Toelichting BP Vrijheidsstraat Elburg
Tekst van het document
Er geld voor deze verontreiniging geen saneringsnoodzaak. Echter wanneer er tijdens hertontwikkeling graafwerkzaamheden in de verontreinigde grond plaats vinden dient een plan van aanpak ingediend te worden bij de gemeente Elburg. De werkzaamheden in de verontreinigde grond moeten uitgevoerd worden door een SIKB BRL 7000 gecertificeerd bedrijf. Tevens dienen de werkzaamheden milieukundig begeleid te worden door een SIKB BRL 6000 gecertificeerd bedrijf. Voor wat betreft de overschrijdingen van de achtergrondwaarde/streefwaarde in de grond en in het grondwater ter plaatse van het overige terrein zijn er, ten aanzien van de kwaliteit van de bodem, op basis van de Wet Bodembescherming geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Conclusie Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat er geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de locatie.
5.6 Geluid Kader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidsbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde
28
geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. Analyse Het bouwplan ligt binnen de invloedssfeer van wegen en van bedrijven (een supermarkt). Daarom heeft in het kader van voorliggend bestemmingsplan onderzoek plaatsgevonden naar de invloed van wegverkeerslawaai (zie bijlage 5 voor het onderzoek) en industrielawaai (zie bijlage 6 van het onderzoek). In deze paragraaf worden de resultaten van dit onderzoek weergegeven. Het advies van de omgevingsdienst wordt nog verwerkt in het onderzoeksrapport. Wegverkeerslawaai De doelstelling van het uitgevoerde onderzoek naar wegverkeerslawaai heeft tot doel om de invloed van de geluidbelasting afkomstig van het wegverkeer uit de directe omgeving van het plangebied op het voorziene bouwplan te bepalen. Uit het onderzoek komt naar voren dat de te verwachten geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de gevels van de in de directe omgeving van het plangebied geprojecteerde als gevolg van gezoneerde wegen, minder dan 48 dB bedraagt. Wegverkeerslawaai vormt zodoende op basis van de Wet geluidhinder geen belemmering voor het bouwplan.
Voor een goede ruimtelijke inpassing [beoordeling van een goed woon- en leefklimaat] van de appartementen in haar directe omgeving, zijn tevens de niet-zone plichtige wegen [30 km/uur wegen] in het akoestisch onderzoek mee beschouwd. De optredende geluidsbelastingen als gevolg van deze erf ontsluitende wegen behoeven volgens de Wet geluidhinder niet te worden getoetst aan de gestelde grenswaarde, maar zouden wel kunnen leiden tot geluidoverlast. Met name als gevolg van het verkeer met een relatief lage snelheid en over elementen verharde wegen. Om na te kunnen gaan of er als gevolg van het wegverkeer over alle in de directe omgeving van het plangebied aanwezige wegen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat, zijn de optredende geluidbelastingen afkomstig van de niet-gezoneerde wegen eveneens in kaart gebracht. De gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van alle niet-gezoneerde wegen gezamenlijk bedraagt, gebruik makend van de aftrek van 5 dB als gevolg van de stiller worden de voertuigen, maximaal 53 dB. Het wegverkeer over de Vrijheidsstraat en de Vackenordestraat verzorgt hierbij het leeuwendeel van deze optredende geluidbelasting. Omdat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van 48 dB als gevolg van een zoneplichtige weg, kan er geen hogere grenswaarde worden vastgesteld.
