CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.21 Bijlagen bij toelichting Principeafweging inrichting Buffer Zuid

Commissie Wonen en Ruimte 12 april 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Buffer zuid’, ‘MER Buffer zuid’ en ‘beeldkwaliteitsplan Buffer Zuid’ (voorstel: bespreken in combinatie met agendapunt 7C) (80708-2023)22.078 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORT Principe afweging inrichting Buffer Zuid

Klant:

Prolander

Referentie: WATBE3102101100R004F01WM Versie:

0.4/Finale versie

Datum:

26 april 2018

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Postbus 8064 9702 KB Groningen Netherlands Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 53 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Principe afweging inrichting Buffer Zuid Ondertitel: Principe afweging waterbeheer inrichting Buffer Zuid Referentie: WATBE3102101100R004F01WM Versie: 0.4/Finale versie Datum: 26 april 2018 Projectnaam: Inrichting Bargerveen Buffer Zuid Nieuw Schoonebeek Projectnummer: BE3102-101-100

Classificatie Projectgerelateerd

Disclaimer No part of these specifications/printed matter may be reproduced and/or published by print, photocopy, microfilm or by any other means, without the prior written permission of HaskoningDHV Nederland B.V.; nor may they be used, without such permission, for any purposes other than that for which they were produced. HaskoningDHV Nederland B.V. accepts no responsibility or liability for these specifications/printed matter to any party other than the persons by whom it was commissioned and as concluded under that Appointment. The integrated QHSE management system of HaskoningDHV Nederland B.V. has been certified in accordance with ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 and OHSAS 18001:2007. 26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Doelstelling buffer

1

1.2

Van alternatieven via principe afweging naar voorkeursalternatief

2

2

Principes voor het waterbeheer

3

2.1

Huidige situatie maaiveldhoogte en waterhuishouding

3

2.2

Verkenning toekomstige waterpeilen buffer

5

2.3

Principe-inrichting waterpeilen

7

2.4

Waterbeheer principes

7

2.5

Landschappelijk ontwerp op hoofdlijnen

10

3

Effecten hoofdprincipes

12

3.1

Algemeen

12

3.2

Water

12

3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling water

13 16 22 26

3.3

Natuur

26

3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling natuur

26 27 29 30

3.4

Landbouw

30

3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling landbouw

30 31 31 32

3.5

Bebouwing

32

3.5.1 3.5.2 3.5.3 3.5.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling bebouwing

32 32 36 36

3.6

Landschap en leefbaarheid

36

3.6.1 3.6.2 3.6.3 3.6.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling landschap en leefbaarheid

37 38 38 39

3.7

Cultuurhistorie en archeologie

40

3.7.1

Principe 1

40

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

ii

Projectgerelateerd

3.7.2 3.7.3 3.7.4

Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling cultuurhistorie en archeologie

40 41 41

3.8

Recreatie

41

3.8.1 3.8.2 3.8.3 3.8.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling recreatie

41 41 41 42

3.9

Klimaat

42

3.9.1 3.9.2 3.9.3 3.9.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling klimaat

42 42 43 43

3.10

Bodem

43

3.10.1 3.10.2 3.10.3 3.10.4

Principe 1 Principe 2 Principe 3 Overzicht beoordeling bodem

44 45 45 47

3.11

Samenvatting van de effectbeoordeling

48

4

Kostenraming

50

5

Conclusies

53

Bijlagen 1.

Landschappelijke beelden principes

2.

Berekeningsresultaten Principe 1, 2 en 3

3.

Kostenramingen

4.

Huidige peilen en GGOR peilen

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

iii

Projectgerelateerd

Inleiding Momenteel vindt de planuitwerking van de Buffer Zuid plaats als onderdeel van het GGOR Bargerveen. Met de inrichting van de buffer wordt beoogd bij te dragen aan het ecologisch herstel van het Bargerveen zodanig dat er geen negatieve effecten optreden voor de omliggende bebouwing en invulling wordt gegeven aan de afspraken vanuit het opgestelde GGOR voor het landbouw gebied. Via een verkenning van waterpeilen, waterbalansen en waterbeschikbaarheid is gekomen tot een punt dat er een principekeuze gemaakt moet worden over het toekomstig te voeren waterbeheer in de buffer. De keuze bepaalt sterk de wijze van inrichting, namelijk het benodigde oppervlak aan water. Op het moment dat de wijze van waterbeheer helder is kan gericht de ruimtelijke inrichting van het Voorkeursalternatief VKA worden uitgewerkt. Dit proces vindt in de volgende stappen plaats. 1. Memo en een toelichting aan de BC (op 30 november 2017), waarin wordt aangegeven welke principekeuzes er zijn en op basis van welk afwegingskader de uitwerking zal plaatsvinden. 2. Uitwerking van principes voor het waterbeheer in voorliggende rapportage die ter onderbouwing van de besluitvorming leidt. De rapportage wordt inhoudelijk besproken in het hydrologen- en het projectgroepoverleg, aangepast waar nodig en vervolgens voorgelegd aan de BC. 3.

Op basis van de principekeuze door de BC wordt het VKA verder uitgewerkt en vindt hydrologische optimalisatie van het ontwerp plaats. Voorliggende rapportage betreft de 2e stap, waarin een uitwerking van principes, effecten en kosten wordt beschreven.

1.1

Doelstelling buffer

In het GGOR (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regiem) traject is vanuit de systematiek al gekeken naar het OGOR (Optimaal Grond- en Oppervlaktewater Regiem) en het AGOR (Actueel Grond- en Oppervlaktewater Regiem) en op basis van afwegingen zijn er richtinggevende keuzes gemaakt. Dit is vastgelegd als GGOR Bargerveen. De opdracht die nu voorligt, bestaat uit het uitwerken van een buffer die zo maximaal mogelijk bijdraagt aan: ◼ het ecologisch herstel van het Bargerveen; ◼ in combinatie met een verbetering van de waterhuishouding voor de landbouw; ◼ maar niet leidt tot negatieve effecten op de (woon) omgeving. Het streven daarbij is alle doelen te optimaliseren. Dit betekent voor natuur: ◼ Het realiseren van de stijghoogte in de veenbasis. Kaart OGOR in de bijlage (kaart 30 van het GGOR achtergrond document) is daar de interpretatie van. Hierin zijn ook delen in het Bargerveen ter plaatse van de Hondsrug waar vanuit wordt gegaan dat de stijghoogte niet in de veenbasis kan en zal komen. Dit betekent voor landbouw ◼ Realisatie van het vastgestelde GGOR: de streefpeilen in m NAP staan op kaart 6.1 in het rapport GGOR Natura 2000-gebied Bargerveen en landbouwgebied Nieuw Schoonebeek en Emmen-zuid (oktober 2008).

Hierbij is uitgegaan van een drooglegging van 1.00 m-mv bij 90% van het peilgebied, waarbij in de opdracht is vastgelegd dat de indeling in vakken en peilen zoals die zijn opgenomen, mogen worden aangepast als dat in totaal tot betere resultaten leidt voor landbouw en natuur.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

1

Projectgerelateerd

Ten aanzien van wateraanvoer is het volgende in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (2014) opgenomen. In het besluit van het waterschap over de vaststelling van het GGOR Bargerveen is geen afwijking opgenomen ten aanzien van het plan. Wateraanvoer is niet aan het besluit toegevoegd. Er is wel gesproken over wateraanvoer in het Algemeen Bestuur (AB) bij de behandeling van het GGOR. Daaruit is de toezegging te halen dat het bestuur bij de uitwerking zal kijken of wateraanvoer voor de landbouw te realiseren is. Als er wateraanvoer gerealiseerd wordt moet bekeken moet worden wat de effecten hiervan zijn ten opzichte van natuur en landbouw. Er zijn op voorhand diverse mogelijkheden; een aanvoerroute vanuit het Dommerskanaal of vanuit het noorden en/of (alleen) gebiedseigen Bargerveen-water. Dit betekent voor de bebouwing: ◼ In bebouwde kom mag er geen verslechtering van de huidige situatie optreden.

