Doornspijk - Uitbreiding Waterlanden II_Toelichting = vervangen
Tekst van het document
Het plangebied: gebiedsbescherming
5.6.2.1 Gevolgen voor de Natura 2000-gebieden Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen de 'Veluwerandmeren' op circa 1,3 km en de 'Veluwe' op circa 2,4 km. In de quickscan wordt aangegeven dat directe negatieve effecten, bijvoorbeeld door aantasting, op voorhand zijn uitgesloten omdat het plangebied niet binnen een Natura 2000-gebied ligt. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de tussengelegen bebouwde kom ten zuiden en agrarische bedrijven ten noorden, zijn effecten als gevolg van verstoring door bijvoorbeeld geluid en trillingen, eveneens op voorhand uitgesloten. In de quickscan worden externe effecten als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van habitatsoorten door de werkzaamheden en ingebruikname van het plangebied niet op voorhand uitgesloten. Hier wordt in navolgende paragraaf 5.6.2.2 verder op ingegaan. 5.6.2.2 Stikstofdepositie Het nabij gelegen Natura 2000-gebied Veluwe is gevoelig voor stikstofdepositie. In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Rho Adviseurs, nr. 20201611, d.d. 29-06-2023) met behulp van AERIUS-calculator (bijlage 6). De voorliggende uitbreiding van Waterlanden II vindt plaats ten noorden van de nieuwbouwwijk Waterlanden.
Het noordelijk gedeelte van het plangebied is momenteel in gebruik als grasland. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is in gebruik als tuin behorend bij de woningen ten zuiden van het plangebied. Als gevolg van de voorliggende plannen komt het bestaande agrarische gebruik van het noordelijk deel van de gronden te vervallen. In het stikstofonderzoek is zowel de aanlegfase als de exploitatiefase berekend. Op basis van de bovenstaande invoergegevens, zoals beschreven in het stikstofonderzoek, zijn worst-case projectberekeningen gemaakt voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase. Uit de projectberekening voor de
66/92
aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie 0,01 mol/ha/jaar bedraagt waardoor sprake is van een relevant effect (zie de berekening in bijlage 1). Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn dus mogelijk aan de orde indien op basis van de aangehouden invoergegevens wordt gewerkt . Uit de berekening blijkt dat de aanleg- of exploitatiefase geen negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring levert (zie de berekening in bijlage 2). Uit controle berekeningen blijkt dat deze overschrijding met name wordt veroorzaakt door het bouwrijp maken van de gronden tijdens de aanlegfase. Dit wordt veroorzaakt door de grote machines die daarvoor gebruikt worden. Op verzoek van de opdrachtgever is voor de aanlegfase aanvullend gerekend naar een maximum hoeveelheid liters brandstof met en zonder het gebruik van SCR-technologie (Adblue), om op deze manier de kaders waarbinnen het plan gerealiseerd moet worden op te stellen.
In dit kader wordt ervan uitgegaan dat de benodigde verkeersbewegingen voor de aanlegfase niet wijzigt en dat de werkzaamheden binnen één rekenjaar worden uitgevoerd: Aanlegfase zonder Adblue In de berekening zonder gebruik van Adblue (0% ingevoerd) wordt aangetoond dat met machines van de stageklasse StageV, >= 2019, 75-560 kW diesel, met een brandstofverbruik van 5.280 liter gedurende 352 uur leidt tot een depositie van 0,00 mol N/hectare/jaar (zie de berekening in bijlage 3). Dit betekent dat als maximaal 5.280 liter brandstof wordt verbruikt zonder de inzet van Adblue een significant negatief effect op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden uitgesloten kan worden. Aanlegfase met Adblue In de worst-case berekening is in de stikstofdepositieberekening (zie bijlage 6) voor de aanlegfase uitgegaan van 5% Adblue. In de stikstofdepositieberekening wordt op grond van een TNO-rapport geconstateerd dat een dieselmotor met een SCR-installatie in normaal gebruik 3%-6% AdBlue verbruikt in vergelijking tot het verbruik van dieselbrandstof in liters. Om uit te zoeken wat de effecten van verschillende percentages Adblue zijn op het maximum aantal liters in te zetten diesel, zijn berekeningen uitgevoerd met 3%, 5% en 6% Adblue. In navolgend overzicht zijn de resultaten van de verschillende scenario's naast elkaar geplaatst.
Uit de doorrekeningen van de verschillende scenario's blijkt dat de inzet van Adblue bepalend is voor het maximum aantal liters diesel dat kan worden ingezet tijdens de aanlegfase van het plan. In de worstcase-scenario is voor de aanlegfase uitgegaan van een dieselverbruik van 23.680 liter met een inzet van 1.184 liter Adblue (5%). Uit de projectberekening blijkt dat daarmee sprake is van een relevant effect is op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Wanneer wordt uitgegaan van een inzet van 3% of 5% Adblue blijkt het maximale dieselverbruik lager te zijn dan het benodigde dieselverbruik. In die gevallen zou een deel van de aanlegfase elektrisch uitgevoerd moeten worden. Uitgaande van de inzet van 6% Adblue kan tijdens de aanlegfase maximaal 24.900 liter diesel worden verbruikt. Dit is hoger dan het benodigd hoeveelheid diesel op basis van het worstcase-scenario.
67/92
Conclusie Uit de stikstofberekening blijkt dat de exploitatiefase geen negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring levert. Aanvullend is aangetoond dat de woningen gerealiseerd kunnen worden (aanlegfase) als de hoeveelheid in te zetten dieselverbruik wordt gemaximaliseerd. Wanneer daaraan voldaan wordt kan een significant effect op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden voorkomen worden. Uit de berekeningen blijkt daarom dat, met bovengenoemde randvoorwaarden, de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). Bij het aanbesteden van de aanlegwerkzaamheden (en dan met name het bouwrijp maken) zal het dieselverbruik en het gebruik van Adblue als randvoorwaarde worden meegenomen bij opdrachtverlening. Bij opdrachtverlening zal door de uitvoerder aangetoond moeten worden dat aan de genoemde hoeveelheden en uren kan worden voldaan. Een andere mogelijkheid is dat door middel van een gespecificeerde stikstofdepositieberekening wordt aangetoond dat tijdens de aanlegfase geen significante effecten ontstaan. Via een privaatrechtelijke overeenkomst met de uitvoerder wordt dit vastgelegd.
