Agendabundel
Tekst van het document
2.1 de verplichting tot aanwijzen van een functionaris gegevensbescherming Elke verwerkingsverantwoordelijke bij een overheidsinstantie heeft de wettelijke plicht om een functionaris gegevensbescherming aan te wijzen. Kanttekeningen n.v.t. Financiën n.v.t. Communicatie/burgerparticipatie De verordening en het aanwijzingsbesluit worden op voorgeschreven wijze bekend gemaakt Vervolg
2
Omdat het beschermen van gegevens nog in ontwikkeling is, wordt de verordening na één jaar geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd. Bijlage(n) 1. 2.
Privacyverordening Aanwijzingsbesluit Functionaris Gegevensbescherming
Elburg, 19 december 2022 Het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester,
de secretaris,
ir. J.N. Rozendaal
Mw. mr. A.H. van der Maat-Bosma
1 Privacyverordening gemeente Elburg
Privacyverordening Besluit van de Gemeenteraad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 24, tweede lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming;
artikel 108 en afdeling IX van de Gemeentewet betreffende de bevoegdheid van de gemeenteraad; het bepaalde in afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht betreffende mandaat;
het bepaalde in artikel 2.13, derde lid, van de Organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020; b e s l u i t vast te stellen de: Privacyverordening
Artikel 1. Definities 1. Begrippen uit de AVG en de UAVG die in deze Privacyverordening worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis.
2. Voor de volgende begrippen wordt verstaan onder: a.
"college": het college van Burgemeester en Wethouders
b.
"privacy functionaris" de "functionaris gegevensbescherming" en de "privacy officer"
c.
"privacy officer": de adviseur op privacygebied die geen functionaris gegevensbescherming is. De
privacy officer is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en bewaken van het privacybeleid. Tevens
biedt de privacy officer ondersteuning bij de uitvoering van dit beleid. De privacy officer speelt een grote rol binnen de organisatie, door te fungeren als aanspreekpunt voor privacyvraagstukken die spelen in de organisatie. De privacy officer zorgt ervoor dat de voor de Algemene Verordening
Gegevensbescherming benodigde taken worden uitgevoerd en dat maatregelen worden ingebed in de organisatie.
Artikel 2. Taken gegevensbescherming 1. Het college draagt zorg voor: 1.
een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en eenduidig toewijzing van gemeentelijke taken aan de domeinen en teams met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens;
2.
een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden met betrekking
3.
de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen met betrekking tot
4.
de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
5.
de te maken afspraken met de domeinen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare
tot de verwerking van persoonsgegevens; de verwerking van persoonsgegevens;
informatievoorziening van de privacy functionarissen;
middelen en de wijze en frequentie van rapporteren over de verwerking van persoonsgegevens.
2. Het college stelt de onder lid 1 genoemde privacyinstrumenten ter beschikking aan de griffie.
Artikel 3. Bevoegdheid functionaris gegevensbescherming De raad verleent het college het mandaat tot het belasten van de functionaris gegevensbescherming met de taken conform artikel 39 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Artikel 4. Behandeling rechtsverzoeken 1. De raad verleent het college het mandaat tot het nemen van een schriftelijke beslissing, met
inachtneming van het bepaalde in de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming, op een
verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming; 2. Het college kan zijn in mandaat verleende bevoegdheden uit lid 1 van dit artikel in ondermandaat
verlenen aan de privacy officer met buiten werking stelling van artikel 6 van het Bevoegdhedenbesluit Elburg;
3. Indien geen uitvoering kan worden gegeven aan het gestelde in het eerste en tweede lid van dit artikel is de griffier bevoegd.
Artikel 5. Behandeling datalekken en/of privacyincidenten 1. De raad verleent het college de machtiging uitvoering te geven aan het bepaalde in de artikelen 33 en 34 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming;
2. Het college kan zijn in machtiging verleende bevoegdheden uit lid 1 van dit artikel als machtiging
verlenen aan de privacy officer met buiten werking stelling van artikel 6 van het Bevoegdhedenbesluit Elburg;
3. Indien geen uitvoering kan worden gegeven aan het gestelde in het eerste en tweede lid van dit artikel is de griffier bevoegd.
