijkse wateraanvoerkosten en het onderhoud van het gemaal over een periode van 30 jaar ook circa 600.000 euro hoger.
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
50
Projectgerelateerd
Tabel 4-2
Overzicht kosten per principe Principe 1
Principe 2
Principe 3
Klinkkade Noordzijde, Verplaatsen Stheemanstraat
€ 2.345.000
€ 2.345.000
€ 2.345.000
Grond ontgraven
€ 1.514.000
€ 1.514.000
€ 1.696.000
Grond verwerken in ophoging en kaden
€ 2.529.000
€ 2.529.000
€ 2.138.000
Afvoeren grond
€ 2.180.000
€ 2.180.000
€ 3.638.000
Kunstwerken waterbeheersing
€ 376.000
€ 706.000
€ 481.000
Benoemde direct bouwkosten
€ 8.944.000
€ 9.274.000
€ 10.298.000
Nader te detailleren
€ 2.236.000
€ 2.318.000
€ 2.575.000
Algemene kosten/winst + risico
€ 1.710.000
€ 1.774.000
€ 1.970.000
Engineering en overige bijkomende kosten
€ 3.158.000
€ 3.275.000
€ 3.636.000
Investeringskosten exclusief BTW
€ 16.048.000
€ 16.641.000
€ 18.479.000
Beheer en onderhoudskosten over 30 jaar -
Gemaal buffer (€ 6.000/jaar)
€-
€ 180.000
€ 180.000
-
Kosten wateraanvoer (€ 14.000/jaar)
€-
€ 420.000
€-
€ 16.048.000
€ 17.241.000
€ 18.659.000
Totale kosten over 30 jaar (excl. BTW)
Zoals in tabel 4-2 te zien is, wordt een groot deel van de kosten bepaald door het benodigde grondverzet. Indien minder diep grond wordt ontgraven, nemen de totale kostenposten af en zijn de verschillen tussen de 3 principes kleiner. Bijvoorbeeld bij een ontgraving op basis van 0,5 m beneden minimum waterpeil in plaats van de nu gehanteerde 1 m minus minimum waterpeil nemen de investeringskosten af met circa 6 miljoen euro (zie tabel 4-3). Indien dan naar levensduur wordt gekeken is Principe 3 zelfs goedkoper dan Principe 2. De vraag is echter of deze ontgravingsdiepte verantwoord is in verband met infiltratiecapaciteit en waterkwaliteit. Tabel 4-3
Overzicht kosten per principe bij minder diep ontgraven (0,5 m beneden minimum peil) Principe 1
Investeringskosten exclusief BTW
Principe 2
Principe 3
€ 10.834.000
€ 11.426.000
€ 11.175.000
Beheer en onderhoudskosten over 30 jaar -
Gemaal buffer (€ 6.000/jaar)
€-
€ 180.000
€ 180.000
-
Kosten wateraanvoer (€ 14.000/jaar)
€-
€ 420.000
€-
€ 10.834.000
€ 12.026.000
€ 11.355.000
Totale kosten over 30 jaar (excl. BTW)
Wateraanvoer in zuidelijk landbouw gebied Bij bovenstaande uitgangspunten is uitgegaan van voldoende beschikbaarheid van water in de buffer zone (Principe 2 en 3) en geen rekening gehouden met wateraanvoer naar het zuidelijk gelegen landbouwgebied. Hiervoor is een gemaalcapaciteit van circa 6 m3/min noodzakelijk. Indien dit gewenst is dan geldt voor Principe 2 dat de gemaalcapaciteit van het Dommerskanaal vergroot dient te worden naar ca 33 m3/min en het aanvoergemaal in de zomer een capaciteit van ca 13 m3/min nodig heeft. Voor Principe 3 geldt dat een extra hoogte van de kaden van ca 0,3 m noodzakelijk is. De uitgangspunten die dan gelden staan in onderstaande tabel opgegeven. In tabel 4-5 staan de kosten weergegeven indien ook wateraanvoer voor de landbouw wordt gerealiseerd. De extra kosten zitten vooral in Principe 2, door de 26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
51
Projectgerelateerd
grotere benodigde gemaalcapaciteit. De kosten voor Principe 3 blijven vrijwel gelijk doordat minder grond hoeft te worden afgevoerd. Tabel 4-4
Uitgangspunten en totale kostenindien wateraanvoer naar zuidelijk landbouwgebied Principe 1
Principe 2
Principe 3
Ontgraven
1.298.000
1.298.000
1.481.000
Ophogen kade
61.000
61.000
90.000
Ophogen land
792.000
792.000
634.000
Aanvoer gemaal zomer
N.v.t.
