Bijlage 2d Bijlagen Toelichting Gerichtenweg - Hoge Enk
Tekst van het document
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
12045503 ELB.GEM.ARC
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. De Derde fase: Archeologische Begeleiding (AB) of Opgraven (AAO) Archeologische Begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een Algehele Archeologische Opgraving (AAO).
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden.
12045503 ELB.GEM.ARC
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ ▼ Opgraven*** Begeleiding*** Beschermen Verwijderen Begeleiding Bescherming van de van de van de archeologie werkzaamheden archeologie door door door archeologen archeologen planaanpassing * ** *** **** ***** ******
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogel jk, indien een PvA aanwezig is. Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend booronderzoek moet worden uitgevoerd. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
12045503 ELB.GEM.ARC
Bijlage 4
12045503 ELB.GEM.ARC
Boorprofielen
Boring: X: Y:
3
0
01
Boring:
185809 493493
X: Y:
m +NAP
0 10
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Aap-horizont
02
185800 493528
3,2 m +NAP
0
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen baksteen, zwak sintelhoudend, bruingrijs, resten B-horizont ondering herkenbaar, Ap-horizont
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin, Aap-horizont 40 50
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, geelbruin, vlekkerig, geroerde laag
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, beigegeel, geroerde laag
50
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, vlekkerig, A/Cp-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, C-horizont
100
120
145
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruingeel, rommelig, zeer veel plantenresten, geroerde laag
150
200 210 220
Boring: X: Y: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont
03
Boring:
185791 493564
3,3 m +NAP
X: Y: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Ap-horizont
0
40
50
50
04
185782 493602
3,2 m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Ap-horizont
40
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, A/Cp-horizont
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, C-horizont
55 60
80
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, A/B/Cp-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, oranjebruin, Bp-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, bruingeel, BC-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, licht witgeel, C-horizont
100
100
120
120
Boring: X: Y:
05
X: Y:
3,7 m +NAP
0
Boring:
185762 493578 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak baksteenhoudend, bruingrijs, Aap-horizont
06
185769 493540
3,7 m +NAP
0
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Aap-horizont 20
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen baksteen, grijsbruin, Aa-horizont
30
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, sporen baksteen, grijsbruin, Aa-horizont 50
50
55 60
60 70
Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, B-horizont
70
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, BC-horizont
100
80
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker grijszwart, Ahb-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, grijszwart, A/E-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, licht beigegrijs, E-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, oranjebruin, B-horizont
110
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht witgeel, C-horizont
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, BC-horizont 140
150
200
250
250
Boring: X: Y: 0
07
Boring:
185775 493503
3,7 m +NAP
X: Y: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak baksteenhoudend, bruingrijs, Aap-horizont
0
08
185746 493479
3,6 m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Ap-horizont 20
30
30
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, geelbruin, A/E/B/Cp-horizont 50
50
50
60
100
120
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht beigebruin, Cg-horizont 140
Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, B-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, C-horizont
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht geelbruin, Cg-horizont
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, rommelig, resten B-horizont herkendbaar, A/Bp-horizont
100
Boring: X: Y: 0
09
Boring:
185741 493518
3,7 m +NAP
X: Y: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Aap-horizont
0
10
185734 493556
3,8 m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen baksteen, bruingrijs, Aap-horizont
40
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, rommelig, mogelijk B/C-horizont
50 60 65 70
90
Zand, matig fijn, zwak siltig, oranjebruin, B-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, B/BC-horizont, vermoedelijk sterke biotrubatie Zand, matig fijn, zwak siltig, bruingeel, BC-horizont
100
120
90
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht beigegeel, C-horizont
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht beigegeel, C-horinzont
150
200
200
Boring: X: Y: 0
11
Boring:
185706 493535
3,7 m +NAP
X: Y: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen houtskool, bruingrijs, Aap-horizont
0
12
185712 493492
3,7 m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Aap-horizont
45
50
50 52
Zand, matig fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker grijszwart, Ahb-horizont 80
50
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, bruingeel, BC-horizont
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, E-horizont
80
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, bioturbatie tot 1 m -mv, C-horizont
Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, B-horizont 100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, bruingeel, BC-horizont
Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, B-horizont
100
140
150 160
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht geelgrijs, C-horizont
200
250
250
Boring: X: Y:
13
X: Y:
3,4 m +NAP
0
Boring:
185686 493466 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak baksteenhoudend, zwak houtskoolhoudend, bruingrijs, Aap-horizont
50
3,7 m +NAP
0