1.2

Van alternatieven via principe afweging naar voorkeursalternatief

In onderstaand schema staat weergegeven hoe de principe afweging voor het waterbeheer zich verhoudt tot het proces om te komen tot een voorkeursalternatief. De schetssessies hebben geleid tot een aantal alternatieven waarin verschillende inrichtingsmogelijkheden en vormen van medegebruik zijn opgenomen. Na de principekeuze waterbeheer wordt de wijze van waterbeheer volgens het gekozen principe, de landschappelijke inrichting en het (eventuele) medegebruik (natuur, landbouw, recreatie) geïntegreerd in een voorkeursalternatief. Dit voorkeursalternatief wordt daarmee gebaseerd op de combinatie van de uitkomsten van de schetssessie (09-10-2017) en de wijze van waterbeheer. Na het opstellen van het VKA vindt nadere technische detaillering plaats.

Figuur 0-1

26 april 2018

Processchema van alternatieven naar voorkeursalternatief inclusief de noodzakelijke principe afweging

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

2

Projectgerelateerd

Principes voor het waterbeheer Voorliggend hoofdstuk beschrijft kort de huidige situatie, een verkenning van de peilen om te komen tot een inrichting en de verschillende mogelijke principes inclusief het landschappelijk ontwerp op hoofdlijnen.

2.1

Huidige situatie maaiveldhoogte en waterhuishouding

Maaiveld Het plangebied kent een relatief groot maaiveldhoogteverschil van noord naar zuid en ook een hoogteverloop van oost naar west. Het Schoonebeekerveld is ten opzichte van het zuidelijk ervan gelegen landbouwgebied een hoog gebied. De maaiveldhoogten liggen daar over het algemeen tussen circa NAP +21,00 m en NAP +17,00 m. In het landbouwgebied tussen het Schoonebeekerveld en de Europaweg is bijna overal het veen volledig afgegraven op enkele percelen na. Deze minder verveende percelen liggen ten opzichte van de omgeving meestal circa 1,00 m hoger. Het maaiveldverloop van oost naar west is van circa NAP +17,50 m tot NAP +14,50 m. Afvoersituatie De afvoersituatie van de omgeving staat weergegeven in figuur 2.1. Het overwegend landbouwgebied ten oosten en ten westen van Nieuw-Schoonebeek (paars) voert af in zuidelijke richting naar het Schoonebeekerdiep. Het landbouwgebied ten westen van het Bargerveen en het Schoonebeekerveld (blauw)voert naar het Dommerskanaal. Het Schoonebeekerveld en het zuidelijk landbouwgebied doen dit via de W8. Een groot deel van het Bargerveen voert in noordelijke richting af naar de Runde (bruin). Aanvoersituatie Figuur 2-2 geeft aan welk deel van de omgeving in de huidige situatie wordt voorzien van wateraanvoer (circa 2900 ha). Dit vindt plaats vanuit het Dommerskanaal met behulp van het wateraanvoergemaal Amsterdamscheveld.

Het water voor het Schoonebeekerdiepdal wordt daarbij via de W8 dwars door het Schoonebeekerveld aangevoerd. Figuur 0-1: Schematische weergave afvoergebieden huidige situatie Het wateraanvoergemaal Amsterdamscheveld pompt het water op naar een peil van NAP+14,10 m en heeft in de huidige situatie een capaciteit van 20 m³ per minuut. In de aangevoerde hoeveelheid water zit geen ruimte voor beregening uit oppervlaktewater. Tijdens droge periodes draait het gemaal op volle capaciteit. In het opgestelde projectplan Waterbeheersing Nieuw Schoonebeek (Grontmij, 2010) staat aangegeven dat de capaciteit van het aanvoergemaal eigenlijk al onvoldoende is voor het huidige aanvoergebied (DLG, 2006) en dat bij uitbreiding van het wateraanvoergebied het gemaal vervangen dient te worden. Uit de aanvoercijfers blijkt echter dat er geen maximale aanvoer over langere perioden is.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

3

Projectgerelateerd

Figuur 0-2

Globale weergave aanvoer gebied vanuit Dommerskanaal

In het kader van het project GGOR Bargerveen (2008) zijn kaarten van de actuele drooglegging voor het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek gemaakt. Het oppervlaktewaterpeil in de huidige situatie is in beeld gebracht op basis van de volgende gegevens: peilvakkenkaart waterschap Velt en Vecht, hoogteligging afvoerpunten onder de Europaweg en een drietal series met metingen van het slootpeil in 2003 en 2004 door het waterschap Velt en Vecht (zie figuur 2-3 en bijlage 4). Uit de figuur is af te leiden dat de huidige peilen (situatie 2008) ten oosten van Nieuw-Schoonebeek ter plaatse van de geprojecteerde buffer variëren van ca 14,8 m NAP oplopend tot circa 16,6 m NAP.

Figuur 0-3

26 april 2018

Gemeten huidige oppervlaktewaterpeilen (bron: GGOR Bargerveen, 2008)

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

4

Projectgerelateerd

2.2

Verkenning toekomstige waterpeilen buffer

De peilen in de buffer bepalen de mate waarin de buffer bijdraagt in het ecologisch herstel van het Bargerveen, in welke mate effecten naar de omgeving te verwachten zijn en hoeveel water aan dient te worden gevoerd. Omdat deze functies tegenstrijdige eisen kennen, is met behulp van grondwatermodelberekeningen een peilverkenning uitgevoerd. De peilverkenning heeft tot doel om trechtergewijs te komen tot een waterhuishoudkundige inrichting van de buffer, waarbij invulling wordt gegeven aan de voorwaarden zoals aangegeven in hoofdstuk 1. Hieronder staan beknopt de belangrijkste overwegingen beschreven. De peilen in de buffer zijn aanvankelijk bepaald op basis van het maaiveldverloop, de peilen in het Bargerveen en de onderkant van de veenbasis. Vervolgens is aan de hand van een verkenning van de effecten beoordeeld of verdere bijstelling van de peilen gewenst is. Het maaiveld ter plaatse van de buffer verloopt sterk. Van west naar oost loopt het maaiveld op van ca 14,5 m+NAP naar ca 17,5 m+NAP. Vanwege dit verloop en de ondergrond is gekozen voor vier verschillende peilvakken in de buffer. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de peilen in het Bargerveen direct ten noorden van de buffer de maximaal mogelijke peilen voor de buffer zijn.

Bij deze peilen is vrije afstroming vanuit het Bargerveen naar de buffer mogelijk en wordt voorkomen dat water van mindere kwaliteit vanuit de buffer het Bargerveen in kan stromen en het Bargerveen niet meer kan afvoeren. Dit heeft geresulteerd in een gewenst peilverloop van 16,5 m+NAP naar 17,5/18,0 m+NAP in het oostelijk deel van de buffer. Deze peilen zijn hoger dan de veenbasis in het Bargerveen, waardoor met deze peilen de stijghoogte in de veenbasis kan worden verhoogd. Om het effect van deze peilen op het Bargerveen en de omgeving te bepalen zijn met een grondwatermodel effectberekeningen uitgevoerd. Uit deze berekeningen volgt dat de bovengenoemde peilen een positief effect hebben op het Bargerveen. De peilen hebben echter ook tot gevolg dat grondwaterstandsverhoging optreedt ter plaatse van het landbouwgebied en de bebouwing van NieuwSchoonebeek en Weiteveen. De effecten op de omgeving en het Bargerveen zijn het grootst rondom het westelijk deel van de buffer. Dit komt doordat in het westelijk deel van de buffer keileem in de ondergrond afwezig is en in het oostelijk deel juist wel sterk aanwezig is. Met grondwatermodelberekeningen is vervolgens verkend op welke wijze negatieve effecten naar de omgeving zijn te voorkomen. In het zuidelijke landbouwgebied is de afgesproken peilverlaging (de zogenaamde GGOR peilen) als toekomstige situatie opgenomen.

