Glindeweg 3A Ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
December 2019
Colofon Projectnummer: EX.19.1624 Versie: ontwerp IDN: NL.IMRO.0230.OVNAASTGLINDEWEG3-ONT1 Datum: December 2019
Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Exlan Advies Postbus 1033 7940 KA Meppel
Locatie Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Opdrachtgever H. Polinder Glindeweg 3 8085 SN Doornspijk
Projectleider, contactpersoon D. (Dennis) van Kessel T: 06 - 20 40 39 97 E: d.vankessel@agrifirm.com
2 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ______________________________________________________________________________ 1.1 AANLEIDING EN DOEL 1.2 LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED 1.3 GELDEND BESTEMMINGSPLAN 1.4 LEESWIJZER
4 4 5 6 6
2
PLANBESCHRIJVING _____________________________________________________________________ 2.1 BESTAANDE SITUATIE 2.2 NIEUWE SITUATIE 2.3 AFWIJKINGEN GELDEND BESTEMMINGSPLAN
7 7 10 13
3
BELEIDSKADER __________________________________________________________________________ 3.1 RIJKSBELEID 3.2 PROVINCIAAL BELEID 3.3 GEMEENTELIJK BELEID
16 16 18 21
4
OMGEVINGSASPECTEN ___________________________________________________________________ 4.1 MILIEU 4.1.1 M.E.R. BEOORDELING 4.1.2 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING 4.1.3 GELUID 4.1.4 LUCHTKWALITEIT 4.1.5 GEUR 4.1.6 EXTERNE VEILIGHEID 4.1.7 BODEM 4.2 WATER 4.3 NATUUR 4.3.1 GEBIEDSBESCHERMING 4.3.2 SOORTENBESCHERMING 4.4 ERFGOED 4.4.1 ARCHEOLOGIE 4.4.2 CULTUURHISTORIE 4.5 VERKEER EN PARKEREN 4.6 KABELS EN LEIDINGEN
26 26 26 27 28 29 30 32 33 33 35 35 36 37 37 37 38 38
5
UITVOERBAARHEID ______________________________________________________________________ 5.1 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 5.2 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
39 39 39
6
CONCLUSIE
_____________________________________________________________________________
41
BIJLAGEN
______________________________________________________________________________
42
3 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
1 1 Inleiding 1.1
AANLEIDING EN DOEL In 2018 werd het perceel, plaatselijk bekend Glindeweg 3 te Doornspijk gesplitst in vier percelen. De twee percelen waarop de bestaande reguliere woning en bestaande kleine woning aanwezig zijn, zijn in eigendom gebleven bij de oorspronkelijke eigenaar. De twee aangrenzende percelen heeft hij verkocht. Dit met de bedoeling dat door de bestaande kleine woning op zijn percelen op te heffen, de koper van de aangrenzende percelen hier een nieuwe kleine woning kan bouwen. Om dit te kunnen realiseren, heeft de oorspronkelijke eigenaar een zienswijze ingediend tegen het ontwerp van het nu ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarin vroeg hij om een verplaatsing of verruiming van het bestemmingsvlak waarbinnen de kleine woning is toegestaan. De gemeente Elburg is bij vaststelling van het plan tegemoet gekomen aan deze zienswijze, maar heeft het verzoek niet goed in het plan verwerkt. Met het nu ter plaatse geldende bestemmingsplan is het bestemmingsvlak waarbinnen de kleine woning toegestaan is, verruimd ten koste van het bestemmingsvlak ter plaatse waarvan de reguliere woning is toegestaan. De bepaling in de regels van het plan dat herbouw van een woning alleen is toegestaan op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak is echter over het hoofd gezien en niet uit deze regels verwijderd.
Als gevolg hiervan is de beoogde verplaatsing van de kleine woning nu toch niet toegestaan volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Van de in de regels van het geldende bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om voor het verplaatsen van een kleine woning af te wijken van het plan kan geen gebruik worden gemaakt. Zoals nader uiteengezet in paragraaf 2.3 wordt er niet voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. Dit betekent dat een wijziging of buitenplanse afwijking van het geldende bestemmingsplan nodig is om de beoogde verplaatsing van de kleine woning planologisch gezien mogelijk te maken. Hier is gekozen voor de procedure van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in art. 2.1, lid 1, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) waarbij met toepassing van art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo afgeweken wordt van het geldend bestemmingsplan. Dit ruimtelijk plan wordt ook wel een projectafwijkingsbesluit genoemd. Deze omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als: • het gebruik en/of het bouwwerk dat in strijd is met het geldend bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening; • het besluit van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Dit rapport bevat de vereiste goede ruimtelijke onderbouwing.
Voor de beslissing op een aanvraag omgevingsvergunning die verleend wordt met toepassing van art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo geldt de in §3.3 Wabo opgenomen uitgebreide voorbereidingsprocedure. Onderdeel van de procedure kan zijn een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad zoals bedoeld in art. 2.27 Wabo en art. 6.5, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het college van burgemeester en wethouders hoeft de gemeenteraad alleen te verzoeken zo’n verklaring af te geven als:
4 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
• de raad op grond van art. 6.5, lid 3 Bor geen categorieën gevallen heeft aangewezen, waarin er geen verklaring van geen bedenkingen vereist is; • het plan waar de vergunningaanvraag betrekking op heeft, niet valt binnen de categorieen gevallen die de raad heeft aangewezen op grond van art. 6.5, lid 3 Bor. De raad van de gemeente Elburg heeft bij besluit van 28 november 2011 met toepassing van art. 6.5, lid 3 Bor categorieën van gevallen aangewezen, waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Onderhavig plan behoort niet tot zo’n aangewezen categorie gevallen: een woning in landelijk gebied staat niet als project in de lijst met categorieën. Derhalve is voor onderhavig ruimtelijk plan een verklaring van geen bedenkingen nodig.
1.2
LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED De (aanvraag om) omgevingsvergunning en daarmee onderhavig ruimtelijk plan hebben betrekking op de percelen, kadastraal bekend gemeente Doornspijk, sectie D, nummers 5275 en 5278. Deze percelen grenzen aan de percelen, plaatselijk bekend Glindeweg 3 te Doornspijk.
•
Figuur 1.1: Topografische kaart met ligging plangebied (bron: https://www.pdok.nl/viewer)
2-4 1
3
4a 5 5a
•
Figuur 1.2: Luchtfoto met begrenzing plangebied (bron: https://streetsmart.cyclomedia.com)
5 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Dit plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Doornspijk in de gemeente Elburg, in het overgangsgebied tussen het ten noorden gelegen Randmerengebied en het ten zuiden gelegen Centraal Veluws Natuurgebied. De Glindeweg is een voor dit gebied kenmerkend ontginningslint vanaf de Zuiderzeestraatweg.
1.3
GELDEND BESTEMMINGSPLAN Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018’. Dit plan is op 28 januari 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Elburg en op 4 april 2019 in werking getreden.
•
Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012 actualisatie 2018’ (bron: RuimtelijkePlannen.nl)
Voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt de (enkel)bestemming ‘Wonen’. Een kleiner gedeelte heeft de (enkel)bestemming ‘Wonen - Kleine woning’. Dit betreft het rood omkaderd vlak in figuur 1.3. Verder gelden voor het hele plangebied ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Waardevol landschap’ en ‘Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde’.