Het project vormt daarmee geen belemmering in het kader van de Wnb. Het deelaspect stikstof vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.6.2.3 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) In de quickscan, zoals opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting, wordt aangegeven dat het dichtstbijzijnde GNN-gebied zich op ongeveer 300 m ten noorden van het plangebied bevindt. Zoals in paragraaf 3.2.2 ook al is aangegeven maakt het noordelijke deel van het plangebied deel uit van de Groene ontwikkelingszone (GO). Conclusie In de quickscan wordt geconcludeerd dat van negatieve effecten op het GNN als gevolg van de voorgenomen ingreep geen sprake is. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Met betrekking tot de GO wordt in de quickscan geconcludeerd dat het ruimtebeslag getoetst moet worden aan de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland. Uit deze toetsing zal blijken of het voornemen past binnen de doelstellingen van de GO en of mogelijke vervolgstappen aan de orde zijn. In paragraaf 4.5 wordt aangetoond dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing met inachtneming van de kernkwaliteiten. Er is geen compensatie nodig. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
68/92
5.6.3 Het plangebied: soortenbescherming 5.6.3.1 Quickscan Wet natuurbescherming Op basis van de 'Quickscan Wet natuurbescherming Doornspijk' (nr. D10025033:39, d.d. 13-08-2021, zie bijlage 5 ) is vastgesteld dat binnen het plangebied en de directe omgeving diverse beschermde soorten van de Wnb voorkomen. Het gaat om: algemene broedvogels; broedvogels met een jaarrond beschermd nest; vleermuizen; algemeen grondgebonden zoogdieren; marterachtigen; algemeen voorkomende amfibieën; reptielen; en de sleedoorn page. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb, moeten maatregelen genomen worden. In de quickscan zijn de te nemen maatregelen per soort of soort groep behandeld. Algemene maatregelen (zorgplicht) De Wnb kent een algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige beschermde en niet-beschermde soorten planten en dieren moet worden omgegaan. Hiervoor moeten de volgende maatregelen worden genomen. Maai en/of snoei voorafgaand aan de werkzaamheden de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. Houd hierbij rekening met het broedseizoen van vogels (indicatief 15 maart-15 juli).
Voer de werkzaamheden rustig uit en op een dusdanige manier dat dieren niet ingesloten raken. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden. Broedvogels (zonder jaarrond beschermd nest) Voer werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt indicatief van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Dit kan door deze voorafgaande aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen al te verwijderen, of deze ongeschikt maken door de aanwezige vegetatie kort (ongeveer 5 cm) te houden. Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. Marterachtigen Maai en/of snoei voorafgaand aan de werkzaamheden de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor marterachtigen minder
69/92
aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. Houd hierbij rekening met de kraamtijd van marterachtigen (indicatief 15 maart-1 september). Voer de werkzaamheden rustig uit en op een dusdanige manier dat dieren niet ingesloten raken. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden. Ringslang Indien er in de periode tussen april en september gewerkt wordt, maai en/of snoei dan voorafgaand aan de werkzaamheden de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor de ringslang minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. Voer de werkzaamheden rustig uit en op een dusdanige manier dat dieren niet ingesloten raken. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante effecten. Door het toepassen van mitigerende maatregelen en rekening te houden met de zorgplicht kan een deel van de negatieve gevolgen en het overtreden van verbodsbepalingen voor beschermde soorten voorkomen of beperkt worden. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend.
5.6.3.2 Soortgericht onderzoek Voor de huismus en de sleedoornpage is de functie en aan- of afwezigheid binnen het plangebied op dit moment niet uit te sluiten. In opdracht van de gemeente is door Arcadis Nederland B.V. een soortgericht onderzoek uitgevoerd. De rapportage 'Soortgericht onderzoek Waterlanden fase II' (nr. HWJTFRZECMYV-9148941-823:1, d.d. 06-03-2023) is als bijlage 7 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. Huismus Geconcludeerd wordt dat voor de huismus is geen ontheffing Wnb noodzakelijk is omdat er buiten het broedseizoen gewerkt zal worden en er geen essentieel leefgebied, kwetterplekken of nestplekken verdwijnen of verstoord worden door het voornemen. Er is op korte termijn voldoende vergelijkbaar alternatief leefgebied aanwezig in de voor- en achtertuinen die behouden blijven. Om ook op langere termijn te garanderen dat er geen potentiële afname plaatsvindt van leefgebied en eventueel functieverlies, wordt aanplant geadviseerd van gelijke oppervlakte als de te verdwijnen groenstructuren. Om de functionaliteit hiervan te garanderen kan gebruik worden gemaakt van aaneengesloten of geclusterd groen in de vorm van inheemse hagen of heesters. Door aanplant sleedoorn en/of haagbeuk eventueel aan te vullen met meidoorn en veldesdoorn ontstaat functioneel leefgebied voor de huismus en ook sleedoornpage.
