CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Brief Staatstoezicht Mijnen - Aanvraag veranderingsvergunning locatie - 2 boringen

Informatiebijeenkomst 7 maart 2024, gemeente Emmen30.419 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Binnen de berekende en geprojecteerde geluidscontour bevinden zich geen recreatieve verblijven. Gezien de omgeving beschouw ik het gebied als te categoriseren als landelijk gebied zoals bedoeld in de Handreiking en in het akoestisch rapport. Met de berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus kan worden voldaan aan de in de Handreiking geadviseerde richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Maximaal geluidsniveau (LAmax) Het veroorzaakte maximale geluidniveau overschrijdt niet de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Pagina 19 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

In de vigerende vergunning van 8 april 2014 zijn voorschriften opgenomen die, gelet op de aangevraagde wijziging en hetgeen ik hiervoor heb overwogen ten aanzien van de geluidseisen, niet meer passend zijn. Ik adviseer om in uw besluit voorschriften met geluidsnormen, zoals voorgesteld in bijlage V-1 op te nemen onder gelijktijdige intrekking van de voorschriften uit het besluit van 8 april 2014.

Geur Landelijk beleid Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Ab en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en op grond van het Ab als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Ab uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld. Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen, zijn opgenomen in artikel 2.7a, derde lid, van het Ab. Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe. Voor een aantal branches zijn in het Ab voorschriften opgenomen. Gezien de aangevraagde activiteiten op de inrichting acht ik het niet aannemelijk dat er binnen de inrichting activiteiten plaats vinden welke geur buiten de inrichting kunnen veroorzaken. Ik acht het daarom niet noodzakelijk om voor dit aspect voorschriften op te nemen.

Lucht Toetsingskader Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de BBT en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wm. Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Ab (afdeling 2.3). Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Het Ab biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels. Pagina 20 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Ongewone voorvallen In artikel 17.2, eerste lid van de Wm is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld.

Pagina 21 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Bijlage B-2 Beoordeling conform LAP3 (Eural) en toetsing BBT Algemene toelichting injectiewater De door de NAM aangevraagde injectie van afvalwater is afkomstig uit de oliewinning uit het Schoonebeek-olieveld. Tijdens de winning van olie op de oliewinlocaties komt een mengsel van olie, gas en productiewater naar boven. Dit mengsel wordt in de olie-behandelingsinstallatie (OBI) in een aantal processtappen van elkaar gescheiden. Het in de OBI afgescheiden water wordt via een ondergrondse transportleiding afgevoerd naar de-inrichtingen SCH-447, SCH-313 en indien nodig ook naar SCH-580. Op deze locaties wordt het water geïnjecteerd in de diepe ondergrond van het Schoonebeek gasveld. Om het water te kunnen injecteren wordt middels voorliggende aanvraag de inrichting SCH-447 uitgebreid met de benodigde waterinjectiefaciliteiten. Aangevraagd is het storten i.c. injecteren van een afvalwaterstroom met de Eural-classificatie code 16.10.02 in de diepe ondergrond. Dit betreft een afvalwaterstroom die als niet-gevaarlijk wordt geclassificeerd.

Toetsingskader Mengen In hoofdstuk 3.1.3 van het LAP3 wordt het mengen van afvalstoffen beschreven. In het LAP wordt onder ‘mengen’ verstaan: het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties van aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn alsook het samenvoegen van afvalstoffen met andere stoffen dan afvalstoffen. Mengen betreft in elk geval het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieën, waaronder ook het verdunnen van afvalstoffen. Maar ook bij het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie kan sprake zijn van niet vergelijkbare afvalstoffen en dus van mengen. Bij het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties aanwezige componenten wél vergelijkbaar zijn spreken we niet van mengen maar van ‘opbulken’. Dit komt met name voor bij afvalstoffen die afkomstig zijn uit eenzelfde productieproces en/of van eenzelfde type werk. Het gaat dan sowieso om afvalstoffen die vallen onder dezelfde afvalcategorie. Het mengen van afvalstoffen is in de basis een vergunningplichtige activiteit. Hierop zijn wel enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld als de afvalstof qua aard en samenstelling gelijk is. In hoofdstuk 6.2.1.3 van de toelichting bij de aanvraag is de herkomst van het afvalwater (en daarmee van het te injecteren afvalwater) beschreven.

Het te injecteren afvalwater bestaat volgens de aanvraag uit de onderstaande deelstromen: • Formatiewater wat van nature aanwezig is in de diepe ondergrond; • Gecondenseerd stoom wat samen met het formatiewater en olie wordt geïnjecteerd; • Mijnbouwhulpstoffen die gebruikt worden bij de winning en de behandeling van de gewonnen olie en aardgas (deels andere locatie) • Waswater waar mijnbouwhulpstoffen aan zijn toegevoegd • Teruggeproduceerde operationele vloeistoffen ten behoeve van onderhoud oliewinning - en waterinjectielocaties. Van deze lijst van te onderscheiden stromen komen de eerste drie stromen gezamenlijk met de olie uit de oliewinningslocaties. In de aanvraag wordt deze samengestelde stroom ‘productievloeistof’ genoemd die via pijpleiding naar de OBI wordt gevoerd. Op de OBI wordt in behandelingsstappen de olie van de andere stromen gescheiden. Bij een van deze stappen wordt waswater toegevoegd. Pagina 1 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Uit de totale behandeling op de OBI, waaruit olie wordt gescheiden, ontstaat de afvalwaterstroom. Deze afvalwaterstroom wordt via een pijpleiding naar de inrichting SCH-447 gevoerd en vormt daar de injectiewaterstroom. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat geen sprake is van het mengen van afvalstoffen binnen de inrichting.

Toetsingskader afval volgens LAP3 en Eural Doordat vanuit een andere inrichting (de OBI) het injectiewater naar de inrichting SCH-447 wordt gebracht, dient getoetst te worden of de inrichting SCH-447 aangemerkt moet worden als (afval)verwerker c.q. -inzamelaar. Dat betekent allereerst dat het injectiewater beoordeeld moet worden om te bezien of sprake is van een (gevaarlijke) afvalstof. Vanuit de Wabo dient het injectiewater getoetst te worden aan het LAP3 en de daarin opgenomen criteria voor (gevaarlijk)afval en mogelijk voorgeschreven verwerkings- en verwijderingsroutes. Het onderscheid tussen gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval en de omschrijving van veel soorten afvalstoffen is vastgelegd in de Europese afvalstoffenlijst (Eural). Hierin staat een overzicht van codes voor alle afvalstoffen die wel of niet gevaarlijk zijn. Door het toekennen van de juiste Euralcode aan een afvalstof krijgt het afval een eenduidige omschrijving en is vastgelegd of het afval gevaarlijk of niet gevaarlijk is. In de aanvraag is de (gemiddelde) samenstelling van het te injecteren water opgenomen evenals een toetsing welke Eural-code van toepassing is op het injectiewater.

