CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Glindeweg 3A Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 25 januari 2021, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsvergunningen voor het bouwen van een woning op het perceel Glindeweg 3A Doornspijk14.894 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor dergelijke wegen geldt op grond van de Wgh een geluidszone van 250 meter vanaf de as van de weg. Die geluidszones zijn een normstelling voor geluid: binnen de zones is geluidsoverlast te verwachten en moet gerekend worden aan de ligging van de voorkeursgrenswaarde (SRM1) of de geluidsbelasting op de gevels (SRM2). Gezien het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan aan de Glindeweg ligt maar op meer dan 300 meter van betreffend gedeelte van de Zuiderzeestraatweg West, is het alleen gelegen binnen de onderzoekszone voor geluid van de Glindeweg. Onderhavig ruimtelijk plan heeft betrekking op herbouw van een kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie van de woning en dus op een geluidsgevoelig object binnen de geluidszone van de Glindeweg. Omdat de nieuwe woning bovendien dichter op deze weg is voorzien dan de bestaande, is ten behoeve van deze onderbouwing dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai verricht. In het akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning vanwege de Glindeweg berekend met de vereenvoudigde rekenmethode SRM1. Gezien het landelijk karakter is het verdedigbaar dat de toegepaste verkeersgegevens gebaseerd zijn op oudere milieukaartgegevens. Met het gehanteerde verkeersgroeipercentage van 2,2% per

28 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

jaar voor de Glindeweg is mogelijk ruim ingezet. Gezien de situatie van één woning langs een rechte weg en geen relevante invloed van andere wegen of bronnen is ingestemd met de toegepaste rekenmethode. Uit de resultaten van het verrichte akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh. Wat wegverkeerslawaai betreft zijn dus geen verdere procedures in het kader van de Wgh nodig. Het rapport van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is als bijlage 2 bij deze onderbouwing opgenomen. Industrielawaai Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan ligt niet binnen een op grond van de Wgh vastgestelde geluidszone industrielawaai van een industrieterrein. Daarom wordt met betrekking tot industrielawaai enkel het Activiteitenbesluit gehanteerd. Het Activiteitenbesluit biedt aan verschillende objecten bescherming tegen door inrichtingen (zoals bedrijven) veroorzaakt geluid. Het gaat om geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) en om geluidsgevoelige terreinen. Het Activiteitenbesluit sluit hierbij aan bij het begrippenkader uit de Wgh. In algemene zin biedt het Activiteitenbesluit geluidsgevoelige objecten bescherming tegen het geluid veroorzaakt door de toestellen, installaties, werkzaamheden en activiteiten binnen en ten behoeve van een inrichting, waaronder laden en lossen.

De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit kunnen echter niet zonder meer worden gebruikt om te beoordelen of een ruimtelijk plan inpasbaar is. De methodiek van de in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgenomen grootste afstanden is hier meer op toegespitst. Deze handreiking geeft onder meer grootste afstanden tussen geluidsbelastende en -gevoelige functies. Aanvaard is dat als er aan de gegeven afstand wordt voldaan, er geen geluidhinder te verwachten valt. Onderhavig ruimtelijk plan heeft betrekking op herbouw van een kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie van de woning en dus op een geluidsgevoelig object. Het plangebied ligt echter niet binnen de wettelijke geluidszone van een industrieterrein. Gezien paragraaf 4.1.2 is de afstand van de nieuwe locatie van de kleine woning tot enige geluidsbelastende functie groter dan de grootste afstand volgens de VNG-handreiking. Een akoestisch onderzoek industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. In dit geval kan er van worden uitgegaan, dat de nieuwe woning op de nieuwe locatie vanwege industrielawaai geen geluidsbelasting hoger dan de grenswaarde zal ondervinden. Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan. Het plan heeft wat dit aspect betreft ook niet als gevolg dat een bedrijf of andere functie wordt beperkt in zijn mogelijkheden.

Qua geluid(hinder) is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.1.4

LUCHTKWALITEIT Op 15 november 2007 trad een wijziging van de Wet milieubeheer in werking. Deze ‘Wet luchtkwaliteit’ verving het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’ en betrof één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

29 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

• •

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van de te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit, mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling.

