CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Brief Staatstoezicht Mijnen - Aanvraag veranderingsvergunning locatie - 2 boringen

Informatiebijeenkomst 7 maart 2024, gemeente Emmen30.419 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

> Retouradres Postbus 24037 2490 AA Den Haag Staatstoezicht op de Mijnen

Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Directie Transitie Diepe Ondergrond T.a.v. Mevrouw K. Appeldoorn per e-mail: mijnbouwvergunningen@minezk.nl K.Appeldoorn@minezk.nl

Bezoekadres Henri Faasdreef 312 2492 JP Den Haag Postadres Postbus 24037 2490 AA Den Haag T 070 379 8400 (algemeen) F 070 379 8455 (algemeen) sodm@minez.nl www.sodm.nl Behandeld door Berend Kemper

Datum Betreft

20 februari 2024 Advies over de aanvraag voor een veranderingsvergunning van de NAM voor locatie SCH-447; uitvoeren van 2 boringen en plaatsen van 2 waterinjectieskids met verbindend leidingwerk t.b.v. waterinjectie

Ons kenmerk ADV-8213 Uw kenmerk V-44175 IV-50281

Geachte mevrouw Appeldoorn, Op 13 juli 2023 heeft u namens de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZK) aan de Inspecteur-generaal der Mijnen van Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) gevraagd advies uit te brengen over een aanvraag voor een veranderingsvergunning van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: NAM).

OLO 7641649 Bijlage(n) 11

De vergunningaanvraag betreft het veranderen van de bestaande inrichting aangeduid als SCH-447 te Schoonebeek voor het injecteren van afvalwater afkomstig uit het Schoonebeek-olieveld via twee nieuw aan te leggen waterinjectieputten. De locatie is gelegen aan de Beekweg op het perceel dat kadastraal bekend is als gemeente Emmen, sectie C, nummers 471 en 3505. In onderstaand advies geeft SodM een beoordeling van de aangevraagde verandering van de inrichting SCH-447 op bovengrondse milieuaspecten, van de aangevraagde activiteit van waterinjectie voor de bovengrondse milieurisico’s en de ondergrondse risico’s in verband met de waterinjectie. Om het water te kunnen injecteren, heeft NAM zowel een wijziging van de Wabovergunning voor inrichting SCH-447 ingediend, als een wijziging van het winningsplan Schoonebeek-Gas. SodM heeft de twee aanvragen integraal en in samenhang beoordeeld op milieu- en veiligheidsaspecten. Ons advies inzake het winningsplan is recentelijk aan u gezonden (kenmerk ADV-8225).

Aanvraag bij EZK NAM heeft op 21 april 2023 op grond van artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wabo een aanvraag voor een veranderingsvergunning ingediend voor de inrichting SCH-447. De aanvraag is tevens ingediend op grond van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wabo voor het bouwen van bouwwerken. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-kenmerk 7641649. Bij SodM is het verzoek tot advies geregistreerd onder kenmerk ADV-8213. NAM wil op de bestaande gaswinnings- en waterinjectielocatie Schoonebeek-447 (SCH-447) haar activiteiten uitbreiden met het ontvangen van een afvalwaterstroom afkomstig van de NAM locatie ’oliebehandelingsinstallatie’ (OBI) Pagina 1 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

die is gelegen aan de Beekweg 33 in Schoonebeek. Binnen de inrichting SCH-447 vindt geen bewerking of menging van het binnenkomende afvalwater (afvalstroom) plaats. Het afvalwater wordt direct in de diepe ondergrond (gasveld Schoonebeek) geïnjecteerd. De aangevraagde afvalwaterstroom is uitsluitend afkomstig van de oliewinning. Het gaat hierbij om een afvalwaterstroom die wordt aangevoerd via een ondergrondse (afgesloten) transportleiding vanaf de OBI. De vergunningaanvraag betreft meer specifiek: Het uitvoeren van twee diepboringen. De diepboringen worden uitgevoerd met behulp van een elektrisch aangedreven mobiele boorinstallatie. Dit betreft een tijdelijke activiteit. Na uitvoering van de boringen zullen de geboorde putten worden afgewerkt en worden ingericht ten behoeve van toekomstige waterinjectie afkomstig van de oliewinning. Het plaatsen van twee waterinjectiepompen inclusief bijbehorende leidingen en installaties op de mijnbouwinrichting. Het injecteren van afvalwater afkomstig van de oliewinning Schoonebeek aangevoerd via de NAM-inrichting Schoonebeek WKC/OBI in het Schoonebeek-gasveld.

Opbouw van dit advies Het advies bevat de volgende onderdelen en is nader in detail uitgewerkt in verschillende bijlagen zoals opgesomd aan het einde van deze brief: 1. Toetsing van de wijziging van de mijnbouwinrichting op basis van bovengrondse milieuaspecten (Wabo); 2. Toetsing van de waterinjectie binnen de afwegingskaders voor afvalverwerking; 3. Beoordeling van de bovengrondse gevolgen en risico’s van de aanvoer en injectie van de waterstroom; 4. Beoordeling van de ondergrondse gevolgen en risico’s van waterinjectie.

Kern advies SodM Ik ben van oordeel dat u de gevraagde omgevingsvergunning voor het onderdeel Milieu onder verbinding van de voorgestelde voorschriften kunt verlenen. Ik licht dat hieronder toe.

Beoordeling van de adviesonderdelen 1. Toetsing milieuaspecten in verband met wijziging van de inrichting (Wabo) SodM heeft de wijziging van de inrichting op de van toepassing zijnde Waboaspecten getoetst, waaronder bodem, geluid, emissies, geur, energie, en de bovengrondse opslag van mijnbouwhulpstoffen. In bijlage B-1 is de inhoudelijke onderbouwing van deze toetsing opgenomen. SodM adviseert op basis van deze toetsing de vergunning te verlenen onder verbinding van de in bijlage V-1 voorgestelde voorschriften aan het besluit.