Beoordeling van het afvalwater van de oliewinning conform de Eural-classificatie De Eural-classificatie van het injectiewater is opgenomen in de aanvraag (rapport Eural classificatie Schoonebeek Injectiewater afkomstig van oliewinning, kenmerk ECR00332-WP0023 d.d. 25-1-2024 van WastePoint). De Eural classificatie is uitgevoerd conform de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de door het Ministerie van I&W uitgegeven ‘Handreiking Eural’ (2019). Hierdoor is inzichtelijk gemaakt via welke stappen de conclusies in het rapport worden getrokken. In het rapport is de Eural classificatie uitgevoerd op basis van de in de handreiking gegeven stappen 1-2 en 3 t/m 9. Beoordeling van de stappen 1 en 2 Stap 1a van deze beoordeling betreft de vraag: is de bron van de afvalstroom te plaatsen in hoofdstuk 1 tot met 12 of 17 tot en met 20 van de Eural codering? Uit het rapport blijkt dat bij de OBI geen sprake is van afval dat valt in bovengenoemde hoofdstukken maar afkomstig is van scheidingsprocessen op de OBI (“w ater afkomstig van het proces van scheiding van het mengsel van olie en water”). Hiermee is expliciet geen sprake van afval afkomstig van raffinage (hoofdstuk 5 van de Eural-classificatie). Op die grond is hoofdstuk 5 niet van toepassing op de bron, noch de andere hoofdstukken c.q. Eural-categorieën zoals genoemd in stap 1a.

Beoordeling stappen 3 t/m 9 In de volgende stap van de Eural-classificatie komt het criterium naar voren of de bron van de afvalstof te vinden in de hoofdstukken 13, 14 of 15. Het betreft hier respectievelijk olie-afval &

Pagina 2 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

afval van vloeibare brandstoffen, afval van organische oplosmiddelen en verpakkingsafval. Uit het rapport blijkt dat deze hoofdstukken niet van toepassing zijn op de afvalstroom. De afvalstroom is wel te plaatsen in hoofdstuk 16 (niet elders in de lijst genoemd afval) van de Eural-classificatie. Conform het stappenplan dient vervolgens bepaald te worden of sprake is van een gevaarlijke of niet-gevaarlijke complementaire categorie. Ten behoeve van deze bepaling heeft de aanvrager diverse analyseresultaten, die gedurende meerdere jaren zijn verzameld, gebruikt als toelichting en onderbouwing. In het rapport is tot het vereiste detailniveau de beoordeling uitgevoerd. Conclusie Eural-classificatie SodM onderschrijft de conclusie in het rapport dat de Eural-grenswaarden niet worden overschreden en dat sprake is van niet-gevaarlijk afval. Het injectiewater dient te worden aangemerkt met de Eural-code 16 10 02.

Bepaling grenswaarden waterinjectie Waterinjectie van gaswinning Binnen de inrichting vindt reeds waterinjectie plaats van afvalwater dat vrijkomt bij de winning van aardgas. Deze activiteit is vastgelegd in de vigerende vergunningen van de NAM voor de inrichting en vindt plaats via de injectieput SCH597. Dit gas-injectiewater is op basis van de Eural te kwalificeren als ‘waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt’ (Eural code 16.10). De concentraties van de stoffen die aanwezig zijn in dit gas-injectiewater en die in het gasveld mogen worden terug-geïnjecteerd zijn reeds vergund. Ten behoeve van de voorliggende aanvraag zijn deze grenswaarden door de aanvrager opnieuw getoetst aan de Eural, de resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport met kenmerk ECR00332-WP0023, d.d. 24-1-2024 van WastePoint. Daarnaast is gecontroleerd of de huidige en in de toekomst te verwachten waarden van de injectiewaterstroom onder deze grenswaarden blijft. De Eural-grenswaarden voor “gevaarlijk afval” worden niet overschreden, waarmee het injectiewater afkomstig van de gaswinning als nietgevaarlijke afvalstof is te classificeren (Eural code 16.10.02), conform de vigerende vergunning.

Aangevraagde grenswaarden van stoffen bij waterinjectie Het productiewater dat opgepompt wordt uit de diepe ondergrond bestaat uit een mengsel van water en olie en zal van nature gedurende de tijd fluctueren in samenstelling en concentraties van aanwezige stoffen. Dat betekent dat het proces van scheiding van de olie en het water in de OBI in Schoonebeek continue gemonitord en waar nodig bijgestuurd wordt. De fluctuaties in samenstelling hebben logischerwijs ook tot gevolg dat het in de OBI afgescheiden water fluctueert qua samenstelling en concentraties van stoffen. Uit de aanvraag en rapportages blijkt dat de samenstelling en concentraties van stoffen in het injectiewater afkomstig van de oliewinning lager zijn dan die van de stoffen in het injectiewater afkomstig van de gaswinning. De aanvrager heeft verzocht om de maximale concentraties van stoffen voor de waterinjectie afkomstig van de oliewinning gelijk te stellen aan de maximale concentraties van stoffen van het injectiewater afkomstig van de gaswinning.

Pagina 3 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Toetsing en controle aangevraagde grenswaarden stoffen waterinjectie Uit de Wet milieubeheer (Wm) vloeit voort dat geen hogere emissie(waarden) mogen worden toegestaan door het bevoegd dan aangevraagd c.q. mogelijk zijn door het toepassen van de best beschikbare technieken voor emissiereductie. Uit toetsing op het aspect BBT is gebleken dat geen noodzaak bestaat tot het toepassen van emissie reducerende technieken (zie ook de paragraaf Toetsing van waterinjectie als Best Beschikbare Techniek (BBT) in mijn advies). Het in uw besluit vastleggen van hogere concentraties aan stoffen die voorkomen in het injectiewater afkomstig van de oliewinning (emissie) tot het niveau van concentraties zoals de stoffen aanwezig zijn in het injectiewater van de gaswinning, is dan ook niet mogelijk op grond van de Wm. Inhoudelijk gezien acht SodM de risico’s, waar het gaat om fluctuerende en soms verhoogde concentraties van stoffen in het olie-injectiewater, echter verwaarloosbaar doordat de stoffen reeds van nature voorkomen in de diepe ondergrond en terug-geïnjecteerd worden. Gelet op de aangevraagde activiteiten is de beperkende c.q. begrenzende factor hierbij de injectie van waterig afval dat niet gevaarlijk is en wat bij een hogere concentratie mogelijk wel als gevaarlijk afval geclassificeerd zou kunnen worden.

SodM stelt dan ook voor om de begrenzing van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen als harde grens en voorwaarde op te nemen in uw besluit; de aanvraag ziet immers alleen toe op het injecteren van niet-gevaarlijk afval. Concreet betekent dit dat alleen het verwerken van injectiewater, afkomstig van de oliewinning op de OBI, met Euralcodering 16.10.02 (niet-gevaarlijk) afval, in een voorschrift wordt vastgelegd. Ik heb daartoe voorschriften voorgesteld in bijlage V-1. Daarnaast adviseert SodM om de grens “wel of niet gevaarlijk afval” dat geïnjecteerd wordt door de aanvrager te laten monitoren. Hiervoor is een monstername- en analysestrategie bij de aanvraag gevoegd van waar SodM mee in kan stemmen. Op deze wijze is een “stoplicht-systeem” voor de injectie van niet-gevaarlijk afval en emissies in de reguliere c.q. representatieve bedrijfssituatie van waterinjectie geborgd. Middels de voorschriften zoals voorgesteld in bijlage V-1 kan adequaat toezicht worden gehouden op de concentraties van stoffen in het injectiewater en het feit dat geen andere afvalstroom (gevaarlijk afval) geïnjecteerd wordt.