Artikel 6. Omvang mandaat, volmacht en machtiging Het bestuursorgaan dat, dan wel de persoon die, de in artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening benoemde bevoegdheden krijgt, is met betrekking tot die bevoegdheid tevens bevoegd tot: a. verstrekken van informatie; b. het voeren van correspondentie; c. het verrichten van alle benodigde (voorbereidings)handelingen, waaronder in ieder geval: 1. het verdagen van de beslissing; 2. het direct afwijzen van een herhaalde aanvraag bij het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden;
3. het plaatsen van publicaties (van aanvragen, ontwerpen, concepten e.d.); 4. het verzoeken om aanvullende gegevens, vertaling e.a. d. het uitoefenen van de doorzendplicht c.q. de terugzendplicht; e. het ondertekenen van de betreffende stukken in overeenstemming met artikel 7; f. overige direct met de gemandateerde bevoegdheid samenhangende handelingen; g. inschrijven in registers; voor zover van toepassing bij de bevoegdheid;
Artikel 7. Ondertekening 1. Ingeval van uitoefening van bevoegdheden zoals opgenomen in artikel 4 en 5 van deze verordening, worden uitgaande stukken ondertekend als volgt: Hoogachtend/Met vriendelijke groet, Namens de gemeenteraad van gemeente Elburg (handtekening van de gemandateerde) (naam van de functionaris) (functieaanduiding)
Artikel 8. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Privacyerordening.
Aldus vastgesteld door de Gemeenteraad van de gemeente Elburg in de vergadering van 19 december 2022;
De voorzitter: ir. J.N. Rozendaal
De Griffier: mr. D.H.A.A. Kassing
1 Aanwijzingsbesluit FG
Aanwijsbesluit Functionaris
Gegevensbescherming van de gemeente Elburg
De burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op de artikelen 37 tot en met 39 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, artikel 36 van
de Wet Politiegegevens (Wpg) en de artikelen 12.13 en 12.14 van de Organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020;
b e s l u i t vast te stellen: Aanwijsbesluit Functionaris Gegevensbescherming van de gemeente Elburg.
Artikel 1. Aanwijzing algemeen De heer T. Vroon aan te wijzen als Functionaris Gegevensbescherming (FG) voor de taken op grond van de AVG en de Organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020.
Artikel 2. Aanwijzing bevoegdheden college van burgemeester en wethouders De heer T. Vroon aan te wijzen als FG voor de taken op grond van de Wpg.
Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit aanwijsbesluit treedt in werking op de eerstvolgende dag na publicatie. 2. Het besluit van 4 mei 2021 “Aanwijzing Functionaris Gegevensbescherming (FG)” wordt ingetrokken op de dag van publicatie van dit aanwijzingsbesluit.
3. Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijsbesluit Functionaris Gegevensbescherming van de gemeente Elburg.
Aldus vastgesteld door de burgemeester op 8 november 2022: De burgemeester: ir. J.N. Rozendaal
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in de vergadering van 8 november 2022:
De burgemeester: ir. J.N. Rozendaal
De secretaris: mw. mr. A.H. van der Maat-Bosma
Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Elburg in de vergadering van 19 december 2022:
Voorzitter ir. J.N. Rozendaal
De griffier mr. D.H.A.A. Kassing
1 Wijziging Organisatieverordening 2020_.docx
2e wijziging organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020 De Gemeenteraad van de gemeente Elburg; gelezen het voorstel van het presidium van [datum en nummer];
gelet op artikel 37, eerste lid, onder a, en het derde en het zesde lid van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en hoofdstuk IX van de Gemeentewet betreffende de bevoegdheid van de gemeenteraad;
b e s l u i t vast te stellen de: 2e wijziging Organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020 van gemeente Elburg
Artikel 1. Begrippen Algemene Verordening Gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119)
Artikel 2. Wijzigingen De Organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020 wordt als volgt gewijzigd: A. Aan artikel 1.1 Definities worden drie leden toegevoegd, luidende:
k. college: College van Burgemeester en Wethouders;
l. verwerkingsverantwoordelijke: de rol die de raad op grond van de Algemene Verordening
Gegevensbescherming heeft indien persoonsgegevens voor de taken van de raad worden verwerkt;
m. Algemene Verordening Gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees
Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in
verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119).
