CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing d.d. 26-06-2023

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vvgb vergunning Koeweg 417.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

getroffen. De aangetoonde concentraties asbest geven geen belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw.

milieuhygiënische

Aanvullend bodemonderzoek In juni 2023 heeft er aanvullend bodemonderzoek plaatsgevonden (zie bijlage 1 van deze onderbouwing). De aanleiding van het aanvullend bodemonderzoek zijn de opmerkingen van de ODNV ten aanzien van het voorgaand verkennend bodemonderzoek, kenmerk beoordelingODNV2023AVIF-000393, 30 mei 2023. Uit de opmerkingen van de ODNV blijkt dat de nieuw te bouwen woning 2a deels buiten het onderzochte gebied valt. Het deel dat buiten het onderzoeksgebied valt is als verdacht aan te merken. Dit vanwege de inspoelzone van de westelijke schuur. Geadviseerd wordt alle inspoelzones van de westelijke schuur te onderzoeken om te voorkomen dat tijdens de sloop asbest verontreinigde grond wordt geroerd. Daarnaast dient de halfverharding tussen de schuren te worden onderzocht (asbest en NEN 5740 stoffen onder de verharding). Doel van het aanvullend onderzoek is het vaststellen van eventuele verontreiniging van grond van de locatie en een globaal inzicht te verschaffen in de aard, plaats en concentratie van eventuele verontreinigende stoffen. De hypothese voor het te onderzoeken gedeelte van het terrein is ‘(kleinschalig) onverdacht (ONV-NL)’. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie als beschreven in de NEN 5740. Op de locatie is tussen de schuren een gebroken asfaltverharding aanwezig. De bodemlaag onder deze verharding wordt separaat onderzocht.

De hypothese ten aanzien van de inspoelzones is ‘verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld (VED-HE)’. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie als beschreven in de NEN 5707. Op basis van de resultaten van de onderzoeken kan geconcludeerd worden dat er geen milieuhygiënische belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen nieuwbouw zijn. Volgens het toetsingskader uit de circulaire bodemsanering 2013, gedateerd van 1 juli 2013, hoeft op het onderzochte gedeelte van de locatie geen nader bodem onderzoek plaats te vinden aangezien geen van de onderzochte parameters zich boven het gemiddelde van 1/2{S+I} bevindt. Op de locatie hoeft geen nader asbest onderzoek plaats te vinden aangezien geen van de gemeten gehalten asbest zich boven de interventiewaarde en/of de vastgestelde norm voor nader onderzoek van ½ x 100 mg/kg.ds. bevinden. 4. 2.3 C on c lu s i e De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

28

4.3 Ecologie 4. 3.1 W ett e lij k kad e r In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met het Europees en nationaal beleid en wetgeving ten aanzien van de natuurbescherming. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Gelders Natuur Netwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Gelders Natuurnetwerk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) Het NNN is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. De provincie Gelderland heeft hiervoor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) opgesteld. Het GNN is in de Omgevingsvisie Gelderland uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij' principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.

3.2 S itu a ti e p lan ge b i e d Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. In december 2022 is er ecologisch onderzoek uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (zie bijlage 2 van deze onderbouwing). Soortenbescherming Op het perceel zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van (kleine) marters, vleermuizen en eventuele jaarrond beschermde nesten van vogels. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor verblijfplaatsen van deze soorten. Een ontheffing Wnb soorten is niet nodig. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht.

Gebiedsbescherming Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. Het perceel ligt op ruim 960m afstand van Natura 2000-gebied Veluwe en op ruim 3.500m van de Veluwerandmeren. Er zijn daarmee geen effecten te verwachten op specifiek beschermde habitats of soorten. Het plangebied valt buiten het GNN en de GO. Er geldt voor deze gebieden geen externe werking. Nader onderzoek of compenserende maatregelen zijn niet nodig

29

Algemene zorgplicht Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn.

Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli-huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen, dan moeten de werkzaamheden worden stilgelegd en dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen. Er is dan overleg nodig met het bevoegd gezag Stikstof Voor de aanlegfase en gebruiksfase zijn de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat de depositie door het voorgenomen plan niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Er vindt geen stikstofdepositie plaats op het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied en ‘Veluwe’ en ’Veluwerandmeren’.