Dit kan bij de verdere concretisering van het verkavelingsplan verder worden uitgewerkt in een groenplan. In de rapportage van het soortgericht onderzoek is hiervoor een voorzet gegeven. Sleedoornpage Uit het soortengericht onderzoek blijkt dat er binnen het projectgebied geen ei-afzet van sleedoornpage is aangetroffen. Voortplanting in de achtertuin van Beekkampenweg 12 is uitgesloten op basis van de enkele
70/92
waarneming in de afgelopen tien jaar, suboptimaal aanbod aan (te oude) waardplanten in de tuin. Ook in het geschikt plantsoen met sleedoorn is geen sprake van ei-afzet, er is dan ook geen ontheffing Wnb noodzakelijk. Omdat het projectgebied wel geschikt leefgebied vormt kunnen bovenwettelijke maatregelen genomen worden om dit leefgebied te behouden voor mogelijke voortplanting in de toekomst. Daarom wordt geadviseerd om de aanwezige sleedoorn in het plantsoen te behouden en in combinatie met de aanplant voor huismus ook sleedoorn te plaatsen op zuidelijk georiënteerde locaties binnen het groenplan van de nieuwbouw. Daarbij blijven bij voorkeur de oude sleedoornstruiken behouden totdat de nieuwe aanplant functioneel is voor sleedoornpage. Conclusie Ten aanzien van de huismus wordt geconcludeerd dat er buiten het broedseizoen gewerkt zal worden en dat er door het voornemen geen essentieel leefgebied, kwetterplekken of nestplekken verdwijnen of verstoord worden. Met betrekking tot de sleedoornpage wordt geconcludeerd dat geen sprake is van ei-afzet. In beide gevallen is dus geen ontheffing Wnb noodzakelijk. Wel worden er adviezen gedaan om door aanplant van inheemse hagen en heesters, zoals sleedoorn en/of haagbeuk eventueel aangevuld met meidoorn en veldesdoorn functioneel leefgebied voor de huismus en ook sleedoornpage te realiseren.
5.7
Externe veiligheid
5.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Besluit externe veiligheid inrichtingen Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het PR en het GR: het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden.
Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur; het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als
71/92
direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes.
Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden. De 'Wet basisnet' is een heel stelsel van wetten en regels. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Hierin staan de risiconormen en de regels voor de beheersing van het risico van het vervoer. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi. Circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid Op 28 juni 2016 is de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid' in de Staatscourant gepubliceerd. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom lpg-tankstations en bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een lpg-tankstation.
De circulaire beoogt dat gemeenten, naast een risicobenadering in het kader van het Bevi (PR en GR), uitdrukkelijk ook een effectbenadering toepassen bij besluiten rondom lpg-tankstations. De effectbenadering is van toepassing als er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een lpg-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een lpg-tankstation. Beleidsvisie externe veiligheid Veluwe Noord In de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid voor de gemeenten in de regio Veluwe-Noord (Elburg,
72/92
Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten) is aan de hand van drie thema's beschreven hoe de gemeenten in de regio Noord-Veluwe omgaan met externe veiligheid. De beleidsvisie biedt de gemeenten de mogelijkheid om op gestructureerde wijze keuzes te maken over externe veiligheid en met name in de samenhang tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid. Grote delen van het grondgebied van de Noord-Veluwse gemeenten liggen binnen het invloedsgebied van risicobronnen, waardoor bij veel ruimtelijk besluiten een verantwoording van het GR vereist is. Een risicoloze maatschappij bestaat niet; een bepaald risiconiveau moet geaccepteerd worden. Maar welk niveau is dan te verantwoorden? Wie bepaalt dit? En wie draagt deze verantwoordelijkheid? Omgaan met externe veiligheid betekent ook het maken van keuzes. Het thema 'keuzes maken' heeft als doel het opstellen van uniforme ruimtelijke zones die aangeven wat de gemeenten wel en niet wensen in bepaalde zones. Hierdoor kunnen beleidskwesties in samenhang en op de juiste schaal beoordeeld worden en wordt ad hoc-besluitvorming voorkomen. Ook heeft de beleidsvisie tot doel de elementen van groepsrisicoverantwoording te uniformeren waardoor niet per locatie (besluit) de wijze van uitvoering bedacht hoeft te worden.
5.7.2 Het plangebied Op basis van de publieke risicokaart zijn de aanwezige risicobronnen geïnventariseerd. In onderstaande figuur 5.5 is de situering van het plangebied (blauwe stip) ten opzichte van deze risicobronnen grafisch weergegeven.
Figuur 5.5: Ligging risicobronnen ten opzichte van plangebied (blauwe stip) (bron: www.risicokaart.nl) 5.7.2.1 Risicovolle inrichtingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die onder het Bevi vallen. Zoals uit voorgaande figuur 5.5 blijkt, bevindt zich ten zuiden van het plangebied, op een afstand van ruim 900 m van het plangebied, aan de Zuiderzeestraatweg West 85 een tankstation met een lpg-vulpunt en ondergronds lpg-reservoir. In navolgende figuur 5.6 worden de risicocontouren weergegeven.
73/92
Figuur 5.6: Risicocontouren lpg-tankstation (bron: www.risicokaart.nl) De PR-contour van de afleverinstallatie is 15 m. De PR-contour van het vulpunt en reservoir is 25 m. De afstand tot de grens van het invloedsgebied verantwoording GR bedraagt in beide gevallen 150 m. De afstand tot het plangebied is voldoende en het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Ten noordwesten bevindt zich aan de Veldweg op een afstand van ruim 1 km een agrarisch bedrijf met op het erf een bovengrondse propaantank met een PR-contour van 25 m. De afstand tot het plangebied is voldoende. 5.7.2.2 Route gevaarlijke stoffen Naast risico's vanwege risicovolle inrichtingen, moet ook rekening worden gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij is van belang dat de A28 en de Eperweg (route van A28 naar Elburg) worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen: De A28 valt onder het Bevt. Dit betekent dat bij een toename van de bevolking binnen de risicocontour van 200 m langs de weg het GR verantwoord moet worden. Het onderhavige plangebied ligt ruim buiten die risicocontour (op ruim 4 km). Er is geen noodzaak voor onderzoek. De spoorlijn Amersfoort-Zwolle heeft volgens de risicokaart een invloedsgebied van 4 km. De afstand tot het plangebied bedraagt bijna 4,2 km. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Op basis van de risicokaart is een verantwoording van het GR nodig.