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak baksteenhoudend, bruingrijs, Aap-horizont
50
55
70
14
185678 493507
55 60
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, mogelijk Aa-horizont of B/BCp-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, C-horizont
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht geelwit, C-horizont
80
Zand, matig fijn, zwak siltig, geeloranje, B-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, BC-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, C-horizont
100
120
150
200
200
Boring: X: Y: 0
15
Boring:
185675 493546
3,8 m +NAP
X: Y: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Aap-horizont
0
30
16
185807 493502
3,1 m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, matig baksteenhoudend, bruingrijs, Ap-horizont 30
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, Aa-horizont 50
40
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, C-horizont
50 60 70
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, E-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, bioturbatie, B/BC-horizont
100
100
105
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, C-horizont
150
200
200
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, bioturbatie, A/C-horizont
120
Boring: X: Y:
17
X: Y:
3,4 m +NAP
0
Boring:
185788 493517 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, resten B-horizont herkenbaar, A/Bp-horizont
0
18
185785 493541
3,5 m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak baksteenhoudend, bruingrijs, Aap-horizont
30
Zand, matig fijn, zwak siltig, oranjebruin, B-horizont 50
50
50 55
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsbeige, AE-horizont
70
Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, B-horizont
60 70
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, BC-horizont
80
Boring: X: Y: 0
19
185777 493581
3,4 m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, Aap-horizont
30 40
50
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, B-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgeel, BC-horizont
Zand, uiterst fijn, zwak siltig, bruingeel, BC-horizont
bestemmingsplan Gerichtenweg - Hoge Enk
72
bestemmingsplan Gerichtenweg - Hoge Enk
Bijlage 3 Archeologisch proefsleuvenonderzoek 2012
73
ARCHEOLOGISCH PROEFSLEUVENONDERZOEK GERICHTENWEG (ONG.) TE HOGE ENK GEMEENTE ELBURG
Archeologisch proefsleuvenonderzoek Gerichtenweg (ong.) te Hoge Enk in de gemeente Elburg
Opdrachtgever
Gemeente Elburg Postbus 70 8080 AB Elburg
Project
ELB.GEM.PRO
Rapportnummer
12075899
Status
conceptrapportage
Datum
29 september 2012
Vestiging
Doetinchem
Auteur(s)
,
en
Paraaf
Autorisatie
(Senior KNA-Archeoloog)
Paraaf
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode en nummer
12075899 ELB.GEM.PRO
Toponiem
Gerichtenweg (ong.)
Opdrachtgever
Gemeente Elburg
Gemeente
Elburg
Plaats
Hoge Enk
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
Het perceel, waar de onderzoekslocatie deel van uitmaakt, is kadastraal bekend gemeente Doornspijk, sectie E, nummer 7256.
Omvang plangebied
circa 18.500 m2
Kaartblad
27 A (1:25.000)
coördinaten centrum plangebied
X: 185.740, Y: 493.535
Bevoegde overheid
Gemeente Elburg Postbus 70 8080 AB Elburg Tel. 0525 Email:
Deskundige namens de bevoegde overheid
ARCHIS2
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Vondstmeldingsnummer Onderzoeksnummer
@elburg.nl
Regioarcheoloog Regio Noord Veluwe Postbus 271 3840 AG Harderwijk Telefoon (0341) of (0341) (Algemeen) Mobiel: (06) E-mailadres: @regionoordveluwe.nl Proefsleuvenonderzoek 53.197 420.480 Nader te bepalen
Archeoregio NOaA
Overijssels-Gelders zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Doetinchem/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerders
Econsultancy,
en
Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht z jnde regelgeving en richtlijnen die zijn opgesteld in het Programma van Eisen Gerichtenweg, Hoge Enk, gemeente Elburg (28-08-2012).
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de Gemeente Elburg een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Gerichtenweg (ong.) te Hoge Enk in de gemeente Elburg (zie figuur 6 en figuur 7). Het plangebied zal mogelijk door de gemeente worden aangekocht, waarna de nieuwbouw van woningen zal worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische MonumentenZorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 3). Doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vermeld in het bureau- en booronderzoek. Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en /of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.
Het resultaat van een proefsleuvenonderzoek is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie-)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen. Dit betekent dat de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop deze beslissing gefundeerd genomen kan worden, dat wil zeggen dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Bij het vooronderzoek is vastgesteld dat het plangebied een hoge verwachting heeft voor alle archeologische perioden vanaf het laat-paleolithicum. Gevolgde onderzoeksmethode Tijdens het veldwerk was er geen reden om van de onderzoeksmethodiek af te wijken zoals beschre1 ven in het Programma van Eisen, zie bijlage 8. Resultaten Proefsleuvenonderzoek Tijdens het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat in het plangebied kuilen en los vondstmateriaal aanwezig is. De kuilen worden in verband gebracht met (ontginnings)activiteiten die waarschijnlijk in de Nieuwe tijd hebben plaatsgevonden. Uit vondstmateriaal van enkele sporen blijkt dat een datering e e vanaf de 16 tot en met de 19 eeuw voor de hand ligt. Hierbij wordt opgemerkt dat een datering in de e e 18 - 19 eeuw het meest waarschijnlijk wordt geacht.
De bodemopbouw (plaggendek) en de aanwezigheid van het middeleeuwse vondstmateriaal zijn aanwijzingen voor een middeleeuws erf in de directe omgeving (ten westen) van het plangebied. Hierbij is het mogelijk dat een dergelijk erf zich in een lager gelegen gedeelte van het landschap bevindt. Zoals aan de voet van of laag op de helling van de dekzandrug. Selectieadvies Tijdens het onderzoek is geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Econsultancy adviseert om geen verder onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.