1.4
LEESWIJZER Dit rapport bevat na dit inleidende hoofdstuk de volgende hoofdstukken: • In hoofdstuk 2 is het plan beschreven aan de hand van een beschrijving van de bestaande en de beoogde nieuwe situatie; • Hoofdstuk 3 bevat een toets van het plan aan het relevant beleid van Rijk, provincie en gemeente; • Hoofdstuk 4 bevat een toets van het plan op milieu- en andere omgevingsaspecten. • Hoofdstuk 5 behandelt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan; • In hoofdstuk 6 is een algemene conclusie opgenomen.
6 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
HOOFDSTUK 2
2 1 Planbeschrijving 2.1
BESTAANDE SITUATIE Het landschap van de gemeente Elburg is in hoofdlijnen bepaald door de ligging op de overgang van de hoger gelegen Veluwe en de laag gelegen Randmeren (vroegere Zuiderzee). Het landschap is hierdoor noord-zuid georiënteerd: parallel aan de Veluwe en aan de Randmeren. De historische nederzettingspatronen en doorgaande ontsluitingen volgen deze parallel. Op een hoger en min of meer evenwijdig aan de kust gelegen dekzandrug liggen dorpen als Doornspijk, Hoge Enk en Oostendorp. Het landschap tussen de bossen van de Veluwe en de open polders tegen de kust is te zien als overgangsgebied. Dit is een afwisselend landschap. In en langs de rand van de Veluwe is sprake van een kleinschalig patroon van (niet-)agrarische erven, begeleid door singels en/of houtwallen. In noordwestelijke richting wordt dit gebied lager, nemen de kleinschaligheid en beplanting af en neemt de openheid toe. Genoemde dekzandrug heeft in het verleden de afwatering van een deel van het landschap belemmerd, waardoor er in het laagste deel plaatselijk veengebieden ontstaan zijn. De ontgonnen veengebieden zijn overwegend open. doorgaande ontsluiting (Zuiderzeestraatweg West) lokale ontsluiting (Glindeweg)
• Figuur 2.1: Ligging plangebied in landschapsstructuur gemeente Elburg (bron: Structuurvisie gemeente Elburg 2030).
Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan ligt in het hiervoor beschreven overgangsgebied en meer specifiek in zo’n ontgonnen veengebied dat meer openheid kent. De Glindeweg waaraan het plangebied ligt, is een lokale ontsluitingsweg. Deze ligt haaks op een evenwijdig aan de kust gelegen historische doorgaande ontsluiting die parallel aan de
7 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
grote landschapsstructuur loopt: de Zuiderzeestraatweg West. Haaks op de Glindeweg liggen diverse houtwallen. De bebouwing in het overgangsgebied ligt verspreid langs de wegen. Hier en daar zijn er daardoor bebouwingslinten ontstaan, zoals bijv. de Glindeweg. Boerderijen vormen samen met singels, houtwallen en erfbeplanting ensembles die het landschap een kleinschalige maat geven en daarmee zorgen voor afwisseling.
• Figuur 2.2: Obliekfoto bestaande situatie plangebied en omgeving (bron: https://streetsmart.cyclomedia.com)
Langs het noordelijke gedeelte van de Glindeweg en daarmee in de directe omgeving van het plangebied is een meer geconcentreerde bebouwing aanwezig dan langs het zuidelijke gedeelte van de Glindeweg. Zeker aan de noordoostkant van de weg. Aan weerszijden van de weg liggen percelen met burgerwoningen en percelen waar een (agrarisch) bedrijf wordt uitgeoefend en ook een bedrijfswoning aanwezig is: Adres Glindeweg 1 Glindeweg 4 Glindeweg 5a
Soort bedrijf Loonbedrijf Rundveehouderij en camping Hengstenhouderij
Afstand tot plangebied1 ± 54 meter ± 140 meter ± 31 meter
• Figuur 2.3: Tabel (agrarische) bedrijven in de omgeving van het plangebied
Aan de zuidwestkant liggen ook onbebouwde weilanden direct aan de Glindeweg. Het plangebied omvat twee percelen die in 2018 zijn ontstaan uit het splitsen van het oorspronkelijke perceel Glindeweg 3 te Doornspijk in vier percelen. Ter plaatse van de twee andere percelen is naast een bestaande reguliere burgerwoning nu ook een bestaande kleine burgerwoning aanwezig. De hoofdgebouwen van deze bestaande woningen bestaan uit één bouwlaag met kap (-verdieping). De voorgevel van het hoofdgebouw van de bestaande reguliere woning is gesitueerd op ca. 12,5 meter van de Glindeweg. Het hoofdgebouw van de bestaande kleine woning is tegen dit hoofdgebouw aangebouwd, de voorgevel daarvan ligt op ca. 3 meter afstand van het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw van de reguliere woning. 1
Gemeten vanaf de grens van het plangebied tot aan de grens van het bestemmings- of bouwvlak dat in het geldend bestemmingsplan voor desbetreffend bedrijf is vastgelegd.
8 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Aan het hoofdgebouw van de bestaande reguliere woning zijn nog een aantal bijgebouwen gebouwd. Het betreft een serre, tussenlid en een garage/berging. Het vrijstaande bijgebouw nabij de bestaande kleine woning is inmiddels gesloopt. Op korte afstand van de grens met het plangebied staat nog een vrijstaand bijgebouw. De aangrenzende percelen zijn verder helemaal in gebruik als erf en tuin. De tuininrichting bestaat vooral uit gras.
bijgebouwen
bestaande kleine woning bestaande reguliere woning
bijgebouwen
inmiddels gesloopt vrijstaand bijgebouw
• Figuur 2.4: Luchtfoto bestaande situatie plangebied (bron: https://streetsmart.cyclomedia.com)
De twee in het plangebied begrepen percelen en de twee aangrenzende percelen vormen nog één bestaand erf. Dit erf is aan vier kanten ruimtelijk begrensd door sloten. Ter plaatse van de perceelsgrens met het perceel Glindeweg 5 is ook een restant aanwezig van een elzensingel. Ter plaatse van het plangebied staat een vrijstaand bijgebouw voor het hobbymatig houden van paarden. De achter dit bijgebouw gelegen gronden zijn tot voor kort in gebruik geweest als paardenbak. Een klein deel van de gronden is voor tijdelijke opslag van grond en groenafval gebruikt. Voor het overige bestaat de inrichting van het plangebied uit een pad naar de aangrenzende percelen en gras. Die met gras ingerichte gronden hadden tot voor kort de functie van weiland voor de gehouden paarden.
• Figuur 2.5: Cycloramafoto plangebied (bron: https://streetsmart.cyclomedia.com)
9 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Het bestaande erf had al twee in-/uitritten op de Glindeweg. Een in-/uitrit bevindt zich ter hoogte van bovengenoemde aangrenzende percelen, de andere in-/uitrit ter hoogte van het plangebied.
