CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-01-14 Toelichting bestemmingsplan Nieuwstadsweg 23 v.1.6.pdf

Raadsvergadering 21 februari 2022, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Nieuwstadsweg 23 Elburg14.365 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

dag-, avond- of nachtperiode. De maximale niveaus zijn berekend op 71, 71 en 66 dB(A) of lager. 1

De dB(A) is de grootheid waarin de sterkte van het geluid in verreweg de meeste gevallen wordt weergegeven zodra het geluid in verband staat met de menselijke waarneming. De reden dat de dB(A) in plaats van een gewone decibel bij geluidsmetingen en geluidsberekeningen wordt toegepast heeft te maken met de gevoeligheid van het (menselijk) oor, die voor de verschillende frequenties van het geluid niet gelijk is.

Daarmee voldoen de langtijdgemiddelde niveaus aan de normen van het Activiteitenbesluit. De maximale niveaus in de dag, avond en nacht voldoen hier niet aan. Als maatregel is een afschermende voorziening berekend van 2.5m hoog langs de oprit. Het scherm is gemodelleerd tot 8m van de rand van de weg (vanwege het uitzicht) en tot in ieder geval voorbij de noordgevel van de loods. Daarmee is ook voor de maximale geluidniveaus te voldoen aan normen uit het Activiteitenbesluit. Conclusie Op basis van deze uitkomsten is aangetoond dat voor de nieuwe woning sprake is van een goed woonen leefklimaat en dat de inrichting niet onevenredig in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Voorwaarde is het afschermen langszij het bijgebouw. In overleg met de bewoners wordt invulling gegeven aan de maatregel. Geluid van inrichtingen vormt hiermee geen belemmering voor realisatie van het plan. De rapportage van het akoestisch onderzoek naar industriegeluid is toegevoegd in bijlage 4.

4.5 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (onderdeel van de Wet Milieubeheer) is het verbeteren van de luchtkwaliteit. Met de Wet wordt aan eisen voldaan en huidige belemmeringen zo veel mogelijk weggenomen voor gewenste ontwikkelingen. De kern van de Wet is in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgelegd. Het NSL wordt door de Rijksoverheid gecoördineerd. Het bevat de ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate’ verslechteren. Ook bevat het maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot verslechtering, hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet (langer) afzonderlijk te worden getoetst. De toetsing vindt plaats op de grenswaarde. Indien sprake is van een dreigende overschrijding van één of meer grenswaarden, bestaat er een toetsingsplicht. Omdat in Nederland alleen de concentraties (lees: fijnstof) PM₁₀ en NO₂ de grenswaarden dreigen te overschrijden, richt de uitwerking van het begrip ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) zich op deze twee stoffen. Een bijdrage aan de concentratie PM₁₀ of NO₂ wordt als “in betekenende mate” (IBM) beschouwd als die bijdrage groter is dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor één van beide stoffen. Een project wordt dus aangemerkt als NIBM als de bijdrage van dat project niet groter is dan 1,2 µg/m3 PM₁₀ én niet groter dan 1,2 µg/m3 NO₂.

In de Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' is een lijst met categorieën van projecten (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Voor woningbouwlocaties geldt dat voor maximaal 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden.

32

Toets Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woning. Verder verminderen de verkeersbewegingen dusdanig met het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten, dat in het plangebied een vermindering van verkeersbewegingen wordt gerealiseerd (zie voor exacte gegevens paragraaf 4.10). Daarmee kan een toets aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Conclusie Er zijn vanuit aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Voor de toetsing is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Beleidsvisie externe veiligheid van belang. 4.6.2 Risicobronnen In de directe omgeving van de gewenste ontwikkeling zijn de volgende risicobronnen aanwezig: Risicobron

PR 10-6 contour

PAG

Belemmeringenstrook

Invloedsgebied

Afstand tot plangebied

Buisleiding

Op de leiding

n.v.t.

5m

170 m

± 500 m

A510-01

33

Provinciale weg:

N.v.t.*

n.v.t.

n.v.t.

355 m

± 500 m

N309

Op de uitsnede van de Risicokaart zijn de risicobronnen als volgt gelegen ten opzichte van de planlocatie:

34

Figuur 14 Uitsnede Risicokaart

Toetsing In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Het plangebied bevindt zich buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6. Het plangebied is niet in de nabijheid gelegen van een weg met een plaatsgebonden risicocontour. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen voor het transport voor gevaarlijke stoffen gelegen.