Pagina 2 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

2. Toetsing van de waterinjectie binnen de afwegingskaders voor afvalverwerking (Euralcode, AV- & AO/IC-beleid, BBT) Het te injecteren afvalwater is samengesteld uit de volgende deelstromen: a. Formatiewater: water dat van nature aanwezig is in een geologisch poreus gesteente in de diepe ondergrond en samen met de olie wordt opgepompt. b. Gecondenseerd stoom: de bij de oliewinning geïnjecteerde stoom komt na verloop van tijd als condenswater bij de productieput terecht om vervolgens samen met formatiewater en olie te worden opgepompt. c. Mijnbouwhulpstoffen: stoffen die gebruikt worden bij de winning en behandeling van olie en aardgas. Deze hulpstoffen hebben de potentie om in het te injecteren water terecht te komen. Deels worden deze samen met formatiewater, condenswater en olie opgepompt en deels worden deze op de inrichting Schoonebeek WKC/OBI toegevoegd. Binnen de inrichting SCH-447 worden mijnbouwhulpstoffen alleen toegepast bij onderhoud aan de installatie. d. Waswater: een combinatie van ketelspuiwater en ultrapuur water dat in de OBI wordt toegevoegd om het zoutgehalte van de olie te verlagen. Het ketelspuiwater bevat een beperkte hoeveelheid hulpstoffen zoals antiaanslagvloeistof, anti-corrosievloeistof en zuurstofbinder. e. Teruggeproduceerde operationele vloeistoffen: vloeistoffen die gebruikt worden bij het onderhoud van oliewin- en waterinjectielocaties.

Deze totale afvalstroom wordt het “injectiewater” genoemd en is een afvalstof waarvan de verwerking binnen de kaders van het Landelijk Afvalbeheer Plan (LAP3) beoordeeld dient te worden. In de aanvraag is middels een Euralclassificatie-rapport beschreven hoe het afvalwater is beoordeeld. Op basis van het rapport wordt geconcludeerd dat de afvalwaterstroom te classificeren valt als niet-gevaarlijk afval met de Euralcode 16.10.02. SodM onderschrijft de conclusie van het rapport. Om op een juiste wijze te borgen dat het afvalwater overeenkomt met de geldende wet- en regelgeving en als niet-gevaarlijk afval wordt verwerkt, is een afvalverwerkingsbeleid bij de aanvraag gevoegd. Daarin is vastgelegd dat middels een “stoplichtsysteem” de classificatie van niet-gevaarlijk afval wordt bewaakt. Dit stoplichtsysteem bestaat uit verschillende stappen om te kunnen borgen dat geen andere stroom dan Euralcode 16.10.02 in de ondergrond wordt geïnjecteerd. SodM is van oordeel dat met deze combinatie van maatregelen voldoende geborgd wordt dat uitsluitend de afvalwaterstroom ’injectiewater’ met Euralcode 16.10.02 wordt geïnjecteerd. Best Beschikbare Techniek (BBT) Na toetsing van de aanvraag concludeert SodM dat injectie van het afvalwater op dit moment de best beschikbare techniek (BBT) is voor verwerking.

Dit neemt echter de onrust bij sommige omwonenden over de veiligheid van de activiteit niet weg. Er leven nog steeds zorgen omtrent de gevolgen van het injecteren van afvalwater in het gasveld. Daarnaast hecht SodM aan nieuwe inzichten en (best beschikbare) technieken die vereisen dat een activiteit (zoals waterinjectie) op zichzelf verbeterd wordt of de activiteit zelf opnieuw overwogen wordt. De wet- en regelgeving biedt hiervoor mogelijkheden zoals periodieke actualisatie en de Pagina 3 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

mogelijkheid tot het ambtshalve wijzigen van vergunningen. Naast het belang van resultaten uit deze (lopende) onderzoeken en technische ontwikkelingen, mede in relatie tot artikel 2.30 lid 1 van de Wabo juncto artikel 5.10 lid 1 en 2 van het Bor, hecht SodM aan het omgevingsperspectief. SodM adviseert daarom waarborgen voor een periodieke herbeschouwing van verwerkingstechnieken (best beschikbare technieken) voor de waterinjectie aan uw besluit te verbinden. SodM oordeelt dat het omgevingsperspectief daarbij een rol speelt en bij de herbeschouwing betrokken dient te worden. Dit zal tevens bijdragen om de lopende en toekomstige innovatie en onderzoeken de ruimte te geven. Het voorstel hierover is toegelicht in bijlage B-2.

3. Beoordeling van de bovengrondse gevolgen en risico’s van de aanvoer en injectie van de afvalwaterstroom NAM beschikt over een leidinginspectie en daaropvolgend onderhoudsprogramma dat is afgestemd op de resultaten van de leidinginspectie, ook wel Pipeline Integrity management systeem (PIMS) genoemd. Daarnaast heeft NAM aangetoond dat ze voldoet aan een verwaarloosbaar bodemrisico zoals bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Hiermee worden de risico’s van bovengrondse lekkage van het afvalwater afdoende beheerst.

4. Beoordeling van de ondergrondse gevolgen en risico’s van waterinjectie SodM heeft de ondergrondse gevolgen en risico’s van waterinjectie zowel in de wijziging van de Wabo-vergunning als in de wijziging van het winningsplan Schoonebeek-Gas beoordeeld (mijn kenmerk ADV-8225). SodM heeft de aanvragen integraal en in samenhang beoordeeld op milieu- en veiligheidsaspecten. De twee belangrijkste ondergrondse risico’s bij waterinjectie die voor mens en milieu spelen zijn (1) het risico van aardbevingen en (2) het risico van lekkage van het afvalwater uit het Schoonebeek-gasveld. De bijlagen O.1 t/m O.7 bevatten de onderliggende onderbouwing voor het advies over deze ondergrondse risico’s. De daaruit voortvloeiende Wabo-voorschriften heb ik verwerkt in bijlage V-1. Risico van aardbevingen SodM concludeert dat het seismisch risico’s van de voorgestelde waterinjectie in Schoonebeek-gasveld (die tot eind 2031 plaatsvindt samen met gaswinning) voor de veiligheid en het milieu beperkt zijn, mits nadere maatregelen worden getroffen. Daarom adviseert SodM voorschriften op te nemen bij een eventuele instemming ten behoeve van de beheersing van het seismische risico. Risico van lekkage SodM heeft het risico van lekkage als gevolg van de waterinjectie beoordeeld; of de integriteit van het reservoir en van de putten adequaat kan worden geborgd.