Derhalve is er geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wnb. Samenvattend zijn er geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebieden ten gevolgen van de stikstofdepositie. 4. 3.3 C on c lu s i e Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

30

4.4 Externe veiligheid 4. 4.1 A lg e m e en Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.

Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

31

Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4. 4.2 S itu a ti e p lan geb i e d Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Op grond van artikel 1 lid l van het Bevi is er sprake van een nieuw kwetsbaar object (woningen), daarom wordt er een inventarisatie naar risicobronnen in de omgeving uitgevoerd. Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Uitsnede risicokaart, plangebied is aangeduid met oranje ster (bron: risicokaart).

32

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: Stationaire risicobronnen In of nabij het plangebied zijn geen stationaire risicobronnen aanwezig die mogelijk kunnen leiden tot een belemmering van het initiatief. Mobiele risicobronnen Nabij het plangebied liggen drie mobiele risicobronnen die mogelijk kunnen leiden tot een belemmering van het initiatief. In de onderstaande tabel zijn de risicobronnen, de te hanteren contouren en de afstand tot het plangebied opgenomen.

Risicobron Rijksweg A28 Spoorlijn Zwolle Amersfoort Aardgasbuisleiding A-570

PR 106 contour 0m 1m

PAG 30 m 30 m

Invloed gebied 880 m 4000 m

Afstand tot plangebied 2000 m 2100 m

Op de leiding

n.v.t.

100% letaal 80 m

650 m

1% letaal 170 m

Rijksweg A28 De ontwikkeling bevindt zich buiten de plaatsgebonden risicocontour 10‘6 en het plasbrandaandachtsgebied van de A28. Hiermee vormt deze geen directe belemmering voor het initiatief. De ontwikkeling ligt ook niet binnen het invloed gebied van de A28. Het groepsrisico hoeft niet verantwoord te worden. Spoorlijn Zwolle - Amersfoort De ontwikkeling bevindt zich buiten de plaatsgebonden risicocontour 10‘6 en het plasbrandaandachtsgebied van de spoorlijn. De ontwikkeling is gelegen binnen het invloed gebied van de spoorlijn, maar op meer dan 200 meter van de risicobron. Het groepsrisico dient standaard (rampenbestrijding en zelfredzaamheid) verantwoord te worden. Aardgasbuisleiding A 570 De ontwikkeling bevindt zich buiten de plaatsgebonden risicocontour 10'6 en de belemmeringstrook van de buisleiding. De locatie ligt ook niet binnen de 1% letaal contour. Het groepsrisico hoeft niet verantwoord te worden Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico (beschouwen van de elementen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) voor de spoorlijn Amersfoort – Zwolle verplicht. Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank (weg- of spoorvervoer) lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien.

Bij een deel van de aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van

33

letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies. Op grond van artikel 1 lid l van het Bevi is er sprake van een nieuw kwetsbaar object (woningen). Op de locatie worden geen giftige stoffen gehouden. Er verblijven op de locatie geen zeer kwetsbare personen, het aantal personen wat aanwezig is in het plangebied neemt met de voorgenomen ontwikkeling iets toe. Hiermee zal de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het groepsrisico. Het uitvoeren van groepsrisicoberekeningen is vooral van belang om te bevestigen dat het berekende groepsrisico lager is dan 10% van de oriënterende waarde, waardoor geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig is. Gelet op de zeer lage personendichtheid mag worden verwacht dat het groepsrisico verwaarloosbaar is. In ieder geval is het groepsrisico ruimschoots lager dan 10% van de oriënterende waarde. Hierdoor is het duidelijk dat geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij met name parameter. Uitgangspunt is dat bij nieuwbouw voldoende aandacht besteed wordt aan de luchtdichtheid van gebouwen. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het bebouwde grondgebied van de Noord-Veluwse gemeenten valt grotendeels binnen de dekking van deze sirenepalen. De gemeente zal de bewoners er ook op wijzen dat zij er verstandig aan doen ervoor te zorgen dat ze via hun mobiele telefoon zijn aangesloten op NL-alert en het CPR network. Door interne vluchtwegen af te stemmen op externe veiligheid wordt geanticipeerd op een incident met gevaarlijke stoffen. Interne vluchtwegen die gericht zijn in de richting van de risicoluwe zijde van de omgeving (afhankelijk van het scenario) voorzien in een veiligere ontvluchting in geval van een calamiteit.

Deze mogelijke maatregel voorziet in uitbreiding van het ‘traditionele’ ontruimingsplan met een paragraaf externe veiligheid. In deze additionele paragraaf wordt beschreven hoe de alarmering plaats vindt, wat het gewenste handelingsperspectief is bij een rampscenario (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling wordt gegeven (in welke richting vluchten, in welke ruimte(s) schuilen). Voor externe ontvluchting van het plangebied is een goede infrastructuur van belang waarbij van de bron af gevlucht kan worden. De bestaande wegenstructuur biedt de mogelijkheid om van het incident af te kunnen vluchten. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en

34

de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid is door de gemeente Elburg in het kader van de omgevingsvergunningprocedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG). De directe effecten van een koude BLEVE zijn niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.

Bereikbaarheid Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten. 4. 4.3 C on c lu s i e Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

35

4.5 Geluid 4. 5.1 A lg e m e en Ter beperking van geluidshinder zijn in de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones gedefinieerd rondom belangrijke geluidsbronnen (gezoneerde industrieterreinen, verkeerswegen en spoorwegen). Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied, waar voor bestemmingsplannen een akoestische toetsing dient te worden uitgevoerd. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de ten hoogste toelaatbare waarde op de geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de hoogst toelaatbare waarde te voldoen. Naast de toetsing aan de wettelijke normen, dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4. 5.2 S itu a ti e p lan geb i e d Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd.

De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Er worden planologisch gezien twee geluidsgevoelige objecten (woningen)toegevoegd aan het perceel. Wegverkeerslawaai In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft. Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/h-gebied of in een woonerf. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg. Het plangebied is gelegen aan de Koeweg, dit is een tweebaansweg in het buitengebied. Op grond van artikel 74 Wgh heeft deze weg een geluidzone van 250 meter aan weerszijden van de weg. De nieuw te bouwen woningen zijn gesitueerd binnen deze geluidzone, akoestisch onderzoek is noodzakelijk. In februari 2023 is er akoestisch onderzoek voor de voorgenomen ontwikkeling (zie bijlage 3 van deze onderbouwing). Uit het onderzoek blijft dat de voorkeursgrenswaarde op de gevels van de woningen niet wordt overschreden. Industrielawaai / bedrijven Op het perceel Koeweg 4a is agrarisch hulpbedrijf gevestigd.

Voor een agrarisch hulpbedrijf, milieucategorie 3.2, geldt een maximale richtafstand van 50 meter voor geluid. Het plangebied ligt in het buitengebied van ‘t Harde, met een mix van wonen, agrarisch en bedrijf, waarmee de omgeving volgens de VNG-brochure is te typeren als een gemengd gebied. Ingeval van een gemengd gebied, mag 1 stap lager worden aangehouden. In dit geval 30 meter voor geluid. De overige aspecten voldoen aan de richtafstanden voor gemengd gebied. De geplande woningen liggen binnen 30 meter. Hieronder is daarom nader onderzoek uitgevoerd op het aspect

36

bedrijfsgeluid (zie paragraaf 4.7 van deze toelichting). Er is aangetoond dat het plan niet leidt tot onevenredige belemmeringen voor het naastgelegen bedrijf en dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect bedrijfsgeluid. Spoorweg Het plangebied is niet gelegen in de zone van een spoorweg. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4. 5.3 C on c lu s i e Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

37

4.6 Luchtkwaliteit 4. 6.1 A lg e m e en Op 15 november 2007 is de zogeheten 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Met de 'Wet luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de 'Wet milieubeheer' op het gebied van luchtkwaliteitseisen bedoeld. De 'Wet luchtkwaliteit' vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'Niet in betekenende mate (NIBM)' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als: • • • •

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd wordt staat in de regeling NIBM dat deze nog steeds in niet betekenende mate kan bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. Bij het beoordelen van de blootstelling ter plaatse van het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening, is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) relevant. Daarnaast heeft de GGD een advies opgesteld voor de beoordeling van de luchtkwaliteit.

38

4. 6.2 S itu a ti e p lan geb i e d Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Er worden planologisch gezien twee geluidsgevoelige objecten (woningen)toegevoegd aan het perceel. De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal iets toenemen. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een vrijstaande woning een verkeersgeneratie van 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. Door het toevoegen van twee woningen zal de verkeersgeneratie met 16,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal toenemen. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie dan 24,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld kan worden.