Uit de beleidsvisie externe veiligheid Veluwe-Noord blijkt echter dat een verantwoording van het GR noodzakelijk is vanwege het risico op een toxische wolk wanneer de planlocatie binnen 1,5 km van de risicobron is gelegen. Het plangebied ligt buiten deze zone waardoor een verantwoording van het GR niet noodzakelijk wordt geacht. Over de N310 / Zuiderzeestraatweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied wordt
74/92
bepaald door de maatgevende stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. De afstand tot de N310 is circa 220 meter. Omdat de afstand groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording (zie paragraaf 5.7.2.4). Bovendien zijn de A28 en N310 wegen zonder veiligheidszone, waardoor het PR (PR 10-6) van die wegen geen beperkingen oplevert. Ook dit aspect hoeft niet nader onderzocht te worden. Daarnaast is geen sprake van plasbrandaandachtsgebied, de risicocontour hiervan is 30 m rond de weg. Het plangebied ligt ook hier ruim buiten. Het vervoer van gevaarlijke stoffen en het daardoor veroorzaakte PR leveren daarom voor het bestemmingsplan geen beperkingen op. 5.7.2.3 Hoofdgastransportleidingen Ten oosten van het plangebied op een afstand van ruim 1,4 km bevindt zich een aardgastransportleiding van de Gasunie (NEN 3650-leiding). Het betreft buisleiding A-570-10 met een grootte van 12 inch en een maximale werkdruk van 66 bar. Het invloedsgebied is 170 m. Met een afstand van 1,4 km bevindt het plangebied zich hier niet in. Het GR voor de buisleiding hoeft niet berekend of verantwoord te worden.
5.7.2.4 Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Dokter Bruinsweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Doornspijk. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar.
Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en
75/92
alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 5.7.2.5 Advies Veiligheidsregio Noord- Oost- Gelderland Van de Veiligheidsregio Noord- Oost- Gelderland (VNOG) is in het kader van het vooroverleg (zie paragraaf 7.2) een advies ontvangen over zaken betreffende de algemene fysieke veiligheid van het ontwerp. Voor het advies en de gemeentelijke beantwoording wordt verwezen naar de Nota vooroverleg in bijlage 13. 5.7.2.6 Conclusie Aangenomen wordt dat er vanuit het aspect 'externe veiligheid' geen sprake is van een belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1 Het toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 5.7: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: 1. een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); 2. een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere
76/92
a. woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, b. kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. 5.8.2 Het plangebied Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 37 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Nibm-rekentool De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van verkeer van 262 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde), zie paragraaf 4.3.4. Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 5%. Uit de nibm-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,26 µg/m³ en van fijn stof van 0,05 µg/m³ (zie figuur 5.7). Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Figuur 5.7: Nibm-rekentool 2022 (bron: InfoMil) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl) en het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK: www.cimlk.nl). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Zuiderzeestraatweg West ten zuiden van het plangebied. Uit de CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021: 12,4 µg/m³ voor stikstofdioxide NO2, 14,7 µg/m³ voor fijnstof PM10 en 7,8 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie fijnstof PM10 bedroeg 6 dagen.
77/92
Figuur 5.8: Uitsnede kaart Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (receptor rood aangegeven) (bron: www.cimlk.nl) De concentraties zijn in 2021 beneden de aangegeven grenswaarden (zie tabel 5.7). Dit is ook het geval wanneer de maximale bijdragen volgens de NIBM-tool bij de bestaande concentraties worden opgeteld. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. WHO-advieswaarden De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft advieswaarden vastgesteld die lager zijn dan de huidige Nederlandse wetgeving. Formeel is een toetsing aan de WHO-advieswaarden niet wettelijk vastgelegd. Toch bestaat de wens om inzicht te geven of met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan deze advieswaarden. Op 22 september 2021 heeft de WHO haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige waarden bedragen: 10 µg/m³ voor stikstofdioxide NO2, 15 µg/m³ voor fijnstof PM10 en 5 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. De bijdrage van de ontwikkeling met de huidige achtergrondwaarden liggen net boven de advieswaarden van de WHO. Het is de bedoeling dat hier gefaseerd naar toe wordt gewerkt. De gemeten concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht was in 2021 een paar procent lager dan in 2020 en 2019. In deze jaren was er minder wegverkeer door coronamaatregelen.
Geconstateerd wordt dat elk jaar het aantal schonere auto's toeneemt. Verwacht wordt dat de concentraties stikstofdioxiden naar verwachting in 2030 ongeveer 40% lager zijn dan in 2018. De concentraties fijnstof waren in 2021 ongeveer hetzelfde als in 2020 maar veel lager (10 tot 15 procent) dan in 2019. Deze concentraties zullen naar verwachting in 2030 ongeveer 17 procent (PM10) en 30 procent (PM2,5) lager zijn dan in 2018 ('Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland: Rapportage 2022', RIVM 06-10-2022).
78/92
Conclusie Voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.9
Archeologie en cultuurhistorie
Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee vaak een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. In het kader van het aspect cultuurhistorie wordt ingegaan op de zichtbare cultuurhistorische waarden (cultuurhistorie) en op het erfgoed onder de grond (archeologie). 5.9.1 Archeologie 5.9.1.1 Het toetsingskader Door de gemeente is in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld. Daarbij zijn aanwijzingen gegeven over de manier waarop daar in ruimtelijke plannen mee omgegaan moet worden. Het gaat daarbij om gebieden met hogere en lagere (verwachtings)waarden. Uit de kaart blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van een zone waaraan een hoge en middelhoge trefkans is toegekend voor archeologische waarden. De bescherming van deze waarden is in het geldende bestemmingsplan vastgelegd (zie paragraaf 1.3). Voor het grootste deel van het plangebied geldt een onderzoeksplicht bij ontwikkelingen met een oppervlakte vanaf 120 m² (hoge verwachtingswaarde, waarde archeologie 2) met een diepteverstoring van 30 cm. Voor het noordwestelijk deel geldt een onderzoeksplicht vanaf 500 m² (middelhoge verwachtingswaarde, waarde archeologie 3) met een verstoringsdiepte van 30 cm. Daarvan lijkt in het plangebied sprake te zijn.