B. Na artikel 2.12 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2.13 Functionaris Gegevensbescherming 1. De Functionaris Gegevensbescherming is niet tevens: a.
de griffier;
b.
een lid van de raad;
c.
een burgerraadslid van de raad;
d.
een wethouder van de gemeente;
e.
de voorzitter van de raad.
2. De Functionaris Gegevensbescherming wordt middels een besluit van de raad aangewezen. 3. De raad kan in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel het college de bevoegdheid verlenen namens de raad de Functionaris Gegevensbescherming aan te wijzen.
4. De raad is niet verplicht tot aanwijzing van dezelfde Functionaris Gegevensbescherming als die het college heeft aangewezen, dan wel aanwijst.
5. Voor zover de raad dezelfde Functionaris Gegevensbescherming aanwijst als die voor het college is of wordt aangewezen, blijft of wordt het college verantwoordelijk voor al die aangelegenheden met betrekking tot het werkgeverschap, dan wel opdrachtgeverschap.
6. Voor zover de raad dezelfde Functionaris Gegevensbescherming aanwijst als die voor het college is of
wordt aangewezen, stelt het college de Functionaris Gegevensbescherming voldoende middelen tot diens beschikking voor de uitoefening van diens taak voor de raad. C. Na artikel 2.13 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2.14 Taken van de Functionaris Gegevensbescherming De Functionaris Gegevensbescherming vervult namens de raad de taken overeenkomstig het bepaalde in artikel 39 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze 2e wijziging Organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020 treedt in werking op 1 januari 2023.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: 2e wijziging Organisatieverordening gemeenteraad Elburg 2020.
Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Elburg in de vergadering van 19 december 2022.
Voorzitter ir. J.N. Rozendaal
De griffier mr. D.H.A.A. Kassing
1 2 Raadsvoorstel wijziging Organisatieverordening FG.docx
Raadsvoorstel
Onderwerp
Wijziging Organisatieverordening
Behandelaar:
Griffier
Datum Portefeuillehouder
10 november2022 Burgemeester Rozendaal
Emailadres Zaaknummer:
Diane.Kassing@elburg.nl nvt
Onderwerp Wijziging Organisatieverordening 2020 Te nemen besluit: Vaststellen 2 e wijziging Organisatieverordening 2020 Inleiding In het kader van wettelijke verplichtingen zoals vastgelegd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming dient elke verwerkingsverantwoordelijke bij een overheidsinstantie een functionaris gegevensbescherming aan te wijzen. Ook de gemeenteraad is in het kader van uitvoering van haar taken verwerkingsverantwoordelijk. Op grond van artikel 39 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming dient de raad als zelfstandig bestuursorgaan en verwerkingsverantwoordelijke een Functionaris gegevensbescherming aan te wijzen. In de huidige versie van de Organisatieverordening zijn voor de aanwijzing van de functionaris gegevensbescherming geen zaken opgenomen. Met de 2 e wijziging van de verordening wordt dit hiaat opgevuld. Argumenten De wijzigingen in de verordeningen borgen de aanwijzing van de Functionaris Gegevensbescherming. Na aanwijzing van de Functionaris Gegevensbescherming wordt het toezicht op naleving van gegevensbescherming bij verwerkingen door de gemeenteraad geregeld. Kanttekeningen n.v.t. Financiën n.v.t. Bijlage(n) 1. 2 e wijziging organisatieverordening. Elburg, 19 december 2022 Het presidium, De burgemeester,
de griffier,
Ir. J.N. Rozendaal
mr. D.H.A.A. Kassing
4.6 Belastingverordeningen 2023 1 Dossier 1866 voorblad.pdf
Beeldvorming Dossiernummer
1866
Extern Zaak ID
0230271887
Vertrouwelijk
Nee
Vergaderdatum
21 november 2022
Agendapunt
4.6
Titel
Belastingverordeningen 2023
Organisatieonderdeel
Domein Bedrijfsvoering
Eigenaar
Brinkman, Danielle
Bijlagen 03. Verordening_onroerendezaakbelastingen_2023.docx 04. Verordening_reinigingsrechten_2023.docx 05. Verordening_rioolheffing_2023.docx 06. Verordening_afvalstoffenheffing_2023.docx 07. Verordening_precariobelasting_2023.docx 08. Verordening_forensenbelasting_2023.docx 09. Verordening_reclamebelasting_2023.docx 10. Verordening_toeristenbelasting_2023.docx 11. Verordening_watertoeristenbelasting_2023.docx 12. Verordening_marktgelden_2023.docx 13. Verordening_haven- en kadegelden_2023.docx 14. Verordening_lijkbezorgingsrechten_2023.docx 15. Verordening_leges_2023 DEF 1.0.docx Kaart Haven- en kadegelden 2023.pdf Kaart Verordening reclamebelasting 2023.pdf Kaart Verordening reinigingsrechten 2023.pdf 02. Raadsvoorstel belastingverordeningen 2023 Geagendeerd
Vergaderdatum
Beeldvorming
21 november 2022
Toelichting De belastingverordeningen voor 2023 vast te stellen conform de concepten.