Over het behoud van integriteit van afsluitende lagen boven en langs het gasveld oordeelt SodM dat met de voorgestelde beheersmaatregelen het risico van lekkage uit het gasveld verwaarloosbaar is. De kans op beginnende aantasting van de afsluitende laag is aanwezig, echter de kans op doorgaande aantasting van de gehele zoutlaag is verwaarloosbaar. De NAM maakt bovendien voldoende aannemelijk dat de additionele natuurlijke barrières ervoor zorgen dat opwaartse migratie van geïnjecteerd water en andere stoffen in de diepe ondergrond wordt

Pagina 4 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

verhinderd. Bepalend in dit oordeel zijn de dikte en vloeigedrag van het steenzout, de onderdruk van het reservoir en de extra afsluitende lagen tussen het reservoir en de ondiepe ondergrond. SodM concludeert dat hiermee het risico van uitstroom en van lekkage van (vloei)stoffen uit het gasveld naar het ondiepe milieu verwaarloosbaar is. Over het behoud van integriteit van afsluitende lagen boven en langs het gasveld oordeelt SodM dat met de voorgestelde beheersmaatregelen en voorschriften het risico van lekkage uit het gasveld verwaarloosbaar is. Putintegriteit De NAM heeft een veiligheidsmanagementsysteem voor de injectieputten en bovengrondse transportleidingen. Het zogeheten “Well Integrity Management System” (WIMS). Dit WIMS geeft aan hoe de integriteit bewaakt wordt. SodM concludeert dat het voorgestelde putontwerp voldoet aan 1) de vereiste technische beheersmaatregelen zoals door de risico-evaluatie zijn vastgesteld, en 2) de mijnbouw wet- en regelgeving. Ter beheersing van integriteitsrisico’s van de nieuwe injectieputten adviseer ik dat injectie alleen plaatsvindt via de speciaal voor deze waterinjectie ingerichte injectieputten. In een Waterinjectie Management Plan (WMP) geeft NAM een verdere integrale beschrijving van de monitoring en beheersmaatregelen zowel voor de put- als reservoirintegriteit.

Aangezien injectie conform een goedgekeurd WMP gewenst is en dat de mogelijkheid tot actualisatie van het WMP wenselijk is, zijn voorschriften opgenomen in de bijlagen van het advies. Voorschriften SodM adviseert de voorschriften aan uw Wabo-besluit te verbinden zoals voorgesteld in hoofdstuk 9 van bijlage V-1. Advies ambtshalve aanpassing bestaande besluiten en voorschriften In de vigerende vergunningen zijn voorschriften opgenomen die niet meer actueel zijn gezien het voortschrijdend inzicht en de ontwikkelingen in wet- en regelgeving. SodM adviseert het ambtshalve wijzigingen van enkele voorschriften uit de vergunningen (meer specifiek de omgevingsvergunning van 2014). Ik adviseer dit als ambtshalve wijziging tegelijk met de voorliggende vergunningprocedure af te handelen. In bijlage B-3 treft u mijn advies hierover. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Vanzelfsprekend ben ik bereid dit advies nader toe te lichten.

Met vriendelijke groet, De Inspecteur-generaal der Mijnen, namens deze:

B. Kemper Manager Vergunningen

Pagina 5 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Bijlagen die onlosmakelijk onderdeel zijn van dit advies: 1. 2. 3. 4. 5.

V-1_WABO-voorschriften-milieuaspecten B-1_ Overwegingen wijzigen van de inrichting op basis van bovengrondse milieuaspecten (Wabo – Milieu) B-2_Beoordeling conform LAP3 (Eural) en toetsing BBT B-3_Advies ambtshalve wijziging van bestaande besluiten en voorschriften O.1 t/m O.7 Ondergrondse aspecten van waterinjectie

Pagina 6 van 6

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Bijlage B.1 Overwegingen wijziging van de inrichting op basis van bovengrondse milieuaspecten (Wabo – Milieu) Procedure De NAM heeft op 21 april 2023 op grond van artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wabo een aanvraag voor een veranderingsvergunning ingediend voor de inrichting SCH-447. De aanvraag is tevens ingediend op grond van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wabo voor het bouwen van bouwwerken. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-kenmerk 7641649. Bij SodM is het verzoek tot advies geregistreerd onder kenmerk ADV-8213. Naar aanleiding van mijn verzoek om nadere informatie is de aanvraag op 1 en 2 augustus 2023 aangevuld met respectievelijk Aanvulling bijlagenpakket bouw SCH447 - update T1 en T3 en Aanvulling bijlagenpakket milieu SCH447 - Appendix E en F behorende bij bijlage M7. Naar aanleiding van gestelde vragen zijn op 16 oktober 2023 de documenten aanvulling 1 en aanvulling 2 ingediend. Op 20 oktober 2023 zijn herziene versies van de bijlagen M2 en M7 ingediend en op 1 november 2023 heb ik een aanvulling bijlagenpakket bouw SCH-447 van u mogen ontvangen. Tot slot heb ik op 26 januari 2024 een nieuwe versie van bijlage M2 Eural-toetsing ontvangen, inclusief een toelichting op het AV- en AO/IC-beleid alsmede een monsternameprotocol. Op de aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van 26 weken van toepassing (§ 3.3 van de Wabo).

Ik heb de aanvraag tot omgevingsvergunning getoetst aan indieningsvereisten zoals genoemd in hoofdstuk 4 van de ministeriële regeling omgevingsrecht (hierna: Mor). Daarnaast heb ik de aanvraag getoetst aan de Wabo, het Besluit Omgevingsrecht (hierna: Bor), het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Ab), de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Ar), de Mijnbouwwet (hierna: Mbw) en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (hierna: Barmm). Adviezen andere adviseurs Voor de activiteit Bouwen heeft u de gemeente Emmen om advies gevraagd met betrekking tot de bouwkundige aspecten en mogelijk de ruimtelijke inpassing van de activiteiten uit deze aanvraag. Mijn advies richt zich specifiek op de milieuaspecten van de aanvraag. In aanvulling op het eventuele advies van de gemeente Emmen plaats ik de kanttekening dat de meldingen van de start van de bouwwerkzaamheden en de gereedmelding van de bouwwerkzaamheden gemeld dienen te worden bij SodM als toezichthouder in plaats van de gemeente. Ik vraag u daarom hierover een voorschrift op te nemen.

Pagina 1 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Beoordeling aanvraag Bij de beoordeling van de aanvraag heb ik gebruik gemaakt van onderstaande documenten (a t/m m) die bij de aanvraag zijn gevoegd. De bijlagen bij de aanvraag bevatten informatie die van belang is om goed toezicht uit te kunnen voeren. Ik adviseer daarom de bijlagen niet expliciet uit te sluiten bij de vergunningverlening. a) publiceerbare aanvraag; b) 1682077074341 papierenformulier; c) 1682076503295 Bijlage A1 - Toelichting aanvraag SCH447; d) 1682076608339 Bijlagenpakket milieu SCH447; e) 1682076682689 Bijlagenpakket bouwaanvraag SCH447; f) Aanvulling bijlagenpakket bouw SCH447 - update T1 en T3; g) Aanvulling bijlagenpakket milieu SCH447 - Appendix E en F behorende bij bijlage M7; h) Aanvulling1; i) Aanvulling 2; j) Herziene bijlagen M2 en M7; k) Aanvulling bijlagenpakket bouw SCH-447; l) Herziene bijlage M2 Eural-toetsing; m) AV- en AO/IC-beleid met monsternameprotocol. Meer specifiek wijs ik in dit kader op artikel 2.22 van de Wabo en memorie van toelichting waarbij ik de beschrijving van het project beschouw als het milieu hygiënisch kader waarop uw besluit betrekking heeft en van de activiteiten die het omvat. Ik merk daarbij op dat de onderlinge verwijzingen in de aanvraag naar rapporten en bijlagen het praktisch ondoenlijk om slechts delen van de aanvraag onderdeel te laten zijn van het besluit zonder andere onderdelen uit te sluiten.