De bijdrage van het extra verkeer is bij het voorliggend plan in niet betekende mate en is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij woningen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke.

39

Achtergrondconcentratie PM2,5 in 2020 (bron: AtlasLeefomgeving.nl)

Achtergrondconcentratie PM10 in 2020 (bron: AtlasLeefomgeving.nl)

40

Achtergrondconcentratie NO2 in 2020 (bron: AtlasLeefomgeving.nl) Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2020. Achtergrondconcentratie 2020

Grenswaarde

Fijnstof PM 2,5

<10 ug/m3

25 ug/m3

Fijnstof PM 10

17-18 ug/m3

40 ug/m3

Stikstofdioxide

<10 ug/m3

40 ug/m3

Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentratie fijn stof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 4. 6.3 C on c lu s i e Ten behoeve van het onderhavige plan is het uitvoeren van berekeningen niet nodig omdat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging ter plaatse (conform besluit NIBM). De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

41

4.7 Bedrijven en milieuzonering 4. 7.1 A lg e m e en Om bedrijfsvestigingen te kunnen toetsen op milieuhygiënische aspecten wordt het instrument milieu-zonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds hindergevoelige functies, zoals woningen. Algemeen wordt hiervoor de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gebruikt. Hierin zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend. Per bedrijf is aangegeven wat de gewenste afstand is tot een rustige woonwijk. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De feitelijke emissies (geluid, geur, stof et cetera) van een bedrijf kunnen aanleiding zijn om een andere afstand aan te houden. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen.

Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

•

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

42

•

ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

4. 7.2 S itu a ti e p lan geb i e d Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Het plan voegt geen milieubelastende activiteiten toe. In de omgeving van het plangebied zijn een tweetal bedrijfsbestemmingen gelegen aan de Koeweg 4a en de Koeweg 13. Koeweg 4a Op het perceel Koeweg 4a is agrarisch hulpbedrijf gevestigd. Voor een agrarisch hulpbedrijf, milieucategorie 3.2, geldt een maximale richtafstand van 50 meter voor geluid. Het plangebied ligt in het buitengebied van ‘t Harde, met een mix van wonen, agrarisch en bedrijf, waarmee de omgeving volgens de VNG-brochure is te typeren als een gemengd gebied. Ingeval van een gemengd gebied, mag 1 stap lager worden aangehouden. In dit geval 30 meter voor geluid. De overige aspecten voldoen aan de richtafstanden voor gemengd gebied. De geplande woningen liggen binnen 30 meter.

Hieronder is daarom nader onderzoek uitgevoerd op het aspect bedrijfsgeluid (zie bijlage 5 van deze toelichting). Overleg Er is meermaals overleg geweest tussen de initiatiefnemer en het bedrijf. Het bedrijf heeft twee kranen welke permanent op locatie elders aan het werk zijn en van klus naar klus gaan. Deze komen niet op het terrein aan de Koeweg. Een derde kraan wordt bediend door de eigenaar van het bedrijf. De activiteiten bestaan uit het vertrek van materieel naar een klant op locatie en het na de klus terugkeren daarvan. Dat kan op dezelfde dag, maar vaak duurt een klus meerdere dagen en zijn er in het geheel geen activiteiten op het terrein. De kraan wordt vervoerd op een wagen met daarvoor een tractor. Het op- en afrijden en het handelen met de rijplaten kan enig geluid geven. De tractor vertrekt in de dagperiode (na 6.00 uur) en komt in de regel ook in de dagperiode terug. De huidige kraan betreft een Liebherr A914 en de tractor een New Holland T7.220. Bij een klus in de nabije omgeving kan het voorkomen dat er enige (tijdelijke) opslag plaatsvindt op het terrein van de inrichting en enige activiteiten in de dagperiode. Er is vanuit het bedrijf geen bezwaar tegen de realisatie van de woningen, mits er geen belemmeringen zijn voor de bedrijfsvoering. Het voornemen is een overeenkomst op te stellen om e.e.a. hierover vast te leggen.

De bedrijfshal wordt gebruikt voor stalling van materieel. Ontwerp nieuwe woningen Bij het ontwerp is geprobeerd rekening te houden met de activiteiten op het naastgelegen perceel door de schuren/bijgebouwen te situeren tussen de woning en de perceelgrens. Verder is een afscherming op de perceelgrens voorzien van 2 meter hoog. Op gebouwniveau wordt op de verdieping de westgevel doof uitgevoerd en komt er minimaal één slaapkamer met een op het oosten georiënteerde gevel (geluidluw). Rekenresultaten Uit de rekenresultaten blijkt dat het te verwachten langtijdgemiddelde geluidniveau op de nieuwe woning 1 in de dagperiode LAr;LT=49 dB(A) of lager is. Op woning 2 is dat 48 dB(A) of lager. Dit voldoet aan de eisen uit het

43

Activiteitenbesluit en ook aan het uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening in een gemengd gebied. De maximale niveaus voldoen met LAmax= 61 dB(A) of lager in de dagperiode ruimschoots aan de normen. Er is nog gekeken wat het effect is van een terugkerende tractor in de avond of een vertrekkende tractor in de nachtperiode. In de avond is dan te voldoen aan de eisen van zowel het Activiteitenbesluit als vanuit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. In de nachtperiode lukt dat net niet. Een komende of vertrekkende tractor kan op de noordgevel van Koeweg 13 een maximaal geluidniveau veroorzaken van LAmax=70 dB(A) en een LAmax=65 dB(A) op de noordgevel van Koeweg 4. Daarmee zijn deze woningen feitelijk al beperkend voor activiteiten in avond en nacht. Afweging Bij het ontwerp is rekening gehouden met de activiteiten op het naastgelegen perceel. Ook is daarmee overleg gevoerd. Op de meeste dagen bestaan de activiteiten alleen uit het vertrek van een tractor met aanhanger en daarop de kraan, of de terugkeer daarvan. Als worst case is ook uitgegaan van een tractor gedurende 50% op het achterterrein en een extra vrachtwagen in de dagperiode. Daarmee voldoet het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de west- en noordgevels van de nieuwe woningen aan de waarde van 50 dB(A) voor een gemengd gebied. De oostgevels zijn sowieso geluidluw.

Bij de woningindeling zal dan ook minimaal één slaapkamer aan de oostzijde zijn gesitueerd. Aan de oostzijde van de woningen zal ook voldoende geluidluwe buitenruimte aanwezig zijn. Nu de bestaande woningen al enigszins beperkend zijn in avond- en nachtperiode, vormt de realisatie van de woningen inclusief de voorgestelde maatregelen geen onevenredige belemmering voor de bedrijfsvoering. Bij passage van een tractor in avond of nacht zijn maximale niveaus berekend op de verdieping van LAmax=65 dB(A) of lager. Bij een minimale geluidwering conform het Bouwbesluit van 20 dB, geeft dat een binnenwaarde van LAmax=45 dB(A) of lager. Dit voldoet daarmee aan de binnenwaarde voor maximale niveaus in aanpandige situaties in de nacht. Hinder en slaapverstoring is daarmee uit te sluiten. Op de begane grond is sowieso sprake van een geluidniveaus ruim onder de richtwaarden. Ter plaatse van de nieuwe woningen is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect bedrijfsgeluid. Voor het scherm op de erfgrens kan als vuistregel worden uitgegaan van een massa van 10 kg/m2, waarmee bijvoorbeeld een houten schutting een goede optie kan zijn. Op basis van bovenstaande zijn er vanuit het aspect bedrijfsgeluid geen belemmeringen voor realisatie van de beoogde woningen. Koeweg 13 Op het perceel Koeweg 13 is een agrarische rundveehouderij gevestigd.

Het bedrijf heeft een milieuvergunning voor het houden van zoogkoeien en jongvee. Een rundveehouderij heeft een maximale richtafstand van 100 meter voor geur. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. De gevel van de nieuwe woning op het perceel Koeweg 4 ligt op een afstand van circa 90 meter van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf. De stallen op het perceel Koeweg 13 bevinden zich achter de woning. De dichtstbijzijnde stal ligt op een afstand van circa 150 meter tot de gevel van de nieuwe woning op het perceel Koeweg 4. De afstand tussen geurgevoelige objecten en de agrarische bedrijvigheid wordt met de voorgenomen ontwikkeling echter niet verkleind. De reguliere woning op het perceel Koeweg 4 is gesitueerd tussen beide percelen en is daarmee maatgevend. Het agrarisch bedrijf wordt dan ook niet belemmerd in de bedrijfsvoering.

