CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Zuiderzeestraatweg West 109.pdf

Raadsvergadering 12 april 2021, gemeente elburgBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Zuiderzeestraatweg West 109 in Doornspijk11.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hieruit blijkt dat aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, in

Cumela Advies – Nijkerk

- 26 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

combinatie met de milieuzonering, wordt voldaan. Ook de eisen van het Activiteitenbesluit worden niet overschreden. Enkele parkeergelegenheden voor bezoekers worden op het eigen terrein aangelegd, deze worden afgeschermd door de keerwanden voor de opgeslagen stoffen. Het eigen materieel wordt in de bedrijfsloods gestald. Op de locatie is voldoende ruimte aanwezig voor het manoeuvreren van de transportmiddelen. De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Zuiderzeestraatweg West. Dit betreft een provinciale weg, de N310. Het voornemen is voorgelegd aan provincie Gelderland als wegbeheerder met het verzoek te beoordelen of de ontsluiting op de provinciale weg nadere aandacht behoeft. De rayonmanager heeft aangegeven geen bezwaren te zien tegen het initiatief. 4.2.3 Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt een groot aantal soorten (waaronder vrijwel alle gewervelde dieren en een aantal planten). Deze mogen onder meer niet gedood, verjaagd, gevangen of verontrust worden. De uitvoering van werkzaamheden kan leiden tot handelingen die in strijd zijn met deze verbodsbepalingen. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot het verstoren of doden van dieren en het vernietigen van groeiplaatsen of beschermde planten. In veel gevallen kan het plan overigens zo uitgevoerd worden dat overtreding van de genoemde verbodsbepalingen niet aan de orde is.

Wanneer dit niet mogelijk blijkt te zijn en de wet geen mogelijkheden biedt voor een vrijstelling, moet een ontheffing aangevraagd worden. Voor bestemmingsplannen die een (toekomstige) ontwikkeling mogelijk maken en daarmee een wijziging van het grondgebruik inhouden of bijvoorbeeld het slopen dan wel oprichten van nieuwe bebouwing en/of infrastructuur, dient een onderzoek naar beschermde soorten flora en fauna te worden uitgevoerd. De verantwoordelijkheid van het nagaan van de effecten op de flora en fauna ligt bij de initiatiefnemer. Het plangebied bestaat uit een bestaande voormalige agrarische bedrijfslocatie en een deel ‘agrarische grond’. Het plangebied ligt ten zuiden van Doornspijk nabij het landelijke buitengebied, maar niet in of in de directe nabijheid van een ‘natuurbeschermingsgebied’ (Veluwe en Veluwerandmeren beide op circa twee kilometer afstand), zie figuur 8. Ook is de locatie niet gelegen in Nationaal Natuurnetwerk, zie ook paragraaf 3.2.2 van deze onderbouwing. derhalve behoeft uitsluitend een oordeel plaats te vinden op soortenbescherming: de aanwezigheid van beschermde soorten op of nabij de onderhavige locatie en de eventuele wettelijke consequenties hiervan volgens de Wet Natuurbescherming (ontheffing / vrijstelling).

Cumela Advies – Nijkerk

- 27 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

Figuur 11: Ligging projectlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming dient de invloed van deze uitbreiding, met name de stikstofdepositie, ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden vastgesteld. Het beoordelenvan de stikstofdepositie heeft tot doel om vast te stellen in welke mate het project dan wel de activiteiten bijdragen aan de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoeligeNatura 2000-gebieden. Afhankelijk van de uitkomsten zijn mogelijk vervolgacties noodzakelijk. Voor het plan zijn twee zogeheten Aerius berekeningen uitgevoerd. Eén berekening is voor de aanlegfase en omvat de tijdelijke werkzaamheden voor het aanleggen van het buitenterrein, het slopen van de bestaande bedrijfsgebouwen en het realiseren van de nieuwbouw. Hierbij moet worden opgemerkt dat tijdens de aanlegfase de gebruikelijk activiteiten zoveel mogelijk doorgang vinden. Het nieuwe terrein kan worden ingericht door nog tijdelijk gebruik te maken van de opslag op het perceel van Zuiderzeestraatweg West 111. In onderstaande tabel is het overzicht van het materieel en de vervoersbewegingen opgenomen. Voor het materieel tijdens de aanlegfase is een inschatting gemaakt van de uren die de werktuigen stationair in werking zijn. In de praktijk worden de wertuigen zoveel mogelijk uitgeschakeld wanneer deze niet in bedrijf zijn.