Daarna is gekeken naar de volgende maatregelen in en direct om de buffer: ◼ Verlagen van het peil in het westelijk deel van de buffer. ◼ Verminderen van areaal oppervlaktewater. ◼ Aanleg van kwelsloot langs de buffer. Verlaging peilen in het GGOR gebied In het project GGOR Bargerveen is overeenstemming bereikt met de landbouw over een drooglegging van 1,00 m-mv. Met behulp van maaiveldhoogteanalyse (AHN2006) en een logische indeling van afvoergebieden is het streefpeil bepaald. Deze peilen staan in NAP weergegeven op kaart 6.1 van het GGOR rapport en als figuur 2-4 opgenomen in deze rapportage. Daarnaast is de figuur opgenomen in bijlage 4.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

5

Projectgerelateerd

Figuur 0-4

GGOR peilen m NAP in landbouwgebied (roze). Bron: uitsnede kaart 6.1 GGOR Bargerveen, 2008

Uit de berekeningen volgt dat met het instellen van de GGOR peilen in het landbouwgebied de grondwaterstanden hier worden verlaagd en daarmee de landbouwkundige omstandigheden verbeteren. Hierdoor wordt eveneens voorkomen dat grondwaterstandsverhogingen optreden in Nieuw-Schoonebeek. Belangrijk om te noemen is dat om de effecten te bereiken wel alle watergangen, dus zowel perceelsloten als hoofdwatergangen op het nieuwe peil dienen te worden aangelegd en de slootbodems dienen te worden verlaagd. Het aanleggen van een kwelsloot langs de buffer maakt onderdeel uit van de GGOR inrichting voor de waterhuishouding. Verlagen van het peil in het westelijk deel van de buffer De lagere peilen in het landbouwgebied voorkomen een verhoging van de grondwaterstanden in NieuwSchoonebeek. Om ook de uitstraling naar de bebouwing Weiteveen/Zuidersloot ten noorden van de buffer sterk te verminderen helpt verlaging van de peilen in vooral het westelijk deel van de buffer en dan met name het winterpeil. Berekeningen wijzen uit dat aan een laag winterpeil in het westelijk deel van de buffer (ca 15,5 m NAP) moet worden gedacht. Door vervolgens in de zomer weer een hoog peil (ca 16,5 m NAP) in te stellen wordt daarmee in de zomer nog steeds een positief effect op het Bargerveen bereikt.

Het instellen van een verschillend zomer- en winterpeil heeft wel als nadeel dat een groot deel van het water wordt afgevoerd in de winterperiode, waardoor dit een significant effect heeft op de benodigde wateraanvoer. Halvering wateroppervlak westelijk deel van de buffer Indien het oppervlak aan open water in het westelijk deel van de buffer wordt gehalveerd, zal het effect op het Bargerveen in de zomer een stuk kleiner zijn ten opzichte van een situatie met overwegend (90%) wateroppervlak. Dit leidt in de wintersituatie ter plaatse van de bebouwing tot een vergelijkbaar effect als het verlagen van het winterpeil met 1 meter. Halvering van het wateroppervlak is daarmee minder effectief voor de ecologische doelstelling. Een groot wateroppervlak in het westelijk deel van de buffer heeft dus de voorkeur. Peilfluctuatie Met het grondwatermodel is verder berekend wat er gebeurt op het moment dat er geen of gedeeltelijke wateraanvoer naar de buffer plaatsvindt. In het westelijk deel van de buffer zullen de peilen diep uitzakken indien hier geen wateraanvoer plaatsvindt.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

6

Projectgerelateerd

Er zal dan ook geen positief effect op het Bargerveen optreden. Daarom is een vast peil in dit deel van de buffer wenselijk. In het oostelijk deel van de buffer zakken de peilen minder ver weg en is het effect dus beperkt(er). Waterbalans Er is gekeken naar de waterbalans van het gebied. Uit de waterbalans volgt dat er onvoldoende water vanuit het Bargerveen wordt aangevoerd in de winter om de buffer op peil te houden. Om de voorgestelde peilen ook daadwerkelijk mogelijk te maken is wateraanvoer noodzakelijk.

2.3

Principe-inrichting waterpeilen

Door middel van de bovenstaande peilverkenning en effectberekeningen is gekomen tot een principeinrichting waarbij in het meest westelijke deel van de buffer wordt gestreefd naar een vast hoog zomerpeil ten behoeve van natuur. In het oostelijke deel van de buffer worden de peilen ook verhoogd om effecten op natuur te bewerkstelligen. In dit deel van de buffer wordt fluctuatie van het peil toegestaan om in de winter water vast te kunnen houden en te bergen vanuit het Bargerveen. Dit water wordt vervolgens in de zomer naar het westelijke deel van de buffer afgevoerd. Om uitstraling naar het bebouwd gebied ten noorden van de buffer (Weiteveen/Zuidersloot) tegen te gaan wordt een vast lager winterpeil in het westelijke deel van de buffer ingesteld. In het landbouwgebied is sprake van de vastgestelde GGOR peilen die er ook voor zorgen dat er geen effecten naar NieuwSchoonebeek optreden.

Figuur 0-5

2.4

Principe-inrichting waterpeilen

Waterbeheer principes

Principes waterbeheer Uit de waterbalansberekeningen en eerder uitgevoerde studies volgt dat er onvoldoende water beschikbaar is vanuit het Bargerveen om de voorgestelde peilen in de zomer te realiseren en daarmee het berekende effect vanuit het grondwatermodel op het Bargerveen te behalen.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

7

Projectgerelateerd

Er is daarmee extern water noodzakelijk om het systeem te laten functioneren bij de hierboven genoemde uitgangspunten, zodat aan de verschillende belangen wordt voldaan. De wijze van water beschikbaar stellen heeft echter grote invloed op de wijze van inrichting van de buffer, namelijk de hoeveelheid open water, het bergend vermogen en daarmee de hoogte van de kaden. De volgende principes zijn te onderscheiden: 1. Principe 1: water uit Bargerveen opslaan, vasthouden en infiltreren. 2. Principe 2: idem 1, + wateraanvoer in de zomer. 3. Principe 3: idem 1, + water uit de omgeving in de winter opslaan. Principe 1 Water aanvoeren uit Bargerveen In deze variant vindt wateraanvoer voor de buffer plaats vanuit het Bargerveen. Het benodigde wateroppervlak in de peilvakken 1 t/m 4 (van oost naar west) is respectievelijk 40% - 70% - 90% - 90%. Peilvak 4 heeft een vast zomer- en winterpeil. De overige vakken hebben een fluctuerend peil. Bij deze oppervlaktes aan water stijgt het peil niet uit boven het maximaal oppervlaktewater peil en is er voldoende ruimte om het aangevoerde water te bergen. Waterhuishoudkundige berekeningen hebben reeds uitgewezen dat in deze variant onvoldoende water wordt aangevoerd om het vereiste zomerpeil in de westelijke peilvakken te kunnen realiseren. Tabel 0-1 Uitgangspunten Principe 1 Vak 4

Vak 3

Vak 2

Vak 1

Peil (m+NAP)

15,5/16,5

16,5*

17*

17,5*

Percentage openwater

90%

90%

70%

40%

Wateraanvoer vanuit Bargerveen

Ja

Ja

Ja

Ja

Wateraanvoer (zomer)

Nee

Nee

Nee

Nee

Waterconservering

Nee

Nee

Nee

Nee

*bovengrens: uitzakken in de zomer.

Figuur 0-6

Principe 1

Principe 2 Wateraanvoer zomer en water uit Bargerveen Bij Principe 2 vindt wateraanvoer voor de buffer niet alleen plaats vanuit het Bargerveen, maar aanvullend wordt gedurende de zomerperiode water vanuit het Dommerskanaal aangevoerd. Deze extra aanvoer moet ervoor zorgen dat het waterpeil in de westelijke peilvakken niet uitzakt gedurende de zomerperiode.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

8

Projectgerelateerd

Het benodigde wateroppervlak in de peilvakken 1 t/m 4 (van oost naar west) is respectievelijk 40% - 70% 90% - 90%. Peilvak 4 heeft een vast zomer- en winterpeil. De overige vakken hebben een fluctuerend peil. Tabel 0-2 Uitgangspunten Principe 2 Vak 4

Vak 3

Vak 2

Vak 1

Peil

15,5/16,5

16,5*

17*

17,5*

Percentage openwater

90%

90%

70%

40%

Wateraanvoer vanuit Bargerveen

Ja

Ja

Ja

Ja

Wateraanvoer (zomer)

Ja

Nee

Nee

Nee

Waterconservering

Nee

Nee

Nee

Nee

*bovengrens: uitzakken in de zomer.