Omdat er wel sprake is van een overschrijding van de fictieve grenswaarde van 48 dB als gevolg van het optredende geluidniveau afkomstig van de niet-zoneplichtige wegen (30 km/u-wegen), is het overigens wel raadzaam om bij een overschrijding van de fictieve grenswaarde van 48 dB aan de in het gemeentelijke beleid omschreven voorwaarden met betrekking tot het hebben van een geluidluwe zijde per wooneenheid te voldoen. Hieraan kan in de onderhavige situatie worden voldaan. Indien de optredende geluidbelastingen op de gevels van de geprojecteerde appartementen niet tot de fictieve voorkeurswaarde van 48 dB kunnen worden verlaagd, zoals in het onderhavige geval, dan dient bij de aanvraag Omgevingsvergunning een aanvullend akoestisch onderzoek naar de 29
geluidwerende kwaliteit van de gevels toe te worden gevoegd. Hierbij dient te worden aangetoond dat de karakteristieke geluidswering Ga,k van de uitwendige scheidingsconstructies ter plaatse van geluidsgevoelige ruimten voldoet aan de hiervoor gestelde grenswaarden overeenkomstig het gestelde in het Bouwbesluit. Omdat er tevens sprake is van een supermark in de directe nabijheid van het plangebied, dient voor de vaststelling van de daadwerkelijk optredende geluidbelastingen op de gevels van de geprojecteerde woonbestemmingen, naast het geluid afkomstig van het wegverkeer tevens de optredende geluidbelastingen van deze supermarkt te worden beschouwd. Hiervoor is een berekening uitgevoerd waarbij de gecumuleerde optredende geluidbelastingen afkomstig van zowel het wegverkeer als afkomstig van de in de directe nabijheid hiervan gelegen supermarkt worden gecumuleerd. Omdat het toepassen van bronmaatregelen en van effectieve overdrachtsmaatregelen op praktische, verkeerskundige en/of financiële bezwaren stuit, wordt voorgesteld om middels het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de schilconstructie van het appartementencomplex, een binnenniveau van 33 dB te realiseren. Een en ander zoals vermeld in afd. 3.1 van het Bouwbesluit. De karakteristieke geluidswering Ga,k dient in alle situaties echter ten minste 20 dB te bedragen.
Industrielawaai De doelstelling van het uitgevoerde onderzoek naar industrielawaai heeft tot doel om de invloed van de geluidbelasting afkomstig van de supermarkt naast het plangebied op het voorziene bouwplan te bepalen. Dit gebaseerd op het gestelde in het Activiteitenbesluit. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de representatieve situatie van de supermarkt en een worst case scenario. In de regel worden de in het aan de Omgevingsvergunning ten grondslag gelegen akoestische onderzoek van de supermarkt als uitgangspunt aangehouden om de mogelijke belemmeringen in kaart te kunnen brengen. Omdat dit akoestische onderzoek bij de gemeente niet aanwezig bleek te zijn, is er in overleg voor gekozen om deze worst-case vast te stellen op basis van ervaringscijfers. De bevindingen van het op de uitgewerkte representatieve bedrijfssituatie afgestemde onderzoek, zijn onderstaand weergegeven. Op geen van de in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten vindt overschrijding van de gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in het kader van het Activiteitenbesluit plaats. In de praktijk blijken overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder te leiden en hoeven daarom conform het Activiteitenbesluit niet beoordeeld te worden. Dit geldt echter niet voor de avondperiode.
In deze periode wordt de maximale grenswaarde, met name ter plaatse van de naar de supermarkt gerichte kopgevel, echter wel overschreden. Deze overschrijding bedraagt gebaseerd op de worst-case situatie maximaal 2 dB(A) en is met name het gevolg van dichtslaande autoportieren. Uit de uitgewerkte berekeningen blijkt dat er op geen van de in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten een overschrijding van de gestelde grenswaarden met betrekking tot de ruimtelijke inpassing voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau plaats vindt. 30
De maximale geluidsniveaus veroorzaakt door de laad- en losactiviteiten in de dagperiode, zijn uitgesloten van de beoordeling in het kader van het Activiteitenbesluit. De als gevolg van het laden en lossen optredende maximale geluidbelastingen in de dagperiode dienen echter wel te worden beschouwd in het kader van een goede ruimtelijke inpassing van de geprojecteerde appartementen in haar directe omgeving. De optredende maximale geluidbelasting overschrijdt in de avondperiode ter plaatse van de kopgevel van het appartementencomplex (TP006) de grenswaarde van 70 dB(A). Deze wordt met name veroorzaakt door dichtslaande portieren van bezoekers aan de supermarkt. In de nachtperiode is er geen sprake van een overschrijding van de gestelde grenswaarde. Omdat het toetsingskader in het vastgestelde Gemeentellijke beleid, overeenkomt met de grenswaarde overeenkomstig het gestelde in het Activiteitenbesluit, wordt voor de toetsing hiervan verwezen naar het vorenstaande. Door de naar de supermarkt gerichte kopgevel van het geprojecteerde appartementencomplex, in de directe nabijheid van de parkeerplaatsen tegen de voorgevel van de supermarkt, uit te voeren als ‘Dove gevel’, kan de genoemde overschrijding met betrekking tot het maximale geluid afkomstig van dichtslaande portieren worden opgeheven.