Mijnbouwhulpstoffen in proces van waterinjectie In het totale proces van oliewinning en waterinjectie worden op diverse momenten in het proces hulpstoffen gebruikt die noodzakelijk zijn in het proces ten behoeve van oliescheiding, onderhoud, continuïteit en veiligheid van waterinjectie. Deze mijnbouwhulpstoffen komen in de stroom met het injectiewater mee en worden in de diepe ondergrond mee-geïnjecteerd. Het gebruik van deze mijnbouwhulpstoffen dient zo minimaal mogelijk te zijn aangezien deze niet van nature voorkomen in de ondergrond. In de aanvraag is opgenomen dat een minimale hoeveelheid aan mijnbouwhulpstoffen zal worden toegepast en dat hiertoe een continue minimalisatieprogramma wordt gehanteerd in de bedrijfs- en procesvoering. De voorliggende aanvraag ziet toe op specifiek binnen de inrichting toegevoegde mijnbouwhulpstoffen of stoffen die kunnen deze vrijkomen bij onderhouds- en inspectiewerkzaamheden aan de twee injectieputten. Na afloop van de werkzaamheden worden deze locatie-eigen stoffen en -stromen mee-geïnjecteerd in de diepe ondergrond. Het betreft hier dus expliciet niet het aanvoeren van afvalstromen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, no ch van het mengen van afvalstromen binnen de inrichting.

Pagina 4 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Om adequaat toezicht op de aard en hoeveelheden van deze mee-geïnjecteerde mijnbouwhulpstoffen mogelijk te maken adviseert SodM de voorschriften aan uw besluit te verbinden zoals voorgesteld in bijlage V-1.

Toetsing van waterinjectie als Best Beschikbare Techniek (BBT) In juni 2019 is door de EU een Best Beschikbare Techniek (BBT) voor de verwerking van productiewater vastgesteld [Best Available Techniques Guidance Document on upstream hydrocarbon exploration and production, Final Guidance Document – Contract No. 070201/2015/706065/SER/ENV.F.1]. Hierin is in hoofdstuk 15.3 een voorkeursvolgorde voor de verwerking van productiewater aangegeven: 1. Minimaliseren van de hoeveelheid productiewater, bijvoorbeeld door het herinjecteren; 2. Herinjecteren tijdens productiefase via een hiervoor bestemde injectieput en in een daarvoor beschikbare en geschikte ondergrondse geologische formatie; 3. Behandelen van water door het verwijderen van stoffen zodat de waterkwaliteit voldoet aan lozingsnormen. Vanuit dit Guidance-document wordt waterinjectie als BBT voor verwerking van productiewater gekenmerkt. Herafweging verwerking productiewater Bijlage M10 van de vergunningaanvraag bevat het rapport “herafweging verwerking productiewater Schoonebeek, kenmerk BF5299I&BRP001F01/Definitief/01” van 27 juni 2022. Het rapport is opgesteld in het kader van een vergunningvoorschrift voor de waterinjectie in Twente van dezelfde waterinjectiestroom van de OBI.

Het desbetreffende vergunningvoorschrift ziet er op toe dat de NAM eens per zes jaar moet onderzoeken of het injecteren in de ondergrond van injectiewater dat vrijkomt bij de scheiding van olie en water in het productieproces van olie, nog steeds de meest geschikte verwijderingsmethode ofwel BBT is. Het rapport inzake de herafweging is opgesteld aan de hand van de voorgeschreven CE-afwegingsmethodiek en heeft een ontstaansgeschiedenis vanuit het LAP3 en de in het verleden uitgevoerde Milieu Effecten Rapportage (MER). Hoewel het onderzoek voortvloeit uit een andere vergunning en een andere injectielocatie (Twente) betreft dan de voorliggende aanvraag, is het exact dezelfde waterinjectiestroom afkomstig van de OBI. Het onderzoek geeft een brede kijk op mogelijke verwerkingstechnieken en bijbehorende aandachtsgebieden. SodM oordeelt dan ook dat het rapport toepasbaar is als BBT-afweging van de aangevraagde waterinjectie op locatie SCH-447. De uitkomst van de herafweging is dat injectie van de waterstroom op dit moment voor het water afkomstig van de oliewinning in Schoonebeek nog steeds de beste manier van verwerken is. Zuivering en bovengrondse opslag van deze stroom en eventuele restproducten leveren meer milieueffecten op. SodM onderschrijft deze conclusie waarmee de aangevraagde waterinjectie als BBT wordt aangemerkt.

Herbeschouwing van BBT SodM hecht aan nieuwe inzichten en (best beschikbare) technieken die vereisen dat een activiteit (zoals waterinjectie) op zichzelf verbeterd wordt of de activiteit zelf opnieuw overwogen wordt. Vanuit die optiek vindt SodM het belangrijk om de vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen (conform de grondslag van de aanvraag) maar de aangevraagde situatie met waarborgen en rechtszekerheid niet voor onbepaalde tijd te laten zijn. De wet- en regelgeving biedt hiervoor mogelijkheden zoals periodieke actualisatie en de mogelijkheid tot het ambtshalve wijzigen van Pagina 5 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

vergunningen. Die instrumenten dragen bij aan het actueel houden van vergunningen die dekkend en toereikend zijn, mede gezien de ontwikkelingen op het gebied van technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de veiligheid, inclusief (herziene) BBT-conclusies. Advies herbeschouwing productiewater Uit het rapport “herafweging verwerking productiewater Schoonebeek”, blijkt dat op het gebied van de identificatie van zuiveringstechnieken meer onderzoek nodig is om de lijst met alternatieven te kunnen uitbreiden. Om lopende en toekomstige onderzoeken alsmede de innovatiebehoefte van de NAM de ruimte te geven maar het risico van vrijblijvendheid te voorkomen, is het van belang om verwerkingstechnieken als best beschikbare techniek regelmatig opnieuw in ogenschouw te nemen. Hierbij ligt primair de focus op de technische ontwikkeling van verwerkingstechnieken ter verbetering of vermindering van de waterinjectie en bijbehorende milieubelasting. Naast het belang van resultaten uit (lopende) onderzoeken en technische ontwikkelingen, mede in relatie tot artikel 2.30 lid 1 van de Wabo juncto artikel 5.10 lid 1 en 2 van het Bor, hecht SodM aan het omgevingsperspectief. SodM adviseert daarom een periodieke herbeschouwing van verwerkingstechnieken (best beschikbare technieken) voor de waterinjectie aan uw besluit te verbinden.

SodM benadrukt dat een herbeschouwing ondersteunend is om voortschrijdend inzicht in deze technieken een plek te geven en het perspectief van de omgeving daarbij te betrekken. Hierbij zal veel minder moeten worden geleund op eerdere herafwegingen en de in het verleden uitgevoerde Milieu Effecten Rapportage (MER). Het doel van deze herbeschouwing is namelijk mede om informatie uit het verleden opnieuw te beoordelen op basis van voortschrijdend inzicht en (technische en/of omgevings) ontwikkelingen. Verder moeten geïdentificeerde technieken worden toegepast op verschillende alternatieven. De herbeschouwing is aanvullend op de wettelijke mogelijkheden voor periodieke actualisatie en het ambtshalve wijzigen van vergunningen. SodM adviseert het voorschrift daartoe op te nemen zoals voorgesteld in bijlage V-1 van dit advies. De reeds uitgevoerde herafweging(en) hebben aangetoond dat er beperkte ontwikkelingen zijn van nieuwe verwerkingstechnieken. SodM adviseert daarom de herbeschouwing eens in de acht jaar uit te laten voeren of zoveel eerder als ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.