2.2
NIEUWE SITUATIE De bestaande kleine woning ter plaatse van de ten noordwesten van en aangrenzend aan het plangebied gelegen percelen wordt opgeheven. Het gebouw blijft in stand, maar krijgt de functie van bijgebouw bij de bestaande reguliere woning en/of wordt onderdeel van het hoofdgebouw van deze woning. Ten minste één van de in het gebouw aanwezige essentiële woonvoorzieningen (bijv. keuken, badkamer) wordt verwijderd. Om dit ook te verzekeren, wordt dit bij verlening als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Bouwplan Er is een bouwplan gemaakt voor de nieuwbouw van een kleine woning op de in het plangebied begrepen percelen. Dit bouwplan voorziet in combinatie met het opheffen van de bestaande kleine woning op de aangrenzende percelen in de herbouw van deze woning op een andere plek dan de bestaande locatie. Het vervaardigde bouwplan omvat een onderkelderd hoofdgebouw en verschillende vergunningsvrije aan te bouwen bijbehorende bouwwerken (rood gearceerd in figuur 2.7 en 2.8). Deze vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken zijn met betrekking tot het bestemmingsplan niet van belang. De voorgevel van het hoofdgebouw komt volgens bouwplan op gelijke hoogte te liggen met de voorgevel van het hoofdgebouw van de bestaande reguliere woning op de aangrenzende percelen.
Het hoofdgebouw wordt gebouwd op: • 10,35 meter van de voorste perceelsgrens en 12,5 meter van de rand van de weg; • 3,05 meter van de onderlinge zijdelingse perceelsgrens (en de vergunningsvrije uitbouw op 2 meter van die grens). Hiermee is de nieuw te bouwen kleine woning in de lengte gezien ongeveer halverwege en in de breedte gezien aan de linkerkant van het plangebied gesitueerd (zie figuur 2.6).
• Figuur 2.6: Situatietekening
10 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Volgens het vervaardigde bouwplan heeft het hoofdgebouw een oppervlakte van 72,3 m 2 en een inhoud die net minder dan 375 m3 bedraagt. Het grootste gedeelte van het hoofdgebouw heeft een goothoogte van 2,9 meter, maar van een klein gedeelte bedraagt die net minder dan 3,3 meter. De bouwhoogte van het hoofdgebouw ligt op 7,6 meter (zie figuren 2.7 en 2.8).
• Figuur 2.7: Plattegrondtekeningen begane grond en verdieping
Met dit plan wordt het bij de bestaande reguliere woning en bestaande kleine woning behorende bestaande erf in twee erven verdeeld. De omvang van wat bestaand al erf en tuin is, wordt dus niet vergroot. Het erf van de nieuw te bouwen kleine woning wordt ontsloten via de bestaande in-/uitrit ter hoogte van het plangebied. Het bestaande vrijstaande bijgebouw aan de rechterkant van het plangebied blijft in stand als bijgebouw bij de nieuw te bouwen kleine woning.
• Figuur 2.8: Aanzichttekening voorgevel
11 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Landschapsplan Met het bouwplan wordt de bestaande en bestemde kleine woning herbouwd op een andere plek dan de bestaande locatie, maar ook het bestaande erf in twee erven verdeeld. Om hierbij te komen tot een goede landschappelijke inpassing, is in het kader van deze onderbouwing een landschapsplan opgesteld. Dit plan bestaat uit een tekening (zie figuur 2.9) en een toelichting.
• Figuur 2.9: Tekening landschapsplan
Het landschapsplan is opgesteld aan de hand van het Landschapsontwikkelingsplan Elburg. Voor het ontwerp zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Versterken van de karakteristiek van het veenontginningslandschap via toepassen van strakke vormen van beplanting en in het landschap, bij natte gebieden passende inheemse soorten; • Behoud van lange zichtlijn over het achterland vanaf de Glindeweg en van zoveel mogelijk uitzicht vanuit de woning aan de Glindeweg 4a; • Creëren van een aangenaam landelijk karakter via toepassen hoogstamfruitbomen, houten materialen e.d.; • Verwijderen van coniferen en uitheemse, houtige gewassen. Over het ontwerp kan het volgende worden opgemerkt: • Ten behoeve van privacy wordt op de perceelsgrens tussen de nieuw ontstane erven een haagbeukhaag geplant; • De perceelsgrens met het perceel Glindeweg 5 wordt aangezet met een elzenhaag. Enkele bestaande elzen op eigen grond worden tot elzenhaag gesnoeid en dit beplantingstype wordt verder uitgebreid. Zo ontstaat samen met de bestaande elzen een robuuste elzensingel; • Langs de in-/uitrit en de oprit wordt een haagbeukhaag geplant, die met een hoogte van max. 0,8 meter laag blijft om het uitzicht over het achterland niet te belemmeren; • Midden achteraan het plangebied worden vier hoogstamfruitbomen geplant.
Door de keuze voor hoogstamfruitbomen met een takvrije stam van ±2,2 meter blijft vanaf de Glindeweg onder de bomen door zicht op het achterland behouden. Doordat ze op ±10
12 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
meter afstand van elkaar komen te staan, blijft ook tussen de bomen door zicht op het achterland bestaan; • Knotwilgen aan de slootkant zijn passend bij het veenontginningslandschap. Dit is toegepast bij de sloot ter plaatse van de achterste perceelsgrens, aan de slootkant van het achter het bestaande vrijstaande bijgebouw gelegen gedeelte komen vier knotwilgen op een rij; • Een notenboom achter op het erf en drie leilindes voor de nieuwe woning geven het geheel een landelijke uitstraling. Het volledige landschapsplan is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
2.3
AFWIJKINGEN BESTEMMINGSPLAN Afwijkingen Een gedeelte van het plangebied heeft volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018’ de (enkel)bestemming ‘Wonen - Kleine woning’. Dit betreft het rood omkaderd vlak in figuur 2.10.
•
Figuur 2.10: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012 actualisatie 2018’ (bron: RuimtelijkePlannen.nl)
Volgens de in de regels van het bestemmingsplan gegeven bestemmingsomschrijving (art. 27.1) zijn voor ‘Wonen - Kleine woning’ aangewezen gronden bestemd voor wonen in kleine woningen met bijbehorende bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en tuinen en erven. Volgens art. 27.2.1 zijn voor het bouwen van hoofdgebouwen op de voor ‘Wonen - Kleine woning’ aangewezen gronden de volgende bouwregels van toepassing: a. Voor zover er een of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, mogen hoofdgebouwen alleen gebouwd worden binnen die bouwvlakken; b. Max. één hoofdgebouw per bouw- of bestemmingsvlak; c. Goothoogte max. 3 meter als geen specifieke bouwaanduiding is aangegeven; d. Bouwhoogte max. 7 meter als geen specifieke bouwaanduiding is aangegeven; e. Oppervlakte max. 80 m2; f. Inhoud max. 375 m3.
13 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Verder geldt op grond van art. 27.2.5 van de bouwregels voor de bestemming ‘Wonen Kleine woning’ dat herbouw van een woning alleen is toegestaan op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak. Voor de rest van het plangebied geldt de bestemming ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn volgens de gegeven bestemmingsomschrijving (art. 25.1) onder andere bestemd voor wonen in één woning per bestemmingsvlak. Het in paragraaf 2.2 beschreven bouwplan voldoet niet aan de in art. 27.2.5 opgenomen bouwregel. Het voorziet immers wel in herbouw van de bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie. Zoals in figuur 2.11 indicatief is weergegeven, wordt de kleine woning ook gedeeltelijk buiten het bestemmingsvlak ‘Wonen - Kleine woning’ herbouwd en dus voor een deel binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’. Gevolg is dat het plan ook een afwijking van de in art. 25.1 gegeven bestemmingsomschrijving inhoudt. Binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’ bevindt zich al één woning: de bestaande reguliere woning.