De paragraaf over luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder andere in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programmatische aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld, dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gerealiseerd. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de ‘Wet luchtkwaliteit’ geen belemmering voor ruimtelijke plannen als: • geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project - al dan niet per saldo - niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project op is genomen in een regionaal programma van maatregelen of het NSL; • een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Als het aannemelijk is dat er wordt voldaan aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria, dan kan een ruimtelijk plan zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden vastgesteld.

In de Ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ zijn voor verschillende categorieën van projecten en plannen grenzen gesteld aan de omvang, waaronder een project of een plan met zekerheid niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Het gaat hierbij bijv. om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en max. 1.500 nieuwe woningen of in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, max. 3.000 woningen. Onderhavig ruimtelijk plan maakt mogelijk dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek herbouwd kan worden dan de bestaande locatie van de woning, maar het maakt planologisch gezien geen extra woning mogelijk. Het plan draagt derhalve met zekerheid NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

4.1.5

GEUR Sinds 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader als het gaat om door vergunningplichtige veehouderijbedrijven veroorzaakte geur. Voor nietvergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. In de Wgv en het Activiteitenbesluit zijn normen vastgelegd voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (zoals woningen). Dit om er voor te zorgen dat voor zo’n object sprake is en blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wgv en het Activiteitenbesluit kennen twee methoden voor het beoordelen van de geur (-hinder) van een veehouderij:

30 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

• •

Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor geldt, moeten aan een wettelijke geurnorm voldoen; Veehouderijen waar dieren worden gehouden waar geen geuremissiefactor voor van toepassing is, moeten voldoen aan een vereiste min. afstand. De afstand (100 of 50 meter) is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object binnen of buiten de bebouwde kom.

De Wgv biedt aan gemeenten een mogelijkheid om door middel van een geurverordening binnen bepaalde marges af te wijken van de in deze wet vervatte geurnormen en min. afstanden. De geurverordening die door de gemeente Elburg is vastgesteld, is echter niet van toepassing ter plaatse van het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan. Met de verordening zijn alleen voor aangegeven deelgebieden van de wet afwijkende geurnormen en min. afstanden vastgesteld en het plangebied is niet gelegen in één van die deelgebieden. Onderhavig ruimtelijk plan heeft geen betrekking op een veehouderij. Omdat het plan mogelijk maakt dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek kan worden herbouwd dan de bestaande locatie van de woning, heeft het wel betrekking op een geurgevoelig object. Om het volgende is het redelijk om aan te nemen dat door deze verplaatsing van betreffende woning op gebied van geur(hinder) geen beperkingen ontstaan voor nabijgelegen veehouderijen: • De kleine woning wordt herbouwd op grotere afstand van de veehouderijen aan de Zuiderzeestraatweg West 127-127a en Glindeweg 4. Betreffende woning is bovendien ook niet de woning die in zuidoostelijke richting het dichtst bij deze veehouderijen ligt. Dat is de bedrijfswoning aan de Glindeweg 1.

Hierdoor heeft de gewijzigde situering van de kleine woning geen invloed op de geurruimte en daarmee de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen; • De kleine woning wordt wel herbouwd op kleinere afstand van de veehouderij ter plaatse van Glindeweg 5a. Betreffende woning wordt echter niet de woning die in noordwestelijke richting het dichtste bij deze veehouderij ligt. Dat is de burgerwoning aan de Glindeweg 5. Hierdoor heeft de gewijzigde situering van de kleine woning geen invloed op de geurruimte en daarmee de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderij. Over de geursituatie ter plaatse van de nieuwe locatie van de kleine woning kan het volgende worden gezegd. De gemeentelijke geurverordening is wel van toepassing op het op ruim 300 meter van het plangebied gelegen bedrijventerrein De Glinde bij Doornspijk. Als onderdeel van de gebiedsvisie ten behoeve van deze verordening is in 2009 een beoordeling gemaakt van de bestaande en toekomstige geursituatie rondom het bedrijventerrein. Die laat zien dat de milieukwaliteit qua geur(hinder) toen zeer goed was ter plaatse van de nieuwe locatie van de kleine woning.