Figuur 0-7

Principe 2

Principe 3 Water conserveren en water uit Bargerveen In deze variant vindt wateraanvoer voor de buffer niet alleen plaats vanuit het Bargerveen, maar aanvullend ook gedurende de winterperiode vanuit de directe omgeving. Dit water wordt vastgehouden in de oostelijke peilvakken zodat dit water er in de zomerperiode voor zorgt dat het waterniveau in het westelijke peilvak op peil blijft. Het benodigde wateroppervlak in de peilvakken 1 t/m 4 (van oost naar west) is respectievelijk 90% - 90% - 90% - 90%. Peilvak 4 heeft een vast zomer- en winterpeil. De overige vakken hebben een fluctuerend peil. Tabel 0-3 Uitgangspunten Principe 3 Vak 4

Vak 3

Vak 2

Vak 1

Peil

15,5/16,5

17,5*

17,5*

17,5*

Percentage openwater

90%

90%

90%

90%

Wateraanvoer vanuit Bargerveen

Ja

Ja

Ja

Ja

Wateraanvoer (zomer)

Nee

Nee

Nee

Nee

Waterconservering

Nee

Ja

Ja

Ja

*bovengrens: uitzakken in de zomer.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

9

Projectgerelateerd

Figuur 0-8

2.5

Principe 3

Landschappelijk ontwerp op hoofdlijnen

In onderstaande figuren staat het de landschappelijke inpassing op hoofdlijnen weergegeven voor Principe 1, 2 en 3. De mogelijkheden voor de landschappelijke inrichting van Principe 1 en 2 zijn gelijk. De ontwerpen hebben vooral tot doel om het verschil in aandeel water inzichtelijk te maken. Voor het ‘land’ zijn meerdere inrichtingsmogelijkheden, die in het vervolgtraject nader uit worden gewerkt met de input van de schetssessies van oktober 2017. In bijlage 1 zijn de ontwerpen ook opgenomen.

Figuur 0-9

Mogelijk landschappelijk beeld bij inrichting volgens Principe 1 en 2

Vanuit landschappelijk oogpunt neemt de hoeveelheid “land” (van west naar oost) toe bij Principe 1 en 2 toe. Landschappelijk gezien is het logisch om aansluiting te zoeken bij het omliggende landschap. Kenmerken van het (directe) omliggende landschap zijn als volgt: het hoogveenlandschap, en het ontginningenlandschap (strokenverkaveling). Het beekdallandschap ligt hier ook vlakbij, maar het is niet logisch om hier op aan te sluiten vanwege het ontginningenlandschap wat hier nog “tussen” ligt. De figuren 2-9 en 2-10 geven de mogelijke landschappelijke inrichting voor Principe 1 en 2 weer en zijn een eerste uitwerking van de schetssessie in oktober 2017.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

10

Projectgerelateerd

Principe 1-2

Figuur 0-10

Mogelijk landschappelijk beeld bij inrichting volgens Principe 1 en 2

Principe 3 wijkt af en heeft procentueel het grootste oppervlak aan water. In deze variant is dus minder ruimte om nieuw landschap te ontwikkelen aansluitend bij de omgeving. Figuur 2-11 geeft een mogelijk landschappelijk beeld weer van Principe 3.

Figuur 0-11

Mogelijk landschappelijk beeld bij inrichting volgens Principe 3

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

11

Projectgerelateerd

Effecten hoofdprincipes 3.1

Algemeen

De vastgestelde Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) (juni 2014) geeft aan dat nadere uitwerking van de varianten plaats vindt op basis van effecten ten aanzien van: ◼ Waterbalans en wateraanvoer. ◼ Gebruik van de bufferzone. ◼ Effecten op natuur en landbouw. ◼ Klimaatrobuustheid. Daarnaast moet invulling worden gegeven aan de volgende punten die niet primair van belang zijn, maar wel onderscheidend kunnen zijn: ◼ Landschappelijke inrichting. ◼ Grondverzet. ◼ Invulling potenties natuur in de buffer. Voor de beoordeling van de effecten wordt de beoordelingstabel vanuit de NRD gehanteerd. Omdat het een afweging van principes en geen gedetailleerd uitgewerkte alternatieven betreft, worden de verschillende aspecten op hoofdlijnen beoordeeld. In dit hoofdstuk wordt gestart met een beschrijving van de belangrijkste hydrologische effecten. Op basis van deze effecten en het landschapsontwerp vindt de beoordeling van de effecten op natuur, landbouw, bebouwing, landschap, cultuurhistorie en archeologie plaats. Aspecten die niet onderscheidend zijn of tijdelijke effecten zijn in dit document niet verder uitgewerkt. Dit betreft o.a. infrastructuur en tijdelijke effecten.

Voor de effectbeoordeling wordt per aspect de volgende schaal aangehouden: Score Betekenis ++ Sterke verbetering + (Beperkte) verbetering 0 Geen noemenswaardige veranderingen (Beperkte) verslechtering -Sterke verslechtering

3.2

Water

De effectbeschrijving van water richt zich op de optredende oppervlaktewaterstanden en de verandering van de grondwaterstanden. Hierbij is gebruik gemaakt van waterbalansberekeningen en grondwatermodelberekeningen. De effectbeoordeling van de grondwaterstandsverandering is afhankelijk van de functie zoals landbouw, natuur, of bebouwing waar de grondwaterstandsverandering optreedt. Daarom vindt de uitwerking van de effectbeoordeling bij deze functies plaats. Naast geohydrologie en oppervlaktewaterstanden hoort bij dit aspect ook nog waterveiligheid en infiltratiecapaciteit/waterkwaliteit. In dit stadium wordt er vanuit gegaan dat de buffer voldoende hoge kaden krijgt bij alle principes en daarin niet onderscheidend is. Dit geldt ook voor de infiltratiecapaciteit, hiervoor wordt uitgegaan van het ontgraven van (een deel van) de minder goed doorlatende bovenste laag in de ondergrond in alle varianten. Het effect op waterkwaliteit is vooralsnog globaal ingeschat zonder onderliggend onderzoek over de daadwerkelijke waterkwaliteit.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

12

Projectgerelateerd

3.2.1

Principe 1

Oppervlaktewater De oppervlaktewaterstanden en de effectiviteit van de buffer is afhankelijk van de beschikbare hoeveelheid water die wordt aangevoerd en kan infiltreren. Dit samen vormt de waterbalans van de buffer. De waterbalans van Principe 1 voor een gemiddeld jaar staat schematisch weergegeven in figuur 3-1. Aanvoer naar de buffer vindt plaats vanuit het Bargerveen (520.000 m3) en de netto neerslag die op de buffer valt bedraagt 140.000 m3. Er infiltreert in een gemiddeld jaar circa 580.000 m3 naar de ondergrond. Hiervan wordt circa 80% ter plaatse van vak 4 geïnfiltreerd, de overige 20% vindt verdeeld over de vakken 1,2 en 3 plaats. Er is geen sprake van afvoer van oppervlaktewater vanuit de buffer omdat het maximale afvoer peil niet wordt bereikt. Wel stijgt het oppervlaktewaterpeil in de buffer, dit is de berging van 80.000 m3.

Figuur 0-1 Schematische weergave waterbalans Principe 1

In de figuur 3-1 is de waterbalans voor een gemiddeld jaar (2013) schematisch gepresenteerd. De waterbalanstermen variëren van jaar tot jaar. Het verloop van de waterbalanstermen staat gepresenteerd in figuur 3-2, In natte jaren wordt er in de winter meer dan een miljoen m3 vanuit het Bargerveen aangevoerd (blauwe lijn), in droge jaren is dat circa 400.000 m3. De behoefte aan water voor infiltratie in de zomer in zone 4 is circa 900.000 m3. Dat betekent dat er na een natte winter voldoende water beschikbaar is, maar na een droge winter niet. Uit het watersysteem van dit deel van het Bargerveen en Buffer Zuid wordt bij dit principe alleen water afgevoerd als na natte perioden alle buffers vol staan. Dat komt in de doorgerekende periode alleen voor in de winter van 2007/2008 en 2013/2014. Het grootste deel van het water uit het Bargerveen wordt opgeslagen en geïnfiltreerd. Voor wateraanvoer naar het landbouwgebied (GGOR) is jaarlijks 100.000 tot 500.000 m3 nodig. Hier is een aanvoercapaciteit van 6 m3/minuut uit het Dommerskanaal voor nodig.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

13

Projectgerelateerd

Jaarlijkse cumulatieve volumes Waterbalans Principe 1

2.5E+06

Cum uit Bargerveen Cum naar grondwater (bakjesmodel)

2.0E+06

Volume [m3]

Cum externe Afvoer (bakjesmodel)

Cum externe aanvoer (bakjesmodel)