Voorgesteld besluit
Besluit Kan door voor behandeling in de Oordeelsvomende vergadering.
1 03. Verordening_onroerendezaakbelastingen_2023.docx
Verordening onroerendezaakbelastingen 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2023’.
Artikel 1. Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de
gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruik gever); de gebruik gever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;
b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik
door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3. Voor de eigenarenbelasting wordt als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is
vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2. Belastingobject 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden
toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3. Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4. Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking
gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van
openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928
aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van
betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen -
welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen en urnentuinen, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
2. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de
eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de
gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5. Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
a. de gebruikersbelasting 0,152%; b. de eigenarenbelasting: - voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,094%; - voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,191%.
Artikel 6. Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen
worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. Voor belastingbedragen tot € 5,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
5. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 10. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2022’ van 13
december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van
de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023.'
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 04. Verordening_reinigingsrechten_2023.docx
Verordening reinigingsrechten 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en invordering van reinigingsrechten 2023’
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘bedrijfsafval’: afvalstoffen, niet zijnde
huishoudelijke afvalstoffen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld.
Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven zowel voor het genot van door het
gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.
Artikel 3. Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 4. Gebiedsomschrijving Deze verordening is van toepassing binnen het gebied van de gemeente Elburg zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart.
Artikel 5. Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De rechten worden geheven naar het aantal geregistreerde inworpen in de ondergrondse inzamelcontainers.
2. Op basis van het aantal inworpen van het voorgaande jaar wordt een voorlopige aanslag opgelegd voor
het belastingjaar waarvoor deze verordening geldt. Indien het aantal inworpen van het voorgaande jaar niet bekend is wordt deze gesteld op 10 per maand.
3. Op basis van de werkelijke inworpen van 1 januari tot en met 31 december volgt een navordering of
vermindering. Met dien verstande dat belastingbedragen van minder dan € 5,00 niet worden geheven c.q. verminderd.
4. Het tarief per inworp is € 1,22 exclusief en € 1,48 inclusief omzetbelasting.
Artikel 6. Belastingjaar Met betrekking tot de rechten die per inworp worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7. Wijze van heffing De rechten bedoeld in artikel 5 worden geheven bij wege van aanslag, met dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd.
Artikel 8. Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang (voor de jaarlijks verschuldigde rechten)
1. De rechten bedoeld in artikel 5 zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, wordt op basis van werkelijk geregistreerde inworpen een aanvullende aanslag opgelegd of vermindering geformaliseerd.
Artikel 9. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen
worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 10. Kwijtschelding Bij de invordering van reinigingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van de in artikel 1 genoemde belastingen.
Artikel 12. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van reinigingsrechten 2022’ van 13 december 2021,
wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening reinigingsrechten 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 05. Verordening_rioolheffing_2023.docx
Verordening rioolheffing 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023’.
Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
b. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; e. niet-woning: onroerende zaak die niet tot woning dient of dienstbaar is aan woondoeleinden; f. woning: onroerende zaak die in hoofdzaak wordt gebruikt voor woondoeleinden.
Artikel 2. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd;
2. Als gebruiker wordt aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeelt het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
b. ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.
c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4. Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als
afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel dat uitsluitend in gebruik is als een woning.