1
Wispelwey 2012. 12075899 ELB.GEM PRO
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 53 van de monumentenwet 1988. Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij het Ministerie van OCW (Infodesk van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, telefoonnummer 033-4217456), de gemeente Elburg of de provincie Gelderland.
12075899 ELB.GEM PRO
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED .................................................... 1 2.1 2.2 2.3 2.4
3
RESULTATEN VELDONDERZOEK ........................................................................................... 3 3.1 3.2 3.3
4
Landschapsgenese en bodemopbouw ............................................................................. 3 Analyse sporen en structuren ........................................................................................... 6 Vondstmateriaal ................................................................................................................ 7
CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN ............................... 9 4.1 4.2
5
Ligging en huidige situatie plangebied ............................................................................. 1 Archeologische verwachting op basis van het vooronderzoek ........................................ 2 Methodiek proefsleuvenonderzoek................................................................................... 2 Onderzoeksvragen ........................................................................................................... 2
Conclusie .......................................................................................................................... 9 Beantwoording van de onderzoeksvragen ....................................................................... 9
WAARDERING EN SELECTIEADVIES ................................................................................... 10 5.1 5.2
Waardering ..................................................................................................................... 10 Selectieadvies................................................................................................................. 12
12075899 ELB.GEM PRO
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II.
Gespecificeerd verwachtingsmodel Scoretabel waardestelling van het plangebied
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7.
Profiel 5 in werkput 2. Profiel 2 in werkput 1. Profiel 11 in werkput 4. Zeven van de stort door kinderen van de basisschool Zeven van de stort door kinderen van de basisschool Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Literatuur Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Allesporenkaart met interpretatie Sporenlijst Vondstenlijst Programma van Eisen
12075899 ELB.GEM PRO
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van de Gemeente Elburg een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Gerichtenweg (ong.) te Hoge Enk in de gemeente Elburg (zie figuur 6 en figuur 7). Het plangebied zal mogelijk door de gemeente worden aangekocht, waarna de nieuwbouw van woningen zal worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische MonumentenZorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 3). Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Het gaat bij het inventariserend veldonderzoek om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. De opdrachtgever heeft geen aanvullende doelen en wensen kenbaar gemaakt die invloed hebben op de onderzoeksopdracht.
Met dit onderzoek wordt aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden vastgesteld. Belangrijk is dat op basis van het inventariserend veldonderzoek een beslissing kan worden genomen of verder archeologisch (voor)onderzoek in het gebied noodzakelijk en verantwoord is. Het veldwerk was tevens aanleiding om uitleg te geven aan de kinderen van de ten noord gelegen basisschool en ze te betrekken bij het onderzoek. De waardering van het terrein is volgens de richtlijnen van de KNA 3.2 gebeurd. Dit zodat een gefundeerde onderbouwing van verder beleid met betrekking tot de archeologische waarden binnen het terrein mogelijk is. Indien binnen het plangebied archeologische waarden voorkomen, kan één van de volgende aanvullende voorschriften worden opgelegd:
2 2.1
De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; De verplichting tot het doen van opgravingen; De verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Deze deskundige moet voldoen aan, door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen, kwalificaties.
ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED Ligging en huidige situatie plangebied 2
De onderzoekslocatie (circa 8.000 m .) ligt ten noorden van de Gerichtenweg nr. 8, aan de zuidwestrand van de kern van Hoge Enk in de gemeente Elburg. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 27 A (schaal 1:25.000), zijn de centrum coördinaten van de onderzoekslocatie X: 185.780 / Y: 493.540. Het perceel is in gebruik als weiland.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 1 van 12
2.2
Archeologische verwachting op basis van het vooronderzoek
Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting voor alle archeologische perioden vanaf 2 het Laat-Paleolithicum. Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een dekzandrug. In de top van het dekzand is een podzolgrond tot ontwikkeling gekomen, waarbij de podzol dikker en beter ontwikkeld is op de hoger gelegen delen. Langs de lager gelegen oostelijke rand van het plangebied is het gehele podzolprofiel opgenomen in de (circa 40 cm dikke) bouwvoor. Ter plaatse van de hogere delen van het plangebied is een 30 – 60 cm dikke eerdlaag aanwezig op het podzolprofiel, waardoor de bodems hier als laarpodzolen en enkeerdgronden kunnen worden geclassificeerd. Het bodemprofiel is, op de bouwvoor na, grotendeels intact. Ter plaatse van de boringen 1 en 10 bleek het bodemprofiel diep verstoord te zijn. Op basis van de resultaten van het booronderzoek is de hoge archeologische verwachting voor alle 3 archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum gehandhaafd. 2.3
Methodiek proefsleuvenonderzoek
Naast de eisen zoals omschreven in het PvE (zie bijlage 8) is het archeologisch onderzoek uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.2, maart 2010), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de methodiek van het proefsleuvenonderzoek wordt verwezen naar bijlage 8. 2.4
Onderzoeksvragen
In het Programma van Eisen is een aantal onderzoeksvragen opgenomen.