Ik adviseer u tevens rekening te houden met een dynamische bedrijfsvoering en om bijvoorbeeld lastenverlichting te bevorderen, gewijzigde tekeningen of het in de toekomst toe kunnen passen van vernieuwende mijnbouwhulpstoffen (i.c. de bijgesloten veiligheidsinformatiebladen), niet vast te leggen als onderdeel van de vergunning. De aanvraag refereert tevens aan andere inrichtingen (SCH-313 en SCH580). Het verbinden van de aanvraag als onderdeel van het besluit zou onbedoeld en indirect een besluit op andere inrichtingen kunnen betekenen. Het langs die weg verruimen van de milieuruimte van andere inrichtingen lijkt geen onderdeel of doel van de aanvraag maar kan wel verwarring teweegbrengen.

Samenvatting aanvraag De voorgenomen verandering van de inrichting SCH-447 is onderdeel van een groter geheel, namelijk het verplaatsen van de injectie van afvalwater in Twente en het starten van de injectie van afvalwater in Schoonebeek. De te injecteren waterstroom blijft hetzelfde, de waterinjectie wordt dus “verplaatst” van Twente naar Drenthe.

Pagina 2 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

De NAM is voornemens om de twee bestaande mijnbouwlocaties in Schoonebeek, inrichting SCH-447 en inrichting SCH-313, te gebruiken voor de toekomstige productiewaterverwerking van het olieveld Schoonebeek. Mocht blijken dat de totaal benodigde injectiecapaciteit niet gerealiseerd kan worden op deze twee inrichtingen, dan kunnen eventueel twee extra waterinjectieputten gerealiseerd worden op de inrichting SCH580. Voor elke inrichting, nieuwe leiding en/of stroomkabel zullen nieuwe separate vergunningsaanvragen worden ingediend. De voorliggende aanvraag betreft dus alleen de veranderingen binnen de inrichting SCH447. De NAM vraagt voor de inrichting SCH-447 een vergunning aan in het kader van de Wabo voor de onderdelen milieu (verandering) en bouwen. De verandering is aangevraagd zodat, naast het reeds vergunde deel voor de injectie van productiewater afkomstig van de gaswinning, nu ook injectie van productiewater afkomstig van oliewinning mogelijk wordt. De vergunning wordt aangevraagd voor onbepaalde tijd. Fasering De veranderingen bij inrichting SCH-447 worden gefaseerd doorgevoerd. In de aanvraag is de fasering beschreven als Deel A ‘Realisatiefase’ en Deel B ‘Normale bedrijfsomstandigheden (gebruiksfase)’. Het betreft echter geen gefaseerde aanvraag zoals bedoeld onder de Wabo.

Naast deze twee fases ziet de aanvraag ook toe op toekomstige onderhoudswerkzaamheden op de inrichting. Deze onderhoudswerkzaamheden kunnen mede bestaan uit het plaatsen van workover units. Op dergelijke onderhoudswerkzaamheden aan putten is tevens het Barmm van toepassing. De in dit advies geadviseerde voorschriften hebben tevens betrekking op de (algemene) onderhoudswerkzaamheden. Putten Om de injectie van afvalwater van oliewinning mogelijk te maken zullen op de inrichting SCH-447 twee nieuwe waterinjectieputten (SCH-4473 en SCH-4474) worden geboord ten behoeve van het in de diepe ondergrond (terug)brengen van het water dat afkomstig is van de oliewinning in Schoonebeek. De inrichting SCH-447 zal hiertoe aangesloten worden op de bestaande injectiewatertransportleiding die het afvalwater nu nog transporteert naar Twente. De vergunningsaanvraag voor die ondergrondse leiding, gelegen buiten de inrichting SCH-447, is een aparte vergunningaanvraag en dus geen onderdeel van dit advies. Voor de injectie van het afvalwater wordt per put een waterinjectieinstallatie geplaatst bestaande uit een pompskid en een regelskid. Aanvullend zal een centraal verdeelstation geplaatst worden waar het binnenkomende injectiewater op wordt aangesloten en verdeeld kan worden over de twee nieuwe waterinjectieputten. Tot slot wordt een doseerunit geplaatst ten behoeve van mijnbouwhulpstoffen (o.a.

biociden). Deze stoffen worden toegevoegd om onder andere corrosie in Pagina 3 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

de waterinjectieput tegen te gaan. Ten behoeve van de gehele installatie zullen twee elektriciteitsverdeelstations (trafo’s) worden gerealiseerd. In de ‘gebruiksfase’ zullen uiteindelijk de volgende putten op de inrichting SCH-447 aanwezig zijn: Putnummer Functie Type stroom SCH-4473 (nieuw) Injectie Water van oliewinning Schoonebeek OBI SCH-4474 (nieuw) Injectie Water van oliewinning Schoonebeek OBI SCH-597 Injectie Water van gaswinning afkomstig van inrichting SCH-580 SCH-447 Geen buiten gebruik gesteld SCH-591 Winning Gaswinning SCH-537 Winning Gaswinning Capaciteit In de vergunningaanvraag is opgenomen dat de waterinjectiecapaciteit wordt afgestemd op de hoeveelheid (m 3) afvalwater die verwacht wordt, namelijk een hoeveelheid van 3.500 m 3 per dag voor de twee waterinjectieputten tezamen. Deze hoeveelheden zijn op pagina 23 in de toelichting op de vergunningaanvraag gespecificeerd. De totale maximale injectiecapaciteit is gespecificeerd in appendix F van de bijlage M7 van de vergunningaanvraag, op pagina 4 in tabel 1 en bedraagt een hoeveelheid van 7.000 m 3 per dag (3.500 m 3/dag per injectieput). Voor de beoordeling is uitgegaan van de maximaal te verwerken capaciteit binnen de inrichting en niet de hoeveelheid c.q. de verwachtte benodigde capaciteit die verwerkt moet worden.