13 m3/min
N.v.t.
Aanpassen gemaal Dommerskanaal
26 m3/min
33 m3/min
N.v.t.
Aanvoer gemaal winter
N.v.t.
N.v.t.
6 m3/min
Tabel 4-5
Totale kosten indien wateraanvoer naar zuidelijk landbouwgebied Principe 1
Investeringskosten exclusief BTW
Principe 2
Principe 3
€ 16.048.000
€ 16.842.000
€ 18.441.000
Beheer en onderhoudskosten over 30 jaar -
Gemaal buffer + landbouw (€ 6.000/jaar)
€-
€ 180.000
€ 180.000
-
Kosten wateraanvoer (€ 14.000/jaar)
€-
€ 480.000
€-
€ 16.048.000
€ 17.502.000
€ 18.621.000
Totale kosten over 30 jaar (excl. BTW)
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
52
Projectgerelateerd
Conclusies Natuur De inrichting van de buffer draagt bij de drie principes bij aan de N2000-doelstellingen, maar verschillen sterk in effectiviteit. Principes 2 en 3 zijn vier tot vijf keer effectiever dan Principe 1 als het gaat om de toename van oppervlak stijghoogte in de veenbasis. Principe 3 is op dit punt 20% effectiever dan Principe 2. Principe 2 en 3 leiden tot een stijging van de stijghoogte onder de veenbasis over een oppervlak van ca 800 ha, waardoor wegzijging naar ondergrond minder wordt. Bij Principe 1 is dit circa de helft namelijk 450 ha. Tabel 0-1: Effect op stijghoogte ten opzichte van veenbasis per principe
Toename stijghoogte in Verhoging stijghoogte veenbasis (ha) in veenbasis (ha)
Stijging stijghoogte onder veenbasis (ha)
Principe 1
19
41
453
Principe 2
81
125
810
Principe 3
98
175
850
Ten aanzien van Natuur Netwerk Nederland (NNN) biedt de buffer bij inrichting conform Principe 1 en 2 meer mogelijkheden dan Principe 3. Water en klimaat Bij Principe 1 is er geen wateraanvoer. Bij Principe 2 wordt 500.000 tot 900.000 m3 in de zomer aangevoerd om het westelijk deel van de buffer op peil te houden en daarmee infiltratie naar de ondergrond te bevorderen. Bij Principe 3 is dit 800.000 – 1.000.000 m3 in de winter. Er zijn een aantal handvaten om de hoeveelheid wateraanvoer en conservering bij Principe 2 en 3 te verminderen met een ordegrootte van 550.000 m3. Daarbij dient op te worden gemerkt dat voor een aantal mogelijkheden geldt dat een besparing op de wateraanvoerbehoefte kan leiden tot een groter kans op grondwateroverlast (hoger winterpeil waardoor minder afvoer) of minder effectiviteit van de buffer voor natuur (lager zomerpeil). Ondanks de besparingsmogelijkheden zal altijd wateraanvoer noodzakelijk zijn om het westelijk deel van de buffer in de zomer op een peil van circa 16,5 m+NAP te houden. De waterkwaliteit van het water in de buffer zal bij Principe 1 naar verwachting goed worden. Bij Principe 2 en 3 is er sprake van toevoer van water van nutriëntrijk water vanuit het aanliggende landbouw gebied. Hierdoor bestaat er een risico op troebel algenrijk water.