1.5E+06

Cum naar grondwater (grondwatermodel) Cum Zone 20 landbouw aanvoer grondwatermodel

1.0E+06

5.0E+05

0.0E+00

-5.0E+05

-1.0E+06

-1.5E+06

-2.0E+06 2008

Figuur 0-2

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2013

2014

Overzicht waterbalanstermen bij Principe 1

Waterpeilen Principe 1

18

Zone 1 Peil bakjesmodel Zone 2 Peil bakjesmodel Zone 3 Peil bakjesmodel Zone 4 peil bakjesmodel Zone 4 Peil grondwatermodel

17.5

17

m tov NAP

16.5

16

15.5

15

14.5

2008

Figuur 0-3

26 april 2018

2009

2010

2011

2012

Optredende waterpeilen in buffer bij Principe 1

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

14

Projectgerelateerd

Op basis van de waterbalanstermen zijn de oppervlaktewaterstanden berekend. Als er onvoldoende water beschikbaar is dan zakt het oppervlaktewaterpeil uit in vak 4. Dat is af te lezen in Figuur 3-3. Het streefpeil in vak 4 voor de ondersteuning van de natuurdoelen van het Bargerveen is weergegeven met de rode streeplijn. In het voorjaar van 2008 is er voldoende water opgeslagen om dat streefpeil te halen (donkerrode lijn). In de loop van 2008 ontstaat er echter een tekort. De hoeveelheid water uit het Bargerveen is onvoldoende om de vakken 1 t/m 3 te vullen (groene, blauwe en paarse lijn). Daardoor wordt een aantal jaren achtereen het streefpeil in vak 4 niet gehaald. Dat lukt pas weer in 2014 na een zeer natte winter waarin meer dan een miljoen m3 water uit het Bargerveen kon worden opgeslagen. Grondwater en stijghoogte Bij het waterbeheer conform Principe 1 is onvoldoende wateraanvoer vanuit het Bargerveen om het westelijk deel van de buffer op peil te houden. Doordat het peil in het westelijk deel van de buffers vooral in droge zomers ver uitzakt, zal er geen tot een beperkte verhoging van de stijghoogte onder het veen optreden. Gemiddeld bedraagt het effect in de zomer circa 50% ten opzichte van het effect van de inrichtingsprincipes waarbij de streefpeilen in de zomer wel worden gehaald.

In droge zomers, wanneer een hoge stijghoogte in het veen nog meer van belang is, is het effect slechts 25%. In figuur 3-4 staat een inschatting weergegeven van de verandering van de stijghoogte onder het veen bij Principe 1.

Figuur 0-4 Verandering stijghoogte onder veen bij Principe 1

De verlaging van de oppervlaktewaterpeilen in het landbouwgebied, zoals vastgelegd in het GGOR, leiden er toe dat hier een verlaging van de grondwaterstanden ten opzichte van de huidige situatie optreedt. Doordat de peilen in de buffer uitzakken, treedt geen verhoging van de grondwaterstanden op in de bebouwde kernen van Nieuw-Schoonebeek, Weiteveen en Zuidersloot.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

15

Projectgerelateerd

Waterkwaliteit De effecten van de buffer op de waterkwaliteit zijn voor een deel generiek en deels ook specifiek voor de verschillende principes. Voor een gezond watersysteem is het belangrijk dat er niet teveel voedingstoffen (stikstof N en fosfor P) in het oppervlaktewater aanwezig zijn. Bij een overmaat aan voedingsstoffen (eutrofiëring) bestaat het risico op overlast door kroos, flab, (blauw)algen of hele dichte, soortenarme vegetatie en daarmee lage biologische waterkwaliteit. Bij Principe 1 komt al het water in de buffer uit het Bargerveen. Daarnaast wordt de buffer gevoed met neerslag. Zowel het water uit het Bargerveen als de neerslag is naar verwachting schoon, voedselarm water. De landbouwpercelen (en dus bemesting) worden uit gebruik genomen, waardoor de nutriëntenbelasting op het oppervlaktewater zal verminderen. Ter plekke van de buffer is onder de teeltlaag een laag van zand en veen aanwezig. De dikte van deze laag varieert van 70 tot 100 cm. Als veen en/of teeltlagen onder water wordt gezet dan is dit een potentiele bron van nutriënten. Deze toevoer met nutriënten heeft mogelijk tot gevolg dat de buffer uiteindelijk wordt gedomineerd door algen met weinig waterplanten. Om dit te voorkomen wordt er vanuit gegaan dat deze voedselrijke laag wordt afgegraven, waardoor dit risico weg wordt genomen.

De verwachting op basis van een eerste inschatting is dat een goede waterkwaliteit kan ontstaan. Daarom een score ‘+’.

3.2.2

Principe 2

Oppervlaktewater Bij Principe 2 wordt het water uit het Bargerveen aangevoerd en opgeslagen in Buffer Zuid. Het tekort voor de infiltratie in vak 4 (ondersteuning natuurdoelen Bargerveen) wordt aangevuld door wateraanvoer uit het Dommerskanaal. De waterbalans van Principe 2 voor een gemiddeld jaar staat schematisch weergegeven in figuur 3-5. De jaarlijkse aanvoer naar de buffer vanuit het Bargerveen (520.000 m3) en de netto neerslag die op de buffer 140.000 m3 zijn bij alle principes gelijk. Om de voorgestelde peilen in het westelijk deel van de buffer te halen en om het peil winter- naar zomerpeil te verhogen, vindt in een gemiddelde zomer aanvullend circa 680.000 m3 aanvoer plaats. Door het hoge zomerpeil infiltreert er bij dit principe meer water naar de ondergrond dan bij Principe 1, namelijk circa 900.000 m3 in plaats van circa 580.000 m3. Om het zomerpeil weer naar winterpeil te verlagen wordt er circa 370.000 m3 afgevoerd. In de winter wordt daarbij nog circa 90.000 m3 afgevoerd om te voorkomen dat het winterpeil wordt overschreden.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

16

Projectgerelateerd

Figuur 0-5 Schematische weergave waterbalans Principe 2

Figuur 3-6 laat de variatie van de waterbalanstermen onder invloed van nattere en drogere jaren zien. In de figuur is te zien dat de totale infiltratie vanuit de buffer vrijwel gelijk blijft en jaarlijks circa 800.000 tot 900.000 m3 bedraagt. Circa 90% van de totale infiltratie naar de ondergrond vindt ter plaatse van het meest westelijke deel van de buffer (vak 4) plaats. De overige 10% infiltreert ter plaatse van de oostelijke vakken (1,2 en 3). De waterbehoefte varieert onder invloed van het verschil in beschikbaar water vanuit het Bargerveen. Uit de figuur 3-6 is af te leiden dat om aan de waterbehoefte te kunnen voldoen er in het zomerseizoen 500.000 tot 900.000 m3 moet worden aangevoerd (groene lijn), met een aanvoercapaciteit van 7 m3/minuut. Deze aanvoer staat vrijwel de hele zomer volledig aan. Er wordt geen water aangevoerd naar de hoger gelegen vakken 3, 2 en 1. Daardoor daalt het peil in die zones in droge zomers tot onder het niveau van vak 4. Dit is te zien in figuur 3-7, waar ook te zien is dat het peil in het westelijk deel van de buffer (vak 4) wordt gehaald. Naast de aanvoer naar buffer zuid is capaciteit nodig voor wateraanvoer naar het landbouwgebied (GGOR). Dit betreft 100.000 tot 500.000 m3/jaar, met een pompcapaciteit van 6 m3/minuut. Deze aanvoer staat alleen in droge perioden in de zomer aan.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

17

Projectgerelateerd

Jaarlijkse cumulatieve volumes Waterbalans Principe 2

2.5E+06

Cum uit Bargerveen Cum naar grondwater (bakjesmodel)

2.0E+06

Volume [m3]

Cum externe Afvoer (bakjesmodel) Cum externe aanvoer (bakjesmodel)

1.5E+06

Cum naar grondwater (grondwatermodel) Cum Zone 20 landbouw aanvoer grondwatermodel

1.0E+06

5.0E+05

0.0E+00

-5.0E+05

-1.0E+06

-1.5E+06

-2.0E+06 2008

Figuur 0-6

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2013

2014

Waterbalanstermen bij Principe 2

Waterpeilen Principe 2

17.5

Zone 1 Peil bakjesmodel Zone 2 Peil bakjesmodel Zone 3 Peil bakjesmodel Zone 4 peil bakjesmodel Zone 4 Peil grondwatermodel