2. De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel waarvan enkel hemelwater afvloeit. 3. De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater per perceel dat vanuit het perceel wordt afgevoerd van een niet-woning.
4. Het aantal kubieke meters afvalwater bedoeld onder lid 3 wordt gesteld op het aantal kubieke meters dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is
toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden,
wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.
5. Het aantal kubieke meters water wordt verkregen door de verbruiksgegevens op te vragen bij de
watermaatschappij die deze gegevens registreert en/of door middel van een door de belastingplichtige in te vullen aangifte.
6. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Artikel 6. Vervallen
Artikel 7. Belastingtarieven 1. Het tarief voor een perceel dat direct of indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering en uitsluitend in gebruik als woning bedraagt: € 215,40
2. Het tarief voor een perceel waarvan enkel hemelwater afvloeit en welke gecategoriseerd is als een volkstuin met opstal, trafo, garagebox/berging of specifieke woonobjecten (respectievelijk
objectsoortcode 3210; volkstuin gebouwd en 3621; trafo, 1700 garagebox/berging; 1800 specifieke woonobjecten in het kader van de Wet WOZ) bedraagt: € 20,40.
3. Het tarief voor een perceel waarvan enkel hemelwater afvloeit en dienstbaar is aan een niet-woning bedraagt: € 51,00.
4. Het tarief voor een perceel direct of indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering en in gebruik als een niet-woning bedraagt voor elke volle eenheid van 200 kubieke meters water, bij een hoeveelheid water:
a. van 0 m³ tot en met 200 m³: € 215,40; b. van 201 m³ tot en met 50.000 m³: € 165,20; c. van 50.001 m³ tot en met 150.000 m³: € 153,00; d. van 150.001 m³ tot en met 250.000 m³: € 123,40; e. van 250.001 m³ of meer: € 101,45. 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt een gedeelte van een eenheid voor een volle eenheid gerekend.
Artikel 8. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 9. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de
belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde deel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde deel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
Artikel 11. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen
worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 12. Kwijtschelding Bij de invordering van rioolheffing voor niet-woningen wordt geen kwijtschelding worden verleend.
Artikel 13. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 14. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2022’ van 13 december 2021, wordt
ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening rioolheffing 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 06. Verordening_afvalstoffenheffing_2023.docx
Verordening afvalstoffenheffing 2023
De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022;
gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2023’
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.
Artikel 2. Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar
afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 3. Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten
aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.1 De belasting bedraagt per perceel, ongeacht de wijze van aanbieding, per belastingjaar: 1.1.1 indien het perceel wordt gebruikt door één persoon: € 179,15 1.1.2 indien het perceel wordt gebruikt door twee of meer personen: € 269,25 1.1.3 Per inworp € 1,48
1.2 De belasting als bedoeld in onderdeel 1.1 wordt vermeerderd voor het op 1 januari van het
belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van:
- een éxtra grijze container, bestemd voor de overige huishoudelijke afvalstoffen, per container met: € 90,00.
- een extra groente-fruit- en tuinafval-container (hierna gft-container) is gratis, een tweede extra gftcontainer: € 90,00.
Artikel 5. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 6. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.
Artikel 8. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen
worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 9. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van de in artikel 1 genoemde belastingen.
Artikel 10. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2022’ van 13 december 2021,
wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening afvalstoffenheffing 2023.’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 07. Verordening_precariobelasting_2023.docx
Verordening precariobelasting 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 228 van de Gemeentewet; besluit;
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2023’.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. seizoen: de periode van 1 april tot 1 november; b. winterseizoen: de periode van 1 november tot 1 april; c. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.
Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van
voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening.
Artikel 3. Belastingplicht 1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde
gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
Artikel 4. Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De precariobelasting wordt geheven naar het aantal ingenomen vierkante meters grond ten behoeve van een terras of aankleding hiervan: a. per seizoen € 54,15; b. per Winterseizoen € 10,60. 2. voor de berekening van het te betalen bedrag wordt een gedeelte van een eenheid of periode als een volle eenheid of periode gerekend.