5.9.1.2 Het plangebied 5.9.1.2.1 Bureauonderzoek In het kader van het bestemmingsplan is in opdracht van de gemeente door Arcadis Nederland B.V. middels een bureauonderzoek inzicht verschaft over de archeologische en cultuurhistorische waarden die zich in het plangebied kunnen bevinden en een advies gegeven over eventueel vervolgonderzoek. De rapportage 'Bureauonderzoek Archeologie en Cultuurhistorie Doornspijk - De Waterlanden' (AAR293, nr. D10025615:37, d.d. 28-05-2021) is als bijlage 8 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. In het bureauonderzoek is op basis van de bekende gegevens geconcludeerd dat op het Pleistocene dekzand in principe bewoningsporen van alle archeologische perioden zouden kunnen voorkomen. Echter het plangebied ligt in de aflopende dekzandwelvingen/vlakte, een landschapszone die altijd minder voorkeur had voor bewoning dan de hogere dekzandruggen. Daarnaast is het aannemelijk dat een groot deel van het plangebied tussen het Laat-Neolithicum-Bronstijd en de Vroege Middeleeuwen onbewoonbaar was door de uitgestrekte veengronden aangrenzend aan de Zuiderzee. Pas vanaf de Volle Middeleeuwen, mogelijk vanaf de Karolingische Tijd (800 na Christus), worden deze gronden ontgonnen en is bewoning weer mogelijk.
Verder is er een specifieke verwachting voor de Kerkdijk en het noordoostelijke gedeelte van het plangebied waar bewoningsresten van de voorgenoemde boerderij uit de Nieuwe Tijd kunnen voorkomen. In het
79/92
bureauonderzoek zijn de gespecificeerde archeologische verwachtingen per periode nader uitgelicht. In het bureauonderzoek is aangenomen dat er als gevolg van de voorliggende plannen er een bodemverstoring gaat plaatsvinden van minimaal 1,5 tot 2 m -mv. Binnen deze diepte ligt met grote zekerheid de top van het dekzand en eventuele archeologische resten. Het bodemarchief zal dus verstoord worden. Omdat voor meerdere archeologische periodes er een (middel)hoge verwachting is vastgesteld wordt in het bureauonderzoek aangeraden om een archeologisch verkennend booronderzoek uit te voeren binnen het plangebied met 6 tot 8 boringen per hectare. Geadviseerd is de boringen in een gelijkmatig grid (40 x 50 m) over het plangebied te zetten, tot 30 cm in de Pleistocene zandafzettingen. Dit heeft als doel de bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen en een gespecificeerde archeologische verwachting op te specificeren. In het (noord)oostelijke deel van het plangebied, ter plaatse van het bewoningserf van de Ossenberg boerderij en de Kerkdijk, is geadviseerd enkele verkennende boringen te zetten. De voet van de Kerkdijk ligt net langs de uiterste oostzijde van het plangebied; er is geadviseerd deze dijk met de ingrepen niet aan te snijden.
Gezien de hoge archeologische en cultuurhistorische waarden is het beter om de verstoringen enkele meters voor de voet van de dijk te laten eindigen. Eventueel vervolgonderzoek op deze locatie zal zeer intensief zijn. Tot slot is aangeraden om de uiteindelijke uitvoerende partij te wijzen op de mogelijkheid van de toevalsvondsten bij het uitvoeren van de uiteindelijke grondwerkzaamheden in het gehele plangebied. Indien deze daadwerkelijk worden aangetroffen dient het bevoegd gezag ingelicht te worden. Toevalsvondsten moeten overigens altijd gemeld worden bij het bevoegd gezag, zoals beschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. Overeenstemming bevoegd gezag Na afstemming met het bevoegd gezag is het door de Regioarcheoloog Noord-Veluwe beschreven advies goedgekeurd. Wel werd een aanvullend advies gegeven om extra boringen te reserveren mocht de situatie hier reden toe geven. Zo kan er gekozen worden voor 8 boringen per hectare in plaats van 6, mocht de bodemsituatie onduidelijk zijn na de standaard 6 boringen. De uitvoerende partij van het booronderzoek heeft dan meer werkruimte. Verder moet dit veldwerk ruim van tevoren gemeld worden bij de regioarcheoloog. Tot slot geldt er een specifieke onderzoeksvraag over de invloed van het voormalige bos op de bodem; deze vraag moet worden meegenomen in het PvA van de uitvoerende partij.
5.9.1.2.2 Verkennend onderzoek Naar aanleiding van het bureauonderzoek (zie paragraaf 5.9.1.2.1) is een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. De rapportage 'Plangebied De Waterlanden II te Doornspijk, Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) (RAAP-RAPPORT 5631, RAAP, d.d. 23-01-2022) is als bijlage 9 opgenomen in de toelichting. Uit het rapport blijkt dat door de voorgenomen bodemingrepen voor een deel van het plangebied de mogelijk aanwezige archeologische resten bedreigd kunnen worden. Daarom is geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring dieper dan 50 cm -mv wordt voorkomen.
80/92
Als planaanpassing niet mogelijk is, is aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming voor de betreffende gronden een waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren als vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ).