In het bij de vergunningaanvraag gevoegde rapport “Uitwerking waterinjectie protocol” van april 2023 met kenmerk P202303201029 is op pagina 41, is in tabel 6.2 een overzicht opgenomen van de totale (theoretische) capaciteit van het ondergrondse reservoir. Deze totale capaciteit in de diepe ondergrond bedraagt 43,5 miljoen m 3. De hoeveelheid te injecteren afvalwater vanuit de inrichting SCH-447 bedraagt daarvan maximaal 12,9 miljoen m 3.

Voorafgaande m.e.r.-beoordeling procedure Ter voorbereiding van de voorliggende omgevingsvergunning dient te worden onderzocht of het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk is. Deze beoordeling betreft de activiteiten vallend onder artikel 2.1 lid 1, e van de Wabo, zijnde de diepboringen, de installatie van de waterinjectieskids en de kabel- en leidingaansluitingen. Hierbij is zowel de aanleg- als de operationele fase beoordeeld. Op 27 januari 2023 is die mededeling (de m.e.r.-aanmeldingsnotitie) in gevolge artikel 7.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer bij het bevoegd gezag ingediend.

Pagina 4 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

De mededeling betreft het voornemen van NAM om afvalwater van het olieveld Schoonebeek te injecteren op twee bestaande mijnbouwlocaties, de inrichtingen SCH-447 en SCH-313. De mededeling omvat het uitvoeren van 2 boringen en het plaatsen van 2 waterinjectieskids met verbindend kabel en leidingwerk per inrichting. Mocht in de toekomst blijken dat de totaal benodigde injectiecapaciteit niet gerealiseerd kan worden op deze twee inrichtingen, dan kan optioneel de bestaande mijnbouwlocatie SCH580 worden ingericht. De optionele werkzaamheden zijn tevens opgenomen in de m.e.r.-aanmeldingsnotitie. In totaal gaat de m.e.r.aanmeldingsnotitie dus in op het uitvoeren van 6 diepboringen, plaatsing van 4 waterinjectieskids en bijbehorend leidingwerk met ondersteunende elektriciteitskabels en transformatoren. Op 3 april 2023 heb ik advies uitgebracht over de m.e.r.aanmeldingsnotitie in mijn brief met kenmerk ADV-7966. Op 20 maart 2023 heeft u besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport (MER) niet noodzakelijk is.

Vigerende vergunningen en besluiten Voor zover bij mij bekend zijn voor de inrichting eerder onderstaande omgevingsvergunningen verleend c.q. besluiten genomen voor de inrichting SCH-447: Soort vergunning Datum Kenmerk Onderwerp M.e.r.-beoordelingsbesluit

20-3-2023

PDGGO-DTDO / MER-22008

Gedeeltelijke ontheffing (Mbr afd. 8.5)

2-6-2021

AB-5663-2021

Melding (Barmm)

25-11-2020

injectie in diepe ondergrond van productiewater afkomstig van de oliewinning in Schoonebeek op/via de inrichtingen SCH447 SCH-313 en SCH-580; in totaal uitvoeren van 6 diepboringen en plaatsen 4 waterinjectieskids met verbindend kabel- en leidingenwerk ontheffing van verplichting voor aanbrengen afsluiting bij het buiten gebruik stellen van put SCH447 Werkzaamheden en abandonering put SCH-447

Pagina 5 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Omgevingsvergunning (milieuneutraal wijzigen)

8-5-2019

DGKE-WO / 19117739

Omgevingsvergunning (milieuneutraal wijzigen)

27-6-2017

DGETMEO/17091711

Omgevingsvergunning (revisie)

8-4-2014

DGETM-EM / 14054726

Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) provincie Drenthe

6-5-2014

RUD/20140029 61

Veranderingsvergunni ng (Wabo), lozing in bodem (Lozingenbesluit Bodembescherming) en Verklaring Van Geen Bedenkingen (VVGB) van provincie Drenthe.

31-5-2012

DGETM-EM / 12066958

Buiten werking stellen van fakkel F23 en installatiedelen V-24, P-24, V-5-1/V5-2, antischuim injectie eenheden met bijbehorend P65-591 en P-60-591 en van transportleiding naar SCH-313; aanpassen leidingwerk. Veranderen functie gasproductieput SCH-447 naar waterinjectieput. Put SCH-447 gaat functioneren als back-up voor waterinjectieput SCH-597 (gelegen op inrichting SCH-447) Productie en ontvangen van aardgas, het meten en afvoeren van de hierbij afgescheiden lichte en ruwe olie (aardgascondensaat) en het mee geproduceerde formatiewater Veranderen functie gasproductieput SCH-597 naar waterinjectieput voor injectie van productiewater afkomstig van aardgaswinning Injectie van afvalwaterstromen in ondergrond via voormalige gasproductieput S597; afkoppelen gasproductieput S597 en deze in gebruik nemen als Pagina 6 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

waterinjectieput; aanpassen leidingwerk; lozen in diepe ondergrond van injectiewater 1 1. injectiewater: vanuit gesteente (gasreservoir) aanwezig water, condenseerbare koolwaterstoffen (aardgascondensaat) en mijnbouwhulpstoffen.

Mondiale en Europese wetgeving (RIE-IPPC) De Richtlijn industriële emissies omvat een integratie van de IPPC-richtlijn met de Richtlijn grote stookinstallaties, de Afvalverbrandingsrichtlijn, de Oplosmiddelenrichtlijn en drie Richtlijnen voor de titaandioxide-industrie. De Richtlijn industriële emissies bestaat uit de volgende hoofdstukken 1. gemeenschappelijke bepalingen (gelden voor de hele richtlijn); 2. IPPC-installaties; 3. grote stookinstallaties; 4. afvalverbrandings- en -meeverbrandingsinstallaties; 5. installaties waarin en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt; 6. installaties voor de productie van titaandioxide; 7. comité, overgangs- en slotbepalingen.

Nationale wetgeving Bij implementatie van de Richtlijn industriële emissies in Nederland: • zijn de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht en de Ministeriele regeling omgevingsrecht aangepast; • zijn het Besluit verbranden afvalstoffen, het Besluit emissie eisen stookinstallaties A, het Oplosmiddelenbesluit en meerdere besluiten over Titaandioxide opgenomen in het Activiteitenbesluit. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van beste beschikbare technieken (BBT) rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (definitie in artikel 1.1 eerste lid van het Bor): • Met BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, vijfde lid worden BBT-conclusies bedoeld die worden vastgesteld op basis artikel 75 tweede lid van de Richtlijn industriële emissies. Dit zijn de BBTconclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de Richtlijn industriële emissies; • Met BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, zevende lid worden de bestaande BREF’s bedoeld. Het hoofdstuk waarin de beste Pagina 7 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

beschikbare technieken (BAT hoofdstuk) staan uit deze BREF’s geldt als BBT-conclusies. BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.