17

m tov NAP

16.5

16

15.5

15

2008

Figuur 0-7

26 april 2018

2009

2010

2011

2012

Optredende waterpeilen in buffer bij Principe 2

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

18

Projectgerelateerd

De waterbalans is het resultaat van een aantal aannames. Het is mogelijk om de wateraanvoer hoeveelheden te verminderen (zie kader). Ook als alle mogelijke besparende maatregelen worden genomen zal er wateraanvoer in de zomer noodzakelijk blijven. Mogelijkheden vermindering wateraanvoer Op de benodigde wateraanvoer kan worden bespaard door de afvoer uit de vakken zoveel mogelijk te beperken. Dat kan op de volgende manieren: ▪ De overgang van zomerpeil naar winterpeil in vak 4 realiseren door het water omhoog te pompen naar de zones 3, 2 en 1, in plaats van af te voeren. Daarmee kan circa 100.000 m3 op de aanvoerbehoefte worden bespaard. De consequentie hiervan is dat het peil in vak 4 in de winter wat verhoogd is, en daardoor de kans op grondwateroverlast in bebouwde gebieden toeneemt. ▪

Door een iets lager zomerpeil in vak 4 te handhaven. Dat heeft als voordeel dat er meer bergingsruimte ontstaat in vak 3, het vak waarin het meeste water uit het Bargerveen instroomt. Daardoor behoeft er minder water uit het Bargerveen te worden afgevoerd. In combinatie met oppompcapaciteit naar de vakken 2 en 1 kan er jaarlijks circa 100.000 m3 op de aanvoerbehoefte worden bespaard. Nadeel is dat een lager zomerpeil leidt tot een lagere effectiviteit voor het behalen van de natuurdoelen.

▪

Een combinatie van bovenstaande maatregelen levert een besparing van circa 250.000 m3 op. Aandachtspunt is dat dit leidt tot minder effect op natuur en of kans op grondwateroverlast bebouwing

▪

Door de pompinstallatie ook in de winter te gebruiken en water te conserven in de vakken 1 en 2. Daarmee kan aanvullend circa 300.000 m3 op de aanvoervraag in de zomer worden bespaard.

▪

Bij de toekomstige ontwikkeling en inrichting van ‘Maarsing’ kan mogelijk water in de winter worden vastgehouden dat in de zomer richting vak 4 van Buffer Zuid kan worden aangevoerd. Op dit moment is nog onbekend hoeveel water dit is. Het ligt gezien de omvang van de mogelijke inrichting niet in de verwachting dat hiermee de resterende watervraag wordt ingevuld. Tevens is ook nog niet duidelijk wanneer en of de inrichting daadwerkelijk uit wordt gevoerd.

Grondwater en stijghoogte Bij Principe 2 is er sprake van voldoende wateraanvoer in de zomer om het westelijk deel van de buffer op zomer- en winterpeil van respectievelijk 16,5 en 15,5 m+NAP te houden. In het oostelijk deel van het gebied zakken de waterstanden in de buffer gedurende de zomerperiode uit. In bijlage 2 staan de berekeningsresultaten opgenomen met de verandering van de grondwaterstanden en de stijghoogtes. Uit de berekeningsresultaten volgt dat de verhoging van de ondiepe grondwaterstanden vooral in de buffer zelf en direct ten noorden van de buffer in het Bargerveen optreden. Ten zuiden van de buffer verlaagt de grondwaterstand. Dit is als gevolg van de lagere peilen in het landbouwgebied. Deze peilen zorgen er ook voor dat er geen verhoging van de grondwaterstanden in Nieuw-Schoonebeek optreden. In Weiteveen zijn geen effecten te verwachten, met uitzondering van een deel van de bebouwing van de Zuidersloot waar nu nog een lichte grondwaterstijging van ca 5 cm wordt berekend.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

19

Projectgerelateerd

Figuur 0-8

Voorlopig berekende effecten op GHG bij inrichting volgens Principe 2

De inrichting van de buffer leidt tot een verhoging van de stijghoogte onder de veenbasis. Hierbij is vooral de verandering van de stijghoogte in de zomerperiode van belang. Dit is te zien in figuur 3-9. De stijghoogte onder het Bargerveen stijgt met circa 5 tot 75 cm. De grootste stijging treedt op onder invloed van het westelijk deel van de buffer. De uitstraling naar het Bargerveen in het oostelijk deel van buffer is minder hoog, ca 5 tot 50 cm en straalt minder ver uit.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

20

Projectgerelateerd

Figuur 0-9

Voorlopig berekende effecten op stijghoogte onder veenbasis bij Principe 2

Waterkwaliteit Bij Principe 2 zal naast relatief schoon water vanuit het Bargerveen ook water worden aangevoerd vanuit het Dommerskanaal. Dit water is voedselrijker dan het water uit het Bargerveen. Naast aanvoer van nutriëntrijk water uit de aanliggende landbouwgebieden is ook het risico op vrijkomen van nutriënten uit veenlagen aanwezig. Deze toevoer met nutriënten heeft mogelijk tot gevolg dat de buffer uiteindelijk een plas wordt gedomineerd door algen met weinig waterplanten. Om dit te voorkomen wordt in ieder geval vanuit gegaan dat de voedselrijke laag met veen wordt verwijderd. Om de effecten van het inlaatwater op de waterkwaliteit te bepalen is een nadere analyse noodzakelijk. Hoewel de inlaat zorgt voor de aanvoer van extra voedingstoffen in de buffer, is het vooralsnog de verwachting dat dit niet zal leiden tot jaarlijkse algenbloei en troebel water. Door rekening te houden met de inrichting o.a. voldoende waterdiepte kan het systeem robuust worden gemaakt tegen de omslag naar een troebele situatie. Omdat er wel voedingsstoffen van buiten het gebied worden toegevoegd (eigenlijk ongewenst voor een natuurlijk functionerend systeem), maar de buffer daardoor niet in een troebele toestand zal raken wordt dit Principe 2 neutraal (0) beoordeeld.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

21

Projectgerelateerd

3.2.3

Principe 3

Oppervlaktewater Bij het conserveren van water in de winter wordt de buffer ingezet als spaarbekken. Om elk zomerseizoen voldoende water beschikbaar te hebben voor de beoogde effecten in het Bargerveen (infiltreren in zone 4) moet het spaarbekken een volume van circa 1,5 miljoen m3 hebben. Dat volume kan in het areaal van buffer zuid worden bereikt met 90% nat oppervlak en een hoogste waterstand in de hele buffer van NAP+17,5 m. In figuur 3-10 staat de waterbalans voor een gemiddeld jaar schematisch weergegeven. De aanvoer vanuit het Bargerveen (520.000 m3) en de netto neerslag (140.000 m3) is gelijk bij de drie principes. Om in de zomer voldoende water te hebben en om de overgang van winterpeil naar zomerpeil mogelijk te maken, dient in de winter circa 1,2 miljoen m3 water in het oostelijk deel van de buffer te worden gepompt. Door het hoge zomerpeil infiltreert er bij dit principe meer water naar de ondergrond dan bij Principe 1, namelijk circa 1.000.000 m3 in plaats van circa 580.000 m3. Circa 80% van deze totale hoeveelheid infiltreert ter plaatse van vak 4. De overige 20% infiltreert ter plaatse van de vakken 1 tot en met 3. Dit is meer dan bij Principe 2, omdat de peilen in het oostelijk deel hoger zijn bij Principe 3.

Doordat bij Principe 3 sprake is van hoge winterpeilen in het oostelijk deel van de buffer kan slechts een klein deel van het water uit het Bargerveen naar de buffer worden aangevoerd en opgeslagen. Hierdoor wordt circa 460.000 m3 afgevoerd. Daarnaast wordt voor de overgang van zomerpeil naar winterpeil circa 370.000 m3 afgevoerd. Voor de overgang van winter naar zomerpeil is circa 500.000 m3 nodig.