Figuur 5.9: Gebied waarvoor vervolgonderzoek wordt aanbevolen (bron: Raap Rapport 5632) Zoals uit voorgaande figuur blijkt gaat het daarbij om het oostelijke deel van plangebied, dat wil zeggen globaal het gebied ten oosten van boringen 6 en 1 5. In het overige deel van het plangebied wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen vooralsnog geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Mochten er bij het graven van proefsleuven in het oostelijke deel van het plangebied archeologische resten worden aangetroffen die zich in het westelijke deel lijken voort te zetten, kan dit onderzoek eventueel naar het westen uitgebreid worden. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in niet onderzochte gebiedsdelen onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Overeenstemming bevoegd gezag Het rapport is besproken met de betrokken Regioarcheoloog Noord-Veluwe en het advies voor een proefsleuvenonderzoek is door de gemeente overgenomen. Naar aanleiding van het verkennend onderzoek komen voor het westelijk deel van het voorliggend plangebied de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' te vervallen.
Voor de oostelijk deel van het plangebied, waarvoor een waarderend proefsleuvenonderzoek wordt gevraagd, bleven de archeologische dubbelbestemmingen vooralsnog in het ontwerp van het bestemmingsplan van toepassing.
81/92
5.9.1.2.3 Proefsleuvenonderzoek Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend onderzoek (zie paragraaf 5.9.1.2.2) is voor het oostelijk deel van het plangebied een archeologische proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De rapportage 'Plangebied De Waterlanden II te Doornspijk, gemeente Elburg; archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek' (RAAP-RAPPORT 5842, RAAP, d.d. 12-05-2022) is als bijlage 10 opgenomen in de toelichting. Uit de rapportage blijkt dat dat het onderzoek geen behoudenwaardige sporen of vondsten heeft opgeleverd. De archeologische verwachting kon dan ook niet worden bevestigd. Omdat het onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, kan worden geconcludeerd dat het terrein niet van archeologische waarde is. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Overeenstemming bevoegd gezag Het rapport is beoordeeld door de betrokken Regioarcheoloog Noord-Veluwe en het advies is door de gemeente overgenomen.
Naar aanleiding van de resultaten uit het proefsleuvenonderzoek komen bij vaststelling van het bestemmingsplan voor het resterende oostelijk deel van het voorliggend plangebied de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' te vervallen. 5.9.1.2.4 Conclusie Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in het kader van het bestemmingsplan het aspect archeologie in beeld is gebracht. De resultaten van het onderzoek geven aanleiding om bij vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan de geldende dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 2 en 3 ook te verwijderen voor het oostelijk deel van het plangebied. Aangenomen wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarbij wordt opgemerkt dat wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten (archeologische toevalsvondst) worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht. 5.9.2 Cultuurhistorie In het bureauonderzoek wordt aangegeven dat het plangebied binnen het landschapstype halfopen kampenlandschap (dekzandrug) ligt. De dekzandrug is een kleinschalig landschap met karakteristieke landschapselementen, zoals houtwallen en singels op perceelsgrenzen.
Verspreid in het gebied liggen agrarische erven die samen met de kenmerkende landschapselementen het landschap een besloten karakter geven met openheid richting de omliggende open polders. Dit landschap is in de afgelopen 200 jaar zeer weinig veranderd. Net ten westen van het plangebied beginnen de veenontginningsgronden. In het plangebied komen drie specifieke cultuurhistorische elementen voor: 1. in het oostelijke deel komt een watergang het plangebied binnen die een historische connectie heeft met de veenontginningen;
82/92
2. aan de westelijke kant ligt de Kerkdijk, ook wel het 'Kerkpad' genoemd aangezien deze doorliep naar de voormalige kerk van Doornspijk aan de Zuiderzee. Deze dijk herinnert aan de vroege connectie met de strijd tegen het water; 3. tot slot ligt de voorgenoemde Ossenkamp boerderij ten noordoosten van het plangebied. De boerderij zelf is geen monumentaal pand, maar het heeft wel een duidelijke connectie met de inrichting van het kampenlandschap in de omgeving. Volgens het LOP streeft de basisvisie voor het halfopen kampenlandschap naar het versterken van dit kleinschalige landschap. De kleinschalige structuur als het centrale kenmerk van dit landschap wordt benadrukt door het behoud, de aanvulling en de aanleg van houtsingels en erfbeplanting. Daarnaast vormt de rand van de kern Doornspijk de overgang tussen twee landschapstypes. Voor deze 'kernranden' geldt een aanvullende visie. Het landschap moet daarbij de basis vormen voor de uitstraling van de randen van de dorpskernen. Groene elementen versterken de overgang van kernranden naar het landschap. De twee behoudenswaardige elementen, de watergang en de Kerkdijk, liggen precies aan de uiterst westelijke en uiterst oostelijke rand van het plangebied.
In het onderzoek wordt geadviseerd om deze elementen te behouden en in lijn met het LOP, deze te gebruiken om de overgang van kernranden (kampenlandschap naar veenontginning) te versterken. Er wordt aangeraden om de Kerkdijk verder geheel te ontzien met ingrepen; dit element heeft een unieke cultuurhistorische waarde en mag volgens het vigerende beleid niet zomaar aangepast worden. Er komen er geen cultuurhistorische elementen voor langs de noordzijde van het plangebied, die gebruikt kunnen worden om de nieuwe woonwijk als 'kernrand' af te sluiten. Cultuurhistorische perceelscheidingen binnen het kampenlandschap bestaan meestal uit bomenrijen of -lanen, houtwallen of heggen. Daarom wordt geadviseerd, binnen de richtlijnen van het LOP, om een of meerdere van deze elementen langs de noordzijde van het plangebied aan te leggen. Zo wordt het kampenlandschap versterkt, is er een duidelijke scheiding tussen bebouwing en open landschap en wordt het gebied aangevuld met oorspronkelijke cultuurhistorische elementen. Conclusie Zoals uit de verkavelingsschets blijkt (zie paragraaf 4.3) komt aan de zijde van het open weidelandschap een watergang.