Beste beschikbare technieken In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is: • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie. • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF’s. De Europese commissie heeft deze BREF’s vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Op grond van artikel 2.14, eerste lid, onder c, sub 1, van de Wabo wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (hierna: BBT) worden toegepast. Dit uitgangspunt heb ik gehanteerd daar waar ik voorschriften heb voorgesteld. Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met de BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. Op grond van bijlage 1 de Mor moet voor het bepalen van de BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Pagina 8 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s. Gelet op de aangevraagde wijzigingen binnen de inrichting zijn in dit geval de volgende informatiedocumenten relevant en heb ik daar rekening mee gehouden: • de Nederlandse richtlijn bodembescherming 2012 (hierna: NRB); • Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 15 (PGS 15, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0 van september 2016); • Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 31 (PGS 31, Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.1 van oktober 2018). Activiteitenbesluit milieubeheer (Ab) In het Ab zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor de veranderingsvergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor een vergunningplicht (type C inrichting) geldt. Binnen de inrichting vinden verschillende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Ab.

In de gebruiksfase moet worden voldaan aan het Ab en de daarbij behorende Ar, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteit(en). Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Ab van toepassing kunnen zijn.

Besluit algemene regels milieu mijnbouw Het Barmm is van toepassing op mobiele installaties op land met bijbehorend terrein, mobiele installaties in oppervlaktewater en onderzeese installaties. Voor werkzaamheden met deze mobiele installaties zijn algemene regels vastgesteld en beschreven in het Barmm. Een melding als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Barmm blijft achterwege indien voor het aanleggen, het uitbreiden of het wijzigen van een boorgat met een mobiele installatie een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is verleend. Pagina 9 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

Voor het deel dat de omgevingsvergunning ziet op het aanleggen van het boorgat (realisatie- c.q. boorfase) gelden wel de bepalingen uit het Barmm. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Barmm is de uitvoerder verplicht om verdergaande maatregelen – dan het Barmm vereist – te treffen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Op grond van artikel 5b, eerste lid, onder a, van het kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat voorschriften verbinden om aanvullende eisen. Ik acht dat in dit geval niet nodig.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De aanvraag heeft betrekking op de verandering van een mijnbouwwerk tevens zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 2.6 juncto 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het toetsingskader van de aanvraag. Ik heb de aanvraag aan deze aspecten getoetst. Bij mijn advies op de aanvraag heb ik dan ook: • de bestaande toestand van het milieu betrokken; • met het milieubeleidsplan rekening gehouden; • de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdtukken licht ik dit nader toe, waarbij ik mij beperk tot die onderdelen die relevant zijn voor de aanvraag.

Algemene beoordeling en algemeen voorschrift Voor het terrein en de toegankelijkheid van de inrichting heb ik een voorschrift in bijlage V-1 voorgesteld.

Doelmatig beheer van afvalstoffen (injectiewater) Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: a) preventie; b) voorbereiding voor hergebruik; c) recycling; d) andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; e) veilige verwijdering.

Pagina 10 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. De afvalstroom “injectiewater” met de Euralcode 16.10.02 valt niet onder een sectorplan. Voor de inhoudelijke toetsing en beoordeling van deze code verwijs ik naar bijlage B-2 Beoordeling bovengrondse verwerking waterstroom LAP3EURAL-BBT van mijn advies. Verwerking: afvalstromen waarvoor in deel E van het LAP geen sectorplan opgenomen is Indien op een afvalstroom, in dit geval het injectiewater met Euralcode 16.10.02, geen sectorplan uit onderdeel E van het LAP van toepassing is, schrijft het LAP een afwegingskader voor. In de aanvraag is voor injectiewater de verwerkingsmethode het “storten” (i.c. injecteren) in de diepe ondergrond beschreven. Voor de boordeling of er door het injecteren c.q.

storten van afvalwater in de diepe ondergrond sprake is van doelmatig beheer van afvalstoffen worden de uitgangspunten in hoofdstuk B12 van het LAP gehanteerd. Specifiek wordt ingegaan op de voorwaarden genoemd in paragraaf B.12.13. De verwijderingshandeling “storten c.q. injecteren in de diepe ondergrond” wordt niet bij naam genoemd in de afvalhiërarchie. Injectie in de diepe ondergrond wordt beleidsmatig gelijk gesteld aan storten. Voor het injecteren van afvalstoffen in de diepe ondergrond bestaat echter geen capaciteitsregulering. De bestaansgrond van injectieactiviteiten is al sinds jaar en dag gelegen in het terugvoeren van de bij het eigen winningsproces ontstane diepe-ondergrond-eigen afvalstoffen. Door SodM is een protocol ontwikkeld waarin alle relevante aspecten voor injectie van productiewater zijn opgenomen. Indien dit protocol wordt toegepast wordt geacht te worden voldaan aan hetgeen gesteld is in het LAP. Voor injectiewater wat vrij komt bij olie- en gaswinnning zijn specifiek uitgangspunten vastgelegd in paragraaf B12.13.9 van het LAP. Het betreft de volgende uitgangspunten: 1. Formatiewater dat wordt geïnjecteerd bevat onvermijdelijk ook hulpstoffen die bij de winning en het productieproces worden toegepast en niet volledig uit het formatiewater kunnen worden verwijderd. Hiermee worden bodemvreemde stoffen teruggevoerd, hetgeen niet is gewenst.

Voordat injectie van formatiewater mag plaatsvinden moet aan het bevoegd gezag worden aangetoond dat redelijkerwijs is geprobeerd het gehalte aan hulpstoffen in de te injecteren stroom te minimaliseren. 2. Bij de injectie van formatiewater wordt vaak ook formatiewater van andere winningslocaties aangevoerd. In die gevallen moet de initiatiefnemer ten genoegen van het bevoegd gezag (en Pagina 11 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

gedeputeerde staten die de verklaring van geen bedenkingen moeten afgeven) aantonen dat de in het formatiewater aanwezige verontreinigingen, dat van buiten de inrichting wordt aangevoerd compatibel zijn met de verontreinigingen op de plaats waar injectie plaats vindt. Wij hebben deze verwerkingsmethode getoetst aan afvalhiërarchie zoals opgenomen in artikel 10.4 van de Wm. De aangevraagde verwerkingsmethode geeft voldoende invulling aan de hiërarchie. Borging vindt plaats in het AV-beleid en de AO/IC. AV-beleid en AO/IC Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieu hygiënische en informatie technische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces.