Hierdoor kan zowel in het kader van het Activiteitenbesluit als bij de Ruimtelijke inpassing van het geprojecteerde appartementencomplex gebaseerd op het gebiedstype ‘Gemengd gebied’, worden voldaan aan de gestelde grenswaarden. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘geluid’ uitvoerbaar indien een dove gevel wordt gerealiseerd aan de zijde van het appartementengebouw die gekeerd is richting de supermarkt. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op basis waarvan het realiseren van deze dove gevel geborgd is.
5.7 Water Kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Analyse In het kader van onderliggend initiatief heeft een digitale watertoets plaatsgevonden. Deze is als bijlage 7 opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat voor het plan een korte procedure wordt doorlopen omdat er geen waterschapsbelangen worden geraakt. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.
31
Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebied specifieke aandachtspunten voor water. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG.
Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Tot slot Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoets procedure of met deze Digitale Watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Beleids- en beheerplan Water en Riolering De gemeente Elburg beschikt over eigen beleid ten aanzien van de opvang en verwerking van hemelwater en de aansluiting op de riolering. Daarbij is specifiek aandacht voor binnenstedelijke ontwikkelingen. De gemeente Elburg houdt bij (her)ontwikkelingen rekening met de toekomst, door nieuwbouw(wijken) klimaatbestending te bouwen.
Om de kans op wateroverlast tijdens extreme neerslag en/of natte perioden te reduceren, sluit de gemeente Elburg zich wat betreft waterberging bij nieuwbouw aan bij het beleid van Waterschap Vallei en Veluwe. Concreet betekent dat het realiseren van een waterberging met een inhoud van 60 mm voor elke vierkante meter verharde oppervlak. Met deze eis werkt de gemeente toe naar een klimaatbestendige (her)inrichting van onze kernen met genoeg ruimte voor de berging en infiltratie van (hemel)water. 32
Door een klimaatbestendige inrichting wordt voorkomen dat water panden instroomt. Dat wordt geborgd door bij (her)ontwikkeling een minimum bouwpeil voor te schrijven: tenminste 20 cm boven straatpeil. Dit voorkomt waterschade bij hevige neerslag. Ten aanzien van de riolering wordt als uitgangspunt gehanteerd dat wordt aangesloten bij het aanwezige stelsel. In overleg met de gemeente wordt bepaald op welke wijze de aansluiting op het riool plaatsvindt. Conclusie In voorliggend plan wordt bij de uitwerking rekening gehouden met de bergingseisen die de gemeente stelt, bijvoorbeeld door regenwater op eigen terrein te infiltreren door gebruik te maken van waterdoorlatende materialen. Dit door een voorwaardelijke verplichting op te nemen in de regels van dit bestemmingsplan waarmee is geborgd dat voldoende water wordt gecompenseerd. De gemeente wordt betrokken bij de wijze waarop hier praktisch invulling aan wordt gegeven. Op deze wijze is het plan op basis van het aspect water uitvoerbaar.
5.8 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de maximale afstand die we gebruiken als richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Met voorliggend project wordt een woongebouw gerealiseerd in afwijking van het bestemmingsplan. Het project zelf voorziet daarmee in een functie die op basis van het bestemmingsplan niet mogelijk is. Het plan mag omliggende functies of bedrijven niet in de bedrijfsvoering beperken. Andersom geldt dat de bewoners van de nieuwe woningen beschermd moeten worden tegen milieukundige invloeden van omliggende functies. In dit plan is voor het zoekgebied uitgegaan van een rustige woonwijk omdat er voornamelijk sprake is van de functie wonen. Er zijn enkele bedrijven op zeer korte afstand van de woningen maar dit betekent niet dat hier geen sprake is van een rustig woonwijk. Binnen het onderzoeksgebied zijn de volgende bedrijven gelegen:
33
Vrijheidsstraat 18 (Aldi) Aan de Vrijheidsstraat 18 is er een ALDI supermarkt gevestigd (SBI code 471). De supermarkt is passend binnen de bestemming “Detailhandel met specifieke aanduiding supermarkt “. De afstand vanaf deze bestemming tot aan de voorgenomen planlocatie de realisatie van 15 appartementen is 0 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan deze richtafstand. In het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door Ancoor (onderzoek industrielawaai, bijlage 6) wordt ingegaan op het toepassen van een dove gevel aan de kopgevel van het appartementengebouw. Door het toepassen van bovengenoemde maatregel kan een goed woon- en leefklimaat geborgd worden, zie paragraaf 5.6 Geluid. Door te zorgen voor een dove gevel aan de appartementengebouw is er geen belemmering meer voor de Aldi supermarkt. Daarnaast is de Aldi ook nu al belemmerd in zijn uitbreidingsmogelijkheden door de aanwezige woningen op zeer korte afstand. Vackenordestraat 72 (Spiderbuster) Aan de Vackenordestraat 72 is het bedrijf Spiderbuster Nederland B.V. gevestigd. Dit betreft een schoonmaakbedrijf specifiek voor het verwijderen en verwijderd houden van spinnen en spinnenwebben bij particulier en bedrijfsgebouwen. Het perceel waar dit bedrijf op gevestigd is, is bestemd voor dienstverlening zonder nadere categorie aanduiding.