Onderzoek en minimalisatie mijnbouwhulpstoffen De NAM heeft het voornemen om te blijven onderzoeken hoe de afvalwaterverwerking beter en schoner kan. SodM onderschrijft het belang van deze onderzoeken. De NAM heeft in de aanvraag (herafweging) opgenomen dat er lopende onderzoeken zijn naar de mogelijkheden tot substitutie of reductie van hulpstoffen. Voor de mijnbouwhulpstoffen biocide en emulsiebreker wordt door NAM, in samenwerking met de leverancier van deze hulpstof, onderzoek gedaan naar biologische afbreekbaarheid. Voor de H 2S-binder wordt met behulp van zogenaamde ozon skids onderzocht of de H 2S-binder afgebroken kan worden. Hiervoor zal een test worden uitgewerkt. Verder wordt door te kiezen voor betere niet-corrosiegevoelige materialen de toepassing van anticorrosie middelen geminimaliseerd. Het reductie- en substitutie-programma heeft de NAM tevens geborgd in een managementplan. SodM adviseert voorschriften op te nemen zoals voorgesteld in bijlage V-1 van dit advies om toezicht op dit managementplan te waarborgen en zo milieurisico’s te verminderen.

Pagina 6 van 6

Bijlage B.3 Advies ambtshalve wijziging van bestaande besluiten en voorschriften In de vigerende vergunningen zijn voorschriften opgenomen die niet meer actueel zijn gezien het voortschrijdend inzicht en de ontwikkelingen in wet- en regelgeving. Nu de NAM een veranderingsvergunning heeft aangevraagd, worden de risico’s voor mens en milieu, voortkomend uit de vigerende vergunning(en), niet volgens de stand der techniek gereguleerd. SodM adviseert het ambtshalve wijzigingen van diverse voorschriften uit de vergunning van 2014, om de veiligheidsrisico’s voor mens en milieu te minimaliseren. De voorschriften uit 2014 sluiten niet aan op de voorschriften van vandaag de dag die gebaseerd zijn op de meest recente inzichten, technieken, BBT en actuele wet- en regelgeving, bijvoorbeeld voorschrift D.1 (PGS-15). Bovendien zijn diverse voorschriften uit het besluit van 2014 niet toepasbaar op de nu aangevraagde situatie als gevolg van specifieke koppelingen met daaronder onderliggende vergunningaanvraag. Ik verwijs naar bijvoorbeeld voorschrift A.1 (specifieke tekening), A.5 en A.6 (Arbo mag niet geregeld worden in Wabo vergunning), C.6 en C.7 (fakkel verwijderd), C.8 (NeR is vervallen) en G.1 t/m G.3 (verlopen MJA).

In dit verband wijs ik ook op het dictum van het besluit van 8 april 2014 waarin is opgenomen dat de aanvraag, inclusief alle bijlagen van destijds, onderdeel uit maken van het besluit. Als gevolg van de voorliggende en diverse andere (milieuneutrale) wijzigingen binnen de inrichting en het niet expliciet intrekken van onderdelen van het dictum van 2014 ontstaat een onoverzichtelijk en ongewenst complexe situatie. Ook het feit dat voor de aangevraagde activiteiten een VVGB door de Provincie Drenthe noodzakelijk is, naast de reeds verleende VVGB, werkt complicerend. Ik adviseer daarom de voorschriften van de vigerende vergunning, gelijk met de voorliggende aanvraag en in lijn met het Actualisatieproject-Milieuversterkingsprogramma, deels direct ambtshalve te actualiseren en een heldere wijziging van het dictum van onder andere het besluit van 8 april 2014. Hieronder treft u daartoe mijn voorstel inzake de PGS-15 alsmede aanvullende adviezen.

Advies aanpassing voorschrift opslag gevaarlijke stoffen In voorschrift D.1 van de vigerende vergunning van 8 april 2014 is verwezen naar de PGS 15:2011 versie 1.1. van december 2012. Op basis van de bij dat besluit behorende vergunningaanvraag zijn binnen de inrichting gevaarlijke stoffen aanwezig van de ADR-klassen 2, 3 (verpakkingsgroep II en III) en 9 (verpakkingsgroep III). Deze versie van de PGS 15 is inmiddels herzien naar versie 1.0 d.d. 1-9-2016, welke in het Mor is aangewezen als BBT document (Best Beschikbare Technieken). Geconstateerd is dat de vergunning van 8 april 2014 teveel milieuruimte biedt ten opzichte van de onderliggende aanvraag. Zo is de opslag van stoffen in de ADR-klassen 5.1, 6.1 en 8 op basis van voorschrift D.1 toegestaan terwijl dat destijds niet is aangevraagd. Ik adviseer daarom de vergunning van 8 april 2014 ambtshalve aan te passen en de PGS 15 versie 1.0 van 2016 van toepassing te laten zijn. Voor de relevante onderdelen van deze richtlijn heb ik in bijlage V-1 (Opslag van verpakte (afval)gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen, opslag tot 10.000 kg, niet injectiewater) voorschriften voorgesteld om (ambtshalve) aan uw besluit te verbinden onder gelijktijdige intrekking van voorschrift D.1.

Advies waterinjectie put SCH-597 Put SCH-597, gebruikt voor de injectie van water afkomstig van de gaswinning, is tijdelijk buiten gebruik. Ik adviseer u om, indien deze put weer gebruikt gaat worden voor injectie van water van de gaswinning, ook voor deze activiteit een AV- en AO/IC-beleid op te laten stellen door de NAM en te borgen in een vergunning. Ik verwijs hierbij naar artikel 2.14, eerste lid, onder a onder 3 van de Wabo.

Pagina 1 van 2

Advies fakkelinstallatie F-23/24 Middels de milieuneutrale wijziging van 8-5-20129 met kenmerk DGKE-WO / 19117739 is het beëindigen van (onder andere) deze fakkel-activiteit reeds geformaliseerd. In de voorliggende aanvraag (bijlage T2, plattegrondtekening) is opgenomen dat fakkel F-23/24 buiten gebruik is. In de akoestische rapportage met kenmerk 6771-447/NAA/jv/ft/4 d.d. 15 februari 2023 is de fakkel nog als geluidsbron opgenomen in bijlage 5. De projectie van fakkel F-23/24 geeft dus een strijdig beeld met het overige deel van de vergunningaanvraag en het eerder genomen besluit. Ik adviseer in uw besluit aandacht te besteden aan deze situatie door deze activiteit, het gebruik van fakkel F-23/24, expliciet te benoemen als niet toegestane activiteit. Het fakkelen is slechts toegestaan (en ook als zodanig uitgewerkt in de andere akoestische rapportages) voor zover dat een strikt noodzakelijk verband heeft met het boren en de aanleg danwel onderhouden van de twee nieuwe waterinjectieputten SCH-4473 en SCH-4474.