De beoordeling toont ook dat als de nabijgelegen veehouderijen in de toekomst de mogelijke wijzigingen of uitbreidingen zouden realiseren, de milieukwaliteit qua geur(hinder) ter plaatse van de nieuwe locatie redelijk goed zou blijven. Ook een dergelijke milieukwaliteit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gekeken naar luchtfoto’s is na 2009 echter nagenoeg geen sprake van wijzigingen of uitbreidingen bij de nabij het plangebied gelegen veehouderijen. Vanwege het bovenstaande is geuronderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit het aspect geur zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan. Het plan heeft wat dit aspect betreft ook niet als gevolg dat een veehouderij wordt

31 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

beperkt in zijn mogelijkheden. Als het gaat om geur(hinder), is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.1.6

EXTERNE VEILIGHEID Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie als het transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid omtrent externe veiligheid is vastgelegd in: • Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de bijbehorende Regeling Basisnet; • Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb); • De Circulaire effectafstanden LPG tankstation (2016); • De beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Elburg (januari 2015). Uit dit beleid vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s moeten worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en op het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico gaat over de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bijv. een bedrijf, weg of spoorlijn).

De 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) is daarbij de maatgevende grenswaarde. Het groepsrisico betreft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een ramp. Dit risico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijv. 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans op overleven. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke toename van het groepsrisico binnen het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van die verandering in de besluitvorming is betrokken. Naast de hoogte van het groepsrisico moeten er andere kwalitatieve aspecten mee worden gewogen, onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Voor de ontwikkeling waar onderhavig ruimtelijk plan in voorziet, is externe veiligheid niet relevant. Het geldende bestemmingsplan waarvan met dit plan wordt afgeweken is recent vastgesteld en biedt een bouwmogelijkheid voor de kleine woning waar dit plan betrekking op heeft.

Onderhavig ruimtelijk plan maakt alleen planologisch mogelijk dat de kleine woning op een andere plek herbouwd kan worden dan de bestaande locatie waar deze volgens het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Voor zo’n afwijking van het geldende bestemmingsplan is externe veiligheid niet relevant. Onderhavig plan voorziet niet in het realiseren van een risicobron. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

32 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

4.1.7

BODEM In de onderbouwing van een ruimtelijk plan is ook van belang of de binnen het plangebied gelegen gronden een zodanige bodemkwaliteit hebben dat ze geschikt zijn voor het huidige en toekomstige gebruik. Uitgangspunt daarbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onacceptabele risico’s oplevert voor gebruikers van de gronden en de bodemkwaliteit niet verslechtert - het zogenaamde stand still-beginsel. Als gronden zo verontreinigd zijn dat schade te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu, mogen er geen nieuwe gevoelige functies worden gerealiseerd. Het vaststellen van de bodemkwaliteit is daarom alleen van belang als een plan voorziet in een ontwikkeling (zoals bouwen, graven, ophogen of functiewijzigingen). In de Wet bodembescherming is bepaald dat als de bodemkwaliteit niet aan de norm voor de beoogde functie voldoet, de grond op zo’n manier gesaneerd moet worden dat die wel voor de beoogde functie (functiegericht saneren). Bij een functiewijziging moet dan ook bekeken worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Op grond van de Woningwet en Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de te realiseren bebouwing, voordat er vergunning wordt verleend.

Voor deze onderbouwing is ter plaatse van het plangebied bodemonderzoek verricht. Onderhavig ruimtelijk plan heeft betrekking op herbouw van een kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie van de woning en een woning is een gevoelige functie. Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat het plangebied onverdacht is en de bodem niet verontreinigd is. De conclusie van het onderzoek is daarom dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geen belemmeringen bestaan. Het rapport van het bodemonderzoek is als bijlage 3 bij deze onderbouwing opgenomen. Conclusie Vanuit het aspect bodem(kwaliteit) zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan. Ook is wat dit aspect betreft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.2

WATER Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van het Rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Voor onderhavig ruimtelijk plan is via de digitale watertoets beoordeeld of en welke waterbelangen hier relevant voor zijn. Het resultaat van deze toets is als bijlage 4 opgenomen bij deze onderbouwing. Hieronder wordt er nader op ingegaan. Beoordeling Uit de digitale watertoets is gebleken dat de gedeeltelijk binnen het plangebied van onderhavig plan vallende bestaande sloot langs de Glindeweg een leggerwatergang is met een