4
Zijn er archeologische waarden aanwezig? Waaruit bestaan deze waarden? Wat is de aard van deze waarden? Hoe zijn deze waarden te dateren en aande hand waarvan is dat mogelijk? Op welke diepte bevinden de waarden zich? Binnen welke context bevinden de waarden zich en wat is er over de omvang van de eventuele vindplaats te zeggen? Welke structuren kunnen er onderkend worden? Op basis waarvan is vervolgonderzoek nodig en waar? Welke informatie zou met een vervolgonderzoek vergaard moeten/kunnen worden?
2
Wispelwey 2012. Spanjaard 2012. 4 Wispelwey 2012. 3
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 2 van 12
3 3.1
RESULTATEN VELDONDERZOEK Landschapsgenese en bodemopbouw
Het plangebied ligt op een langgerekte, zuidwest-noordoost gerichte dekzandrug. Deze rug wordt aan weerszijden begrensd door relatief laaggelegen vlaktes. De dekzandrug en de aangrenzende laagtes zijn zowel in het veld als op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) duidelijk te onderscheiden. Uit het AHN blijkt verder dat de oostelijke rand en de zuidoosthoek van het plangebied binnen een relatief laag gelegen deel van de dekzandrug liggen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 12 profielkolommen aangelegd (3 per werkput) om de bodemopbouw in kaart te brengen. Hieronder worden de verzamelde gegevens besproken. De natuurlijke ondergrond bestaat in het plangebied uit matig arm, siltarm, lichtgeel zand. Dit zand behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (dekzand). In de top van het zand is oorspronkelijk een podzolprofiel tot ontwikkeling gekomen. Dit bodemprofiel is echter tot wisselende diepte verstoord door antropogene ingrepen, waarna een antropogeen eerddek is opgebracht. In werkput 2 is ter plaatse van profiel 5 een grotendeels intact podzolprofiel aangetroffen. Aan het maaiveld is hier een 40 tot 50 cm dik plaggendek (Aa-horizont) aangetroffen, waarvan de top de huidige bouwvoor (Aap-horizont) betreft. Onder het plaggendek is de oorspronkelijke (uiterst humeuze) toplaag van de podzolbodem nog aanwezig (Ahb-horizont).
De grens tussen het plaggendek en de Ahb-horizont vertoont een zaagtandpatroon, vermoedelijk veroorzaakt door ploegwerkzaamheden. Onder de Ahb-horizont ligt een sterk humeuze laag (die in zuidelijke richting uitwigt op de Ahbhorizont), waarin eveneens veel geloogde korrels voorkomen (AE-horizont). Deze AE-horizont ligt op een lichtgrijswitte uitspoelingslaag (E-horizont). In de basis van de E-horizont zijn dunne, min of meer horizontale inspoelingslaagjes (fibers) waargenomen (EB-horizont). Dit vormt de overgang naar de onderliggende inspoelingslaag (B-horizont). De inspoelingslaag is op te delen in twee duidelijk te onderscheiden horizonten. De top wordt gevormd door een donkergrijze, uiterst humeuze band, met zwarte inspoelingsfibers. Hieronder ligt een horizont waarvan de kleur geleidelijk over gaat van oranjebruin (top) naar lichtbruingeel (basis). Verder zijn komen hierin grillige, min of meer horizontale, donkere inspoelingsfibers voor, die in aantal en intensiteit naar beneden toe afnemen. Deze horizont is sterk verkit (ijzerverkitting). Ook ter plaatse van profiel 8 in werkput 3 is, onder een circa 40 cm dik eerddek, een grotendeels intact podzolprofiel aangetroffen. Deze bestaat uit een dunne Ahb-horizont op een E-horizont, met daaronder de B-horizonten. De Ahb-horizont is deels opgenomen in de bovenliggende Aa-horizont, vermoedelijk als gevolg van bioturbatie.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 3 van 12
Figuur 1.
Profiel 5 in werkput 2.
Wortellaag in Aap-horizont
Aap-horizont Aa-horizont Ahb-horizont AE-horizont
E-horizont
EB-horizont
B-horizont B-horizont
Beide profielen maken onderdeel uit van een circa 10 m brede zone binnen de beide proefsleuven, waar het bodemprofiel relatief intact en sterk ontwikkeld is. De ijzerinspoeling in de B-horizont is sterker ontwikkeld en reikt dieper dan in de andere delen van het plangebied. De zone lijkt op basis van de waarnemingen in de twee proefsleuven een zuidwest-noordoostelijke orientatie te hebben. De intactheid van de top van het bodemprofiel doet vermoeden dat hier voorafgaand aan het opbrengen van het plaggendek geen of zeer weinig landbewerking heeft plaatsgevonden. Mogelijk heeft deze zone in het verleden een afwijkend landgebruik gekend, bijvoorbeeld als houtwal. Het oorspronkelijke maaiveld heeft hier enkele decimeters lager gelegen dan de ten noordwesten en zuidoosten gelegen terreindelen. Mogelijk houdt het afwijkend gebruik samen met deze lage ligging. Ten noordwesten van de zone met intacte, goed ontwikkelde podzolprofielen bleek het bodemprofiel tot in de B-horizont verstoord te zijn. Een uitspoelingslaag is hier niet aangetroffen. Mogelijk is deze opgenomen in het plaggendek of is deze nooit tot ontwikkeling gekomen. Het plaggendek ligt direct op de B-horizont en heeft een dikte van 50 tot 60 cm.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 4 van 12
Figuur 2.