Advies Actualiteit QRA en Ruimtelijke Ordening (Omgevingswet) Als gevolg van de diverse wijzigingen binnen de inrichting is de QRA behorend bij het besluit van 8 april 2014 niet meer actueel. Als bevoegd gezag dient uw besluit gebaseerd te zijn op actuele gegevens en rapportages. Het gebruik van oude rapportages in besluiten dient daar waar van toepassing uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. Gelet op de diverse wijzigingen binnen de inrichting neemt de inrichting, op basis van de QRA uit het besluit van 8 april 2014, wellicht meer milieuruimte in dan noodzakelijk en gewenst. Specifiek verwijs ik daarbij naar het vigerende bestemmingsplan “Emmen Buitengebied” (NL.IMRO.0114.2013025-B701) waarin een generieke risicocontour (cirkel) van 70 meter is opgenomen voor de inrichting,. Het middelpunt van die cirkel is daarbij op een punt gelegd waar niet noodzakelijkerwijs het grootste risico zich voordoet en die afwijkt van bijlage T9. De PR contour in bijlage T9 is geheel anders van vorm, ligging en middelpunt als waaraan gerefe reerd wordt in het bestemmingsplan “Emmen Buitengebied”. Hierdoor lijkt sprake van een vergunning die strijdig is met het bestemmingsplan. Ik adviseer daarom de aanvraag, indien noodzakelijk, aan te laten vullen met het Wabo-onderdeel “afwijken/strijdigheid bestemmingsplan” of de mogelijke strijdigheid in een andere procedure te behandelen.

Van belang hierbij is tevens de milieuruimte van de camping “Emmen”, gelegen aan de Bultweg 7 te Schoonebeek. Op basis van de mij beschikbare gegevens lijken de inrichtingsgrenzen van de camping zodanig van omvang dat deze binnen de 10 -6 contour is gelegen. Ik adviseer u dan ook de vigerende vergunning(en) danwel meldingen op grond van het Ab van deze inrichting bij het bevoegd gezag op te vragen en te raadplegen.

Advies intrekking voorschrift gasbehandeling Doordat het gasbehandelingsproces als activiteit binnen de inrichting is beëindigd adviseer ik om de toestemming voor die activiteit en het bijbehorende voorschrift B.8 (ambtshalve) in te trekken.

Advies SCH-447 in relatie tot de inrichtingen SCH-313 en SCH-580 In de vergunningaanvraag is op diverse plekken (o.a. akoestische rapportages met de kenmerken 6771-BW/NAA/jv/ft/2 en 6771-447/NAA/jv/ft/3) tevens het uitvoeren van boringen binnen de inrichtingen SCH-313 (Katshaarweg) en SCH-580 (Valendisweg) opgenomen. Het overige deel van de aanvraag voorziet niet in het uitvoeren van boringen binnen de inrichting SCH -580. In bijlage A1 (toelichting aanvraag) wordt dit ogenschijnlijk zelfs expliciet uitgesloten. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit ziet eveneens toe op de mogelijkheid tot het uitvoeren van boringen binnen de inrichtingen SCH-313 en SCH-580. Teneinde onduidelijkheid in uw besluit of via de bijlagen van uw besluit te voorkomen, adviseer ik u aandacht te besteden aan dit aspect en niet meer milieuruimte toe te staan dan aangevraagd (boren 2 putten op locatie SCH-447).

Pagina 2 van 2

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Bijlage V.1 Voorschriften (Wabo – Milieu) Voorschriften Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereer ik naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Ab, de Ar, het Bor, het Bevi, Mijnbouwwet etc.) Begrip

Bodemincident

Brandbare (vloei)stof

Brandgevaarlijke stof Geluidsgevoelige bestemmingen Hemelwater Huishoudelijk afvalwater

Installaties

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Maximaal geluidsniveau (LAm ax)

Definitie Een incident waarvan op voorhand een redelijk vermoeden bestaat dat vrijgekomen stoffen de bodem zullen verontreinigen, dan wel een incident waarna door middel van lekdetectie of anderszins is vastgesteld dat bodemverontreiniging is opgetreden. Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1.van het ADR. Een vloeistof die , in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt. Vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen 2 t/m 5. Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465). Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel. Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens. Die onderdelen van de inrichting, die als een zelfstandige eenheid kunnen worden beschouwd. Installaties kunnen met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld via pijpleidingen.

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit

Pagina 1 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162):

NEN 5744

Ongewoon voorval

Procesinstallaties

NEN 5744:2011 + A1: 2013 Bodem- Monsterneming van grondwater, maart 2011; Elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten - met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de inrichtingen alsook ongelukken en calamiteiten – en waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan. Installaties waarin processen en andere handelingen worden uitgevoerd, inbegrepen de direct hiertoe behorende installaties voor de terugwinning, zuivering en/of vernietiging van producten, afvalstoffen, afvalwater en afvalgassen en voor tussenopslag van deze stoffen of voor de beveiliging

MoC

Magnitude of Completeness

Vergunninghouder

Drijver van de inrichting

Referentieniveau

Toezichthouder

het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf; het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq ) veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode. Staatstoezicht op de Mijnen Postbus 24037 2490 AA Den Haag Website: www.sodm.nl E-mail: omgevingsloket@sodm.nl telefoon: 070 – 379 8400

Pagina 2 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

1

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1

Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

1.1.1

Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

2

AFVALSCHEIDING EN -OPSLAG (NIET INJECTIEWATER)

2.1.1

Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: a. papier en karton; b. hout; c. elektrische en elektronische apparatuur; d. kunststoffolie en plastics; e. gevaarlijke afvalstoffen.

2.1.2

De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

2.1.3

De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

2.1.4

Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

3

BODEMKWALITEIT

3.1

Eindonderzoek

3.1.1

Binnen drie maanden na beëindiging van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resultaten moeten uiterlijk 1 maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan de Toezichthouder en het bevoegd gezag zijn overgelegd. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatie-onderzoek onderzochte locaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatie-onderzoek, mits dat onderzoek correct is uitgevoerd. Als het nulsituatie-onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het

Pagina 3 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

eindonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. 3.1.2

Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.

3.2

Herstelplicht

3.2.1

Indien uit het eindonderzoek, bedoeld in voorschrift 3.1.1, blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na toezending van dat rapport danwel binnen een met de Toezichthouder en het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie zoals vastgelegd in een nulsituatie-onderzoek danwel tot de achtergrondwaarde (AW2000).

3.2.2

Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

3.3

Grondwatermonitoring

3.3.1

Monitoring (bemonstering en analyse) van het grondwater vindt plaats op basis van alle binnen de inrichting gebruikte en in gebruik zijnde stoffen.

4

GELUID

4.1

Algemeen

4.1.1

Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

4.2

Representatieve bedrijfssituatie

4.2.1

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L Ar,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt

Rijksdriehoek-

Langtijdgemiddeld

en omschrijving

coördinaten (x; y)

beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A)

1. Bultweg 5

255776,89; 521312,03

Dag

Avond

Nacht

07.00

19.00

23.00

-

-

-

19.00

23.00

07.00

uur

uur

uur

19

18

18

Pagina 4 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

2. Bultweg 7

255820,52; 521301,01

19

18

18

3. Duitslandlaan

256248,73; 521244,11

19

18

18

255891,85; 521543,64

26

25

25

5. Camping 2

255899,05; 521466,90

23

23

23

6. Camping 3

255957,41; 521465,66

25

25

25

35 4. Camping 1; Emmen

De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is respectievelijk 5 meter voor de woningen en 1,5 meter voor de camping. 4.2.2

Het maximale geluidsniveau L Am ax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt

Rijksdriehoek-

Maximale

en omschrijving

coördinaten (x; y)

geluidsniveau LAm ax in dB(A) Dag

Avond

Nacht

07.00

19.00

23.00

-

-

-

19.00

23.00

07.00

uur

uur

uur

1. Bultweg 5

255776,89; 521312,03

40

15

15

2. Bultweg 7

255820,52; 521301,01

40

16

16

3. Duitslandlaan

256248,73; 521244,11

41

13

13

255891,85; 521543,64

48

24

24

255899,05; 521466,90

48

22

22

35 4. Camping 1; Emmen 5. Camping 2

6. Camping 3 255957,41; 521465,66 46 21 21 De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is respectievelijk 5 meter voor de woningen en 1,5 meter voor de camping.