33 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

beschermingszone. Dit betekent dat door het plan mogelijk een primair waterbelang wordt geraakt. Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft per e-mail gereageerd op het indienen van de digitale watertoets. In deze reactie wijst het waterschap er alleen op dat er gelet op de nabijheid van de hierboven bedoelde watergang mogelijke beperkingen vanuit het beleid van het waterschap zijn. Voor (bouw)activiteiten vanaf de insteek van de watergang geldt dat deze geregeld moeten worden via een watervergunning. Het gaat daarbij bijv. over (bouw)activiteiten als het vergraven van watergangen of het aanleggen van dammen/ duikers, stuwconstructies of een natuurvriendelijke oever. De reactie van het waterschap bevat geen andere opmerkingen. Op basis van het in paragraaf 2.2 beschreven plan kan geconstateerd worden dat met het plan geen (bouw)activiteiten vanaf de insteek van de langs de Glindeweg gelegen watergang zijn voorzien: • Het plan heeft betrekking op herbouw van een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie van de woning. De nieuwe locatie van de woning ligt op ±9 meter vanaf de insteek van betreffende watergang; • Betreffende watergang wordt niet vergraven of gedempt en krijgt geen natuurvriendelijke oever.

Er is ook geen nieuwe dam/duiker nodig, want voor ontsluiting van het plangebied kan gebruik worden gemaakt van de bestaande in-/uitrit over de bestaand in de watergang aanwezige dam/duiker; • De nieuwe beplanting waarin het landschapsplan voorziet, wordt aangeplant buiten de insteek van betreffende watergang. Gelet hierop behoudt betreffende watergang geheel het huidige profiel en is om het plan te mogen realiseren geen watervergunning vereist. Het beleid van het waterschap inzake de watergang geeft dan ook geen beperkingen voor onderhavig plan. Aandachtspunten In de uitwerking en concretisering van het plan wordt rekening gehouden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in de benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. In geval van lozen op oppervlaktewater zal hiervan een melding moeten worden gedaan bij het waterschap.

Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Structureel onttrekken of draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert dan ook voorafgaand aan uitvoering van het plan een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van

34 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Conclusie Vanuit het aspect water zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

4.3

NATUUR Op 1 januari 2017 trad de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet vervangen. De Wnb voorziet in vereenvoudigde regels voor bescherming van natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar de provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Ook wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen Europees en nationaal beschermde soorten. De Wnb is als gevolg van het samenvoegen van genoemde wetten zowel gericht op gebieds- als soortenbescherming.

4.3.1

GEBIEDSBESCHERMING Wat gebieden betreft heeft de bescherming van de Wnb alleen betrekking op aangewezen Natura 2000-gebieden. Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan ligt op 1,4 kilometer van het Natura 2000-gebied Veluwe. De afstand tot het Natura 2000-gebied Randmeren bedraagt meer dan 2 kilometer. Op grond van art. 2.7, lid 1 Wnb mag een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied en dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied niet zonder meer worden vastgesteld. Deze bepaling heeft alleen betrekking op wettelijke of bestuursrechtelijke plannen. Een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik zoals bedoeld in art. 2.1, lid 1, sub c Wabo waarbij met toepassing van een projectafwijkingsbesluit van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken, is anders dan een bestemmingsplan geen wettelijk of bestuursrechtelijk plan. Dit ruimtelijk plan is echter wel één van de activiteiten binnen een project als bedoeld in art. 2.7, lid 2 Wnb. In art.

2.7, lid 2 Wnb is bepaald dat het verboden is zonder vergunning een project te realiseren, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Zo’n vergunning wordt door Gedeputeerde Staten van de provincie verleend. Dit betekent dat indien het project waar onderhavig ruimtelijk plan deel van uitmaakt significante effecten voor een Natura 2000-gebied zou hebben, er ook omgevingsvergunning voor de activiteit ‘natuur’ voor nodig is. Gedeputeerde Staten moet dan in plaats van een vergunning een verklaring van geen bedenkingen afgeven. Dit volgt uit art. 2.1, lid 1, onder i van de Wabo en art. 2.2aa, onder a en art. 6.10a van het Bor. Onderhavig ruimtelijk plan maakt mogelijk dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek herbouwd kan worden dan de bestaande locatie van de woning, maar maakt planologisch en feitelijk gezien geen extra woning mogelijk. Het plan heeft ook geen extra ruimtebeslag ten dienste van het wonen tot gevolg. Gezien de afstand van het plangebied tot aan de Natura 2000-gebieden Veluwe en Randmeren 1,4 kilometer resp. meer dan 2 kilometer is en de woning maar ±19 meter verplaatst wordt, kan gesteld wor-