Dit risico wordt groter naarmate het aandeel water uit de omgeving groter wordt zoals bij Principe 3. Nader onderzoek moet uitwijzen of dit ook daadwerkelijk optreedt en welke maatregelen getroffen moeten worden. Principe 2 biedt de beste mogelijkheden om klimaatsveranderingen op te vangen door de extra bergingsruimte die kan worden benut bij toenemende neerslagextremen. Grotere droogtes kunnen worden opgevangen door extra water aan te voeren, waarbij dient op te worden gemerkt dat wateraanvoer vanwege het meerdere malen oppompen niet duurzaam is. Bij Principe 3 geldt dat bij de huidige inrichting een groot deel van het water vanuit het Bargerveen niet kan worden vastgehouden en rechtstreeks wordt afgevoerd omdat beschikbare berging maximaal wordt benut in de winter. Dit principe is daarmee minder klimaatrobuust bij natte omstandigheden, maar is juist wel minder afhankelijk van droge omstandigheden. Effecten op landbouw en bebouwing Doordat de buffer gelijktijdig wordt gerealiseerd met het instellen van de GGOR peilen in het landbouwgebied treedt hier geen vernatting op. De GGOR peilen zorgen voor een verlaging van de
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
53
Projectgerelateerd
grondwaterstanden in het landbouw gebied. Principe 1 en 2 bieden vanuit het oogpunt van medegebruik meer perspectief voor de landbouw. Dit zal dan vooral gaan om extensieve landbouw bijvoorbeeld hooilandbeheer en nabeweiding, als onderdeel van het beheer voor NNN doelstellingen. De GGOR peilen zorgen er ook voor dat er geen effecten optreden in Nieuw-Schoonebeek. Bij Principe 2 en 3 treedt ter plaatse van Zuidersloot circa 5 cm grondwaterstandsverhoging op, waardoor hier een verslechtering optreedt. Onduidelijk is nog of de grondwaterstand zich binnen een kritische waarde bevindt. Afhankelijk van de diepte van de grondwaterstand gelden hier de volgende opties: ◼ Verhoging van de grondwaterstand accepteren indien voldoende diepe grondwaterstand ◼ Drainerende maatregelen ter plaatse van Zuidersloot. ◼ Aanpassing peilen in Buffer-Zuid met minder ecologische effectiviteit tot gevolg. Landschap, medegebruik en recreatie Bij Principe 1 en 2 is sprake van een deel land vooral in het oostelijk deel van de buffer. Dit biedt mogelijkheden voor medegebruik en recreatie. Vanuit landschappelijk en cultuurhistorie worden bij Principe 2 kansen gezien voor versterking van deze waarde. Principe 3 waar sprake is van 90% oppervlaktewater zijn deze kansen veel minder aanwezig. Principe 3 biedt geen tot zeer beperkte mogelijkheden voor medegebruik.
De recreatiemogelijkheden zijn in dit geval vooral op oppervlaktewater gericht of fietsen en wandelen om de buffer in plaats van in de buffer. Grondbalans De grondbalans is sterk afhankelijk van keuzes ten aanzien van waterdiepte en het vergraven van de nutriëntrijke ondiepe bodem en slechter doorlatende ondergrond. De grondbalans zal daarmee een afweging worden tussen waterkwaliteit, infiltratiecapaciteit en de mogelijkheid om de grondbalans zoveel mogelijk sluitend te maken en daarmee de kosten te verminderen. In alle gevallen is bij de huidige voorgestelde oppervlaktewaterpeilen sprake van ophoging om droge delen te creëren. Kosten De investeringskosten van € 16 miljoen en € 16,6 miljoen voor respectievelijk Principe 1 en 2 zijn vergelijkbaar. Om wateraanvoer mogelijk te maken is een extra investering van circa € 600.000 noodzakelijk op een totaal bedrag van € 16,6 miljoen. De buffer verandert daarmee van beperkt effectief naar vier keer effectiever. De levensduurkosten voor wateraanvoer (ca € 14.000 /jaar) en beheer van gemalen bedragen € 600.000 over een periode van 30 jaar en vormen daarmee een klein aandeel in de totale levensduurkosten van circa € 17,2 miljoen (excl. BTW) voor Principe 2. Bij Principe 3 is er geen sprake van wateraanvoer in de zomer maar moet meer grond worden verzet. Het verschil tussen Principe 2 en 3 bedraagt op investeringskosten circa € 2 miljoen.
De besparing op wateraanvoerkosten in de zomer bedraagt circa € 400.000, waardoor Principe 3 over een levensduur periode van 30 jaar € 1,6 miljoen duurder is. De kosten zijn zeer sterk afhankelijk van de grondbalans en de keuzes met betrekking tot ontgravingsdiepte. Ter illustratie indien er voor wordt gekozen om circa 0,5 m minder diep te ontgraven scheelt dit voor alle principes circa 6 miljoen euro en komen de verschillen dichter bij elkaar te liggen. .