• Figuur 2.11: Projectie bestemmingsvlak ‘Wonen - Kleine woning’ op situatietekening
Het bouwplan voldoet (gedeeltelijk) ook niet aan de max. goot- en bouwhoogte die volgens art. 27.2.1 sub c en d zijn toegestaan bij een kleine woning. De goothoogte van het voorste gedeelte van de rechterzijgevel van het hoofdgebouw bedraagt over een lengte van ±3,6 meter net geen 3,3 meter en de bouwhoogte van het hele hoofdgebouw bedraagt 7,6 meter. Het hele plangebied heeft ook de dubbelbestemming ‘Waarde - Waardevol landschap’. Het in paragraaf 2.2 beschreven plan is niet in strijd met de hiervoor gegeven bestemmingsomschrijving (art. 36.1). Zoals in paragraaf 3.2 en 3.3 is onderbouwd, heeft dit plan mede door een goede landschappelijke inpassing geen aantasting tot gevolg van de ter plaatse voorkomende kernkwaliteiten van het aanwezige landschapstype. Voor het hele plangebied geldt ook de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie lage ver-
14 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
wachtingswaarde’. Dit houdt volgens de in de regels van het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsomschrijving (art. 32.1) in, dat de in het plangebied begrepen gronden mede zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de archeologische waarden in de bodem. In de bouwregels (art. 32.2.1 sub a) staat dat er voor het oprichten van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 een archeologisch onderzoek is vereist. Op deze bouwregel geldt een uitzondering als er minder dan 2,5 meter buiten een bestaande fundering wordt gebouwd of de ondergrond bij de oprichting van het bouwwerk niet dieper dan 0,3 meter wordt geroerd (art. 32.2.3). Het in paragraaf 2.2 beschreven bouwplan voldoet niet aan deze uitzondering, dus is toetsing ten aanzien van de oppervlakte van 2.500 m 2 nodig. Aangezien de op de nieuwe locatie nieuw te bouwen kleine woning volgens het bouwplan een oppervlakte van 72,3 m2 heeft, is volgens de regels van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde’ voor het bouwplan geen archeologisch onderzoek vereist. Afwijkingsmogelijkheden In de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018’ voor de bestemming ‘Wonen - Kleine woning’ is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van het verplaatsen van een bestaande kleine woning naar een andere plek dan de bestaande locatie (art. 27.3.1).
Op grond hiervan kan daar met toepassing van een binnenplanse afwijking een omgevingsvergunning voor verleend worden als aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Geconstateerd moet worden dat het in paragraaf 2.2 beschreven plan niet in aanmerking komt voor toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid uit het geldend bestemmingsplan, omdat het niet aan de gestelde voorwaarden voldoet: • De kleine woning wordt volgens het plan herbouwd op ±19 meter van de bestaande locatie. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorwaarde volgens art. 27.3.1 onder a, dat de woning op max. 10 meter van de locatie van de bestaande woning wordt gebouwd; • Met het plan worden de volgens art. 27.2.1 toegestane max. goot- en bouwhoogte (gedeeltelijk) overschreden. Daarmee voldoet het plan ook niet aan de voorwaarde uit art. 27.3.1 onder g dat voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in art. 27.2.1. Dit betekent dat de beoogde verplaatsing van de kleine woning in planologisch opzicht wel met een omgevingsvergunning mogelijk gemaakt kan worden, maar dat de vergunning alleen verleend kan worden met toepassing van een buitenplanse afwijking van het geldende bestemmingsplan. De omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in art. 2.1, lid 1, sub c Wabo kan slechts verleend worden door met toepassing van art.
2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo - een projectafwijkingsbesluit - van het geldende bestemmingsplan af te wijken. Bij zo’n afwijking is ter motivering een goede ruimtelijke onderbouwing vereist. Het voorliggende rapport voorziet in deze onderbouwing. Onderbouwd is waarom herbouw van de kleine woning op meer dan 10 meter van de bestaande locatie in dit geval ruimtelijk aanvaardbaar is. Door het vorige zijn de overschrijdingen van de toegestane goot- en bouwhoogte in dit geval niet met toepassing van een binnenplanse afwijking planologisch mogelijk te maken. Van de in de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018’ opgenomen afwijkingsmogelijkheid voor overschrijding van in het plan opgenomen goot- en bouwhoogten met max. 10% (art. 42.1, lid a) kan geen gebruik worden gemaakt, ook al worden met het in paragraaf 2.2 beschreven plan de volgens art. 27.2.1 toegestane max. goot- en bouwhoogte met minder dan 10% overschreden.
15 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
HOOFDSTUK 4
3 1 Beleidskader 3.1
RIJKSBELEID Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De kaders van het ruimtelijk beleid van het Rijk zijn opgenomen in de op 13 maart 2012 door de Minister van I&M vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Uitgangspunt van de SVIR is ‘decentraal, tenzij’. Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van het Rijksbeleid op die onderwerpen, die van nationaal belang zijn. Voor deze onderwerpen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze onderwerpen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid en ligt de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid bij provincies en gemeenten. Zo laat het Rijk bijvoorbeeld afspraken over verstedelijking, groene ruimte en het landschap over aan provincies en gemeenten. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Als nationale belangen dit met het oog op een goede ruimtelijke ordening vereisen, kan het Rijk in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels stellen over de inhoud van bestemmingsplannen. Het Rijk heeft dit bewerkstelligd met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) - ook wel bekend als de AMvB Ruimte.
Het Barro trad op 30 december 2011 deels in werking en werd op 1 oktober 2012 met een aantal onderwerpen aangevuld. Het Barro voorziet in het juridisch borgen van het in de SVIR vervatte nationale ruimtelijk beleid. Dit besluit zorgt voor de doorwerking van de onderwerpen van nationaal belang in de besluitvorming van provincies en gemeenten over ruimtelijke plannen. Inhoudelijk gaat het om onderwerpen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in het NatuurNetwerk Nederland (NNN), of met het vrijwaren van functies. Dat betekent dat het Barro regels bevat over bestemmingen en het gebruik van gronden. Ook kan het provincies en gemeenten opdragen in de toelichting op een ruimtelijk plan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is ook de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis opgenomen in art. 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door het optimaal benutten van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt onder andere in dat bij bepaalde ontwikkelingen de behoefte moet worden aangetoond. De ladder is alleen van toepassing bij ruimtelijke plannen die een planologisch-juridisch recht bieden voor nieuwe ‘stedelijke ontwikkelingen’.
In het Bro is een stedelijke ontwikkeling omschreven als ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijven- of zeehaventerrein, detailhandel, kantoren, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Onder andere stedelijke voorzieningen vallen bijv. accommodaties voor bestuur, onderwijs, zorg, cultuur of indoor leisure en sport).
16 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in art. 1.1.1, lid 1, aanhef en onder i van het Bro is niet nader gedefinieerd in het Bro. De definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling is ook niet toegelicht in de nota van toelichting bij deze bepaling. Uit vaste jurisprudentie volgt echter dat tot een aantal van 11 woningen sprake is van een plan dat kleinschalige woningbouw mogelijk maakt en er terecht van kan worden uitgegaan, dat dat plan dan niet voorziet in een woningbouwlocatie als bedoeld in art. 1.1.1, lid 1, aanhef en onder i van het Bro (ECLI:NL:RVS:2013:2471, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Derhalve wordt een ruimtelijk plan dat de bouw van één woning planologisch mogelijk maakt, niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Toetsing aan het Rijksbeleid Bij het bestemmen van en ontwikkelingen in het plangebied moet rekening worden gehouden met verschillende onderwerpen van nationaal belang. Gezien figuur 3.1 is het plangebied gelegen buiten het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt verder nog binnen het radarverstoringsgebied van het militaire radarstation Nieuw Milligen.