Tenslotte zijn dagelijks vijf vrachtwagenbewegingen toegevoegd voor de aan- of afvoer van materialen tijdens de aanlegfase. In de praktijk zal deze situatie niet dagelijks plaatsvinden. De bronnen 4 en 5 zijn specifiek voor de aanlegwerkzaamheden. Tijdens de aanlegfase wordt divers materieel ingezet. Dit materieel bestaat uit een mobiele kraan, verreiker, shovels en een vrachtwagen voor het laden en lossen van diverse bouw- en afvalstoffen. Voor de inzet van dit materiaal is een ureninschatting gemaakt. Het dieselverbruik is afgeleid uit de praktijk. De andere berekening is opgesteld voor de gebruiksfase waarbij sprake is van vervoersbewegingen van en naar de bedrijfsactiviteiten en intern transport op het buitenterrein. Deze zijn verwerkt in de bronnen 1 tot en met 3. Voor beide berekeningen is het reguliere verkeer afgeleid uit het akoestisch onderzoek. Voor de activiteiten uit het buiten terrein is de bron laden/lossen toegevoegd waarin een vrachtwagen en een heftruck/minikraan zijn opgenomen.

Cumela Advies – Nijkerk

- 28 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

Figuur 12: Emissiegegevens aanlegfase

Figuur 13: Emissiegegevens gebruiksfase

De bij de berekening behorende rekenbladen zijn als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd, alsmede een overzicht van de vervoersbewegingen en de bedrijfsduur van mobiele werktuigen op de bedrijfslocatie zelf. De berekeningen laten zien dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol N/ha/jr. Er is geen vergunning vanuit de Wet natuurbescherming nodig. Soortenbescherming Het plangebied (bestaand bedrijfslocatie) en landbouwgrond zijn van oudsher al vele jaren in gebruik geweest voor agrarische- en bedrijfsdoeleinden. Door Tauw is in 2013 een ecologische quickscan voor het bedrijventerrein De Glinde opgesteld. Voor deze quickscan is onder ander de projectlocatie van Vlijm Zand en Grint beoordeeld. Voor deze locatie zijn een aantal specifieke conclusies voor planten en vogels in het rapport opgenomen. Op het buitenterrein worden geen bijzondere soorten verwacht omdat de gronden intensief, begrazing door paarden, worden beheerd. Tevens is in een schuur een duivennest aangetroffen. Jaarrond beschermde vaste verblijfplaatsen (nesten / holen) van bijvoorbeeld uilen, spechten of roofvogels zijn op de projectlocatie niet aangetroffen. Een nadere toetsing van de aanwezige flora- en fauna c.q. het uitvoeren van een quick-scan is dienaangaande niet noodzakelijk.

Aangezien sprake is van een bestaande bedrijfsactiviteiten die zijn voortgezet, waarbij de landbouwgronden (welke op basis van dit initiatief) worden gebruikt voor opslag van bouw-, grond- en hulpstoffen. De planlocatie is reeds vele jaren in gebruik zijn en voortdurend ‘bewerkt’ worden, is de kans dat er bij het verharden en de bouwwerkzaamheden sprake is van aantasting van vaste woon- en verblijfplaatsen van aanwezige flora- en fauna, zeer nihil. Nu blijkt dat dit initiatief niet leidt tot negatieve effecten ten aanzien van de uitstoot van stikstof relevante stoffen, de afstand van de bedrijfslocatie tot aan natuurgebieden niet significant wijzigt en geen negatieve effecten voor gevoelige soorten optreden is nadere toetsing in het kader van dit gebied dan wel in relatie tot een passende beoordeling op grond van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Conclusie De Wet Natuurbeschermingswet staat de planontwikkeling – in beginsel – niet in de weg.

Cumela Advies – Nijkerk

- 29 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

4.2.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM); • Besluit gevoelige bestemmingen. Besluit NIBM Het Besluit NIBM staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling bij dit Besluit is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden voor inrichtingen zijn: • Teelt van gewassen in open grond, in een gebouw of opstanden van glas of kunststof; • Glastuinbouw; • Spoorwegemplacementen.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. Het voornemen heeft geen betrekking op het realiseren van een gevoelige bestemming. Toename verkeer Om de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit te kunnen vaststellen kan de NIBM-Tool worden toegepast. De NIBM-tool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. De NIBM-tool wordt jaarlijks geactualiseerd, de toegepaste versie dateert van augustus 2020.