De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP, bijlage D3 Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle. De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst. Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen. De NAM heeft het Acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V) inclusief administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) d.d. 25 januari 2024 aan de aanvraag toegevoegd. Het door NAM toegevoegde A&V-beleid inclusief AO/IC voldoet aan de eisen zoals gesteld in bijlage D3 van het LAP. Registratie De aanvrager verkrijgt met de Wabo-vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen.

In dit geval betreft het specifiek en uitsluitend alleen de afvalstroom injectiewater met Euralcode 16.10.02 die afkomstig is van de OBI. De afvalstroom wordt aangeleverd met een pijpleiding. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen Pagina 12 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

en gevaarlijke afvalstoffen geldt een uitzonderingsgrond, waardoor geen LMA melding hoeft te worden gedaan (overeenkomstig artikel 10.39 en 10.40, tweede lid Wm jo onderdeel C van de bijlage bij de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen). Een LMA-melding is niet nodig nu het gaat om een afvalwaterstroom die wordt aangevoerd via een transportleiding. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8 Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde en de verwerkte afvalstroom injectiewater. Conclusie van de afvalstof injectiewater Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het LAP en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen. In bijlage V-1 heb ik voorschriften voorgesteld om doelmatig beheer van afvalstoffen te borgen.

Afvalstoffen vrijkomend bij bovengrondse activiteiten (niet injectiewater) Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 20172029, hierna aangeduid als het LAP3, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen: • Verontreinigd hemelwater; • Procesvloeistoffen; • Olie; • Afvalwater van huishoudelijke aard; • Bezinksel uit waterbakken; • Oliefilters; • Poetsdoeken; Pagina 13 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

•

Overig onderhoudsmateriaal;.

Binnen de inrichting ontstaan tijdens de boorfase onder meer de volgende afvalstoffen: • Verontreinigd hemelwater; • Boor gerelateerde afvalstoffen. In de aanvraag is aangegeven dat voor deze afvalstoffen wordt aangesloten bij de voorschriften zoals opgenomen in het Barmm. In de vergunning van 8 april 2014 zijn geen voorschriften opgenomen voor de preventie van afval. Gezien de beperkte hoeveelheden concludeer ik dat preventie niet relevant is. Ik adviseer daarom alleen een algemeen (ambtshalve) voorschrift met betrekking tot de opslag en omgang van de (gevaarlijke) afvalstoffen op te nemen en geen specifieke voorschriften over de preventie van afvalstoffen. Zie daarvoor de voorgestelde voorschriften in bijlage V-1. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.

Voor een aantal die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen. Uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting verschillende afvalstoffen vrijkomen. In het LAP is aangegeven dat voor deze afvalstoffen die vrijkomen binnen een inrichting scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd. Wij achten het in de voorliggende situatie dan ook redelijk om (waar nodig ambtshalve) afvalscheiding voor te schrijven. Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Ar verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden.

Afvalwater bovengrondse activiteiten (niet injectiewater) Als gevolg van de activiteiten komt op de inrichting afvalwater vrij, zoals sanitair afvalwater en hemelwater. Op deze lozingen zijn afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. Dergelijke lozingen Pagina 14 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Het hemelwater dat terechtkomt op het verharde terrein wordt via waterbakken geloosd op het omliggende oppervlaktewater. Het waterschap is bevoegd gezag voor deze lozing. Ik heb deze lozing daarom niet beoordeeld en adviseer het bevoegde waterschap Vechtstromen te benaderen voor meer informatie en advies ten aanzien van de Waterwetvergunning voor de inrichting. Beoordeling en conclusie Als gevolg van de thans aangevraagde activiteiten zullen geen nieuwe of andere afvalwaterstromen ontstaan (niet zijnde injectiewater) en zal de hoeveelheid vrijkomend afvalwater niet tot nauwelijks toenemen. Ik adviseer geen nadere voorschriften op te nemen ten aanzien van dit milieuaspect. Bodem Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf gedeeltelijk onder het Activiteitenbesluit. Het betreft de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. Voor de activiteiten die binnen de inrichting worden verricht die niet in het Activiteitenbesluit zijn geregeld geldt het navolgende. Het kader voor de bescherming van de bodem Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de NRB.

Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan volgens de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico. Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waarin de NRB voorziet. Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld. Beoordeling en conclusie Ik heb het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicoanalysedocument (BRA) met referentienummer M6NZUXT3JRCN-1629135847-488:1 d.d. 29 augustus 2023 beoordeeld en kan instemmen met de opzet, de Pagina 15 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen zijn aanvullende voorschriften noodzakelijk ten opzichte van de voorschriften zoals reeds opgenomen in de vigerende vergunning van 8 april 2014 met kenmerk DGETM-EM / 14054726. Het gaat daarbij om monitoring van het grondwater dat reeds plaatvind en uitgebreid dient te worden met een analysepakket op de nieuwe stoffen die aanwezig zijn en gebruikt worden binnen de inrichting als gevolg van de uitbreiding c.q. verandering van de activiteiten. Advies voorschriften Ik adviseer de monitoringsverplichting van het grondwater nader te specificeren aangezien uit de voorschriften B.1, B.2 en B.3 van de vergunning van 8 april 2014 niet blijkt op welke stoffen een analyse plaatsvindt. Het monstername- en analysepakket dient uitgebreid te worden met de nieuw toegepaste stoffen en ook toe te zien op de stoffen die voorheen bij de activiteiten zijn gebruikt. Alleen op die wijze kan een eventuele bodemverontreiniging worden opgemerkt. Het is immers bekend dat een verontreiniging zich traag kan verspreiden door de bodem en daardoor pas na enkele jaren wordt opgemerkt. Tevens adviseer ik aanpassing van voorschrift B.12 sub a van de vergunning van 8 april 2014.

De voorgestelde aanpassing betreft het “teruggeven aan de eigenaar van het terrein” en het daarbij “uitvoeren van een eindsituatieonderzoek”. Indien de NAM eigenaar is van het terrein kan het uitvoeren van een eindonderzoek door deze formulering oneindig lang uitgesteld worden in de tijd, alvorens overdracht aan een andere eigenaar plaats kan of gaat vinden. Gebruikelijk en risicobeperkender is om in voorschriften op te nemen dat “na het beëindigen van een bodembedreigende activiteit” een eindsituatieonderzoek wordt uitgevoerd. In van bijlage V-1 zijn hiertoe voorschriften voorgesteld.