Profiel 2 in werkput 1.
Wortellaag in Aap-horizont
Aap-horizont
Aa-horizont B-horizont B-horizont
Ten zuiden van de zone met intacte podzolprofielen is in de werkputten 2 en 3 een plaggendek aangetroffen dat direct op de C-horizont (of BC-horizont) ligt. Ook de B-horizont ontbreekt hier, waardoor sprake is van A-C-profielen. Gezien de hoogteligging van de top van de C-horizont in de profielen 6 en 9 ten opzichte van de profielen 5 en 8 heeft het maaiveld hier vermoedelijk hoger gelegen dan ter plaatse van de zone met intacte podzolprofielen. Verder naar het zuiden in werkput 3 loopt het maaiveld aanzienlijk af, maar de bodemopbouw blijft hier grotendeels ongewijzigd. Mogelijk is het bodemprofiel hier vergraven ten behoeve van egalisatie van het perceel. Of het oorspronkelijke podzolprofiel is opgenomen in het humeuze dek. In werkput 4 is over de gehele lengte een AC-profiel aangetroffen. Hier ontbreekt de oorspronkelijke podzol in zijn geheel. Het profiel bestaat uit een 30 tot 40 cm dikke bouwvoor, met daaronder een verrommelde laag die de overgang vormt tussen de A- en C-horizont. Vermoedelijk is het oorspronkelijke bodemprofiel hier afgegraven. Dit komt overeen met het AHN beeld, waaruit blijkt dat deze werkput binnen een laaggelegen zone van de dekzandrug ligt, die onnatuurlijk aan doet.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 5 van 12
Figuur 3.
Profiel 11 in werkput 4.
Wortellaag in Aap-horizont
Aap-horizont
A/C-horizont C-horizont
3.2
Analyse sporen en structuren
Op de dekzandrug van de Hoge Enk zijn twee vondsten van bewerkt vuursteen bekend, waaruit blijkt dat er in dit gebied menselijke activiteit is geweest in de steentijd. De aanwezigheid van een plaggen5 dek wijst op landbouwactiviteiten in de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. De locatie ligt op het mie nuutplan uit het begin van de 19 eeuw in een kavel dat in gebruik is als bouwland. Deze kavel is tot 6 op heden niet veranderd. Op het historische kaartmateriaal ontbreken aanwijzingen die in verband kunnen worden gebracht met jongere dan wel oudere bebouwing binnen het plangebied. Binnen de proefsleuven zijn 43 grondsporen aangetroffen. Voor een uitgebreide beschrijving en overzicht wordt verwezen naar de bijlagen 5 en 6. Het betreffen voornamelijk kuilen die op basis van de textuur, kleur en begrenzing in de Nieuwe tijd tot heden worden geplaatst. De kuilen zijn voornamelijk aangetroffen ter hoogte van de uitbreiding bij profiel 11 in proefsleuf 4 (de sporen 24 t/m 35) en in proefsleuf 3 (de sporen 7 t/m 11). In proefsleuf 1 zijn twee kuilen sporen 1 en 4 aangetroffen. Daarnaast zijn in proefsleuf 1 twee geïsoleerd liggende paalsporen (2 en 3) aangetroffen. De paalsporen e e kunnen uit de Nieuwe tijd dateren maar een recente datering (18 -19 eeuw) lijkt op basis van de losse vulling en scherpe begrenzing waarschijnlijker. 5 6
Wispelwey 2012. Wispelwey 2012.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 6 van 12
De in het plangebied aanwezige kuilen worden in verband gebracht met (ontginnings)activiteiten die e e mogelijk vanaf de 16 tot en met de 19 eeuw in het plangebied hebben plaatsgevonden. Daarbij wordt opgemerkt dat een aantal sporen zoals spoor 6 en 12 in proefsleuf 3 als greppels zijn geïnterpreteerd maar dat het niet is uitgesloten dat het ook hier om (grotere) ingravingen gaat. Er zijn geen aanwijzingen dat deze kuilen in verband moeten worden gebracht met bewoning uit de Nieuwe tijd. Tijdens het onderzoek is in een aantal kuilen vondstmateriaal aangetroffen waardoor deze sporen e beter zijn te dateren. Zo is in spoor 1 (proefsleuf 1) voornamelijk materiaal (vondst 6 en 7) uit de 17 e 19 eeuw aangetroffen. Het jongste fragment roodbakkend aardewerk uit dit spoor dateert uit de periode 1750-1900 n. Chr. In spoor 7 (proefsleuf 3, vondst 18) is bij de aanleg van het vlak een fragment witbakkend keramiek met loodglazuur uit de periode 1550 – 1700 n. Chr. aangetroffen. In proefsleuf 4 is uit spoor 18 een fragment roodbakkend loodgeglazuurd aardewerk uit de periode 1650 – 1900 n. Chr. verzameld. Uit spoor 25 komt ook een fragment roodbakkend loodgeglazuurd aardewerk (vondst 24). Dit fragment wordt in de periode 1550 – 1750 n. Chr. geplaatst. Naast een cluster met natuurlijke sporen (14 t/m 17) zijn in het zuiden van het plangebied alleen recente verstoringen aangetroffen.