De verwachte bedrijfsactiviteiten zijn voornamelijk kantoorruimtes, beperkte opslag van materialen. Hierbij zijn er voornamelijk verkeersbewegingen van bestelbusjes van en naar het bedrijf. Omdat hiervoor geen specifieke SBIcode aan te koppelen is op basis van de VNG richtafstandenlijst, moet er gekeken worden naar een SBI-code die qua activiteit en belasting vergelijkbaar is. Vergelijkbare categorieën zijn : “Persoonlijke dienstverlening n.e.g. (SBI-code 9609, milieucategorie 1) , “Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren) (SBI-code 941, 942, milieucategorie 1) , “Zakelijke dienstverlening kantoren (SBI-code 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82, milieucategorie 1).Dit bedrijf is gelegen op meer dan 11 meter van het appartementengebouw en wordt hiermee voldaan aan de richtafstanden. Daarnaast zullen de bedrijfsactiviteiten voornamelijk plaatsvinden overdag en door de weeks waardoor er nagenoeg geen
34
overlast plaatsvindt in de avond en in het weekend. Hierdoor kan verwacht worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor wat betreft het belemmeren van het bedrijf in zijn bedrijfsactiviteiten is het bedrijf al beperkt door de omliggende woningen naast het gebouw. Conclusie Er is sprake van een rustige woonwijk. Door het toepassen van een dove gevel aan de kop van het appartementencomplex zoals is weergegeven in het akoestisch onderzoek kan een goed woon- en leefklimaat geborgd worden en zullen de appartementen niet de Aldi beperken in zijn bedrijfsactiviteiten. Het realiseren van een dove gevel is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Ook zullen de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsactiviteiten en uitbreidingsmogelijkheden beperkt worden.
5.9 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: -
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Analyse In het kader van onderliggend ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven, instellingen, leidingen of transportroutes bevinden die vanuit het oogpunt van externe veiligheid van invloed zijn op het plangebied. Sterker, 35
het plan heeft er voor gezorgd dat het LPG-vulpunt is gesaneerd en voorziet daardoor in een verbetering van het woon- en leefklimaat. Het plan voorziet ook niet in activiteiten die in het kader van externe veiligheid enig effect op de omgeving kunnen hebben. Conclusie Het voorziene bouwplan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar.
5.10 Luchtkwaliteit Kader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: -
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: -
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Analyse Het project betreft de realisatie van een woongebouw met 15 wooneenheden. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die in de regeling NIBM is opgenomen. Er is echter geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten behoeve van het plan vinden geen extra verkeerbewegingen plaats en worden ook geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd die invloed hebben op de luchtkwaliteit.
36
Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het plan is op basis van het aspect ‘luchtkwaliteit’ uitvoerbaar.
5.11 Verkeer en parkeren Kader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer en parkeren. Voor de berekening van de parkeeropgave volgens de normen van de gemeente Elburg wordt de Parkeernota voor de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet en Oldebroek uit 2014 gehanteerd. Analyse Parkeeropgave In het kader van voorliggend plan is door Mobycon de parkeeropgave in beeld gebracht. Als bijlage 8 is een memo met een onderbouwing opgenomen. De belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn in deze paragraaf verwerkt. De gemeentelijke parkeernota is gebaseerd op de maximale parkeerkencijfers van het CROW, maakt geen onderscheid geografische ligging (alles is schil centrum) en voor de stedelijkheidsgraad wordt ‘weinig stedelijk’ gehanteerd. Bij iedere parkeernorm geldt een aandeel van 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Hieronder is de parkeervraag voor het voorziene ruimtelijke programma weergegeven.