• Figuur 3.1: Uitsneden kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur (bron: RuimtelijkePlannen.nl)
Het NNN moet volgens de SVIR door de provincies worden gerealiseerd. In het Barro is daarom bepaald dat provincies in een verordening de gebieden aanwijzen welke het NNN vormen. De provincie Gelderland heeft hier in 2014 uitvoering aan gegeven in de Omgevingsverordening Gelderland. Gelet op paragraaf 3.2 is het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan daardoor op een grotere afstand komen te liggen van tot NNN behorende gebieden dan figuur 3.1 laat zien. Het nationaal belang van ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora en fauna is met dit plan dan ook niet in het geding. Op grond van het Barro is om nadelige gevolgen voor de werking van de radar van genoemd radarstation te voorkomen een maximum bouwhoogte vastgelegd voor alle bouwwerken binnen het aangewezen radarverstoringsgebied die binnen 15 kilometer van de radarantenne liggen. Die maximum bouwhoogte is niet van toepassing ter plaatse van het plangebied, want het ligt op grotere afstand van de radarantenne. Het nationale belang van ruimte voor militaire activiteiten is dus ook niet in het geding met onderhavig ruimtelijk plan.
17 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Onderhavig ruimtelijk plan maakt de nieuwbouw van één kleine woning planologisch mogelijk. Gezien het voorziet in herbouw van een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek dan de bestaande locatie van deze woning, maakt het in planologisch opzicht geen extra woning mogelijk. Het plan heeft gezien vaste jurisprudentie dan ook geen betrekking op een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro. Het is niet noodzakelijk dit plan te onderbouwen aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Onderhavig ruimtelijk plan is niet in strijd met het Rijksbeleid. 3.2
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 stelden Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vast. Deze trad op 1 maart 2019 in werking en vervangt de op 9 juli 2014 vastgestelde en daarna aangevulde Omgevingsvisie Gelderland. Het doel van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: • met een brede blik kijken naar de inrichting en de kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; • door middel van zeven ambities verder verdiepen van de focus. De zeven ambities van de provincie hebben betrekking op de thema's energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit, bereikbaarheid, woon- en leefomgeving en vestigingsklimaat. De provinciale aanpak is per ambitie beschreven. Naast dit beleid continueert de provincie op het gebied van ruimte, water, milieu, natuur en landschap, verkeer en vervoer het beleid uit de in 2014 vastgestelde omgevingsvisie.
Uit oogpunt van het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit blijft ze zich onder andere inzetten voor duurzame verstedelijking en voor het behoud van de natuur- en landschappelijke kwaliteit. Voor wonen en werken geldt een regionale aanpak, gericht op een gezonde en veilige woonomgeving, waar mensen zich met elkaar verbonden voelen en die goede voorzieningen heeft en goed te bereiken is. Onder de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland blijven gebieden en functies die sinds 2014 zijn aangewezen vanuit de Omgevingsvisie Gelderland dan ook voortbestaan. Dit betreft onder andere de aangewezen Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en landschappen met een bovenregionale waarde. Het beleid op het gebied van natuur en landschap blijft dat de provincie zich inspant voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteiten van het landschap. Het beleid voorziet daarom in een beschermingsregiem om het Gelders NatuurNetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) en de landschappen in Gelderland van bovenregionale waarde te beschermen tegen aantasting van de kernkwaliteiten. Zo kan de provincie in gesprek komen wanneer het provinciaal belang in het geding raakt. De provincie beschermt met dit beleid ook de
18 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
achttien Natura 2000-gebieden, gelegen in het GNN. In de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland heeft de provincie regels gesteld, waarmee de beleidsuitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland verder geconcretiseerd zijn en juridische status hebben verkregen. Omgevingsverordening Gelderland Op 24 september 2014 werd de Omgevingsverordening Gelderland eerst vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland. Deze verordening is daarna geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie is van 19 december 2018 en is dus gelijktijdig met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De aanleiding hiervoor lag in maatschappelijke en wettelijke ontwikkelingen. Voor wijzigingen in de regels van de verordening is de Omgevingsvisie als uitgangspunt genomen. In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen die betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema’s. Deze regels vormen het sluitstuk op de Omgevingsvisie. De regels zijn in feite het juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid uit de visie af te dwingen, de provinciale belangen veilig te stellen en uitvoering te geven aan wat wettelijk verplicht is. De opgenomen regels zijn algemeen verbindende voorschriften: ruimtelijke plannen van gemeenten moeten voldoen aan de regels die ter plaatse van toepassing zijn. Volgens art.
2.2 van de Omgevingsverordening mag een ruimtelijk plan nieuwe woningen alleen mogelijk maken als dat past binnen een door de provincie vastgestelde regionale woonagenda. Volgens de Regionale Woonagenda 2019-2022 Samenwerking Noord-Veluwe wordt op dit moment gewerkt aan nieuwe afspraken over de aantallen woningen welke de regio en iedere gemeente toe mag voegen in de periode 2019-2029. Gekeken naar de Woonvisie 2015-2019 van de gemeente Elburg is eerder op regionaal niveau afgesproken dat de gemeente Elburg voor de periode 2013-2025, minus de in 2013-2014 toegevoegde woningen een opgave heeft van ±630 toe te voegen nieuwe woningen. Art. 2.56 van de verordening geeft als regel dat ruimtelijke plannen voor gronden gelegen binnen een Nationaal Landschap maar buiten de GO, het GNN en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, alleen bestemmingen mogelijk mogen maken die de kernkwaliteiten van het betreffende Nationaal Landschap niet aantasten. De kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zijn vastgelegd in bijlage 6 van de Omgevingsverordening.
In het deelgebied ‘Randmeerkust agrarisch’ van het Nationaal Landschap De Veluwe moet volgens deze bijlage rekening worden gehouden met de volgende kernkwaliteiten: • Zichtbare beeldbepalende gradiënt van stuwwal naar Randmeer: bos - open essen strokenverkaveling - blokverkaveling op strandwallen, van besloten boslandschap via kleinschaligheid naar grootschalig open; • Enkele in de strokenverkaveling aanwezige landgoederen vormen mooie ensembles; • Een relatief gaaf ontwaterings-, ontsluitings- en verkavelingspatroon; • Kleinschalige flank van het Veluwemassief met dorpen en buurtschappen, houtwallen en grasland. Toetsing aan het provinciaal beleid Onderhavig ruimtelijk plan maakt mogelijk dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek herbouwd kan worden dan de bestaande locatie van de woning, maar het maakt in planologisch en feitelijk opzicht geen extra woning mogelijk. Het plan betekent daardoor geen toevoeging van een nieuwe woning. Derhalve is art. 2.2 uit de Omgevingsverordening Gelderland in dit geval niet van toepassing.