Artikel 5. Wijze van heffing De precariobelasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 6. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen
worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 7. Ontheffing Indien voor de berekening van de belasting uitgegaan is van een winterseizoen of seizoen en aannemelijk wordt gemaakt dat het belastbare feit zich slechts gedurende een gedeelte van deze periode heeft
voorgedaan kan op schriftelijk verzoek ontheffing worden verleend. Voor het zoveelste gedeelte van het voor dat seizoen verschuldigde deel als er in dat seizoen, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 10. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2022’ van 13 december 2021,
wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening precariobelasting 2023.’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 08. Verordening_forensenbelasting_2023.docx
Verordening forensenbelasting 2023 De raad van de gemeente Elburg; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 223 van de Gemeentewet; besluit;
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2023’.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.
Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam 'forensenbelasting' wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen,
die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 3. Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, waarvan hij het lidmaatschap
bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.
Artikel 4. Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die
voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld.
2. In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde in het economisch verkeer.
3. De belasting bedraagt bij een heffingsmaatstaf van: a. minder dan € 60.000 € 250,00; b. € 60.000 of meer, doch minder dan € 80.000: € 475,00;
c. € 80.000 of meer, doch minder dan € 110.000: € 620,00; d. € 110.000 of meer, doch minder dan € 150.000: € 820,00; e. € 150.000 of meer, doch minder dan € 200.000: € 1.208,70; f. € 200.000 of meer, doch minder dan € 500.000: € 1.449,90; g. € 500.000 of meer: € 1.650,00.
Artikel 5. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 6. Wijze van heffing 1. De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. 2. De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.
Artikel 7. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 10. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van een forensenbelasting 2022’ van 13 december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening forensenbelasting 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 09. Verordening_reclamebelasting_2023.docx
Verordening reclamebelasting 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 227 van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2023’.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder; - Reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg;
- Onroerende zaak: elk afzonderlijk WOZ-object, afgebakend op grond van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken; - Jaar: een kalenderjaar.
Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze
verordening behorende bijlage 1, een directe belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg.
Artikel 3. Belastingplicht De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak, ten behoeve waarvan één of meer reclameobjecten worden aangetroffen.
Artikel 4. Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor: a. een openbare aankondiging door publiekrechtelijke rechtspersonen gedaan in de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak;
b. een openbare aankondiging die uitsluitend dient ten behoeve van de regulering van het verkeer over openbare land- en waterwegen;
c. een openbare aankondiging aangebracht door een politieke partij en die een ideëel belang dient;
d. een openbare aankondiging die onderdeel uitmaakt van voor de verkoop of verhuur bestemde artikelen of producten in een etalage of in een winkel;
e. een openbare aankondiging bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig is in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of verhuren onroerende zaak;
f. een openbare aankondiging aangebracht op scholen, zorginstellingen, musea en kerken die betrekking hebben op de functie van de onroerende zaak.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1.
De reclamebelasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelasting
2.
Indien geen heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelasting aanwezig is, wordt deze geschat
3.
betreffende het gebruik zoals die voor het belastingjaar is vastgesteld. naar de waarde in het economisch verkeer.
De belasting wordt geheven per onroerende zaak.
Artikel 6. Belastingtarief 1. De belasting bedraagt bij een heffingsmaatstaf van: a. minder dan € 120.000 € 297,00; b. € 120.000 of meer, doch minder dan € 150.000 € 442,00 c. € 150.000 of meer, doch minder dan € 180.000: € 595,00; d. € 180.000 of meer, doch minder dan € 215.000: € 705,00; d. € 215.000 of meer, doch minder dan € 400.000: € 860,00; f. € 400.000 of meer: € 1.060,00. 2. Indien de onroerende zaak is gecategoriseerd als een woning op grond van artikel 220a, lid 2 van de Gemeentewet, dan bedraagt de belasting: € 297,00.
3. Indien de onroerende zaak in gebruik is bij een culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichaam met ideële doelstellingen en het reclameobject heeft enkel betrekking op activiteiten die
uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen, dan bedraagt de belasting: € 297,00.
Artikel 7. Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De reclamebelasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over
zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor
zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 10. Termijn van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen
worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 11. Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 13. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2022’ van 13 december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening reclamebelasting 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 10. Verordening_toeristenbelasting_2023.docx