Het betreft de sporen 18 t/m 20 in proefsleuf 3 en de sporen 37 t/m 43 in proefsleuf 4. 3.3
Vondstmateriaal
Tijdens dit onderzoek zijn in totaal 48 fragmenten aardewerk gevonden. Het merendeel hiervan is geborgen tijdens de aanleg van het vlak, het zeven van de stort en het opschaven van de profielen in werkput 1 t/m 4. Het oudste aardewerk betreft zes fragmenten middeleeuws handgevormd aardewerk gedateerd tussen 1000 en 1200 n. Chr. Het gaat hierbij om fragmenten van kogelpotten. Deze fragmenten zijn gevonden tijdens de aanleg van het vlak in de werkputten 1 en 2 aan de noordwestzijde van het plangebied. Het overige aardewerk bestaat uit bijna steengoed, echt steengoed, grijs-, wit- en roodbakkend aardewerk, Faience en industrieel aardewerk uit de periode 1250 tot 1900 n. Chr. Alleen van het steengoed en het roodbakkende aardewerk zijn meer dan één fragment gevonden. Dit vondstmateriaal is aangetroffen tijdens de aanleg van het vlak, in diverse profielen en in sporen. Kogelpot aardewerk werd lokaal vervaardigd en gebruikt. Het aantreffen van dit type aardewerk kan er op wijzen dat nabij het plangebied bewoning uit deze periode heeft bevonden. Dit aardewerk kan als ‘nederzettingsruis’ of als ‘mestaardewerk’ gezien worden. Bij ‘nederzettingsruis’ gaat het om aardewerk dat na gebruik als afval in de nederzetting of op het boerenerf verspreid is geraakt. Bij ‘mestaardewerk’ gaat het om aardewerk dat tijdens het bemesten van het akkerareaal in de bodem terecht is gekomen.
Het jongere aardewerk werd hoofdzakelijk geproduceerd in pottenbakkersateliers en kent een groot verspreidingsgebied. Voornamelijk het steengoed en het roodbakkende aardewerk werden in zeer grote hoeveelheden gemaakt en verhandeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vooral deze soorten meer voorkomen in deze archeologische context. Het aardewerk uit de periode 1250 tot 1900 n. Chr. kan gezien worden als normaal gebruiksaardewerk dat vrijwel in alle lagen van de bevolking gebruikt werd.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 7 van 12
Na gebruik kwam dit aardewerk veelal in beerputten of afvalkuilen terecht. Het materiaal uit de beerputten werd opgehaald en verkocht aan boeren uit de omgeving die deze ‘kostbare’ mest gebruikten op hun akkers. Ook kwam het voor dat dit afval gewoonweg werd gedumpt op een bepaalde plek op het achtererf. In de loop der tijd is dit vondstmateriaal door diverse bodemprocessen verder verspreid geraakt. Figuur 4.
Zeven van de stort door kinderen van de basisschool
Figuur 5.
Zeven van de stort door kinderen van de basisschool
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 8 van 12
4 4.1
CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN Conclusie
Het plangebied is gelegen op een langgerekte, zuidwest-noordoost gerichte dekzandrug. Deze rug wordt aan weeszijden begrensd door relatief laaggelegen vlaktes. In de top van de dekzanden is oorspronkelijk een podzolprofiel tot ontwikkeling gekomen. In het centrale deel van het plangebied ligt een circa 10 m brede, zuidwest-noordoost gerichte, relatief laaggelegen zone waarbinnen intacte podzolen zijn aangetroffen met daarop een plaggendek. Dit duidt waarschijnlijk op een afwijkend historisch bodemgebruik. Ten noordwesten van deze zone bleek het bodemprofiel onder het plaggendek verstoord tot in de B-horizont van het podzolprofiel. Ten oosten en zuiden van de zone met intacte podzolen zijn A-C profielen aanwezig. Vermoedelijk is het oorspronkelijke profiel hier afgegraven. Hieruit blijkt dat het oorspronkelijke maaiveld meer reliëf heeft gekend dan tegenwoordig zichtbaar is. De in het plangebied aanwezige kuilen worden in verband gebracht met activiteiten die waarschijnlijk in de Nieuwe tijd hebben plaatsgevonden. Uit vondstmateriaal uit enkele sporen blijkt dat een datering e e e vanaf de 16 tot en met de 19 eeuw mogelijk is. Hierbij wordt opgemerkt dat een datering in de 18 e 19 eeuw het meest waarschijnlijk wordt geacht. Binnen het plangebied concentreren de kuilen zich in een zone ter hoogte van de uitbreiding bij profiel 11 in proefsleuf 4 en in proefsleuf 3.