De totale parkeervraag bedraagt 29 parkeerplaatsen voor auto’s. Conform de Parkeernota kan er echter nog rekening worden gehouden met de aanwezigheidspercentages van bewoners en bezoekers. Voor de berekening van de parkeervraag worden de aanwezigheidspercentages uit CROWpublicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren) gebruikt. De volgende tabel laat de aanwezigheidspercentages met daaronder de parkeervraag per moment zien. Op het maatgevende moment (werkdagavond) is de parkeervraag 26 parkeerplaatsen, zie onderstaande tabel.
37
Invulling parkeeropgave De parkeeropgave bedraagt 26 parkeerplaatsen tijdens het maatgevende moment. Als onderdeel van de ontwikkeling worden er 17 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd, er is dus op eigen terrein een tekort van 9 parkeerplaatsen. De gemeente biedt de mogelijkheid om eventuele restcapaciteit op straat te gebruiken tegen een afkoopsom van €3.019,07 per parkeerplaats. Dit geld wordt gestort in een parkeerfonds waarmee de gemeente mobiliteitsmaatregelen zoals het aanleggen van extra parkeercapaciteit kan financieren. Hiervoor moet volgens de Parkeernota doormiddel van een parkeerdrukonderzoek worden aangetoond wat de restcapaciteit binnen 100 meter is om de resterende parkeeropgave tot een maximale parkeerdruk van 85% mee in te vullen. In overleg met de gemeente is aangewezen welke parkeercapaciteit wel kan worden gebruikt en welke niet. Binnen de parkeercapaciteit die de gemeente acceptabel acht om te gebruiken, geldt (afhankelijk van het moment op de dag) een restcapaciteit van tussen de 48 en 82 parkeerplaatsen tot de maximale parkeerdruk van 85% is bereikt. Er is dus op alle momenten voldoende restcapaciteit om de resterende parkeervraag op te vangen. Dit resulteert in een afkoopsom van 9 * €3.019,07 = €27.171,63. Hiermee wordt voldaan aan de parkeeropgave conform het beleid van de gemeente.
Verkeer Het plangebied is voor zowel langzaamverkeer als voor gemotoriseerd verkeer goed bereikbaar. In de oorspronkelijke situatie was dat zo en ook in de nieuwe situatie is dat het geval. De ontsluiting van de parkeerplaatsen op eigen terrein bevindt zich aan de zijde van de Enkstraat. Gezien de beperkte hoeveelheid verkeer kan de verkeersafwikkeling eenvoudig via de bestaande wegenstructuur plaatsvinden zonder dat dit tot een onevenredige toename van de verkeersdruk leidt. Conclusie Het plan is op basis van de aspecten ‘verkeer en parkeren’ uitvoerbaar.
5.12 Conclusie In voorgaande paragrafen is het voorziene woningbouwplan getoetst aan ruimtelijke en milieukundige aspecten. Op basis van de analyse van ruimtelijke en milieukundige aspecten is aangetoond dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.
38
6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de participatie heeft de ontwikkelende partij de omwonenden van het plangebied tijdens een bewonersavond op de hoogte gebracht van het plan. Omwonenden hebben de kans gekregen vragen te stellen over het plan. Het participatieverslag is als bijlage 9 van deze toelichting opgenomen.
6.3 Economische uitvoerbaarheid Onderliggend initiatief wordt uitgevoerd op risico van een commerciële partij. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze initiatiefnemer. Hierover zijn tussen de initiatiefnemer en de gemeente (in navolging van in het kader van hoofdstuk 6 Wro en Bro) afspraken gemaakt in de vorm van een exploitatieovereenkomst.
39
7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, de voorziene situatie en het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
7.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).
7.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -
bestemmingsomschrijving 40
-
bouw- en gebruiksregels afwijken van bouw en gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid
In paragraaf 7.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.
7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.
7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.
7.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de in dit bestemmingsplan voorkomende regels behandeld. Artikel 3. Verkeer - Verblijf De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wegen en straten, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen en garageboxen. Artikel 4. Wonen - woongebouw De voor 'Wonen - Woongebouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor gestapelde woningen, met daaraan ondergeschikt nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen en water, wegen en paden en parkeervoorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken, tuinen en erven.
Woongebouwen mogen alleen binnen het aangeduide bouwvlak worden gerealiseerd, op basis van de maximale bouwhoogte.
41
Bijlagen Bijlage 1. Archeologisch onderzoek Bijlage 2. Ecologische quickscan Bijlage 3. Stikstofonderzoek Bijlage 4. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5. Onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6. Onderzoek industrielawaai Bijlage 7. Digitale watertoets Bijlage 8. Verkeersonderzoek Bijlage 9. Participatieverslag
42
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl