CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Koeweg 1a en 1b 't Harde_toelichting

Raadsvergadering 3 juni 2024, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Koeweg 1A en 1B, 't Harde13.440 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De beoogde ontwikkeling m.b.t. camperplaatsen binnen het projectgebied leidt niet tot de oprichting van nieuwe geluidsgevoelige objecten of van een zogenaamde ‘grote lawaaimaker’. Toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder is daardoor niet aan de orde. Wel leidt de beoogde ontwikkeling tot de oprichting van een activiteit waaraan op grond van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een hindercontour gekoppeld kan worden. Met deze ontwikkeling is het woon- en leefklimaat ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen niet in het geding. Gesteld wordt, dat het aspect ‘geluid’ de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de zone van railwegen, waardoor akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een zone van een gezoneerd industrieterrein volgens de Wet geluidhinder. Voor de overige inrichtingen rondom het plangebied is de geluidsuitstraling geregeld middels de Wet milieubeheer. Dit levert geen belemmering op bij de verblijfsgebieden binnen het plangebied. Luchtvaartlawaai ’t Harde ligt niet binnen een zone van een vliegveld. Pagina 37 van 55

Onderzoek: Gezien de grote afstand tussen het zoekgebied en de geluidsbronnen is de verwachting dat de leefomgevingskwaliteit wat betreft geluid voldoende is en sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie: Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid, nader onderzoek op het gebied van geluid is daarom ook niet nodig

4.6 Luchtkwaliteit Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Om de bovenstaande doelen te behalen, voorziet de Wet milieubeheer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbij is onder andere aangegeven dat een ontwikkeling geen belemmering voor de luchtkwaliteit vormt wanneer het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De typen projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen zijn exact vastgelegd in het Besluit en de Regeling Niet in betekenende mate (Nibm). Het gaat onder andere om woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor deze kleinere plannen, zoals onderhavig plan, heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld; de NIBM tool. Hiermee kan het bevoegd gezag op een eenvoudige en snelle manier bepalen of er sprake is van een NIBM bijdrage.

Het grote voordeel van de NIBM rekentool is dat een beperkt aantal invoergegevens nodig zijn om vast te stellen of een plan NIBM bijdraagt. De rekentool hanteert de 'worst-case' situatie. De rekenmethode is in overeenstemming met de eisen die de huidige wet- en regelgeving stelt aan luchtkwaliteit onderzoeken voor verkeer langs binnenstedelijke wegen, zoals vastgelegd in de regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (inclusief alle wijzigingen). Het beoogde plan voldoet aan de rekenregels die gelden voor Standaardrekenmethode 1 (SRM1) uit de regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Verder voldoet het plan aan alle randvoorwaarden en uitgangspunten die gelden voor de NIBM rekentool. De grenswaarde voor NIBM ligt op 1,2 µg/m3 en hiermee blijft de impact op de luchtkwaliteit ruimschoots binnen gestelde grenzen.

Pagina 38 van 55

Het bestemmingsplan maakt 4 nieuwe appartementen binnen een bestaande bedrijfshal mogelijk. Conform voorschrift 3B.2 van bijlage 3b van de regeling zal deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1500 woningen. Dat is hier niet het geval. Met deze onderbouwing wordt het mede mogelijk gemaakt om in 21 camperplaatsen te realiseren en als zodanig te kunnen gebruiken, alsook het realiseren van enkele voorzieningen. De verkeersaantrekkende werking van deze camperplaatsen is veel lager dat de verkeersaantrekkende werking van een woningbouwproject van 1.500 woningen. De beoogde ontwikkeling kan dan ook als niet in betekenende mate worden beschouwd. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit. Conclusie: Op grond van vorenstaande kan het plan doorgang vinden op grond van artikel 5,16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. Nader onderzoek kan derhalve achterwege blijven en er bestaan vanuit luchtkwaliteit geen belemmeringen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit in voldoende mate is onderzocht en geen beperkingen oplevert voor de realisering van het onderhavige plan.

4.7 Verkeer en parkeren Verkeer Op basis van de CROW publicatie-317 is voor het voornemen de verkeersgeneratie bepaald. In het plangebied zijn in de nieuwe situatie 6 woningen aanwezig waarvan 2 bestaand en 4 nieuw toegevoegd in een bestaand gebouw. Uitgaande van een verkeersgeneratie van maximaal 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning resulteert dit in een verkeersgeneratie van 48 mvt/etmaal.