Daarnaast zijn in proefsleuf 1 twee kuilen en twee geïsoleerd liggende paalsporen aangetroffen. Omdat het oudere kogelpot aardewerk een veel beperkter verspreidingsgebied kent dan het jongere e e vondstmateriaal, wijst dit aardewerk waarschijnlijk op bewoning nabij het plangebied uit de 11 of 12 eeuw. Het jongere aardewerk kent een groter verspreidingsgebied. Hierbij kan het gaan om ‘mestaardewerk’ dat uit de stad afkomstig is of om resten van afval verspreid geraakt op het erf of tuin van nabij gelegen bewoning. De bodemopbouw (plaggendek) en de aanwezigheid van het middeleeuwse vondstmateriaal zijn aanwijzingen voor een middeleeuws erf in de directe omgeving (ten westen) van het plangebied. Hierbij is het mogelijk dat een dergelijk erf zich in een lager gelegen gedeelte van het landschap bevindt. Zoals aan de voet van of laag op de helling van de dekzandrug. 4.2
Beantwoording van de onderzoeksvragen
In paragraaf 2.4 zijn de onderzoeksvragen gesteld waarop het proefsleuvenonderzoek antwoord zou moeten geven. In dit hoofdstuk zal getracht worden dat te realiseren. De resultaten van het onderzoek kunnen echter niet op alle vragen een antwoord geven. Daarom worden hier alleen de vragen overgenomen uit paragraaf 2.4 die beantwoord kunnen worden. Op de resterende vragen kan geen antwoord worden gegeven als gevolg van het ontbreken van archeologische waarden in de proefsleuven. Zijn er archeologische waarden aanwezig? Ja, binnen het plangebied zijn archeologische waarden aanwezig. Waaruit bestaan deze waarden? In het plangebied zijn voornamelijk kuilen en los vondstmateriaal (keramiek) aangetroffen. Wat is de aard van deze waarden? Zie paragraaf 3.2 en 3.3.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 9 van 12
Hoe zijn deze waarden te dateren en aan de hand waarvan is dat mogelijk? De kuilen zijn op basis van de textuur, kleur en begrenzing in de Nieuwe tijd tot heden geplaatst. Hierbij is een recente datering niet uitgesloten. Uit vondstmateriaal van enkele sporen blijkt dat een e e datering vanaf de 16 tot en met de 19 eeuw voor de hand ligt. Hierbij wordt opgemerkt dat een datee e ring in de 18 - 19 eeuw het meest waarschijnlijk wordt geacht. Op welke diepte bevinden de waarden zich? De kuilen worden zichtbaar in de top van de C-horizont op een diepte van circa 40-60 cm beneden het maaiveld. Het vlak is aangelegd op circa 3 m + NAP in het westen en loopt af richting het oosten tot circa 2,5 m + NAP. Het vondstmateriaal bevindt zich direct onder de huidige bouwvoor. Binnen welke context bevinden de waarden zich en wat is er over de omvang van de eventuele vindplaats te zeggen? De in het plangebied aanwezige kuilen worden in verband gebracht met (ontginnings)activiteiten die e e waarschijnlijk vanaf de 16 tot en met de 19 eeuw in het plangebied hebben plaatsgevonden. De kuilen concentreren zich in een zone ter hoogte van de uitbreiding bij profiel 11 in proefsleuf 4 en proefsleuf 3. Daarnaast zijn in proefsleuf 1 twee kuilen en twee geïsoleerd liggende paalsporen aangetroffen. 5 5.1
WAARDERING EN SELECTIEADVIES Waardering
De resultaten van het veldwerk vormen de basis voor de waardering van de vindplaats. De waardering moet vervolgens leiden tot een aanbeveling ten aanzien van het vervolgtraject. De waardering wordt vastgesteld volgens de door de KNA voorgeschreven wijze aan de hand van de volgende aspecten: beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Beleving
De beleving van de vindplaats valt uiteen in twee criteria ‘schoonheid” en “belevingswaarde”. Bij beide gaat het vooral om zichtbare monumenten. Schoonheid is de esthetische-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die in de zichtbaarheid van het monument tot uiting komt. Deze waarde is gebaseerd op de zichtbaarheid vanaf het maaiveld als landschapselement, vorm en structuur en relatie met de omgeving. Herinneringswaarde is de herinnering die het archeologisch monument oproept over het verleden. Deze waarde is gebaseerd op verbondenheid met feitelijke historische gebeurtenissen en associatie met toegeschreven kwaliteit of betekenis. Fysieke kwaliteit
De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gebaseerd op de criteria gaafheid en conservering. De gaafheid is de mate van niet-verstoord zijn en stabiliteit van de fysieke omgeving. De conservering geeft de mate waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven aan. Bij 5 of meer punten is een vindplaats behoudenswaardig. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder) wordt er naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of de vindplaats toch behoudenswaardig is. Inhoudelijke kwaliteit
De inhoudelijke kwaliteit wordt uitgedrukt in waarden voor zeldzaamheid, informatie, ensemble en representativiteit. Zeldzaamheid is de mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied. Informatiewaarde is de betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden. De ensemblewaarde (of contextwaarde) is de meerwaarde die
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 10 van 12