Tussen deze watergang en de ontsluitingsweg komt, aansluitend op de rij bomen achter de woningen aan de Dokter Bruinsweg, een rij met knotwilgen die een zichtbare groene rand van de wijk vormt zonder het uitzicht op het open landschap te hinderen. De verkavelingsstructuur is nog wel herkenbaar. Daar wordt in de opzet van de uitbreiding van Waterlanden II rekening mee gehouden. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
83/92
5.10 Trillingen In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar trillingsbronnen en de mogelijke overlast daarvan. Bij nieuwbouw binnen 100 m van een spoorweg kan trillinghinder relevant zijn (overschrijding streefwaarde Vmax = 0,1). In bijzondere situaties (grondopbouw of bekende klachten) kan onderzoek tot op 250 m noodzakelijk geacht worden. In het voorliggende geval ligt het spoor op ruim 4 km afstand, daarbij ligt de gehele kern Doornspijk tussen het plangebied en de spoorlijn. Aangenomen wordt dat mogelijke trillinghinder vanwege het spoor niet nader onderzocht behoeft te worden.
5.11 Kabels en leidingen Naast de eerder genoemde gasleiding (zie paragraaf 5.7.2.3) zijn in en direct rond het plangebied geen andere ruimtelijk van belang zijnde kabels en leidingen aanwezig. Voor de nieuwbouw moeten mogelijk nieuwe kabels en leidingen worden aangelegd. Hiermee moet in de uitvoeringsfase van het plan rekening worden gehouden.
5.12 Duurzaamheid en energie 5.12.1 Het toetsingskader Nederland is bezig met een energietransitie van fossiele naar meer duurzame energiebronnen. In dit kader is op 1 juli 2018 de Wet Voortgang Energietransitie in werking getreden (Wet VET). Met deze wet is de Gaswet gewijzigd, waardoor onder de 40 m³ doorlaatwaarde per jaar netbeheerders nieuwe gebouwen niet meer op het gasnet mogen aansluiten. In de praktijk betekent dit dat nieuwe woningen en (kleinere) bedrijfsgebouwen gasloos moeten worden gebouwd. Dit betekent dat voor het in dit bestemmingsplan voorziene project moet worden omgezien naar alternatieven voor verwarming en andere energievoorziening. Hiervoor is een mix van oplossingen mogelijk. Gelet op de strengere energieprestatienormen moeten nieuwe gebouwen beter worden geïsoleerd. In combinatie met zonnepanelen of -collectoren op daken, vloerverwarming, meer apparatuur op elektriciteit, (lucht)warmtepompen is doorgaans gasloos bouwen goed mogelijk. Hiermee kan het project uitvoerbaar worden geoordeeld. Afspraken klimaatadaptief bouwen Noord-Veluwe De inrichting van de woonomgeving is van belang om de klimaatverandering op te vangen. De gemeente Elburg heeft samen met Ermelo, Harderwijk, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten én Waterschap Vallei en Veluwe verkend hoe zij bij het bouwen van woningen en bedrijven rekening kunnen houden met het veranderende klimaat.
Dit heeft recentelijk geleid tot de ‘Afspraken klimaatadaptief bouwen Noord-Veluwe’. De gemeenteraden en colleges worden opgeroepen om deze afspraken als uitgangspunt te hanteren voor alle bouwwerkzaamheden. Dit betekent dat de gevolgen van de klimaatverandering worden beperkt door maatregelen te nemen. Water wordt vastgehouden of geborgen waardoor de risico’s op wateroverlast niet
84/92
toenemen. Zo veel mogelijk regenwater wordt in de bodem geïnfiltreerd waardoor de droogte wordt beperkt (zie verder paragraaf 5.5). Er worden groene plekken gecreëerd die tevens zorgen voor verkoeling van de steden en dorpen. Daarnaast stellen alle gemeenten hitteplannen op waarin aandacht is voor de ouderen die extra kwetsbaar zijn tijdens hittegolven. 5.12.2 Het plangebied Het is de ambitie om Waterlanden II bij verdere uitwerking energieneutraal en zo duurzaam mogelijk uit te voeren. Daarbij wordt gestreefd naar een circulaire gebiedsontwikkeling. Vraag en aanbod van energie worden hierbij op elkaar afgestemd. De woningen worden duurzaam ontworpen en voldoen aan de geldende BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouwd). De Trias Energetica staat daarbij voorop: 1. optimaal ontworpen; 2. uitstekend geïsoleerd; 3. gebruik makend van duurzame energieopwekkers zoals warmtepompen en zonnepanelen op de daken van gebouwen. Daarnaast wordt bij het ontwerpen van de woningen en de wijk rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. Op het gebied van afvalscheiding kan nog winst worden behaald. Door te voorzien in meer collectieve verzamelpunten voor diverse reststromen kan het restafval geminimaliseerd worden. Waterlanden II is een groen gebied en blijft een groen gebied. Via een gebiedsgerichte aanpak krijgt de klimaatadaptatie veel aandacht.
Zo worden in de wijk veel bomen, gras en groen aangelegd. Regenwater wordt hierdoor opgevangen en vastgehouden, dit is goed voor droge en natte periodes. De waterbuffer tussen het plan en de bestaande woningen aan de Beekenkampweg speelt hierbij een belangrijke rol. Het vele groen zorgt voor een fijne leefomgeving. Het zorgt voor afvang van fijnstof, vermindert mogelijke hittestress, zorgt voor een reductie van stikstof en CO2-gehalte in de lucht en leidt tot een verbetering van de biodiversiteit. In het beeldkwaliteitplan (zie bijlage 1) wordt ten aanzien van de verkaveling nader ingegaan op aspecten van duurzaamheid, klimaatveranderingen en natuurinclusief bouwen. Waterlanden II wordt zo veel mogelijk autoluw. De meeste parkeerplaatsen worden op een paar plekken geconcentreerd aangelegd. Hierdoor ontstaan mogelijkheden voor het centraal realiseren van voldoende oplaadpunten voor elektrische auto's en eventueel het gebruik van deelauto's. Door de inrichting van het openbare gebied wordt lopen en het gebruik van de fiets zoveel mogelijk gestimuleerd. De bestaande voorzieningen binnen het dorp zijn fietsend en lopend goed bereikbaar voor de meeste bewoners. Per 1 april 2021 zijn in het Bouwbesluit grenswaarden voor geluid voor warmtepompen opgenomen. Het geluidsniveau van een warmtepomp is daarmee op de erfgrens gemaximeerd.