5

OPSLAG VAN VERPAKTE (AFVAL)GEVAARLIJKE STOFFEN (PGS 15 OPSLAGEN, OPSLAG TOT 10.000 KG, NIET INJECTIEWATER)

5.1.1

De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen die vallen onder de ADR-klassen zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15 (versie 1.0, september 2016): a. 3.1.1 tot en met 3.1.5; b. 3.2.1 tot en met 3.2.13; c. 3.3.1 tot en met 3.3.4; Pagina 5 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

d. 3.4.1 tot en met 3.4.7; e. 3.4.8; f. 3.4.9 tot en met 3.4.11; g. 3.5.1 tot en met 3.5.3; h. 3.6.1; i. 3.7.1 tot en met 3.7.8; j. 3.10.1; k. 3.11.1 tot en 3.11.3; l. 3.12.1; m. 3.13.1 tot en met 3.13.3; n. 3.14.1 en 3.14.2; o. 3.15.1; p. 3.16.1; q. 3.17.1 tot en met 3.17.3; r. 3.18.1; 5.1.2

De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaats vinden en moet, voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 15: a. 6.1.1 tot en met 6.2.19; b. 6.3.1 tot en met 6.3.6.

6

OVERIGE GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN, OPSLAG BIOCIDE IN BOVENGRONDSE TANKINSTALLATIES (PGS 31)

6.1.1

De opslag van (overige) gevaarlijke vloeistoffen die vallen onder de ADRklassen zoals genoemd in de richtlijn PGS 31 moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagtanks plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 31 (versie 1.1, oktober 2018): a. 2.2.1 tot en met 2.2.23; b. 2.2.26 tot en met 2.2.32 en 2.2.32; c. 3.1.1 tot en met 3.2.20; d. 5.2.1 tot en met 5.3.7 met uitzondering van voorschrift 5.3.1; e. 5.4.2 tot en met 5.4.4; f. 5.6.1 tot en met 5.8.1; g. 6.2.1 tot en met 6.8.3 met uitzondering van de voorschriften 6.5.2, 6.5.3, 6.5.5, 6.5.6 en 6.6.1.

7

ACCEPTATIE VAN AFVALSTOFFEN (INJECTIEWATER, EURAL)

7.1.1

In de inrichting mag de hieronder vermelde afvalstof worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden gestort c.q. geïnjecteerd in de diepe ondergrond dan in de tabel hieronder opgenomen hoeveelheid. Voor de stroom geldt het maximum zoals genoemd in de onderstaande tabel. Gebruikelijke

Eural-codes

Max. opslag (in 3

benaming afvalstof

Max. te accepteren

m , vanuit SCH-

per dag (in m3)

447 in de

Per put

Totaal

3.500

7.000

ondergrond) Injectiewater

16.10.02

12.900.000

Pagina 6 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

7.1.2

Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de daarna door de toezichthouder goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.

7.1.3

Het actuele AV-beleid en de AO/IC moeten voor de Toezichthouder ter inzage liggen.

7.1.4

Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist schriftelijk aan de Toezichthouder worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden: a. de reden tot wijziging; b. de aard van de wijziging; c. de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het AVbeleid en de AO/IC; d. de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren. Pas na beoordeling/goedkeuring van de Toezichthouder mag de wijziging doorgevoerd worden.

7.2

Bedrijfsvoering

7.2.1

Binnen de inrichting mag niet meer dan de hieronder aangegeven hoeveelheid afvalstoffen worden verwerkt. Verwerking

Te verwerken

Euralcode

afvalstoffen

Maximale

Max. te verwerken

hoeveelheid

per dag (in m3)

3

(gebruikelijke

(m )

Per put

Totaal

12.900.000

3.500

7.000

benaming) Storten diepe

Injectiewater

16.10.02

ondergrond

8

EVALUATIE WATERINJECTIE 8.1.1

Vergunninghouder rapporteert uiterlijk elke 8 jaar aan de Toezichthouder en het bevoegd gezag de resultaten van een herbeschouwing van de waterinjectie waarbij minimaal ingegaan wordt op technische ontwikkelingen en mogelijkheden alsmede nieuwe inzichten als alternatief voor waterinjectie.

9

WATERINJECTIE

9.1

Seismisch Risicobeheersplan

9.1.1

De vergunninghouder zal binnen zes maanden na instemming met het voorliggende winningsplan een geactualiseerd en geïntegreerd Seismisch Risicobeheersplan indienen, met daarin een locatie-specifieke escalatiestructuur voor de seismische risicobeheersing in het Schoonebeek-gasveld en voor de waterinjectie.

9.1.2

Waterinjectie vindt alleen plaats met een door de Toezichthouder goedgekeurd Seismisch Risicobeheersplan waarin de locatie-specifieke Pagina 7 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

escalatiestructuur is beschreven voor de seismische risicobeheersing in het Schoonebeek-gasveld en voor de waterinjectie. 9.1.3

9.2

Waterinjectie vindt alleen plaats in de aanwezigheid van een seismisch meetnetwerk die in de omgeving van het Schoonebeek gasveld bevingen vanaf een magnitude van 0,5 kan meten en lokaliseren (MoC). Reservoir- en injectiedruk

9.2.1

De gemiddelde reservoirdruk in het Schoonebeek gasveld, en in de individuele compartimenten, zal de hydrostatische druk van 318 bar op referentiediepte van 3.000 m (TVDSS) niet overstijgen.

9.2.2

De injectiedruk gemeten aan het maaiveld (de Flowing Tubing Head Pressure, FTHP) bedraagt maximaal 250 bar, mits de afsluitende laag rond de injectieputten een minimum horizontale gesteentespanning ondersteunt die overeenkomt met een gradiënt van minimaal 0,21 bar/m.

9.3

Waterinjectie management plan

9.3.1

Injectie vindt alleen plaats conform een goedgekeurd waterinjectie management plan (WMP).

9.3.2

Voor wijziging van het Waterinjectie Management Plan (WMP) is goedkeuring vereist van de Toezichthouder.

9.4

Injectieputten

9.4.1

Uiterlijk 12 weken voor aanvang van aanleg van de injectieputten dient de vergunninghouder bij de Toezichthouder een plan in waarin het putontwerp en de ondergrondse trajecten van de putten in relatie tot gesteentelagen en (breuk)structuren zijn beschreven en waaruit blijkt hoe de voorgestelde risicobeheersmaatregelen in het putontwerp zijn geïmplementeerd.

9.4.2

De vergunninghouder dient binnen 6 weken na het eindrapport van de boringen van de injectieputten bij de Toezichthouder een onderbouwing in die laat zien dat de in de aanvraag toegezegde integriteit en sterkte van de afsluitende gesteentelagen aanwezig is.