35 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

den dat het wat aspecten als licht, trillingen en geluid betreft uitgesloten is dat het plan significante effecten heeft op deze Natura 2000-gebieden. De nieuwbouw en het gebruik van de kleine woning hebben ook uitstoot van stikstof tot gevolg. Tijdens de bouw- en gebruiksfase is sprake van verkeersbewegingen naar en vanaf het plangebied. Daarnaast worden tijdens de bouwfase in het plangebied (mobiele) werktuigen en machines gebruikt en zal tijdens de gebruiksfase in de winterperiode van een CV houtkachel gebruik worden gemaakt als bijverwarming. De hierdoor veroorzaakte uitstoot van stikstof kan over grotere afstanden een bepaalde depositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben en daardoor mogelijk effecten op hebben op die gebieden. Met Aerius Calculator gemaakte berekeningen tonen echter aan dat wat betreft het aspect stikstof geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Volgens deze berekeningen komt de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zowel in de bouw- als gebruiksfase niet uit boven 0,00 mol/ha/jaar. De Aerius-berekeningen zijn als bijlage 5 bij deze onderbouwing opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van gebiedsbescherming zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

4.3.2

SOORTENBESCHERMING Wat soorten betreft richt de bescherming van de Wnb zich op het tegengaan van verstoring van verblijfplaatsen en leefgebied van beschermde soorten. Om inzichtelijk te krijgen of onderhavig ruimtelijk plan tot ingrepen leidt die mogelijk effecten heeft op beschermde soorten, is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Volgens de gemaakte quickscan zullen het te realiseren plan en de daarbij behorende werkzaamheden naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte effecten zijn van de voorgenomen ingrepen op de voortplanting en de instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Geconcludeerd is daarom dat er geen aanvullend onderzoek dient plaats te vinden voor aanvang van de werkzaamheden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. Opgemerkt is wel dat de voorziene ingrepen mogelijk kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten.

Op basis van de Omgevingsverordening Gelderland is hierop echter de algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen van toepassing. Opgemerkt is verder dat ook de algemene zorgplicht onverminderd van toepassing blijft. Het rapport van de quickscan soortenbescherming is als bijlage 6 bij deze onderbouwing opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van soortenbescherming zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

36 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

4.4

ERFGOED

4.4.1

ARCHEOLOGIE Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 juli 2016 regelt de Erfgoedwet de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. Belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (behoud in situ). Een gemeente heeft volgens de wet de verplichting om in ruimtelijke plannen rekening te houden met het mogelijk aanwezig zijn van archeologische waarden. Voor onderhavig ruimtelijk plan is geen archeologisch onderzoek nodig. Met de in het plangebied nieuw te bouwen kleine woning is sprake van een bodemingreep van veel kleinere omvang dan de omvang, vanaf welke archeologisch onderzoek vereist wordt volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018’. Daarmee bestaat er in dit geval geen aanleiding te onderzoeken of sprake is van archeologische waarden in de bodem. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Conclusie Vanuit het aspect archeologie zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

4.4.2

CULTUURHISTORIE Volgens de Erfgoedwet die sinds 1 juli 2016 van kracht is, moet er bij ruimtelijke plannen rekening worden gehouden met het aanwezige culturele erfgoed. De wet maakt zo integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk.

• Figuur 4.2: Uitsnede Cultuurhistorische kaart provincie Gelderland (bron: www.gelderland.nl/Kaartenencijfers)

De Glindeweg is op de Cultuurhistorische kaart van de provincie Gelderland aangeduid als hanzeweg (zie figuur 4.2). Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan behoort volgens die kaart niet tot oud bouwland of waardevol veengebied. De bebouwing in het plangebied en in de directe omgeving daarvan heeft geen monumentale waarde.

37 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

De aanduiding als hanzeweg geeft alleen duiding dat de Glindeweg reeds in de late middeleeuwen ter plaatse aanwezig was als verbinding van de Hanzestad Elburg met haar achterland. De weg fungeerde als handelsweg voor buurtverkeer. De cultuurhistorische waarde houdt dus verband met de weg zelf en niet met de aan de weg gelegen percelen, gronden en functies. De cultuurhistorische waarde van de weg houdt zodoende geen beperkingen in voor ontwikkelingen op of van de eraan gelegen percelen, gronden of functies. Gezien onderhavig ruimtelijk plan niet tot gevolg heeft dat de ligging en/of inrichting van de Glindeweg wijzigt, heeft het geen nadelige invloed op de cultuurhistorische waarde van de weg. In het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