26 april 2018
PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID
WATBE3102101100R004F01WM
54
Bijlage 1. Landschappelijke beelden principes
Bijlage 2. Berekeningsresultaten Principe 1, 2 en 3
Begrenzing N2000 Bargerveen
Verandering GHG (m)
<-1 (Droger) -1.0 - -0.75 -0.75 - -0.5 -0.5 - -0.25 -0.25 - -0.1 -0.1 - -0.05 -0.05 - 0.05 0.05 - 0.1 0.1 - 0.25 0.25 - 0.5 0.5 - 0.75 0.75 - 1.0 1.0 - 1.25 1.25 - 1.5 1.5 - 1.75 1.75 - 2.0 >2.0 (Natter)
0
500
Meters 1,000
Titel Verschil Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand tussen inrichting buffer (principe 2) en autonoom. Project
BE3102: Buffer Zuid Bargerveen Opdrachtgever Prolander Datum
Schaal
26/03/2018
1:30000
Figuur
Gecontroleerd door
Volgnummer
MvH
1
Pad: C:\Users\904234\Box Sync\BE3102 Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek\BE3102 Team Buffer Zuid\BE3102 Technical Data\GIS\MXD\Resultaten\2_Resultaten_03SCEN1_Verschil_GHG-v2.mxd
±
Grens Buffer Zuid
(m)
<-1 (Droger) -1.0 - -0.75 -0.75 - -0.5 -0.5 - -0.25 -0.25 - -0.1 -0.1 - -0.05 -0.05 - 0.05 0.05 - 0.1 0.1 - 0.25 0.25 - 0.5 0.5 - 0.75 0.75 - 1.0 1.0 - 1.25 1.25 - 1.5 1.5 - 1.75 1.75 - 2.0 >2.0 (Natter) Grens Buffer Zuid Begrenzing N2000 Bargerveen
0
500
Meters 1,000
Titel
Principe 1 Verandering Gemiddelde Laagste Stijghoogte laag 2, tussen veen en keileem, t.o.v. Autonome ontwikkeling Wateraanvoer in het GGOR gebied landbouw Project
BE3102: Buffer Zuid Bargerveen Opdrachtgever Prolander Datum
Schaal
05/04/2018
1:30000
Figuur
Gecontroleerd door
Volgnummer
MvH
1
Pad: C:\Users\904234\Box Sync\BE3102 Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek\BE3102 Team Buffer Zuid\BE3102 Technical Data\GIS\MXD\Resultaten\2_Resultaten_04SCEN2_Verschil_GLG_L2 - principe 1.mxd
±
Verandering GLG - laag 2
(m)
<-1 (Droger) -1.0 - -0.75 -0.75 - -0.5 -0.5 - -0.25 -0.25 - -0.1 -0.1 - -0.05 -0.05 - 0.05 0.05 - 0.1 0.1 - 0.25 0.25 - 0.5 0.5 - 0.75 0.75 - 1.0 1.0 - 1.25 1.25 - 1.5 1.5 - 1.75 1.75 - 2.0 >2.0 (Natter) Grens Buffer Zuid Begrenzing N2000 Bargerveen
0
500
Meters 1,000
Titel Principe 2 Verandering Gemiddelde Laagste Stijghoogte laag 2, tussen veen en keileem, to.v. Autonome ontwikkeling. Wateraanvoer in het GGOR-gebied landbouw Project
BE3102: Buffer Zuid Bargerveen Opdrachtgever Prolander Datum
Schaal
12/02/2018
1:30000
Figuur
Gecontroleerd door
Volgnummer
MvH
1
Pad: C:\Users\904234\Box Sync\BE3102 Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek\BE3102 Team Buffer Zuid\BE3102 Technical Data\GIS\MXD\Resultaten\2_Resultaten_grad_2B_Verschil_GLG_L2 - principe 2.mxd
±
Verandering GLG - laag 2
(m)
<-1 (Droger) -1.0 - -0.75 -0.75 - -0.5 -0.5 - -0.25 -0.25 - -0.1 -0.1 - -0.05 -0.05 - 0.05 0.05 - 0.1 0.1 - 0.25 0.25 - 0.5 0.5 - 0.75 0.75 - 1.0 1.0 - 1.25 1.25 - 1.5 1.5 - 1.75 1.75 - 2.0 >2.0 (Natter) Grens Buffer Zuid Begrenzing N2000 Bargerveen
0
500
Meters 1,000
Titel Principe 3 Verandering Gemiddelde Laagste Stijghoogte laag 2, tussen veen en keileem, t.o.v. Autonome ontwikkeling. Wateraanvoer in het GGOR-gebied landbouw Project
BE3102: Buffer Zuid Bargerveen Opdrachtgever Prolander Datum
Schaal
19/01/2018
1:30000
Figuur
Gecontroleerd door
Volgnummer
MvH
1