19 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Zowel de bestaande als de nieuwe locatie van de woning heeft een woonbestemming. Omdat het er niet in voorziet dat gronden met een andere bestemming dan wonen erf bij de woning worden, heeft het plan dan ook geen extra ruimtebeslag ten dienste van het wonen tot gevolg. Hierop gelet is sprake van duurzame verstedelijking. Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan ligt buiten gebied dat door de provincie is aangewezen als behorend tot het GNN of de GO (zie figuur 3.2). De in het plangebied begrepen gronden vallen ook niet binnen gebied dat onderdeel uitmaakt van een Waardevol open gebied of de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het plangebied is wel gelegen binnen een Nationaal Landschap (zie figuur 3.3). Het betreft het Nationaal Landschap De Veluwe en het plangebied valt binnen deelgebied ‘Randmeerkust agrarisch’.
• Figuur 3.2: Uitsnede kaart Regels Natuur Omgevingsverordening Gelderland (bron: RuimtelijkePlannen.nl)
• Figuur 3.3: Uitsnede kaart Regels Landschap Omgevingsverordening Gelderland (bron: RuimtelijkePlannen.nl)
20 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Met onderhavig ruimtelijk plan wordt de bestaande en bestemde kleine woning binnen het bestaande erf verplaatst. De omvang van wat bestaand al erf en tuin is, wordt zo niet vergroot. Het plan heeft daarom geen gevolgen voor de kernkwaliteit grasland. Gevolg van het plan is ook dat het bestaande erf waarop nu twee woningen aanwezig zijn, werkelijk verdeeld wordt in twee erven met ieder één woning. Dit is echter niet van invloed op het bestaande ontwaterings-, ontsluitings- en verkavelingspatroon, aangezien: • De uit vier sloten bestaande ruimtelijke begrenzing van het bestaande erf intact blijft; • De nieuw te bouwen kleine woning qua situering, indeling en ontwerp georiënteerd is op de Glindeweg; • De beide erven via twee bestaande in-/uitritten worden ontsloten op de Glindeweg. Door de verdeling in twee erven en uitgewerkte landschappelijke inpassing ontstaat er ter plaatse een wat kleinschaliger karakter. Gezien zoals nader toegelicht in paragraaf 2.2 met de gekozen beplantingssoorten en de wijze waarop de nieuwe beplanting aangeplant gaat worden vanaf de Glindeweg zicht blijft bestaan op het achterliggende landschap, blijft ter plaatse eveneens sprake van openheid. Het plan brengt dan ook geen aantasting van de kernkwaliteit ‘zichtbare beeldbepalende gradiënt van stuwwal naar Randmeer’ met zich mee.
Conclusie Onderhavig ruimtelijk plan is niet in strijd met het provinciaal beleid.
3.3
GEMEENTELIJK BELEID Omgevingsvisie Elburg De gemeenteraad van Elburg stelde op 30 januari 2019 de Omgevingsvisie Elburg 2018 vast. Deze omgevingsvisie is vastgesteld als een structuurvisie als bedoeld in de nu nog geldende Wet ruimtelijke ordening, maar loopt vooruit op inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie Elburg 2018 is een integrale toekomstvisie voor de hele gemeente Elburg. De gemeente kijkt erin vooruit in een periode tot 2030. Het is een dynamisch document, in de periode tot 2030 gaat de gemeente regelmatig kijken of het noodzakelijk is om de visie aan te passen. De gemeente wil meebewegen, inspelen op kansen en haar kwaliteiten ontwikkelen om te bouwen aan een vitale en krachtige gemeente, waar het goed wonen, werken en recreëren is. De in de Omgevingsvisie aangegeven koers is voor een belangrijk deel samen met de samenleving uitgestippeld. De visie gaat uit van een brede aanpak. De ontwikkelingen zijn opgepakt met economische, sociale, ruimtelijke en milieuthema’s. Inzet is het behouden en het versterken van de vitaliteit en leefbaarheid. Een gedeelte van de Omgevingsvisie is opgesteld in NEO-verband, dus door de drie gemeenten Nunspeet, Elburg en Oldebroek samen. In dit gedeelte van de visie is de centrale koers voor de drie NEO-gemeenten uitgezet aan de hand van een gebiedsgerichte en thematische uitwerking.
De gebiedsgerichte uitwerking voor de NEO-gemeenten gaat uit van een onderscheid in vier deelgebieden: Grootschalig open landschap/Randmerengebied, Gemengd kleinschalig overgangsgebied, Natura 2000-gebied Veluwe en Agrarische enclaves. Bij de thematische uitwerking zijn vijf integrale thema’s onderscheiden die zowel ruimtelijke, sociale, economische, milieu- als gezondheidsaspecten omvatten: • Leefbare dorpen met een actieve samenhang;
21 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
• Aantrekkelijke omgevingskwaliteit en identiteit; • Een vitaal economisch klimaat; • Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; • Bereikbaar, nabij en toegankelijk. Deze vijf thema’s komen terug in de visie voor alleen de gemeente Elburg. Uitgangspunt van de visie van de gemeente Elburg tot 2030 is samen naar een gezonde, veilige en duurzame balans tussen mens, ruimte en gebruik. De hoofdlijnen van de visie zijn op hiervoor genoemde vijf thema’s beschreven. Bij het thema ‘Leefbare, vitale kernen met een actieve, gezonde samenleving’ geeft de gemeente aan te werken aan een kwalitatief afwegingskader voor woningbouwlocaties, aangezien er tot 2030 sprake is van een groter aantal potentiële woningbouwlocaties dan er kwantitatief behoefte is. Het is belangrijk dat (her)ontwikkelingen vanuit optimaal ruimtegebruik, levensloopbestendig en energieneutraal en dus duurzaam plaatsvinden. Ook is het belangrijk dat de woningvoorraad kwalitatief toegesneden blijft op de actuele behoefte. Een kernpunt bij het thema ‘Aantrekkelijke omgevingskwaliteit en identiteit’ is het bewaken van een goede balans tussen de verschillende functies in het buitengebied. De gemeente geeft verder aan de vele parels te willen versterken, waaronder ook de open weiden. Ze nodigt uit bij investeringen tegelijk ook de landschappelijke en/of cultuurhistorische kwaliteiten te versterken.
• Figuur 3.4: Uitsnede IDeekaart deelgebied Kleinschalig gemengde overgangszone (bron: RuimtelijkePlannen.nl)
Vanuit de visie op hoofdlijnen voor Elburg en thematische uitwerkingen zijn als gebiedsgerichte uitwerking voor de gemeente Elburg IDeekaarten gemaakt voor zeven deelgebieden: • Grootschalig open landschap & Randmeerzone; • Kleinschalig gemengde overgangszone;
22 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
• Natura 2000-gebied Veluwe; • Doornspijk & Hoge Enk; • Oostendorp & Molendorp; • ‘t Harde; • Vesting Elburg. De IDeekaarten benoemen de ambitie en de kwalitatieve uitgangspunten die de gemeente voor elk deelgebied hanteert. Voor het deelgebied Kleinschalig gemengde overgangszone zijn met de IDeekaart onder andere de volgende ambities en kwalitatieve uitgangspunten benoemd: Ambities • Behoud en versterken van de diversiteit (in beleving, in gebruik en ecologisch); • Koesteren van de kleinschaligheid; • Voorkomen van verdere versnippering van het gebied; • Zorg voor geleidelijke overgangen tussen bebouwingsclusters en buitengebied; • Elk verzoek bekijken op maat, ruimtelijke kwaliteit en een gezond leefklimaat. Kwalitatieve uitgangspunten • Ontwikkelingen met karakteristieke landschapselementen inpassen in kleinschalig landschap; • Openheid richting omliggende polders behouden en versterken; • Versterken van doorgaand netwerk van kleinschalige landschapselementen. Landschapsontwikkelingsplan Elburg De gemeenteraad van Elburg heeft in 2011 het Landschapsontwikkelingsplan Elburg (verder: LOP) vastgesteld voor haar buitengebied. Hier spelen (nieuwe) ontwikkelingen en de gemeente wenst initiatieven te stimuleren. Het LOP geeft een landschappelijke visie op het buitengebied van Elburg en een actieprogramma met kansrijke en op uitvoering gerichte projecten.