44

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als gemengd gebied, vanwege de aanwezigheid van agrarische bedrijven, andere bedrijvigheid en woningen. Wanneer de richtstand van 100 meter met 1 stap verkleind wordt, geldt een richtafstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt ruim voldaan. Het blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het agrarisch bedrijf en dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat kan worden gegarandeerd op het perceel Koeweg 4. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Het voorliggend plan voldoet aan deze afstand. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4. 7.3 C on c lu s i e Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

45

4.8 Water 4. 8.1 V ig er en d b el eid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Nationaal Water Programma 2022-2027 Water speelt een belangrijke rol bij de 4 prioriteiten voor de fysieke leefomgeving zoals het Rijk die stelt in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De prioriteiten bestaan uit samenhangende opgaven waarin water steeds een belangrijke rol speelt. Het beleid van de NOVI met betrekking tot deze 4 prioriteiten is in het nationaal waterplan verder uitgewerkt. Water en de bodem vormen het leidende principe bij de ruimtelijke inrichting van Nederland. Al bij het ontwerpen wordt bedacht hoe de inrichting meerdere doelen kan dienen en de natuurlijke processen in het gebied kan versterken. Daarbij wordt het water zo veel mogelijk vastgehouden of tijdelijk geborgen en alleen als het niet anders kan afgevoerd. Daarnaast worden oplossingen gekozen om zo zuinig mogelijk om te gaan met het beschikbare water. Het NWP kent drie hoofdambities; 1. Een veilige en klimaatbestendige delta; Naast het beschermen van Nederland tegen overstromingen wordt er veel aandacht besteed aan het aanpassen aan het veranderende klimaat; klimaatadaptatie. Nederland moet in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust zijn ingericht. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta;

46

Waarbij een toekomstbestendige zoetwatervoorziening centraal staat. Er wordt zuinig omgegaan met het beschikbare zoete water. Zoetwater wordt zo veel mogelijk vastgehouden voor toekomstig gebruik en bij schaarste wordt het water slimmer verdeelt. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur; Er wordt voorkomen dat verontreinigende stoffen in grondwater of oppervlaktewater terecht komen. Natuur en biodiversiteit in en rond het water wordt versterkt. Provinciaal beleid De Omgevingsvisie Gelderland is mede kaderstellend voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het waterplan is beschreven aan de hand van een aantal thema’s zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Hierbij is rekening gehouden met de Europese kaderrichtlijn water en het beleid. Beleid Vallei en Veluwe Het waterschap Vallei en Veluwe werkt aan een waardevolle leefomgeving voor iedereen, in een constant veranderende wereld. Met het blauw omgevingsprogramma wordt nadrukkelijk de samenwerking met inwoners en de maatschappelijke partners van het waterschap opgezocht. Zo wordt er gezamenlijk gewerkt aan het bouwen van een duurzame en waardevolle leefomgeving. Een leefomgeving waarin voldoende schoon water beschikbaar is.

Waar inwoners beschermd worden tegen overstromingen, vanuit de rivieren maar ook door hevige lokale neerslag. De sponswerking van de bodem wordt verbeterd en er wordt ingezet op het versterken van de natuurwaarden en vergroten van de biodiversiteit. Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe Het Blauw Omgevingsprogramma kent 4 gebiedsprogramma's, waaronder het gebiedsprogramma NoordVeluwe. Hierin wordt samengewerkt aan een samenhangende en natuurlijke randmeerkustzone, met veilige dijken, een dynamisch buitenwater en een robuust watersysteem van de Veluwerand. De grondwateraanvulling wordt gestimuleerd door te zoeken naar manieren om de zoetwatervoorraad op de Veluwe te vergroten. Zoals via een ander bos- en natuurbeheer. De kwaliteit van de leefomgeving wordt versterkt door de ontwikkeling van (klimaat)robuuste en natuurlijke beeksystemen, zoals de Hierdense Beek van bron tot monding. De kernen, waaronder Harderwijk, hebben een eigen ruimtelijke groei-ambitie. Door hier de waterprincipes van maximaal schoonhouden en water als ordenend principe toe te passen, worden deze kernen robuuster gemaakt. Door combinaties te zoeken met de andere opgaven, recreatieve kansen van de randmeerkust te benutten en te streven naar robuuste ecologische verbindingen, wordt er gewerkt aan een gezonde en duurzame leefomgeving. 4.