Het doel van de NIBM-tool is: - Eenvoudig en snel bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. - Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. - Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens. De NIBM-tool is gebruikt voor de beoordeling of de toename van verkeersbewegingen leidt tot een overschrijding van 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2).

Cumela Advies – Nijkerk

- 30 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

Figuur 14: NIBM-tool initiatief Vlijm Zand en Grint

Conclusie Nu het voornemen betrekking heeft op het wijzigen van een inrichting die niet specifiek is genoemd in het Besluit NIBM wordt geconcludeerd dat deze wijziging onder de werkingssfeer van het Besluit NIBM valt. Daarnaast is aangetoond dat de toename van het verkeer niet leidt tot een overschrijding van 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Hieruit volgt dat hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer geen belemmering oplevert ten aanzien van de gewenste wijziging. 4.2.6 Water Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier. In de loop van de tijd hebben ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland veel ruimte aan water en/of waterbergingslocaties onttrokken. Aan het begin van de 21e is geconstateerd dat ruimtelijke ontwikkelingen de ruimte voor water niet verder zou mogen beperken. Juist meer ruimte voor water is nodig om klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing en bodemdaling op te vangen.

Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is wettelijk verankerd met het Besluit van 3 juli 2003 tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 in verband met gevolgen van ruimtelijke plannen voor de waterhuishouding (watertoets). De wijziging van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en een uitbreiding van het vooroverleg met de waterschappen. De verplichting geldt formeel niet voor de structuurvisie. De ruimtelijke structuurvisie is een belangrijk instrument, omdat hierin de strategische ruimtelijke keuzen (locatiekeuzen) voor water en ruimtelijke ontwikkelingen worden gemaakt. Het instrument is vorm- en procedurevrij.

Cumela Advies – Nijkerk

- 31 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

Via het instrument www.dewatertoets.nl is de zogeheten watertoets uitgevoerd. Op basis van de ingevulde vragenlijst is de zogeheten ‘korte procedure’ van toepassing. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met standaard maatregelen. Deze maatregelen zijn terug te vinden in de als bijlage toegevoegde wateradvies. De toename aan bebouwing / verharding bedraagt circa 2.200 m2. Dit is met name toe te schrijven aan het verharden van het buitenterrein voor de opslag van bouw-, grond- en hulpstoffen. Ten aanzien van het plan kan verder nog aangegeven worden dat hemelwater van de te realiseren loods en het verharde oppervlak van het buitenterrein zal worden afgevoerd naar te realiseren wadi. De opslag van uitloogbare materialen op het buitenterrein is niet aan de orde. Conclusie Aangaande het onderdeel waterhuishouding worden voldoende maatregelen uitgevoerd, zodat dit de uitvoering van dit plan – in beginsel - niet hoeft te belemmeren.

4.2.7 Cultuurhistorie en archeologie Met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg, sinds 1 september 2007, heeft Nederland haar verplichting op basis van de Wet van Malta (1992) gestalte gegeven, zodat de archeologische waarden van de grond betrokken dienen te worden bij ruimtelijke planvorming. De gemeente Elburg heeft aan de projectlocatie in de beheersverordening Elburg 2013 – meerdere locaties “Archeologie 3” vastgesteld. Het doel van het archeologiebeleid is om op een effectieve, controleerbare en klantvriendelijke wijze met het archeologisch erfgoed om te gaan. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen kunnen in een vroeg stadium worden geïnformeerd welke archeologiecriteria van toepassing zijn. Tevens is in 2013 door gemeente Elburg een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat ter plaatse van de projectlocatie een lage verwachting archeologie van toepassing is. In geval van grondroerende werkzaamheden dieper dan 30 cm binnen een planomvang van meer dan 500 m2 dient met de aanwezigheid van archeologische waarden rekening te worden gehouden, tenzij er omtrent deze werkzaamheden reeds voldoende informatie beschikbaar is. De oppervlakte van de nieuw te realiseren bedrijfshal betreft 460 m2 en het feit dat op de locatie geen archeologische verwachtingen aanwezig zijn is een nader onderzoek niet van toepassing.