4.5

VERKEER EN PARKEREN Ter hoogte van de tot het plangebied behorende percelen is bestaand al een in-/uitrit op de Glindeweg aanwezig. Deze blijft gehandhaafd om het plangebied te ontsluiten op deze weg. Onderhavig ruimtelijk plan is niet van invloed op de verkeersintensiteit van wegen in de omgeving van het plangebied. Deze zal gelijk blijven, omdat het aantal woningen gelijk blijft. Het plan heeft immers betrekking op herbouw van een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie van de woning en maakt planologisch en feitelijk gezien dus geen extra woning mogelijk. Gezien het vorige neemt de parkeerbehoefte ter plaatse niet toe. Met onderhavig plan ontstaat er een bij de woning behorend erf van voldoende omvang om te kunnen voorzien in de benodigde ruimte voor het parkeren en manoeuvreren van meerdere auto’s van bewoners en/of bezoekers. Hierdoor kan in de verdere uitwerking van het plan op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien worden. Conclusie Onderhavig ruimtelijk plan heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeerssituatie ter plaatse en vereist geen aanpassing van de bestaande verkeersstructuur en wegen.

4.6

KABELS EN LEIDINGEN Er zijn in of in de directe omgeving van het plangebied geen kabels en leidingen aanwezig die ter plaatse een planologische belemmering geven. De aanwezigheid van kabels en leidingen voor nutsvoorzieningen is evident, want de tot het plangebied behorende percelen waren al erf en tuin behorende bij de bestaande reguliere woning en de bestaande kleine woning op de aangrenzende percelen. Die kabels en/of leidingen kunnen in het geval dat noodzakelijk is eenvoudig worden verlegd of verwijderd. Eventuele nieuwe aansluitingen op nutsvoorzieningen zullen zonder problemen kunnen worden gerealiseerd, al mag het duidelijk zijn dat de nieuw te bouwen kleine woning geen gasaansluiting meer kan krijgen.

38 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

HOOFDSTUK 10

5 1 Uitvoerbaarheid 5.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Deze ruimtelijke onderbouwing wordt op grond van paragraaf 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) samen met het ontwerpbesluit over de aanvraag omgevingsvergunning voor een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegd. Gedurende de inzagetermijn is het voor iedereen mogelijk om de stukken in te zien en hier op te reageren door middel van het indienen van een zienswijze. In het kader van de definitieve besluitvorming over de aanvraag omgevingsvergunning wordt er in deze paragraaf of een aparte bijlage bij het besluit verslag gedaan van de terinzagelegging voor zienswijzen. Beschreven wordt of er zienswijzen zijn ingediend en zo ja, in hoeverre die volgens de zienswijzenbeantwoording hebben geleid tot het aanpassen van het plan en/of besluit.

5.2

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op grond van art. 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet wat betreft de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan ook worden ingegaan op economische aspecten. Het gaat hierbij om de aspecten kostenverhaal en planschade. Kostenverhaal Volgens art. 6.12, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet de gemeenteraad in het kader van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit een exploitatieplan vaststellen voor de in het plan of besluit begrepen gronden als het betrekking heeft op een in art. 6.2.1 Bro aangewezen bouwplan. In art. 6.12, lid 2 Wro is bepaald dat de raad kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: • het verhaal van kosten over de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; • het bepalen van een tijdvak of een fasering zoals bedoeld in art. 6.13, lid 1, onder c Wro niet noodzakelijk is, en • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels zoals bedoeld in art. 6.13, lid 2, onder b, c of d niet noodzakelijk is. Onderhavig ruimtelijk plan heeft betrekking op een in het Bro aangewezen bouwplan, want het heeft tot doel het bouwen van een woning mogelijk te maken. In dit geval kan de gemeenteraad echter op grond van art. 6.12, lid 2 Wro besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen.