Pad: C:\Users\904234\Box Sync\BE3102 Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek\BE3102 Team Buffer Zuid\BE3102 Technical Data\GIS\MXD\Resultaten\2_Resultaten_WC_2B_Verschil_GLG_L2 - Principe 3.mxd
±
Verandering GLG - laag 2
(m)
0.05 - 0.25 0.25 - 0.5 0.5 - 10
Verhoging stijghoogte in de veenbasis (m)
afname 0.05 - 0.25 0.25 - 0.50 > 0.50
Stijging stijghoogte onder de veenbasis (m)
afname 0.05 - 0.25 0.25 - 0.50 > 0.50 Grens Buffer Zuid Begrenzing N2000 Bargerveen
0
500
Meters 1,000
Titel Principe 1 Verandering stijghoogte in veenbasis t.o.v. Autonome ontwikkeling (GLG-situatie) Project
BE3102: Buffer Zuid Bargerveen Opdrachtgever Prolander Datum
Schaal
05/04/2018
1:30000
Figuur
Gecontroleerd door
Volgnummer
MvH
1
Pad: C:\Users\904234\Box Sync\BE3102 Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek\BE3102 Team Buffer Zuid\BE3102 Technical Data\GIS\MXD\Resultaten\2_Resultaten_04SCEN2_verandering_stijghoogte_L2_in_veenbasis_GLG - principe 1.mxd
±
Toename stijghoogte tot in veenbasis
(m)
0.05 - 0.25 0.25 - 0.5 0.5 - 10
Verhoging stijghoogte in de veenbasis (m)
afname 0.05 - 0.25 0.25 - 0.50 > 0.50
Stijging stijghoogte onder de veenbasis (m)
afname 0.05 - 0.25 0.25 - 0.50 > 0.50 Grens Buffer Zuid Begrenzing N2000 Bargerveen
0
500
Meters 1,000
Titel Principe 2 Verandering stijghoogte in veenbasis t.o.v. Autonome ontwikkeling (GLG-situatie) Project
BE3102: Buffer Zuid Bargerveen Opdrachtgever Prolander Datum
Schaal
05/04/2018
1:30000
Figuur
Gecontroleerd door
Volgnummer
MvH
1
Pad: C:\Users\904234\Box Sync\BE3102 Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek\BE3102 Team Buffer Zuid\BE3102 Technical Data\GIS\MXD\Resultaten\2_Resultaten_03SCEN1_verandering_stijghoogte_L2_in_veenbasis_GLG - principe 2.mxd
±
Toename stijghoogte tot in veenbasis
(m)
0.05 - 0.25 0.25 - 0.5 0.5 - 10
Verhoging stijghoogte in de veenbasis (m)
afname 0.05 - 0.25 0.25 - 0.50 > 0.50
Stijging stijghoogte onder de veenbasis (m)
afname 0.05 - 0.25 0.25 - 0.50 > 0.50 Grens Buffer Zuid Begrenzing N2000 Bargerveen
0
500
Meters 1,000
Titel Principe 3 Verandering stijghoogte in veenbasis t.o.v. Autonome ontwikkeling (GLG-situatie) Project
BE3102: Buffer Zuid Bargerveen Opdrachtgever Prolander Datum
Schaal
05/04/2018
1:30000
Figuur
Gecontroleerd door
Volgnummer
MvH
1
Pad: C:\Users\904234\Box Sync\BE3102 Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek\BE3102 Team Buffer Zuid\BE3102 Technical Data\GIS\MXD\Resultaten\2_Resultaten_WC_2B_verandering_stijghoogte_L2_in_veenbasis_GLG - principe 3.mxd
±
Toename stijghoogte tot in veenbasis
Bijlage 3. Kostenramingen
Project: Bargerveen, Buffer zuid - Projectnr: BE3102-101-101 Versie raming: C1 - Status: Concept
-
Opdr.gever: Prolander
Prijspeil raming: Datum raming:
01-06-17 26-01-18
Principe 1 - (ontgraven 1 m - minimum peil)
Code
Omschrijving post
Hoeveelheid
Eenheid
Prijs
Totaal
Investeringskosten: 1,00 1,01 1,02
Niet variabele benoemde bouwkosten (volgens SSK-raming mei 2012) Benoemde directe bouwkosten - 1 - klinkkade Benoemde directe bouwkosten - 5 - omvormen best. Stheemanstraat tot fietspad / beheerspad
1,03
Benoemde directe bouwkosten - 4- aanleg nieuwe Stheemanstraat Totaal niet variabele benoemde bouwkosten (volgens ssk-raming mei 2012)
2,00 2,01 2,02 2,03 2,04 2,05 2,06 2,07 2,08
Niet variabele benoemde bouwkosten Bufferzone oost & west Bufferzone oost - grond ontgraven uit toek. Kade tot aan bestaand zandpakket peilvak west Bufferzone oost - grond ontgraven uit toek. Kade tot aan bestaand zandpakket peilvak oost Bufferzone oost - rijplaten in m3 grondverzet Bufferzone oost - leveren en aanbrengen stuwen Bufferzone west - grond ontgraven uit watergang zuidzijde bufferzone Bufferzone west - grond ontgraven uit toek. Kade tot aan bestaand zandpakket Bufferzone west - rijplaten in m3 grondverzet Bufferzone west - leveren en aanbrengen stuwen Totaal niet variabele benoemde bouwkosten bufferzone oost & west
3,00 3,01 3,02 3,03 3,04 3,05 3,06 3,07 3,08 3,09 3,10
Variabele bouwkosten Bufferzone oost & west Grond ontgraven uit buffer vak A Grond ontgraven uit buffer vak B+C Grond ontgraven uit buffer vak D Grond ontgraven uit buffer vak E Vervoeren grond, transportafstand 2 km. enkele reis Grond verwerken in kaden + land vak A Grond verwerken in kaden + land vak B+C Grond verwerken in kaden + land vak D Grond verwerken in kaden + land vak E Extra grond vervoeren, ontgraven volgens post 2.01, 2.02, 2.05 en 2.06, transportafstand 2 km.
3,11 3,12
Extra grond verwerken in kaden, ontgraven volgens 2,01, 2,02 en 2.06 Afvoeren overtollige grond Totaal variabele bouwkosten bufferzone oost & west Totaal ontgraven Totaal vervoeren + afvoeren Totaal verwerken + reeds afgevoerd
4,00 4,01 4,02 4,03 4,04 4,05 4,06 4,07 4,08 4,09 4,10 4,11
Wateraanvoer bufferzone en lb-gebied, deels niet variabel, deels variabel Aanpassen gemaal Dommerskanaal, gerekend met 7500,- per m3/min Verruimen watergang t.b.v. wateraanvoer bufferzone Leveren en aanbrengen duikers 1500, lang 10,00 m. in bestaande watergang Plaatsen nieuw gemaal, gerekend met 15000,- per m3/min Grond verwerken in kade Grond ontgraven uit watergang noordzijde nieuwe weg Leveren en aanbrengen duikers Ø500, lang 10,00 m. Leveren en aanbrengen inlaten bufferzone west Leveren en aanrengen inlaten bufferzone oost Leveren en aanbrengen onderleider Afvoeren overtollige grond Totaal wateraanvoer bufferzone en lb-gebied, deels niet variabel, deels variabel
Pagina 1 van 2
613.760 770.570
euro euro
€ €
1,00 1,00
€ €
613.760 770.570
960.976
euro
€ €
1,00 2.345.306
€
960.976
22.386 32.781 55.167 2 6.182 32.340 38.522 2
m3 m3 m3 st m3 m3 m3 st
€ € € € € € € € €
1,40 1,40 0,25 15.000,00 1,40 1,40 0,25 15.000,00 214.587
€ € € € € € € €
31.340 45.893 13.792 30.000 8.655 45.276 9.631 30.000
318.000 201.000 275.000 505.000 814.478 128.000 138.000 267.000 320.000 126.029
m3 m3 m3 m3 m3 m3 m3 m3 m3 m3
€ € € € € € € € € €
1,00 1,00 1,00 1,00 1,50 1,25 1,25 1,25 1,25 1,50
€ € € € € € € € € €
318.000 201.000 275.000 505.000 1.221.717 160.000 172.500 333.750 400.000 131.261
87.507 484.522
m3 m3
€ € €
1,25 4,50 6.007.960
€ €
109.384 2.180.349
1.425.029 1.425.029 1.425.029
m3 m3 m3
€ € € € € € € € € € € €
7.500,00 2,58 6.643,50 15.000,00 2,28 1,40 1.308,10 15.000,00 15.000,00 500,00 4,50 375.847
€ € € € € € € € € € €
9.732 166.088 19.130 28.197 7.849 30.000 15.000 30.000 69.852
3.772 25 8.390 20.141 6 2 1 60 15.523
m3/min m3 st m3/min m3 m3 st st st m m3
Pr1_Ontgr 1m-minpeil SSk-raming Principe123
Project: Bargerveen, Buffer zuid - Projectnr: BE3102-101-101 Versie raming: C1 - Status: Concept