9.5 9.5.1 9.5.2

Meting, registratie en rapportage De hoeveelheid injectiewater dient continue gemeten te worden. Van alle overige gebruikte mijnbouwhulpstoffen die zich operationeel in het te injecteren water bevinden, wordt het gebruik vastgelegd op maandbasis.

9.5.3

Meet- en registratieapparatuur dient minimaal 1 keer per jaar gecontroleerd te worden op de goede werking of zoveel vaker als noodzakelijk om een goede werking en registratie te borgen. De metingen en registraties worden in en door een geautomatiseerd systeem vastgelegd.

9.5.4

De resultaten van de meet- en registratieverplichtingen worden vastgelegd in een waterinjectierapportage.

9.5.5

Vergunninghouder moet jaarlijks binnen 3 maanden na afloop van het kalenderjaar een waterinjectierapportage opstellen zoals beschreven in het Waterinjectiemanagementplan waarnaast tenminste de volgende informatie is opgenomen:

Pagina 8 van 9

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

a. b. c. d. e.

f. g. h.

de hoeveelheid injectiewater die is geïnjecteerd; de kwaliteit c.q. samenstelling van het injectiewater overeenkomstig de parameters in het AV & AO/IC-beleid; de ontwikkeling van de waterkwaliteit in de loop van het jaar, mede in relatie tot de Eural-code; de ontwikkelingen van de injectiedruk en de reservoirdruk in de loop van het jaar; de hoeveelheid gebruikte mijnbouwhulpstoffen inclusief naam en toepassing alsmede eventuele onderzoeksresultaten van de mogelijkheden om de hoeveelheid gebruikte mijnbouwhulpstoffen verder te minimaliseren. een vergelijking met de onder a. t/m e. genoemde resultaten van de voorgaande jaren; ontwikkelingen in de resultaten als bedoeld onder a. t/m e. moeten worden toegelicht; een overzicht van uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden en eventuele afwijkingen.

Pagina 9 van 9

Bijlage: beoordeling van de ondergrondse risico’s en risicobeheersing van waterinjectie in Schoonebeek gasveld Deze bijlagen (Ondergrond, O.1 t/m O.7) bevatten een integrale beoordeling van de ondergrondse risico’s die verband houden met de injectie in het Schoonebeek-gasveld van water afkomstig uit het Schoonebeek-olieveld. Deze beoordeling is in het kader van meerdere aanvragen: 1. 2.

Aanvraag instemming gewijzigd winningsplan Schoonebeek Gas; WABO aanvraag “NAM Veranderingsvergunning inrichting SCH-447”.

Dit is daarom een bijlage bij zowel het advies op de WABO aanvraag als bij het advies op het gewijzigde winningsplan Schoonebeek Gas. In deze bijlage worden de volgende onderwerpen getoetst: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

het overkoepelende plan van waterinjectie het seismisch risico de beheersing van het seismisch risico het risico van aantasting integriteit van het reservoir en afsluitende lagen door oplossing en andere chemische processen het risico van aantasting integriteit via scheuren in afsluitende lagen door hoge injectiedruk, reservoirdruk of reservoirstimulatie de integriteit van de injectieputten

O.1 Beoordeling van het overkoepelende plan van waterinjectie De NAM geeft een overkoepelende beschrijving van hun plan voor waterinjectie in het rapport ‘Injectie van het Schoonebeek oliewater in het Schoonebeek gasveld’.1 De NAM geeft aan met dit rapport een uitwerking te geven van de vereisten van het sectorplan Deel B.12 van het Landelijk afvalbeheerplan 3 (LAP3). 2 Deze uitwerking moet volgens het LAP3 conform het ‘protocol’ 3 zoals opgesteld door het Convenant werkgroep injectie productiewater met het doel: ‘het vaststellen van de integriteit van een ondergrondse opslagvoorziening’. Het LAP geeft aan dat wanneer de uitwerking conform dit protocol wordt gedaan, voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het LAP. In dit overkoepelende rapport geeft de NAM een beschrijving van de te injecteren waterstromen (hfst. 2), van de samenstelling van het water en de effecten van het water in het reservoir (hfst. 3), van de injectieputten (hfst. 4) en van de geologie van het reservoir en de afsluitende gesteentelagen (hfst. 5). Vervolgens werkt de NAM een aantal specificaties voor de waterinjectie nader uit aan de hand van het bovengenoemde protocol conform LAP3. In hfst.

6 van het rapport geeft de NAM een onderbouwing van de injectiedruk die scheurgroei in de afsluitende laag moet voorkomen en van de injectiecapaciteit in termen van 1) de injectiesnelheid en 2) van het in het reservoir beschikbare volume in relatie tot het totaal te injecteren volume. In hfst. 7 en 8 geeft de NAM een nadere toelichting over het samengaan van waterinjectie met gaswinning en een risicoinschatting van zoutoplossing van de afsluitende laag boven het reservoir. Een aantal aspecten die in dit overkoepelende rapport worden geïntroduceerd zijn verder uitgewerkt in de aanvullende studies die de NAM als bijlages bij de aanvragen heeft ingediend. Voor een aantal aspecten van de waterinjectie formuleert de NAM in de aanvraag (of onderliggende bijlages) specificaties waaronder een beschrijving van de verwachte samenstelling van het njectiewater, het maximum injectievolume per dag (debiet), het totale opslagvolume (opslagcapaciteit) en de begrenzingen van de reservoir- en injectiedrukken. 1

NAM rapport EP202303201029, april 2023, Uitwerking Waterinjectie Protocol - Injectie van het Schoonebeek oliewater in het Schoonebeek gasveld, ingediend als bijlage M7 bij de WABO-aanvraag wijziging inrichting Schoonebeek-447. 2 https://lap3.nl/publish/pages/121387/lap3_b-12_storten-of-anderszins-op-of-in-de-bodem-brengen-ow_1-12024.pdf 3 Convenant werkgroep injectie productiewater, 2005, Werkgroep injectie productiewater. https://lap3.nl/publish/pages/138150/staatstoezichtmijnen_convenant_werkgroep_injectie_productiewater _en_concept_protocol_aanvraag_inject.pdf

1

Oordeel SodM SodM oordeelt dat de NAM met dit overkoepelende plan van waterinjectie de relevante onderwerpen voor risico-inschatting op hoofdlijn adresseert en daarbij voldoende invulling geeft aan de verwachtingen zoals die zijn gesteld in het ‘protocol’2 waar het LAP naar verwijst. SodM geeft hieronder een technische beoordeling van de onderwerpen met betrekking tot ‘de integriteit van de ondergrondse opslagvoorziening’ en van de aangevraagde specificaties van de waterinjectie. Waar SodM dat voor de beheersing van risico’s nodig vindt, adviseert SodM om met vergunningvoorschriften grenswaardes vast te leggen.