Het LOP is ook een toetsingskader op basis waarvan plannen en ontwikkelingen beoordeeld kunnen worden. In het LOP staat het versterken van de identiteit en de karakteristieke verscheidenheid van het landschap centraal. Het LOP vult het bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018’ aan door handreikingen te bieden voor de vormgeving van de landschappelijke inpassing wanneer dit plan voorschrijft dat een landschappelijke inpassing vereist is. Daarnaast is het LOP een hulpmiddel in de afweging omtrent medewerking aan aanvragen voor afwijkingen en wijzigingen van het bestemmingsplan. Volgens het LOP kent de landschappelijke hoofdstructuur van het buitengebied van Elburg een duidelijke zonering evenwijdig aan de kustlijn. Het landschap wordt bepaald door de overgang van de hoger gelegen beboste Veluwe naar het open polderlandschap langs de kustlijn van de Randmeren. Op deze overgang zijn de volgende landschapstypen te onderscheiden: • De besloten Veluwe; • Het kleinschalige en lineaire kampenlandschap; • Het veenontginningslandschap; • Het half open kampenlandschap; • Het open polderlandschap; • Het Randmerengebied. Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan is gelegen in het landschapstype veenont-
23 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
ginningslandschap. Dit landschapstype kenmerkt zich door de ontwaterende sloten haaks op de weg, de openheid vanwege weinig bebouwing en weinig beplantingen en de strokenverkaveling als rationeel en vlak. De aanwezige beplantingen zijn beplantingen aan de wegen en de soorten zijn kenmerkend voor natte gebieden. De landschappelijke visie voor het veenontginningslandschap bestaat onder andere uit het navolgende: • Behouden en versterken van het natte karakter en de nog aanwezige karakteristieke singelpatronen van vooral elzen, gelegen parallel aan sloten en greppels en haaks op de wegen die als ontginningsassen fungeerden; • Behoud van de huidige karakteristieke lijnvormige landschapselementen staat voorop. Doordat de singels overwegend noord-zuid zijn gericht en zo vanaf de ontginningsassen lange zichtlijnen ontstaan, is de prioriteit gelegen bij aanleg of herstel op noordzuid gerichte singels; • Accentueren van de landschappelijke gradiëntlijnen zoals wegen of beken met beplanting (elzen) voor versterking van de kenmerkende richting in het landschap; • Bij versterking van de landschappelijke kenmerken agrariërs ruimte bieden. Toetsing aan het gemeentelijk beleid Onderhavig ruimtelijk plan maakt mogelijk dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek herbouwd kan worden dan de bestaande locatie van de woning.
Hiermee voorziet het plan in planologisch en feitelijk opzicht in een woningbouwlocatie. Omdat echter sprake is van het verplaatsen van een reeds toegestane en feitelijk aanwezige kleine woning naar een deels buiten het daarvoor bedoelde bestemmingsvlak liggende plek, leidt het plan in planologisch en feitelijk opzicht niet tot het toevoegen van een woning. Met het plan vindt derhalve geen uitbreiding van het aantal woningen en dus de woningvoorraad plaats. Dit maakt dat het niet noodzakelijk is om het plan te toetsen aan de Woonvisie 2015-2019 en het kwalitatief afwegingskader woningbouw van de gemeente Elburg. Het plan houdt in dat de kleine woning binnen een bestaand erf wordt verplaatst en dat de omvang van wat bestaand al erf en tuin is dus niet wordt vergroot. In die hoedanigheid is sprake van optimaal ruimtegebruik. Het plan heeft ook tot gevolg dat een bestaande kleine woning wordt vervangen door een energieneutralere nieuwe woning. De bestaande kleine woning heeft een traditionele gas- en elektriciteitsaansluiting. De nieuwe woning zal wegens de huidige energiezuinigheidseisen voor en de eis om nu gasloos te bouwen bij nieuwbouw echter voorzien worden van zonnecollectoren, een zonneboiler en een CV houtkachel voor verwarming, warm water en elektriciteit.
Gelet hierop kan onderhavig plan worden gezien als een duurzame herontwikkeling en draagt het plan er aan bij dat de woningvoorraad kwalitatief aansluit op de actuele behoefte. Gezien de resultaten van de toetsing op de verschillende omgevingsaspecten blijft met onderhavig plan een goede balans aanwezig tussen de verschillende functies in de omgeving van het plangebied. Het plan voorziet verder tegelijk met het verplaatsen van de kleine woning ook in het versterken van de landschappelijke kwaliteiten ter plaatse, met name door het ervan deel uitmakende landschapsplan. Onderhavig ruimtelijk plan is dan ook passend binnen de hoofdlijnen van de omgevingsvisie op zowel het thema ‘Leefbare, vitale kernen met een actieve, gezonde samenleving’ als ‘Aantrekkelijke omgevingskwaliteit en identiteit’. Gevolg van het plan is ook dat het bestaande erf waarop nu twee woningen aanwezig zijn, werkelijk verdeeld wordt in twee erven met ieder één woning. Door deze verdeling in twee erven en de uitgewerkte landschappelijke inpassing ontstaat er ter plaatse een wat klein-
24 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
schaliger karakter, maar van verdere versnippering van het deelgebied Kleinschalig gemengde overgangszone is geen sprake. Dit omdat: • De uit vier sloten bestaande ruimtelijke begrenzing van het bestaande erf intact blijft; • De nieuw te bouwen kleine woning qua situering, indeling en ontwerp georiënteerd is op de Glindeweg; • De beide erven via twee bestaande in-/uitritten worden ontsloten op de Glindeweg. Een en ander zorgt ook voor behoud van openheid ter plaatse. Er blijven zichtlijnen bestaan op het achterliggende open landschap. Aangezien de uitgewerkte landschappelijke inpassing voorziet in nieuwe karakteristieke kleinschalige landschapselementen, sluit onderhavig plan aan bij de ambities en kwalitatieve uitgangspunten voor het deelgebied Kleinschalig gemengde overgangszone. Mede vanwege het LOP is als onderdeel van onderhavig ruimtelijk plan een landschapsplan opgesteld. Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan is volgens de kaarten in het LOP gelegen in het veenontginningslandschap (zie figuur 3.5). Uit de toelichting van het landschapsplan blijkt, dat de uitgangspunten voor het ontwerp tot stand gekomen zijn op basis van de in het LOP gegeven landschappelijke visie voor dit landschapstype.
• Figuur 3.5: Uitsnede kaart visie LOP: totaalvisie (bron: Landschapsontwikkelingsplan Elburg)
Conclusie Onderhavig ruimtelijk plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.