Figuur 0-10 Schematische weergave waterbalans bij Principe 3

In figuur 3-11 zijn de waterbalanstermen in de tijd weergegeven. Daarin is te zien dat de infiltratie varieert van 800.000 m3 tot 1.000.000 m3. De hoeveelheid water die in de winter wordt opgepompt varieert van 1 tot 1,5 miljoen m3. Dat is meer dan bij Principe 2, omdat er veel minder water uit het Bargerveen wordt opgeslagen, én omdat elk jaar de hele buffer wordt volgepompt. Voor de wateraanvoer is een pompcapaciteit nodig van circa 6 m3/minuut. Deze pomp staat de hele winter aan. De voorraad aan het eind van de winter is groot genoeg om het peil van vak 4 naar zomerpeil te verhogen en de infiltratie het hele zomerseizoen in stand te houden.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

22

Projectgerelateerd

Voor de wateraanvoer naar het GGOR landbouwgebied is jaarlijks 100.000 tot 500.000 m3 water nodig. Dat water zou kunnen worden aangevoerd vanuit het Dommerskanaal, met een pompcapaciteit van circa 6 m3/minuut. Een andere mogelijkheid zou zijn om het uit het spaarbekken van buffer zuid aan te voeren. Om dat mogelijk te maken zou de voorraad in de vakken 1, 2 en 3 met 500.000 m3 moeten worden vergroot. Daardoor moet het maximale peil met 0,3 m worden verhoogd naar NAP+17,8 m. Dit hogere peil zou wel betekenen dat de aanvoer vanuit het Bargerveen niet meer of slechts gedeeltelijk onder vrij verval mogelijk is.

Jaarlijkse cumulatieve volumes Waterbalans Principe 3

2.5E+06

Volume [m3]

2.0E+06

1.5E+06

1.0E+06

5.0E+05

0.0E+00

-5.0E+05

-1.0E+06

-1.5E+06

-2.0E+06 2008

Figuur 0-11

26 april 2018

2009

2010

2011

2012

Cum uit Bargerveen Cum naar grondwater (bakjesmodel) Cum externe Afvoer (bakjesmodel) Cum externe aanvoer (bakjesmodel) Cum naar grondwater (grondwatermodel) Cum Zone 20 landbouw aanvoer grondwatermodel 20131-3 2014 Voorraad in zone

Waterbalansen bij Principe 3

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

23

Projectgerelateerd

18

Zone 1 Peil bakjesmodel Zone 2 Peil bakjesmodel Zone 3 Peil bakjesmodel Zone 4 peil bakjesmodel Zone 4 Peil grondwatermodel

Waterpeilen Principe 3

17.5

m tov NAP

17

16.5

16

15.5

15 2008

Figuur 0-12

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Optredende waterpeilen bij Principe 3

De waterbalans is het resultaat van een aantal aannames. Het is bij Principe 3 net als bij Principe 2 mogelijk om de benodigde wateraanvoer naar vak 4 te verminderen. In het kader op pagina 19 staan deze mogelijkheden beschreven. De conclusie is dat ook als alle besparende maatregelen worden genomen er naast water uit het Bargerveen aanvullende wateraanvoer in de zomer noodzakelijk blijven. Grondwater en stijghoogte Bij dit principe is er in de winter voldoende water vastgehouden om in de zomer het westelijke deel van de buffer op zomerpeil 16,5 m NAP te houden. In het oostelijke deel van het gebied zakken de waterstanden in de buffer gedurende de zomerperiode uit. Het verschil met Principe 2 is dat de peilen in de winter in de oostelijke peilvakken allemaal hoger zijn, namelijk 17,5 m NAP. De effecten van de inrichting bij dit principe zijn vergelijkbaar qua ordegrootte met die van Principe 2. De verhoging van de ondiepe grondwaterstanden treedt vooral in de buffer zelf op en direct ten noorden van de buffer in het Bargerveen. Ten zuiden van de buffer verlaagt de grondwaterstand. Dit is als gevolg van de lagere peilen in het landbouwgebied. Deze peilen zorgen er ook voor dat er geen verhoging van de grondwaterstanden in Nieuw Schoonebeek optreden.

In Weiteveen zijn geen effecten te verwachten, met uitzondering van een deel van de bebouwing van de Zuidersloot waar nu nog een lichte grondwaterstandstijging van ca 5 cm wordt berekend. Ook de effecten op de stijghoogte onder het veen geven een vergelijkbaar beeld zoals bij Principe 2. De inrichting van de buffer leidt tot een verhoging van de stijghoogte onder de veenbasis. Hierbij is vooral de verandering van de stijghoogte in de zomerperiode van belang. Dit is te zien op de figuur 3-13. De stijghoogte onder het Bargerveen stijgt met circa 5 tot 75 cm. De grootste stijging treedt op onder invloed van het westelijke deel van de buffer. De uitstraling naar het Bargerveen in het oostelijke deel van buffer is minder hoog, ca 5 tot 50 cm en straalt minder ver uit.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

24

Projectgerelateerd

Figuur 0-13

Voorlopig berekende effecten op stijghoogte onder veenbasis bij inrichting volgens Principe 3

Waterkwaliteit Bij Principe 3 wordt de Buffer grotendeels gevoed met water van mindere kwaliteit vanuit het aanliggende landbouw gebied. Het aandeel schoon water vanuit het Bargerveen is aanmerkelijk kleiner dan bij Principe 1 en 2. Het water uit het aanliggende landbouwgebied is aanmerkelijk voedselrijker dan het water uit het Bargerveen. Naast aanvoer van nutriënten met het water uit de aanliggende landbouwgebieden is ook het risico op vrijkomen van nutriënten uit veenlagen in het landbouwgebied aanwezig. Deze toevoer met nutriënten heeft mogelijk tot gevolg dat de buffer uiteindelijk een plas wordt gedomineerd door algen met weinig waterplanten. Om dit te voorkomen wordt er in ieder geval vanuit gegaan dat de veenlagen worden verwijderd. Om het effect van het in de winter opgepompte water op de waterkwaliteit te bepalen is een nadere analyse noodzakelijk. Door het grote aandeel voedselrijk water bestaat er een grotere kans, dan bij de andere principes, op jaarlijkse algenbloei en troebel water. Om dit te voorkomen kan rekening worden gehouden met de inrichting. Onder andere met voldoende waterdiepte kan het systeem mogelijk robuust worden gemaakt tegen de omslag naar een troebele situatie.

Omdat er veel voedingsstoffen van buiten het gebied worden toegevoegd (eigenlijk ongewenst voor een natuurlijk functionerend systeem) en de kans groter is dat de buffer in een troebele toestand zal raken wordt dit Principe 3 negatief (-) beoordeeld. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen of dit ook daadwerkelijk op zal treden.

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

25

Projectgerelateerd

3.2.4

Overzicht beoordeling water

Water- waterkwaliteit

3.3

Natuur

3.3.1

Principe 1

Principe 1

Principe 2

Principe 3

+

0

-

Natura 2000 Het effect van de buffer op het Natura 2000 gebied is vooral afhankelijk van de hoeveelheid water die in de zomer situatie infiltreert naar de ondergrond. Dit is een gemiddelde zomersituatie circa 50% en in een droge zomer circa 25% ten opzichte van de principes 2 en 3. Doordat aanzienlijk minder water infiltreert, is ook de stijghoogte verhoging aanzienlijk minder. De verhoging kan leiden tot drie situaties: ◼ Toename stijghoogte tot in veenbasis; locaties waar de stijghoogte nog niet in de veenbasis zat, komt deze er nu wel in. ◼ Verhoging stijghoogte in de veenbasis; locaties waar de stijghoogte reeds in de veenbasis zat, komt de stijghoogte er verder in. ◼ Stijging stijghoogte onder de veenbasis; locaties waar de stijghoogte niet in de veenbasis zat en na stijging van de stijghoogte ook niet in komt.