8.2 Wa te rp a rag raa f 4.8.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer

47

21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.8.2.2 Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd.

Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Het verhard oppervlak zal in de nieuwe situatie afnemen. Het hemelwater dat in het plangebied valt wordt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein. De nieuwe woningen worden voor het vuilwater aangesloten op de riolering van de gemeente. Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over voorliggend initiatief door gebruik te maken van de digitale watertoets (zie bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing). Op basis van de locatie en gegeven antwoorden blijkt dat het plan invloed kan hebben op de waterschapsbelangen. De normale procedure is van toepassing. Het plan is ingediend bij het Waterschap. In november 2022 heeft het waterschap een reactie gegeven op het ingediende plan: - Uit de watertoets komt een normale procedure aangezien de ontwikkeling plaatsvindt in een grondwaterfluctuatiezone. Deze ontwikkeling heeft gezien de omvang geen invloed hierop (tenzij er mogelijk ondergronds parkeren wordt gerealiseerd maar dat is hier zo te zien niet ter sprake). Gezien er geen toename verhard oppervlakte is en het plan verder geen waterschapsbelangen raakt geeft het waterschap een positief wateradvies.

Het algemene advies met de aandachtspunten (vasthoudenbergen-afvoeren, grondwaterneutraal bouwen en schoon houden-scheiden-schoon maken) geldt altijd. 4. 8.3 C on c lu s i e Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

48

4.9 Besluit milieueffectrapportage (MER) 4. 9.1 A lg e m e en De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.

9.2 S itu a ti e p lan geb i e d Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:

49

1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit plan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.toets. 4. 9.3 C on c lu s i e Dit plan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de uitvoering van dit plan.

50

4.10 Verkeer en parkeren Initiatiefnemers zijn eigenaar van de kadastrale percelen 3277, 3278 en 3894 aan de Koeweg 4 in ’t Harde. Op deze percelen was een agrarisch bedrijf gevestigd, deze agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De bebouwing op deze percelen bestaat uit een bedrijfswoning met twee stallen en twee schuren. In de gewenste situatie worden de stallen en schuren met een inhoud van 7136 m3 in het plangebied gesloopt. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Achter de bestaande woning, op de plek van de voormalige stallen, worden twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Deze voorgenoemde CROW-kencijfers zijn doorvertaald in de gemeentelijke parkeerbeleid.

Verkeer De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal iets toenemen. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een vrijstaande woning een verkeersgeneratie van 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. Door het toevoegen van twee woningen zal de verkeersgeneratie met 16,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal toenemen. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie dan 24,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In het plangebied wordt een extra ontsluiting gemaakt op de Koeweg voor de twee nieuw te bouwen vrijstaande woningen. Problemen op gebied van verkeersveiligheid op de Koeweg worden niet verwacht, het extra verkeer is goed op te vangen in het heersende verkeersbeeld van de Koeweg en aansluitende wegen. Parkeren De gemeente Elburg heeft haar parkeernormen beschreven in de beleidsnotitie nadere regels 'Parkeernormen en hoogte financiële voorwaarde gemeente Elburg’. Voor een vrijstaand koophuis bedraagt de parkeernorm 2,5 parkeerplaatsen per woning. Afgerond moet er per woning dus voorzien worden in 3 parkeerplaatsen, met elk een afmeting van 5 x 2,5 m. Bij beide woningen is op het erf voldoende ruimte om in de parkeernorm te voorzien. Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren

51

4.11 Kabels en leidingen In het kader van het ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen Kabels en niet-planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden.

Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. Conclusie In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten.

52

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid van het plan 6.1 Algemeen Op basis van de voorgaande hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat de beoogde functiewijziging, gelet op het planologisch beleid, de omgevingssituatie ter plaatse uitvoerbaar kan worden geacht. Geconcludeerd kan worden dat voor de gewenste ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 6.2 Economische uitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Het voorliggende project wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de aanvraag van de omgevingsvergunning en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het besluitgebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=0a7e8708-bac2-4ec3-b522-ffbbed631d9b