25 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
HOOFDSTUK 5
4 1 Omgevingsaspecten 4.1
MILIEU Als onderbouwing van een ruimtelijk plan moet ook inzicht worden gegeven in de relevante milieuhygiënische aspecten van het plan. Aangetoond moet worden dat er op gebied van milieu geen belemmeringen aanwezig zijn voor het te realiseren plan. Ook mag het te realiseren plan niet tot gevolg hebben dat andere functies in de omgeving beperkt worden in hun mogelijkheden en moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.1.1
M.E.R. BEOORDELING Onderhavig ruimtelijk plan maakt mogelijk dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek herbouwd kan worden dan de bestaande locatie van de woning, maar het maakt planologisch gezien geen extra woning mogelijk. Over of voor dit plan sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht, valt het volgende op te merken. Besluit m.e.r. Het bouwen van één of meer woningen komt niet als activiteit voor in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Gelet op de aard en omvang van wat er in is voorzien, kwalificeert onderhavig ruimtelijk plan ook niet als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld onder D.11.2 van de bijlage van het besluit. Het plan maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen extra woning mogelijk en heeft geen extra ruimtebeslag ten dienste van het wonen tot gevolg: • Zowel de bestaande als de nieuwe locatie van de woning heeft een woonbestemming volgens het geldende bestemmingsplan; • Het plan voorziet er niet in dat gronden met een andere bestemming dan wonen erf bij de woning worden. Gelet hierop ziet onderhavig ruimtelijk plan niet op een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit uit onderdeel C dan wel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Wet milieubeheer en Wet natuurbescherming Op basis van art.
7.2a van de Wet milieubeheer geldt een m.e.r.-plicht voor wettelijke of bestuursrechtelijke plannen waarvoor op grond van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming een passende beoordeling gemaakt moet worden. Een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in art. 2.1, lid 1, sub c Wabo waarbij er met toepassing van een projectafwijkingsbesluit van het geldende bestemmingsplan afgeweken wordt, is anders dan een bestemmingsplan geen wettelijk of bestuursrechtelijk plan. Aangezien onderhavig ruimtelijk plan zo’n vergunning betreft, is er voor dit plan geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van art. 7.2a Wet milieubeheer. Conclusie In het kader van onderhavig ruimtelijk plan geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
26 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
4.1.2
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet er voldoende ruimtelijke scheiding zijn tussen hinderveroorzakende functies (zoals bedrijven) en hindergevoelige functies (zoals woningen). Deze milieuzonering moet op twee manieren worden getoetst. Aan de ene kant wordt er gekeken of de functie op een perceel zelf veroorzaker van hinder is en aan de andere kant wordt bekeken of de functie op een perceel kwetsbaar is voor hinder van of tot belemmeringen kan leiden voor omliggende functies en bedrijven. Voor deze toetsing worden de grootste afstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ als richtinggevend gezien als het gaat om of er mogelijk sprake is van overlast. De VNG-handreiking geeft grootste afstanden voor een scala aan hinderveroorzakende functies. Daarbij is onderscheid gemaakt in afstanden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden zijn afgestemd op het woon- en leefklimaat zoals dat wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Aanvaard is dat als aan de grootste afstand wordt voldaan, geen sprake is van hinder en dus geen belemmering of beperking. Onderhavig ruimtelijk plan ziet niet op een hinderveroorzakende functie.
Omdat het plan mogelijk maakt dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek kan worden herbouwd dan de bestaande locatie van de woning, heeft het wel betrekking op een hindergevoelige functie. Dit betekent dat alleen hoeft te worden beoordeeld of die hinder kan ondervinden van functies en bedrijven in de omgeving van het plangebied of belemmeringen kan geven voor deze functies en bedrijven. Dat is niet het geval, want de afstand tussen de nieuwe locatie van de kleine woning en hinderveroorzakende functies voldoet gezien het volgende aan de grootste afstanden voor de aspecten geluid, gevaar en stof uit de VNG-handreiking: • Ter plaatse van Glindeweg 5a is een hengstenhouderij gevestigd. Een paardenfokkerij is vanwege het aspect geur een bedrijf van milieucategorie 3.1, maar voor geluid en stof is een grootste afstand van 30 meter van toepassing. De nieuwe locatie van de kleine woning ligt op meer dan 50 meter van het bouwvlak van deze veehouderij; • Ter plaatse van Glindeweg 4 en Zuiderzeestraatweg 127 zijn rundveehouderijen gevestigd. Bij fokken en houden van rundvee is vanwege het aspect geur sprake van een bedrijf van milieucategorie 3.2, maar voor geluid en stof geldt een grootste afstand van 30 meter.
De afstand van de nieuwe locatie van de kleine woning tot aan het bouwvlak van de veehouderijen aan de Glindeweg 4 en de Zuiderzeestraatweg West 127 bedraagt 145 meter of meer; • Ter plaatse van Glindeweg 4 is tevens een camping aanwezig. Kampeerterreinen zijn bedrijven in milieucategorie 3.1, omdat vanwege het aspect geluid een grootste afstand van 50 meter van toepassing is. De afstand van de nieuwe locatie van de kleine woning tot aan het bouwvlak waarbinnen de camping gevestigd is, bedraagt zoals aangegeven meer dan 145 meter; • Ter plaatse van Glindeweg 1 is een loonbedrijf gevestigd. Loonbedrijven met een bedrijfsoppervlak groter dan 500 m 2 vallen doordat voor het aspect geluid een grootste afstand van 50 meter geldt in milieucategorie 3.1. De afstand van de nieuwe locatie van de kleine woning tot aan het voor het loonbedrijf vastgelegde bestemmingsvlak is ±57 meter; • Ter plaatse van Zuiderzeestraatweg 117 bevindt zich een recreatieterrein. Kampeerterreinen en vakantiecentra zijn bedrijven van milieucategorie 3.1, omdat voor het aspect geluid een grootste afstand van 50 meter aangehouden wordt. De nieuwe locatie van de kleine woning is gelegen op meer dan 185 meter van het recreatieterrein.
27 Ruimtelijke onderbouwing, Percelen naast Glindeweg 3 te Doornspijk
Voor het aspect geur in relatie tot nabijgelegen veehouderijen wordt verwezen naar de paragraaf 4.1.5. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan. Het plan heeft vanuit dit aspect gezien niet als gevolg dat er een inrichting wordt beperkt in zijn mogelijkheden. Ter plaatse van het plangebied is ook geen onaanvaardbare hinder te verwachten in relatie tot een woonfunctie.
4.1.3
GELUID Wegverkeerslawaai De basis voor de ruimtelijke afweging op het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Volgens de Wgh zijn (spoor)wegen en industrieterreinen waar grote lawaaimakers gevestigd zijn of zich kunnen vestigen, voorzien van geluidszones. Dit met uitzondering van: • Wegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; • Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Als het plangebied binnen een geluidszone van een (spoor)weg of industrieterrein valt en het ruimtelijk plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt, moet beoordeeld of onderzocht worden of ter plaatse sprake is van een acceptabele geluidsbelasting. Onder meer woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten zijn geluidsgevoelige objecten. In eerste instantie mag de geluidsbelasting op zo’n object niet meer bedragen dan de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde van 48 dB. Het plangebied van onderhavig ruimtelijk plan is niet gelegen binnen de aandachtszone van het spoor Amersfoort-Zwolle en snelweg A28. De geluidsbelasting van deze bronnen vormt geen belemmering voor het plan. De Glindeweg en het in de omgeving van het plangebied gelegen gedeelte van de Zuiderzeestraatweg West zijn wegen in buitenstedelijk gebied met twee geasfalteerde rijstroken en een maximumsnelheid van 60 km/uur resp. 80 km/uur.