O.2 Beoordeling van het seismisch risico De NAM geeft in het 'Seismic Threat Assesment' rapport 4 een onderbouwing voor de seismische risicoanalyse: een analyse van de meest waarschijnlijke mechanismen die aanleiding kunnen geven voor het optreden van bevingen in verband met waterinjectie; een overzicht van de historische waterinjectie in het Schoonebeek-gasveld en bevingen in het gasveld. Vervolgens analyseert de NAM of er een verband kan worden vastgesteld tussen het optreden van bevingen en de waterinjectie. een inschatting van de mate van de seismische dreiging en het risico door de aangevraagde injectie van water. 2.1 Analyse van onderliggende mechanismen van bevingen door gaswinning en waterinjectie De NAM presenteert in het rapport vijf mogelijk mechanismen voor aardbevingen in een gasveld als gevolg van gaswinning en/of waterinjectie: I. Toename van de schuifspanning langs het breukvlak als gevolg van daling van de reservoirdruk door gaswinning; II. Spanningsverandering langs breukvlak bij toename van de gemiddelde reservoirdruk bij waterinjectie als gevolg van een hysterese effect 5 na reservoircompactie door gaswinning; III. Verandering van de gesteentespanningen door afkoeling en de daardoor veroorzaakte krimp van gesteentes bij waterinjectie; IV. Lokale toename in vloeistofdruk in de buurt van het breukvlak; V.

Verzwakking van het breukvlak door chemische en vloeistofdrukverandering in het breukvlak. De NAM concludeert in het rapport dat mechanismen I en mechanisme III naar verwachting het meest bepalend zijn voor het seismisch risico. De NAM verwacht dat het effect van stijging van de reservoirdruk door het vullen van het reservoir met water (mechanisme II) een veel kleinere invloed heeft op het seismisch risico. Over het algemeen leidt juist de daling van de gemiddelde reservoirdruk tot toename van de gesteentespanning; namelijk de schuifspanning op breuken neemt bij drukdaling toe, waardoor het breukoppervlak kritische gespannen 6 raakt en beweging langs het breukoppervlak op kan treden. Door een toename van de gemiddelde reservoirdruk wordt de spanningstoestand op breuken daarom doorgaans minder kritisch. Er zijn enkele scenario’s waarin de toename van de reservoirdruk wel kan leiden tot verslechtering van de spanningstoestand. Uit één studie 7 uitgevoerd in het kader van het Kennisprogramma Effecten

4

NAM rapport EP202304200850, april 2023, Seismic Threat Assessment for Schoonebeek-Zechstein Water Injection, aanvulling E op bijlage M7 bij de WABO-aanvraag wijziging inrichting Schoonebeek-447. 5 Hysterese effect treedt op wanneer gesteentespanning zich bij toename van de reservoirdruk niet herstelt tot een vergelijkbare spanningstoestand zoals die was voor aanvang van de gaswinning. Als na een daling van de reservoirdruk bij gaswinning compactie van reservoirgesteente optreedt, dan kan een gedeelte van deze compactie permanent zijn. Bij toename van de reservoirdruk (door waterinjectie) herstelt bij hysterese de gesteentespanning zich deels tot de gesteentespanning van voor aanvang van de gaswinning. 6 Bij een kritisch gespannen breuk is de schuifspanning even groot als de wrijving op de breuk die beweging tegenhoudt. Wordt de schuifspanning nog groter dan zal er beweging langs de breuk gaan optreden. 7 Studie KEM-01, Geomechanical factors determining fault criticality during pressure cycling of underground gas storage in reservoirs, https://www.kemprogramma.nl/blog/view/57979342/kem-01-geomechanicalfactors-determining-fault-criticality-during-pressure-cycling-of-underground-gas-storage-in-reservoirs.

2

Mijnbouw is gebleken dat als een breukoppervlak heeft geschoven na veel drukdaling en compactie, bij drukstijging en bij gedeeltelijk terugveren van het gesteente er vervolgens nieuwe spanning kan opbouwen. Deze omstandigheid doet zich volgens de studie alleen voor als de reservoirdruk vrijwel volledig herstelt. Het gedeelte van het breukoppervlak waar spanning opbouwt bij herstel van de reservoirdruk is veel kleiner dan het breukoppervlak dat tijdens de gaswinning is gaan schuiven. De andere delen van het breukoppervlak stabiliseren zich bij de stijging van de reservoirdruk. De NAM merkt bovendien op dat de invloedsfeer van de effecten (door bovengenoemde vijf mechanismen) verschillend zijn. De NAM concludeert op basis van hun analyses dat het gebied dat door afkoeling wordt beïnvloed (mechanisme III) veel kleiner is dan het gebied waar de reservoirdruk verandert (mechanisme II). Uit deze analyse volgt dan ook dat drukdaling door gaswinning naar oordeel van de NAM een groter breukoppervlak kan beïnvloeden dan door waterinjectie. Het effect van mechanisme IV (lokale toename van de vloeistofdruk in het breukvlak) wil de NAM voorkomen door de injectieputten op voldoende afstand van breuken te plaatsen. En mechanisme V van chemische verzwakking van het breukgesteente komt volgens de NAM weinig voor, waardoor de kans op invloed hiervan klein is.

Oordeel SodM SodM kan zich vinden in de algemene weging van de mechanismen, dus dat de drukdaling door gaswinning een grotere invloedsfeer heeft en een groter breukoppervlak kan beïnvloeden dan door de waterinjectie. Voor de magnitude kan dit betekenen dat de maximaal te verwachte magnitude van bevingen (Mmax) door de waterinjectie niet hoger wordt dan waarmee al rekening werd gehouden in verband met de gaswinning. De kans op kleinere bevingen (dan de Mmax) zou wel kunnen toenemen. In het onderstaande wordt nader ingegaan op deze kans- en risicoinschatting. De NAM kiest voor een analyse van spanningsveranderingen in het reservoir op basis van eenvoudige fysische beschrijvingen van het geomechanisch gedrag. Uitgebreide doorrekening van combinaties van processen zijn daarin niet meegenomen. SodM oordeelt dat dit ook niet mogelijk is omdat de benodigde data hiervoor niet beschikbaar zijn; Voor zulke uitgebreide doorrekening zijn is een uitgebreide(re) catalogus met aardbevingen nodig en die is gelukkig voor het gebied niet beschikbaar. Daarvoor zijn in het gebied relatief een te beperkt aantal bevingen in het Schoonebeek-gasveld opgetreden.

Met de huidige beschikbare kennis is het daarom niet mogelijk om met voldoende zekerheid vast te stellen welke (combinatie van) processen het drijvende mechanisme zal zijn in het geval er in de toekomst bevingen optreden in het Schoonebeek-gasveld. Er is wel voldoende bekend over het geomechanische gedrag van de gesteentelagen en breuken om een reële inschatting te kunnen maken van maximale magnitude van bevingen en van de kans op beven en daarmee van de ondergrondse invloed op het risico van seismiciteit. Ondanks de beperkingen van de gegeven eenvoudige analyse levert deze analyse dus wel relevante inzichten voor de risicobeoordeling en voor de risicobeheersing. Mechanisme I als gevolg van de drukdaling door gaswinning krijgt aandacht in de reguliere Seismische Risico analyse volgens de SRA-leidraad8 die in hfst. 2.3 van deze beoordeling wordt getoetst. Waterinjectie heeft via de mechanismen II t/m V invloed op de kans op beven. SodM weegt met betrekking tot de rol van waterinjectie op aardbevingen ook mee dat er wel degelijk aanwijzingen zijn (ook in Nederland) dat door waterinjectie, via mechanismen III, IV en V, breuken kunnen gaan schuiven. Onderzoek naar aanleiding van een beving in het gasveld Weststellingwerf laat zien dat er mogelijk sprake is geweest van water die een randbreuk bereikte en mogelijk tot verzwakking heeft geleid door het geïnjecteerde water 9.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=145ef88c-5292-4327-944b-272939a9f888