Voor de inpassing van de wijzigingen ter plaatse van de projectlocatie worden inpassingsmaatregelen genomen. Deze bestaan uit het toepassen van gebiedseigen beplanting rondom het perceel. Deze maatregelen zijn reeds afgestemd en akkoord bevonden door gemeente Elburg. Conclusie Het archeologisch beleid is opgenomen in de beheersverordening. Tevens is met het archeologisch onderzoek van 2013 de situatie bekend, waarbij is vastgesteld dat op de projectlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voor dit initiatief geldt dat er geen aanleiding is om een archeologisch onderzoek uit te voeren. 4.2.8 Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpgvulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (stb.

250, 2004) wordt een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (artikel 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen mobiele of stationaire bronnen.

Cumela Advies – Nijkerk

- 32 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

Ten aanzien van het groepsrisico kan gesteld worden dat onderhavig plan niet voorziet in de realisatie van een nieuw kwetsbaar object. Het groepsrisico blijft dan ook ongewijzigd en hoeft daarom niet nader verantwoord te worden. Aangezien er op de bedrijfslocatie niet met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt behoeft het plaatsgebonden risico ook niet nader verantwoord te worden.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.2.9 Geur De uitgevoerde activiteiten en toegepaste stoffen leiden niet tot waarneembare geurhinder. Ook in de bedrijfshal is geen specifieke geur afkomstig van de activiteiten. 4.2.10 (Vormvrije) m.e.r.-beoordeling Vanuit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het mogelijk dat een (vormvrije) m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd om te beoordelen of de gewenste ontwikkeling niet leidt tot onomkeerbare negatieve gevolgen voor het milieu. Wanneer een besluit wordt voorbereid voor het activiteit die is genoemd in bijlage C of bijlage D van het Besluit m.e.r. moet een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Het realiseren va neen bedrijfshal op een bestaand bedrijfsterrein of het verduurzamen van hout zijn geen activiteiten die zijn opgenomen in bijlage C of bijlage D. Hierdoor is het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.beoordeling niet aan de orde. 4.2.11 Duurzaamheid Het dak van de nieuwe bedrijfshal wordt voorzien van zonnepanelen. Hiermee wordt voor een deel van het eigen energieverbruik voorzien. In de bedrijfshal wordt LED-verlichting toegepast.

Cumela Advies – Nijkerk

- 33 -

november 2020

Ruimtelijke onderbouwing – Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk

5 UITVOERBAARHEID EN CONCLUSIE In deze ruimtelijke onderbouwing is nader ingegaan op de ruimtelijke/planologische, juridische en milieukundige aspecten aangaande de verantwoording omtrent de ‘passendheid’ voor het vergroten van het bestemmings-/bouwvlak voor de locatie Zuiderzeestraatweg West 109/109a te Doornspijk.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouw en afwijken van ruimtelijke regels in relatie tot de beheerverordening Elburg 2013 en het bestemmingsplan Buitengebied 1980, gemeente Elburg, in procedure is gebracht. In deze paragraaf worden, wanneer deze beschikbaar zijn en de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening uiteengezet. De direct omwonenden zijn geïnformeerd over het initiatief en hebben op voorhand geen bezwaren tegen de ontwikkeling.

5.2 Economische uitvoerbaarheid De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Elburg en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure exploitatieovereenkomst. Door de vaststelling van deze anterieure exploitatieovereenkomst is het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd. In deze overeenkomst kan tevens een bepaling worden opgenomen ten aanzien van een planschaderegeling. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Elburg komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

5.3 Conclusie Gelet op de inhoud van deze ruimtelijke onderbouwing is het initiatief niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en is er sprake van een aanvaardbare ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkeling speelt zich af ter grootte van de kavel. Middels dit initiatief wordt voorzien in: • Een verantwoorde uitbreiding van het vigerende bestemmings-/bouwvlak Bedrijf ter grootte van circa 2.200 m2 in oostelijke en zuidelijke richting aan de Zuiderzeestraatweg West 109/109a te Doornspijk; • De behoefte aan veilige, inpandige opslag / stallingsruimte ten behoeve van de materieel en werktuigen; • Het faciliteren van enige manoeuvreerruimte / erf en opslagruimte. In de ruimtelijke onderbouwing is invulling gegeven aan de toetsing op grond van het provinciaal en gemeentelijk (ruimtelijk) beleid en de relevante omgevingsfactoren.

Cumela Advies – Nijkerk

- 34 -

november 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=d7edf190-be8d-4f9b-aa21-59c2c94b732f