Het vaststellen van een exploitatieplan is in het kader van onderhavig ruimtelijk plan niet nodig, omdat: • Het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Voor zover onderhavig ruimtelijk plan voor de gemeente tot kosten leidt, kan de gemeente de kosten op basis van een andere grondslag verhalen. De kosten voor het begeleiden van de voor het plan te doorlopen planologische procedure kunnen conform de gemeentelijke Legesverordening als leges in rekening worden gebracht bij de aanvrager van de omge-

39 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

vingsvergunning. Dit is de oorspronkelijke eigenaar van de percelen in het plangebied. De kosten voor het aansluiten van de nieuwe woning op het gemeentelijk rioolstelsel moet de toekomstige eigenaar van de percelen in het plangebied aan de gemeente vergoeden via de aanvraag rioolaansluiting, die hij bij de gemeente in zal moeten dienen. Aansluiting van de nieuwe woning op water en elektra brengt voor de gemeente geen actie en kosten met zich mee. Dit moet de toekomstige eigenaar zelf met de betreffende nutsbedrijven regelen. Het verhaal van kosten voor een eventuele uit te keren tegemoetkoming in planschade wordt verzekerd via een aparte planschadeverhaalsovereenkomst, zie hieronder. • Er geen tijdvak of fasering hoeft te worden afgesproken. Voor (het plangebied van) onderhavig plan gelden geen afspraken over tijdvak of fasering. •

Geen regels en eisen over de inrichting van het plangebied vastgelegd hoeven te worden. De inrichting van het plangebied is in dit geval getoetst in relatie tot het ingediende plan. Omdat met onderhavig ruimtelijk plan specifiek voor dit plan van het ter plaatse geldend bestemmingsplan wordt afgeweken, is het niet noodzakelijk in een overeenkomst regels en/of eisen te stellen aan de inrichting van het plangebied. Planschade Een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in art. 2.1, lid 1, sub c Wabo kan een oorzaak zijn van (plan)schade als bedoeld in art. 6.1 Wro. Een eventuele naar aanleiding van zo’n vergunning uit te keren tegemoetkoming in planschade komt eerst voor rekening van de gemeente. Om te voorkomen dat een eventuele uit te keren tegemoetkoming in planschade voor rekening van de gemeente blijft, wordt er op grond van art. 6.4a, lid 1 Wro een aparte planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de oorspronkelijke eigenaar van de tot het plangebied behorende gronden. Hiermee kan de gemeente een uitgekeerde tegemoetkoming verhalen op deze eigenaar. Conclusie Op basis van het bovenstaande is voor de gemeente de economische uitvoerbaarheid van onderhavig ruimtelijk plan gewaarborgd.

40 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

HOOFDSTUK 10

6 1 Conclusie In deze ruimtelijke onderbouwing is uitgebreid ingegaan op de ruimtelijke, functionele en milieuhygiënische gevolgen van onderhavig ruimtelijk plan. Beschreven is hoe het plan voor herbouw van de bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie van de woning zich verhoudt tot de bestaande situatie van plangebied en directe omgeving. Daarnaast is het plan getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid en beoordeeld of onderzocht op relevante omgevingsaspecten. Gelet hierop is er voldaan aan het volgende: • de afwijkingen van het geldende bestemmingsplan zijn gemotiveerd als basis voor het bij omgevingsvergunning afwijken van dat plan; • zowel de ruimtelijk-functionele als milieuhygiënische aanvaardbaarheid is aangetoond. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat onderhavig ruimtelijk plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het legt dan ook de vereiste planologisch-juridische basis om herbouw van de bestaande en bestemde kleine woning op de voorgelegde locatie en zo een andere plek dan de bestaande locatie van de woning mogelijk te maken.

41 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

BIJLAGEN

Bijlagen •

BIJLAGE 1: Landschapsplan, Borgo Tuin- en Landschapsarchitectuur (J. Borgo), nummer: 1686, datum: augustus 2019

•

BIJLAGE 2: Rapport Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Sain milieuadvies, nummer: 2019-3082-b2989/2100, datum: 16 september 2019

•

BIJLAGE 3: Rapport Verkennend bodemonderzoek, Econsultancy, nummer: 8181.001, versie: D1, datum: 17 oktober 2018

•

BIJLAGE 4: Notitie Digitale Watertoets, Waterschap Vallei en Veluwe, nummer: 20191009-10-21551, datum: 9 oktober 2019

•

BIJLAGE 5: Berekeningen, Aerius Calculator, nummers: RRQadUGHWvGj en RceL4CzRJnoG, datum: 12 december 2019 (incl. toelichting invoergegevens Aeriusberekeningen door Agrifirm NWE BV Exlan Advies)

•

BIJLAGE 6: Rapport Quickscan soortenbescherming, Agrifirm NWE BV Bedrijfsontwikkeling Exlan, nummer EX.19.1624, datum: 13 december 2019

42 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

43 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=30a27256-1570-4661-a8d6-0e19a4823b66