Bij de verdere uitwerking van de plannen zal daar rekening mee gehouden worden. Voorkomen moet worden dat door het plaatsen van meerdere individuele warmtepompen op een relatief kleine locatie alsnog geluidsoverlast door cumulatie kan
85/92
ontstaan. Hieraan wordt in het kader van het omgevingsvergunningstraject nadere aandacht besteed op basis van de installatiegegevens die op het moment van vaststellen van het bestemmingsplan niet bekend zijn. Het mogelijke optreden van geluidshinder vanwege warmtepompen speelt met name bij de zogenaamde lucht-water warmtepompen. Pas bij de uitvoering zal het type warmtepomp worden geselecteerd, waarbij het aspect geluid mee zal wegen in de selectie. Conclusie In het bestemmingsplan wordt niet bij voorbaat aangegeven welke mogelijkheden moeten worden gekozen. De regeling in het bestemmingsplan geeft voldoende ruimte voor voorzieningen om gasloos, duurzaam en klimaatadaptief te kunnen bouwen.
5.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 5.13.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en de m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en de mogelijk mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen 6 weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. 5.13.2 Het plangebied Gezien de omvang van het project wordt de ontwikkeling gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D.11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). De drempelwaarden van deze categorie worden overschreden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer, een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte omvat van 200.000 m² of meer. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu.
86/92
In bijlage 11 is de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen uitgebreide plan- of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel dient door het bevoegd gezag, voorafgaand op het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning, een besluit genomen te worden op de m.e.r.-beoordeling; het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
87/92
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
In de voorgaande hoofdstukken zijn de in het plangebied voorkomende functies, de ontwikkelingen daarbinnen én de uitgangspunten ten aanzien daarvan aan de orde gesteld. Het beschreven beleid krijgt zijn juridische vertaling in bestemmingen. Deze bestemmingen regelen de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden binnen het plan. De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen, zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding van het plan. Het bestemmingsplan geeft dus aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd en wat daarvoor (on)mogelijk is.
6.1
Wro en Wabo
Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan is opgezet volgens de wettelijke regelgeving en qua systematiek volgens de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (versie 2012), met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het plan is digitaal raadpleegbaar uitgevoerd. Het digitale plan verschaft de burger 'online' informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties.
6.2
De bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de bestemmingen die in dit plan voorkomen. Bij de bestemmingen wordt een toelichting gegeven op de inhoud van de daarbij horende regels. 6.2.1 Groen Binnen de groenbestemming zijn naast de groenvoorzieningen wandel- en fietspaden, in- en uitritten en ook watervoorzieningen toegestaan. Het gedeelte binnen de groenstrook waar een droge sloot, als tijdelijke waterbuffer voor hemelwater, is toegestaan wordt op de verbeelding nader aangeduid. Ter plaatse kan dus geen doorgaand voetpad worden aangelegd evenals steigers, bruggen, achterommetjes en dergelijke. 6.2.2 Verkeer en Verkeer - Verblijfsgebied De hoofdontsluiting van het woongebied heeft in dit bestemmingsplan de bestemming 'Verkeer en Verkeer Verblijfsgebied' gekregen. Binnen de bestemming zijn wegen en straten, voet- en rijwielpaden alsmede parkeervoorzieningen toegestaan. Daarnaast is ondergeschikt het gebruik voor onder meer groen en water toegestaan. De aansluiting van de nieuwe hoofdontsluitingsweg op de Kerkdijk en een deel van de Kerkdijk hebben opnieuw de bestemming 'Verkeer' gekregen. Binnen deze bestemming zijn eveneens wegen en straten en voet- en rijwielpaden. Omdat gestreefd wordt naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer zijn er geen parkeervoorzieningen toegestaan.
Wel is binnen de bestemming 'Verkeer' ondergeschikt het gebruik voor onder meer groen en water toegestaan.
88/92
Bouwwerken worden in de beide verkeersbestemming toegestaan, echter met beperkte afmetingen. In dit kader worden lichtmasten specifiek genoemd, omdat deze de algemeen toegestane afmetingen in hoogte overschrijden. 6.2.3 Wonen De gronden ten behoeve van de geplande woningen hebben de bestemming 'Wonen'. Ten behoeve van de geplande woningen zijn op de verbeelding bouwvlakken aangegeven die ruimte geven voor mogelijke uitbreiding van het hoofdgebouw. De bouwregels voor de woning zijn afgestemd op die van de bestemming 'Wonen' van het bestemmingsplan Doornspijk en Hoge Enk. Dit geldt ook voor mogelijke aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij het hoofdgebouw. Binnen de bestemming 'Wonen' is het mogelijk om een aan-huis-verbonden beroep en/of bedrijf te realiseren. Het is van belang dat dit in ondergeschikte mate plaatsvindt, er zijn daarom eisen gesteld aan bijvoorbeeld de oppervlakte van de functie. 6.2.4 Waterstaat - Waterkering Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Doornspijk & Hoge Enk. De gronden langs de Kerkdijk met deze bestemming zijn mede bestemd voor de waterhuishouding door middel van dijken, kaden, dijksloten. Binnen de bestemming gelden beperkingen ten aanzien van het gebruik en het bouwen om een goede waterkering te waarborgen.