aan een monument wordt toegekend, op grond van de mate waarin sprake is van een archeologische en landschappelijke context. De representativiteit is tenslotte de mate waarin een bepaald type monument karakteristiek is voor een periode dan wel een gebied voorkomt. Eerst wordt er een afweging gemaakt op basis van de drie inhoudelijke kwaliteitscriteria; zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van 7 of meer punten is de vindplaats behoudenswaardig. Bij een lagere score wordt nagegaan of het criterium representaviteit van toepassing is. Toelichting op de waardering
Er is geen sprake van een zichtbaar archeologisch monument daarom zijn de twee criteria schoonheid en belevingswaarde niet van toepassing op het huidige plangebied. De fysieke kwaliteit van de vindplaats is middelhoog. De conservering van de grondsporen en het vondstmateriaal is gemiddeld. Vanwege het ontbreken van grondsporen die in verband kunnen worden gebracht met bewoning is e e het waarschijnlijk dat de aangetroffen resten horen bij activiteiten uit de 18 -19 eeuw. Dergelijke grondsporen zijn niet zeldzaam en hebben een lage informatiewaarde. De ensemblewaard is laag omdat er geen structuren, bewoningscontinuïteit of bijzondere contextwaarde is aangetroffen waardoor sprake is van meerwaarde. De aangetroffen resten hebben geen directe relatie met uit de omgeving bekende archeologische en historische locaties. Vanwege de beperkte informatiewaarde is de representaviteit van de archeologische resten dan ook als laag gewaardeerd. De beoordeling is, drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. Voor het plangebied is de scoretabel (tabel II) als volgt ingevuld: Tabel II.
Scoretabel waardestelling van het plangebied Waarden
Beleving
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Criteria
Scores Hoog
Midden
Laag
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Herinneringswaarde
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Gaafheid
2
Conservering
2
Zeldzaamheid
1
Informatiewaarde
1
Ensemblewaarde
1
Representativiteit
1
Uit de bovenstaande tabel met waardering blijkt dat de vindplaats die is aangetroffen niet behoudenswaardig is.
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 11 van 12
5.2
Selectieadvies
De lage waardering leidt tot een selectieadvies; niet behoudenswaardig. Het selectieadvies is daarom dan ook om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Het definitieve selectiebesluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Elburg. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 53 van de monumentenwet uit 1988 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed: ARCHIS-meldpunt, telefoon 033-4227682), de gemeente Elburg of de provincie Gelderland.
Econsultancy Doetinchem, 29 september 2012
12075899 ELB.GEM.PRO
Pagina 12 van 12
Situering van het plangebied binnen Nederland
500000
Figuur 6.
O OSTERWOLDE E OOST GLD
ize z izen zz 495000
Elburg bu u gg Elburg bu E E Elburg bu u gg
Oldebroek Oldd O debroe e bro roe
LOO OO OO OLD OLDE DE 'T LOO LOO OLDEB LOO O OLD D B
DOORNSPIJK DO
490000
'tt't H Harde Ha de de Ha Harde
N
Nu Nu Nunspeet s ppe Nunspeet Nun Nun pe tt ULL OR ORST ST T HULSHORST HU O ST T
485000
00
180000
5000m 5000m 5 5000m 5000m 000m
185000
Hoge Enk (gemeente Elburg) - Gerichtenweg (ong.) Situering van het plangebied binnen Nederland bron: Geodan
12075899 ELB.GEM.PRO
190000
195000
Detailkaart van het plangebied
O
ud e
Ha r
hte Geric
de r
w
ijk er
w
eg
493600
Figuur 7.
493500
nw eg
493400
N
0
50m
185700
Hoge Enk (gemeente Elburg) - Gerichtenweg (ong.) Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
12075899 ELB.GEM.PRO
185800
Bijlage 1
Literatuur
Spanjaard G.W.J., 2012: Archeologisch proefsleuvenonderzoek Gerichtenweg (ong.) te Hoge Enk in de gemeente Elburg. Econsultancy rapport 12045503 ELB.GEM.ARC. Wispelwey M., 2012: Programma van Eisen Gerichtenweg te Hoge Enk.
12075899 ELB.GEM.PRO
Bijlage 2 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
29.000
50.000
75.000
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
130.000
370.000 410.000
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000
Lithostratigrafie
3
4
Formatie van Beegden
5b 5c 5d 5e
Saalien ( jstijd)
6
Eem Formatie Formatie van Drente Formatie van Urk
Elsterien ( jstijd) 475.000
850.000
Cromerien (warme periode)
Pre-Cromerien 2.600.000
12075899 ELB.GEM.PRO
Formatie van Boxtel
5a
Eemien (warme periode)
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Pollen zones
Vb1 Va
800
2650
815
Subboreaal koeler droger
2000
IVb IVa
5000
3755 4900
5300
8000
7020
8240
9000
11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
8800
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas Bølling
35.000
LW I
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Archeologische perioden Nieuwe t jd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
300.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum
loofbos
Saalien ( jstijd) Vroeg-Paleolithicum
Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
12075899 ELB.GEM.PRO
Bijlage 3
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum(ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
12075899 ELB.GEM.PRO