Pagina 39 van 55

Met kencijfers van het CROW is doorgaans een inschatting te maken van de verkeersgeneratie van nieuwe functies. Een camperplaats maakt geen onderdeel uit van de opgenomen functies in het CROW. Wel is een camping (kampeerterrein) en een bungalowpark (huisjescomplex) opgenomen. Voor een camping gaat het om 0,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal) en voor een bungalowpark 2,7 mvt/etmaal. Verwacht wordt dat een camperplaats tussen deze kencijfers in zit, omdat het jaarrond meer zal worden gebruikt dan een camping, maar minder dan een bungalowpark. Worst-case is uitgegaan van het kencijfer van een bungalowpark. Dit betekent een extra verkeersgeneratie van 57 mvt/etmaal. Een toename van 57 mvt/etmaal leidt verdeeld over de dag niet direct tot problemen. De Koeweg is een goed toegankelijke erftoegangsweg in een rustig buitengebied. De aanwezigheid van de camperplaats leidt daarom tot een dusdanig beperkt aantal verkeersbewegingen, wat niet zal leiden tot een onevenredig aantal conflictpunten wat de verkeersveiligheid in gedrang kan brengen. Dit is voor de verkeersintensiteit van de omliggende wegen geen enkel probleem. Parkeren Ten behoeve van de 4 nieuwe appartementen geldt volgens de Parkeernota 2014 een norm van 1,6 parkeerplaatsen en voor 2 bestaande woningen 2,5 parkeerplaatsen. Dit zijn afgerond 12 parkeerplaatsen t.b.v. wonen.

Op het erf worden 12 parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van wonen en 5 extra parkeerplaatsen. In totaal zijn er dus 17 parkeerplaatsen aanwezig, waardoor ruimschoots aan de parkeernorm wordt voldaan. Parkeerbehoefte De camperplaatsen bieden extra capaciteit voor het opvangen van recreanten met campers in de gemeente Elburg. Als onderdeel van het aspect parkeren verbetert de parkeersituatie daarmee voor camperaars.

Conclusie: Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren.

4.8 Watertoets Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. Zij zijn verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De watertoets is tijdens de planvorming uitgevoerd en de resultaten zijn als bijlage toegevoegd. Hieruit is gekomen dat de algemene procedure gevolgd kan worden. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Pagina 40 van 55

Blauwe Omgevingsvisie 2050 Met de Blauwe Omgevingsvisie 2050 zet het waterschap koers naar een duurzame samenleving waarbij water wordt gezien als een ordenend principe. In de Omgevingsvisie worden 3 gebieden (stroomgebieden) onderscheiden namelijk; Noord-Veluwe, IJsselvallei en oostflank van de Veluwe en de Gelderse Vallei en Eemland. Het nieuwe water denken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die als leidende principes zijn toegepast in de BOVI2050. De 3 leidende principes zijn: 1. water als ordenend principe in de ruimtelijke ontwikkeling, 2. maximaal schoonhouden en vasthouden van water, 3. partnerschap als watermerk. Het bebouwde gebied krijgt in de toekomst te maken met meer regen in kortere tijd, langere perioden van droogte en het daarmee samengaande hitte-eilandeffect; het aantal warme nachten neemt met een factor drie toe. Voor een mooiere en gezondere leefomgeving, moeten we de duurzaamheids- en transitieopgaven met elkaar verbinden en zoveel mogelijk multifunctioneel ontwikkelen. Het veelzijdig toepassen van water en groen in stedelijk gebied draagt niet alleen bij aan de ruimtelijke kwaliteit, maar is ook onderdeel van de oplossing voor de grote opgaven.

Vasthouden van water Het realiseren van meer groen biedt vele kansen voor de leefbaarheid in de stedelijke omgeving. Dit vermindert de invloed van de stedelijke verdichting. Door groen toe te voegen op daken, tegen gevels en tussen de gebouwen op straten en pleinen zorgen we voor natuurlijke koeling waarmee het hitte-eilandeffect wordt tegengegaan. Meer groen draagt ook bij aan de biodiversiteit in steden en dorpen. Daarnaast kunnen groene ruimtes zoals wadi's (aangelegde plekken waar regenwater wordt opgevangen en in de grond infiltreert) en groene daken worden benut om regenwater vast te houden of te bergen. Door het water in de stad te houden en 'op te sparen' kan dit wordt benut in droge tijden. Andere mogelijkheden zijn waterdoorlatende verharding en waterpleinen. Om tijdens piekbuien water te kunnen afvoeren, kan zelfs de weg tijdelijk als beek worden benut. Huidige en toekomstige situatie Het plangebied maakt deel uit van het landelijk gebied aan de noordwestzijde van het dorp 't Harde en bestaat uit wonen, verharding en weilanden die omzoomd worden door boomsingels en houtwallen. In de toekomstige situatie zal er geen verdere verstening plaatsvinden, Alleen het gebruik van het weiland t.b.v. 21 camperplaatsen en het gebruik van het garagebedrijf voor 4 appartementen wordt gewijzigd. T.b.v.

de realisatie van 4 appartementen vindt er een interne verbouwing van een bestaand gebouw plaats. Pagina 41 van 55

Bodem en grondwater Het plangebied ligt in een grondwaterfluctuatiezone zoals deze door de provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Het waterschap hanteert het uitgangspunt dat ontwikkelingen grondwaterneutraal worden uitgevoerd. Zij adviseert om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen, zodat grondwateroverlast in de toekomst voorkomen kan worden. Het uitgangspunt bij grondwaterneutraal is dat er in principe geen permanente drainage en afvoer van grondwater uit het gebied mag plaatsvinden. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Grondwaterfluctuatiezone (bron: provincie Gelderland)

Voor wat betreft waterkwantiteit hanteert het waterschap 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Dat betekent dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Pagina 42 van 55

Daarbij mag maximaal 3l/s/ha afgevoerd worden naar het watersysteem, wat over 24 uur gelijk staat aan 26 mm neerslag. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. Vanuit het plangebied mag vanwege de plannen dus geen extra water gaan afvoeren naar het plangebied. Als vuistregel geldt dat bij een T=100-neerslaggebeurtenis (87 mm, waarvan 1 mm verdamping) de maximale afvoernorm van 3 l/s/ha (ofwel 26 mm) niet mag worden overschreden. Dit betekent dat de overige 60 mm neerslag (= 87 mm - 1 mm - 26 mm) in het plangebied dient te worden vastgehouden. Een en ander komt er op neer dat er in het plangebied voor elke m2 verhard oppervlak 0,06 m water geborgen dan wel geïnfiltreerd (vastgehouden) dient te worden. Het plangebied ligt in het landelijk gebied en is omgeven door veel onverhard groene gronden (akkers, weilanden, boomsingels). Grote hoeveelheden hemelwater kunnen daarom op een gemakkelijke wijze infiltreren in de bodem, zonder overlast te veroorzaken. Uitgaande van het initiatief neemt het verhard oppervlak (bestrating en bebouwing) niet toe. Waterkwaliteit Voor de waterkwaliteit wordt 'schoonhouden-scheiden-zuiveren' gehanteerd.

Om de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater niet nadelig te beïnvloeden, wordt daarom geadviseerd geen milieuonvriendelijke, uitlogende bouwmaterialen toe te passen of toe te staan. Bij de inpandige verbouwing zoveel mogelijk duurzaam gebouwd. Het bestaande pand is opgebouwd uit voornamelijk duurzame materialen. Het afstromend hemelwater behoudt daarmee een voldoende kwaliteit om verontreiniging van grond- en oppervlaktewater te voorkomen. 4.8.2 Onderzoek De watertoets is op 17-09-2022 uitgevoerd via www.dewatertoets.nl. Op basis daarvan heeft het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Conclusie: Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het

gebied van water is daarom ook niet nodig. De watertoets en de samenvatting watertoets zijn respectievelijk als bijlage toegevoegd aan dit plan.

4.9 Ecologie Wettelijk kader De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Pagina 43 van 55

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming biedt de grondslag voor de aanwijzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Deze gebieden worden tezamen Natura2000-gebieden genoemd. Ter bescherming van deze Natura2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura2000-gebied kunnen aantasten. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet Natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000‐gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd.

Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie figuur), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 0,8 kilometer) van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ plaatsvindt worden daarnaast geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.

Pagina 44 van 55

Onderzoek op 6 september 2022 is door ATKB een quickscan wet natuurbescherming uitgevoerd. Het rapport wordt als bijlage toegevoegd en is aangepast op 18 september 2023. Ten aanzien van het onderhavige plangebied het volgende geconstateerd: •

Het plangebied is potentieel leefgebied van kleine marterachtigen (wezel, boommarter, steenmarter, eekhoorn en hazelworm). Uit het aanvullende onderzoek naar deze soorten blijkt dat wezel, bunzing, eekhoorn en hazelworm geen gebruik maken van het plangebied. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.

•

De bebouwing in het plangebied is geschikt als zomerverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger, kleine dwergvleermuis, baardvleermuis en ruige dwergvleermuis. De werkzaamheden leiden niet tot vernietiging van verblijfplaatsen van vleermuizen. Door de aanwezigheid van bomen en groenstructuren is het plangebied geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In de halfopen en bosrijke omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van groenstructuren. Negatieve effecten op beschermd essentieel foerageergebied zijn uitgesloten. Hiermee is overtreding van de Wnb uitgesloten

•

Binnen het plangebied is zeer geschikt broedbiotoop aanwezig is voor algemene broedvogels. Soorten zoals winterkoning, roodborst en merel kunnen door de aanwezigheid omvangrijke groenstructuren zoals, bomen, puin- en takkenhopen geschikte nestplaatsen vinden. Daarnaast bieden de openingen in de schuur mogelijk geschikte nestplaatsen voor bijvoorbeeld witte kwikstaart en kauw. Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van algemene broedvogels soorten verstoord en/of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke Pagina 45 van 55

aard is. Verstoring van nesten veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wnb. Door vernieling van nesten wordt de Wnb echter wel overtreden. Advies en vervolgstappen Op basis van de uitgevoerde quickscan is het volgende geconstateerd: -

De Huismus, gierzwaluw, categorie 5 en algemene broedvogels, diverse gebouw bewonende vleermuizen, steenmarter, boommarter, wezel, eekhoorn en hazelworm maken als Wnk-beschermde soorten mogelijk gebruik van de planlocatie

-

De voorgenomen werkzaamheden kunnen als effect hebben dat het nesten van broedvogels, vleermuizen, steenmarter, boommarter, wezel en eekhoorn verstoort wordt.

-

Zolang de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden en de buitenschil van de bebouwing ongemoeid blijft is er geen aanvullend ecologisch onderzoek naar 1 of meerdere soorten noodzakelijk.

-

De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen.

-

Het is niet nodig om een ontheffing van de Wnb aan te vragen voor de voorngenomen werkzaamheden zolang de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden en de buitenschil van de bebouwing ongemoeid blijft.

Conclusie: Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen woningontwikkeling. De gronden waar de beoogde camperplaatsen zijn voorzien, blijven ongewijzigd. De in de omgeving aanwezige groenstructuren blijven behouden en versterkt, waardoor geen negatieve effecten optreden. De Wet natuurbescherming staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg. Pagina 46 van 55

4.10 Stikstof Algemeen Stikstofdepositie Het nabijgelegen Natura 2000 gebied Veluwe is gevoelig voor stikstofdepositie. In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd door ATKB op 22 februari 2023. Op basis van deze berekening kunnen de volgende conclusies getrokken worden: -

Op basis van de AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat zowel in de aanlegals gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebeied sprake is van meer dan 0,00 mol N/ha/jr stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen. Zodoende is geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie in de gebruiksfase en/of aanlegfase. Een vergunningsplicht is daarom niet van toepassing.

-

De ingevoerde werktuigen in AERIUS zijn kaderstellend voor de mobiele werktuigen die op de projectlocatie worden ingezet. Daarbij geldt dat de aannemer (in afwijking op de ingevoerde werktuigen) wel gebruik mag maken van gelijksoortige werktuigen met een recenter bouwjaar. Voor overige wijzigingen in de inzet van mobiele werktuigen geldt dat de aannemer de gewenste wijziging laat toetsen. In AERIUS. Indien andere aspecten van het plan worden gewijzigd, zoals de toevoeging van gasinstallaties in de gebruiksfase, dien de gewenste wijziging eveneens getoetst te worden in AERIUS.

Conclusie: Stikstof is geen belemmering voor de realisatie van het plan

Pagina 47 van 55

4.11 Vormvrije m.e.r. beoordeling Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.- procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1. Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluit m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar deze onder de drempelwaarde valt, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten.

De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kernmerk potentieel effect). Zijn belangrijke nadelige milieugevolgen uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk. 2. In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000 gebieden niet zijn uit te sluiten; 3. Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Plangebied Om te bepalen of een activiteit mogelijk wordt gemaakt die in het Besluit m.e.r. wordt genoemd, is het van belang om te weten of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Uit jurisprudentie is gebleken dat bij functiewijziging waarbij sprake is van geen of nauwelijks toename van bebouwd oppervlak, dat er dan geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Bij voorliggend plan is sprake van een functiewijziging en toevoeging van vier woningen in een bestaand gebouw in het plangebied en het mogelijk maken van een camperplaats voor 21 campers. Hierdoor is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor voorliggend plan geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht.