Figuur 0-14 Verandering stijghoogte ten opzichte van veenbasis Principe 1

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

26

Projectgerelateerd

Figuur 3-14 geeft weer waar en hoe de stijghoogte verandert ten opzichte van de veenbasis als gevolg van de inrichting van de buffer conform Principe 1. In tabel 3-1 staat dit in hectares weergegeven. Uit de tabel en de figuur is af te leiden dat door de inrichting van de buffer in ca 19 ha de stijghoogte wel in de veenbasis gaat reiken in de zomer (groen in figuur 3-14). Daarnaast neemt de hoogte van stijghoogte in circa 40 ha veenbasis toe (blauw in de figuur 3-14). Over een totaal oppervlak van circa 450 ha stijgt de stijghoogte maar blijft onder de veenbasis. Een stijging van de stijghoogte is positief omdat dan minder wegzijging naar de ondergrond plaatsvindt. Tabel 0-1 Verandering stijghoogte ten opzichte van veenbasis (ha) in zomersituatie (GLG) Principe 1

Toename stijghoogte in Verhoging stijghoogte veenbasis (ha) in veenbasis (ha) Principe 1

19

Stijging stijghoogte onder veenbasis (ha)

41

453

Bij de inrichting van Principe 1 treedt een verhoging van de stijghoogte in het Bargerveen op. Vooral in de droge zomers wordt een effect bereikt van circa 25 % van het effect ten opzichte van een situatie dat wel de peilen in de zomer hoog blijven. Voor gemiddelde zomers is dat 50%. Hierdoor draagt dit principe beperkt bij aan de ontwikkeling van actieve hoogvenen in het Bargerveen (score ‘0/+’). Stikstofdepositie In totaal zal op basis van eerste grondbalansberekeningen circa 700.000 tot 1,3 miljoen m3 grond worden vergraven, waarbij een groot aantal bewegingen van grondverzetmachines en voertuigen nodig is. Dit heeft stikstokstofdepositie in het Bargerveen tot gevolg, welke het behoud en verbetering van onder andere heischrale graslanden (doelstelling Bargerveen) negatief kan beïnvloeden (score ‘-‘). EHS/ NNN (Natuur Netwerk Nederland) Bij dit principe is in het westelijk deel (de vakken 3 en 4) weinig ruimte voor verschillende natuurtypen/beheertypen, omdat deze delen voor 90 % uit open water bestaan. De delen met open water zijn eigenlijk alleen geschikt voor het beheertype ‘N04.04 Zoete Plas’. De randen van deze vakken kunnen wel verschillende functies bekleden, alleen is hier erg weinig ruimte voor. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het beheertype ‘N05.01 Moeras’ en ‘N05.02 Gemaaid rietland’.

In het oostelijk deel van de buffer ( vakken 2 (70% open water) en 1 (40 % open water)) is meer ruimte voor verschillende beheertypen en daardoor biedt daardoor meer mogelijkheden voor variatie in soorten. De delen die uit open water bestaan zijn geschikt voor het beheertype bijvoorbeeld ‘N04.04 Zoete Plas’. De overgangen tussen open water en hogere stukken grond zijn geschikt voor de beheertypes bijvoorbeeld ‘N05.01 Moeras’. De overige delen zijn geschikt voor allerlei beheertypes bijvoorbeeld N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. De kades zijn bijvoorbeeld geschikt voor het beheertype ‘N12.01 Bloemdijk’. Vanwege de verschillende mogelijkheden voor het realiseren van beheertypen scoort dit principe ‘++’.

3.3.2

Principe 2

Natura 2000 Bij Principe 2 worden de hogere peilen in het westelijk deel van de buffer in stand gehouden. Dit principe heeft een positief effect op de stijghoogte in het Bargerveen. Figuur 3-15 geeft weer waar en hoe de stijghoogte verandert ten opzichte van de veenbasis als gevolg van de inrichting van de buffer conform Principe 2. In tabel 3-2 staat dit in hectares weergegeven. Uit de tabel en de figuur is af te leiden dat door de inrichting van de buffer in circa 81 ha de stijghoogte wel in de veenbasis gaat reiken in de zomer (groen in figuur 3-15). Dit is meer dan vier keer zo veel als bij Principe 1. Daarnaast neemt over een oppervlak van circa 125 ha de stijghoogte in de veenbasis toe (blauw in de figuur 3-15). Over een totaal 26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

27

Projectgerelateerd

oppervlak van circa 810 ha stijgt de stijghoogte maar blijft onder de veenbasis. Dit oppervlak is bijna twee keer zo groot als bij Principe 1. Een stijging van de stijghoogte is positief omdat dan minder wegzijging naar de ondergrond plaatsvindt. Principe 2 draagt daarom positief bij aan de ontwikkeling van actieve hoogvenen in het Bargerveen (score ++).

Figuur 0-15 Verandering stijghoogte ten opzichte van veenbasis Principe 2

Tabel 0-2 Verandering stijghoogte ten opzichte van veenbasis (ha) in zomersituatie Principe 2

Toename stijghoogte in Verhoging stijghoogte veenbasis (ha) in veenbasis (ha) Principe 2

81

Stijging stijghoogte onder veenbasis (ha)

125

810

Stikstofdepositie Het grondverzet is vergelijkbaar met Principe 1. Het grondverzet heeft stikstokstofdepositie in het Bargerveen tot gevolg, hetgeen behoud en verbetering van onder andere heischrale graslanden (doelstelling) negatief kan beïnvloeden (score -). EHS/ NNN (Natuur Netwerk Nederland) De mogelijkheden voor de realisatie van NNN-gebied is vergelijkbaar met Principe 1 en daardoor niet onderscheidend met Principe 1. Zie in bovenstaande tekst de mogelijkheden voor de realisatie van NNNgebied (score ++).

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

28

Projectgerelateerd

3.3.3

Principe 3

Natura 2000 Bij Principe 3 worden net als bij Principe 2 de hogere peilen in het westelijk deel van de buffer in stand gehouden. Daarnaast is er in de winter sprake van hogere peilen in het oostelijk deel van de buffer wat tot extra effect leidt in de directe omgeving van de buffer. Doordat er net iets meer water infiltreert, is het effect op de stijghoogte in de veenbasis groter dan bij Principe 2. Dit principe heeft daarom net als Principe 2 een positief effect op de stijghoogte in het Bargerveen. Figuur 3-16 geeft weer waar en hoe de stijghoogte verandert ten opzichte van de veenbasis als gevolg van de inrichting van de buffer conform Principe 3. In tabel 3-3 staat dit in hectares weergegeven. Uit de tabel en de figuur is af te leiden dat door de inrichting van de buffer in circa 98 ha de stijghoogte wel in de veenbasis gaat reiken in de zomer (groen in figuur 3-16). Dit is circa 5 keer meer als bij Principe 1 en 20% effectiever dan Principe 2. Daarnaast neemt de stijghoogte in circa 175 ha veenbasis toe (blauw in de figuur 3-16). Over een totaal oppervlak van circa 850 ha stijgt de stijghoogte maar blijft onder de veenbasis. Dit is ongeveer vergelijkbaar met Principe 2. Een stijging van de stijghoogte is positief omdat dan minder wegzijging naar de ondergrond plaatsvindt.

Principe 3 draagt daarom positief bij aan de ontwikkeling van actieve hoogvenen in het Bargerveen (score ++).

Figuur 0-16 Verandering stijghoogte ten opzichte van veenbasis Principe 3

26 april 2018

PRINCIPE AFWEGING WATERBEHEER INRICHTING BUFFER ZUID

WATBE3102101100R004F01WM

29

Projectgerelateerd

Tabel 0-3 Verandering stijghoogte ten opzichte van veenbasis (ha) in zomersituatie Principe 3

Toename stijghoogte in Verhoging stijghoogte veenbasis (ha) in veenbasis (ha) Principe 3

98

Stijging stijghoogte onder veenbasis (ha)

175

850

Stikstofdepositie In totaal zal op basis van eerste grondbalansenberekeningen circa 700.000 - 1,7 miljoen m3 grond worden vergraven, waarbij een groot aantal bewegingen van grondverzetmachines en voertuigen nodig is. Dit heeft stikstokstofdepositie tot gevolg in het Bargerveen, welke het behoud en verbetering van onder andere heischrale graslanden (doelstelling) negatief kan beïnvloeden (score -). EHS/ NNN (Natuur Netwerk Nederland) De vier vakken bestaan allemaal voor 90% uit open water. Hierdoor is weinig ruimte voor de realisatie van verschillende beheertypen. De delen met open water zijn eigenlijk alleen geschikt voor het beheertype ‘N04.04 Zoete Plas’. De randen van deze vakken kunnen wel verschillende functies bekleden, alleen is hier erg weinig ruimte voor. Hierbij kan gedacht worden aan het beheertype ‘N05.01 Moeras’ en ‘N05.02 Gemaaid rietland’. De kades om de buffer kunnen worden ingericht als ‘N12.01 Bloemdijk’. Deze variant heeft de minste mogelijkheden voor de realisatie van verschillende natuurbeheertypen (score +).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=a6db6bb2-77fa-4807-8761-8807d2c23971