Bovengrondse transportleidingen Voor het toetsen van het bodemrisico heb ik gebruik gemaakt van het BBT document Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 (NRB). In bijlage 1 bodemrisicochecklist van de NRB paragraaf 2.2.1 staat voor ondergrondse pijpleidingen de combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) welke door NAM genomen moeten worden om een verwaarloosbaar risico te bereiken. De NAM moet beschikken over een leidinginspectie en onderhoudsprogramma afgestemd op de resultaten van de leidinginspectie. SodM concludeert dat de NAM beschikt over een Pipeline Integrity management systeem (PIMS). Dit management systeem borgt de periodieke inspectie en onderhoud van de pijpleidingen. Hiermee heeft de

Pagina 16 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

NAM aangetoond dat ze voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico zoals bedoeld in de NRB.

Besluit externe veiligheid inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) en de Ministeriële regeling externe veiligheid inrichtingen zijn categorieën van inrichtingen aangewezen waarop het veiligheidsbeleid expliciet van toepassing is. Mijnbouwwerken bestemd voor de winning, opslag, bewerking of het gereedmaken voor transport van gevaarlijke stoffen is een van de categorieën die hierin is genoemd. De inrichting valt onder deze categorie waardoor de inrichting valt onder de werkingssfeer van het Bevi. In het Bevi zijn veiligheidsnormen opgenomen voor deze categorie van inrichtingen. Deze veiligheidsnormen zijn rechtstreeks werkend. Als gevolg hiervan heeft de aanvrager een risicobeoordeling opgesteld. Zoals in het Vierde Nationaal Milieubeleidsplan (hierna: NMP4) is aangegeven, is de basis van het huidige veiligheidsbeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: a. het plaatsgebonden risico (hierna: PR) niet hoger is dan genormeerd; b. de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico, hierna: GR)).

Aanvraag In de bijlagen T8 en T9 van de aanvraag zijn de risicocontouren weergegeven ten tijde van de boring- en productiefase voor de inrichting SCH-447. In de toelichting op de aanvraag is opgenomen dat de grootste veiligheidscontour van de inrichting wordt bepaald door de aardgasactiviteiten (aardgaswinning) op de inrichting. De injectie van het water afkomstig van de OBI zal niet bijdragen aan een ruimere contour aangezien het water niet explosief of brandbaar is. Verder zijn er geen veranderingen van de brand-, proces- en terreinbeveiliging. Toetsing aanvraag en conclusie De risico’s tijden de boorfase zijn op basis van bijlage T8 beperkt en worden verder geregeld in het Barmm waarmee het opnemen van voorschriften of maatwerk in de vergunning niet van toepassing is. De risicocontour zoals opgenomen in bijlage T9 is gebaseerd op de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) van de vigerende vergunning d.d. 8 april 2014, waarbij de gaswinning op de inrichting voor de grootste risico’s zorgt. Het toevoegen van de aangevraagde waterstroom van de OBI zal niet zorgen voor een toename van de risico’s c.q. vergroting van de risicocontour zoals toegestaan middels de vergunning van 8 april 2014. Ik acht het niet noodzakelijk om, naast de algemeen van toepassing zijnde

Pagina 17 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

maatregelen of voorschriften, deze aan te vullen op het aspect externe veiligheid. Tot slot adviseer ik om in de besluitvormingsprocedure zorg te dragen voor een geactualiseerde registratie in het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV, voorheen RRGS).

Opslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijn) Ten behoeve van de opslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag is op basis hiervan de PGS 31, versie 1.1 van oktober 2018 van toepassing. Aanvraag Uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting SCH-447 één biocide (XC85293A) als nieuw toe te passen mijnbouwhulpstof wordt aangevraagd, welke is ingedeeld in ADR klasse 6.1 (verpakkingsgroep III). De biocide zelf is moeilijk tot slecht brandbaar. In geval van brand kan echter wel drukverhoging plaatsvinden, met explosie van de tank tot gevolg. In geval van een opvolgende brand kunnen zeer giftige gassen vrijkomen. In geval van lekkage treden meteen grote milieugevolgen op in verband met de (aqua)toxiciteit. De biocide wordt opgeslagen in de twee “injectie-eenheden”, zijnde één tank à 4 m 3 per injectieskid c.q. -eenheid met een totale opslag van 8 m 3 biocide binnen de inrichting. Ten behoeve van de biocide injectie zijn in de skid een pomp en enig leidingwerk aanwezig. Vanuit de opslagtank wordt de biocide batchgewijs geïnjecteerd in de injectieputten.

De biociden worden ingezet om de integriteit van de putten te waarborgen, aantasting door o.a. bacteriën kan zorgen voor aantasting van de put met uiteindelijke lekkage van injectiewater in de biosfeer tot gevolg. Om dat risico te beheersen is het toepassen van mijnbouwhulpstoffen, zoals biociden, een gangbare en geaccepteerde praktijk in de mijnbouw. Ten behoeve van het minimaliseren van het gebruik van de biocide hanteert de aanvrager een intern zorgsysteem waarbinnen het verbruik regelmatig geanalyseerd, geëvalueerd en bijgestuurd wordt. Toetsing aanvraag en conclusie In de beide tanks vindt geen chemische reactie of menging plaats waardoor mede qua aard en omvang geen sprake is van een procestank maar wel van een opslagtank. Op deze vorm van opslag is de PGS 31, “Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en

Pagina 18 van 21

Staatstoezicht op de Mijnen Ons kenmerk ADV-8213

bovengrondse tankinstallaties”, versie 1.1 van oktober 2018 van toepassing. Advies voorschriften Ik adviseer de voorschriften zoals voorgesteld in bijlage V-1 aan uw besluit te verbinden.

Geluid De aangevraagde bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt onder meer veroorzaakt door de te plaatsen pompen en installaties, die afkomstig zijn van waterinjectielocaties in Twente. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is voor de gebruiksfase in kaart gebracht in een akoestisch rapport van 15 februari 2023 met kenmerk 6771-447/NAA/jv/ft/4 dat is opgesteld door Noordelijk akoestisch adviesbureau B.V. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt) In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998" (hierna: de Handreiking). In de reeds vergunde geluidcontour ligt Camping Emmen. In het akoestisch onderzoek is opgenomen deze camping als een woning te beschouwen is qua streefwaarden. Als begrenzing van het recreatieterrein is in het onderzoek uitgegaan van de begrenzing zoals vastgelegd in het bestemmingsplan met kenmerk NL.IMRO.0114.2013025-B701.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=145ef88c-5292-4327-944b-272939a9f888