Pagina 48 van 55

Conclusie: De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf 4.1. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.--beoordeling over te gaan. Het Besluit milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

Pagina 49 van 55

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid en ook de ruimtelijke en milieutechnische randvoorwaarden zijn door vertaald naar de bestemmingen en regels. De bestemmingen en regels vormen het juridische deel van het bestemmingsplan. Voor dit plan is bij het opstellen van de regels zoveel mogelijk aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018' van de gemeente Elburg.

5.2 Opbouw regels De regels bestaan uit de volgende onderdelen: •

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

•

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

•

Hoofdstuk 3: Algemene regels

•

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

De inleidende regels bevatten begripsomschrijvingen en de wijze van meten. In de bestemmingsregels zijn de regels bij de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. De algemene regels vormen een set algemene regels die op alle regels van het plan van toepassing zijn. Tot slot bevat het plan Overgangs- en slotregels. De naam van het plan wordt in de slotregel aangehaald.

5.3 Toelichting op de regels In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en aan huis verbonden beroepen. Hier mogen de woningen en de bijgebouwen worden gebouwd. Wonen – Kleine woning De voor 'Wonen – Kleine woning' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en aan huis verbonden beroepen. Hier mogen de woningen en de bijgebouwen worden gebouwd. Agrarisch met waarden Deze gronden zijn bestemd voor o.a. agrarische cultuurgrond, agrarisch hobbymatig grondgebruik, de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden en voor opstelplaatsen t.b.v. 21 campers ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - camperplaats'

Pagina 50 van 55

Groen Deze gronden zijn bestemd voor o.a. de ontwikkeling en de instandhouding van landschappelijke beplanting. Het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde De locatie ligt in een gebied met een hoge verwachtingswaarde. Er worden alleen inpandige werkzaamheden uitgevoerd en geen grondwerkzaamheden. Waarde - Waardevol landschap De locatie ligt geheel in een gebied wat is aangeduid als waardevol landschap. Gebieden met deze aanduiding zijn mede bestemd voor het ontwikkelen en in stand houden van de landschapswaarden. Wanneer gebruik gemaakt wordt van de in de overige bestemmingen opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, moet worden aangetoond dat er geen sprake is van een aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied. Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan ook een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijking en het overgangsrecht. Deze min of meer standaard regels in bestemmingsplannen worden verder niet toegelicht.

Pagina 51 van 55

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening en risico ontwikkeld van de initiatiefnemer. De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan heeft naast de onderzoek aspecten echter ook betrekking op economische aspecten zoals planschade en grondexploitatiekosten. De ontwikkeling bevat bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het kostenverhaal, de locatie-eisen en de fasering is vastgelegd in een overeenkomst die voor vaststelling van het bestemmingsplan is gesloten. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten en belangen op een andere wijze verzekerd. De gemeente Elburg is met de initiatiefnemers een anterieure exploitatieovereenkomst aangegaan. Hierin is een planschade-overeenkomst opgenomen, wordt het kostenverhaal geregeld en worden eisen gesteld aan de locatie en fasering. Het plan is daarmee dan ook economisch uitvoerbaar.

6.2 Privaatrechtelijke aspecten De gronden waarop het bestemmingsplan betrekking heeft zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Elburg is een realisatieovereenkomst gesloten. Hierin worden afspraken vastgelegd die niet in een bestemmingsplan kunnen worden geregeld.

Pagina 52 van 55

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Het bestemmingsplan doorloopt de procedure als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Ook dient op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening overleg te worden gevoerd met besturen van Rijk, provincie en waterschap.

7.2 Participatie .Initiatiefnemer heeft de buren op de hoogte gesteld van de plannen. Uit het

participatieverslag (zie bijlage) blijkt dat er een informatie avond heeft plaatsgevonden waarbij alle direct omwonenden zijn uitgenodigd. Tijdens deze informatie avond zijn de plannen toegelicht en de reactie van de omwonenden waren positief.

7.3 Vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Gelderland Er is geen reactie ontvangen van de provincie Gelderland Waterschap Vallei en Veluwe De watertoets heeft plaatsgevonden op de website www.dewatertoets.nl. Verwezen wordt naar de watertoets procedure. In september 2022 is de Watertoets ingevuld. Op basis van de watertoets wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. De watertoets en het advies is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.

Pagina 53 van 55

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid om zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar te maken (artikel 3.8 Wro). Gedurende deze periode zijn wel/geen zienswijzen ingediend.

Pagina 54 van 55

Pagina 55 van 55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=cbe227d4-e4d1-4bc0-bee4-435512e72594