Conclusie Het milieuaspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.

4.7 Water De waterparagraaf heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het waterbeleid. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. Op 14 februari 2020 is de watertoets uitgevoerd via www.dewatertoets.nl. Aan de zuidzijde van het plangebied grenst de ‘Goorbeek’. De Goorbeek is een A-watergang (WL-207). De bedrijfsbestemming aan de zuidzijde van het perceel wordt verminderd. Er vinden geen fysieke ingrepen langs de watergang plaats. In overleg met Waterschap Vallei en Veluwe kan worden geconcludeerd dat geen vergunning is vereist, zodra er binnen de beschermingszone van de A-watergang geen activiteiten of bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd. De bestemming ‘Wonen’ en de realisatie van het woonhuis, vindt plaats in de beschermingszone B, van de primaire waterkering langs de noordelijke Randmeren. In onderstaand figuur is de ligging van de planlocatie aangegeven: 35

Figuur 15 Uitsnede leggers primaire en regionale waterkeringen (bron: Waterschap Vallei & Veluwe)

Het bouwen van woonhuis in de beschermingszone B is vrijgesteld van de vergunningplicht vanuit het Waterschap (conform algemene regel 3.1.11 van de Algemene Regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013).

Wel zijn (in beschermingszone B) werken met een overdruk van 10 bar of meer, explosiegevaarlijke inrichtingen, seismologisch onderzoek en ontgronding niet toegestaan. Bij een ontgronding moet gedacht worden aan poelen/watergangen. Hierdoor kunnen mogelijk kwelstromen ontstaan. In onderhavig plan is dit niet van toepassing in het plangebied. Voor de realisatie van de in-/uitrit van het woonperceel, is het noodzakelijk om werkzaamheden uit te voeren en een duiker aan te brengen in de beschermingszone A (zie paragraaf 4.10). Daar geldt een vergunningplicht voor (op basis van beleidsregel 3.5.6. ‘Op en afritten op en nabij een waterkering’ van de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013), welke voor de uitvoer en realisatie wordt aangevraagd bij Waterschap Vallei & Veluwe. De duiker zelf is vrijgesteld van vergunningplicht (Algemene regel 3.2.11 van de Algemene Regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013). In de nadere afstemming met het Waterschap Vallei & Veluwe, blijkt dat er in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren of gebieden zijn gelegen, die aangewezen zijn de voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan heeft het Waterschap Vallei & Veluwe voor de voorgenomen ontwikkeling een positief wateradvies gegeven. Wel geldt de algemene zorgplicht bij het aanbrengen van verhard oppervlak.

Dit betekent dat initiatiefnemer zorgvuldig werkt en schade aan het watersysteem voorkomt. De zorgplicht staat in artikel 3.8 van de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013, waar tevens op gehandhaafd kan worden. In bijlagen 5 en 6 zijn de watertoets en de samenvatting van de watertoets toegevoegd. Conclusie Onderhavig plan raakt geen essentiële waterbelangen. Samengevat: • • •

Er is een vergunning nodig voor de op- en afrit in de beschermingszone A, De duiker zelf is vrijgesteld van de vergunningplicht, En het bouwen van het huis in de beschermingszone B is vrijgesteld van de vergunningplicht van het waterschap.

Vergunningplicht voor de uitvoer van werkzaamheden en de aanleg van een duiker is van toepassing. Verder geldt de algemene zorgplicht bij het aanbrengen van verhard oppervlak.

4.8 Ecologie De Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998, zijn vervangen door de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) per 1 januari 2017. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming biedt de grondslag voor de aanwijzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Deze gebieden worden tezamen Natura2000-gebieden genoemd. Ter bescherming van deze Natura2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een

36

vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura2000-gebied kunnen aantasten. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen, geldt de volgende vrijstellingsregeling: • •

een algemene vrijstelling voor algemene soorten; een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode.

Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Onderzoek In februari 2020 zijn de mogelijke effecten op beschermde gebieden als op flora en fauna onderzocht. De rapportage (incl. stikstofberekeningen) is toegevoegd als bijlage 1. 4.8.1 Gebiedsbescherming De planlocatie is gelegen ten zuiden van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. De afstand tussen dit Natura 2000-gebied en de planlocatie bedraagt ongeveer 170 meter. Het tweede dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Veluwe, gelegen op ongeveer 3,8 kilometer van de planlocatie. Verder geldt dat het plangebied is gesitueerd buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk. Het gebied is wel in de Groene Ontwikkelzone (GO) gelegen. Zie voor de duiding figuur 12 (blz. 19). De GO betreft het gebied 139 Randmeerkust (11849 ha). Het is een groot gebied tussen Elburg en Harderwijk en is een overgangsgebied tussen de Veluwe en de randmeren met veel gradiënten (natdroog, voedselarm-voedselrijk, open-gesloten). Er lopen diverse beken en er zijn karakteristieke weidelandschappen en rietmoerassen.

Ontwikkeldoelen voor de GO zijn o.a. ontwikkeling van rietmoerassen, weidevogelgebied, openheid langs de kust en kleinschalige landschapselementen. Toetsing De bedrijfsbestemming neemt aan oppervlakte meer af dan er aan woonbestemming wordt toegevoegd. Een deel van de bedrijfsbestemming wordt weiland en een deel komt bij de woonfunctie.

37

Ook het totaal aan areaal weidegebied neemt dus niet af, maar neemt juist toe. Het gaat om een kleine ontwikkeling van één nieuwe woning (<10% oppervlak). Een deel van de bedrijfsactiviteiten wordt hier beëindigd. Daardoor verdwijnen veel transportbewegingen van vrachtwagens, wat een verbetering van de lokale geluidkwaliteit tot gevolg heeft voor weidevogelgebied. Per saldo heeft het plan daarmee een positief effect op de milieukwaliteit en draagt daarmee bij aan de ontwikkeldoelen van de GO. Gezien het belang van stikstofdepositie, is in separate paragraaf 5.8.2 de invloed van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden toegelicht. 4.8.2 Stikstof De Veluwerandmeren zijn niet gevoelig voor stikstof. De Veluwe heeft wel diverse habitats welke gevoelig zijn voor verzuring. Daarom moet bij nieuwe plannen ook worden bekeken of de plannen leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Er dient beoordeeld te worden of negatieve effecten op de beschermde natuurwaarden – de zogenoemde instandhoudingsdoelen – van Natura 2000-gebieden zijn te verwachten. Toetsing Onderhavig plan voorziet in een nieuwe woning, die ‘gasloos’ wordt uitgevoerd. Voor het aantal transportbewegingen is uitgegaan van 8 per etmaal. Het onderzoek naar de mogelijke effecten, bestaat uit de AERIUS-berekeningen voor onder andere de gebruiksfase.

Daaruit blijkt geen stikstofdepositie boven de 0,00 mol/ha/jaar door de woning. Ook de aanlegfase moet in beeld worden gebracht. Dat bestaat uit het bouwrijp maken van het bouwperceel, de realisatie van een nieuwe woning en de aanleg van een tuin. De uitgangspunten hiervoor zijn opgenomen in de bijlage met AERIUS-berekeningen in de rapportage van het onderzoek (bijlage 1). Op basis van het onderzoek is geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Van het bedrijf wordt een deel van de activiteiten (transport) verplaatst naar elders. Er resteert dan een veel kleiner aantal vrachtwagens. Op basis daarvan is al met zekerheid te stellen dat de realisatie van de woning niet tot een toename van de stikstofdepositie zal leiden. Overige effecten zijn niet aan de orde. Nader onderzoek of een Wnb-vergunning is niet nodig. 4.8.3 Soortenbescherming De soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder zijn alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb) beschermd. Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb.

Onderdeel A van de bijlage betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B van de bijlage verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

38

Toetsing Het plangebied bestaat uit een bedrijf met verharding en een naastgelegen bemest grasland, waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd. Er zijn alleen algemene planten aangetroffen. Er zijn in de huidige situatie geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Gezien het tijdstip zijn deze soorten nu ook niet echt te verwachten. Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater op het perceel is het niet geschikt voor amfibieën en libellen, behoudens een enkele doortrekker. Het plangebied is geen typisch leefgebied voor reptielen. Er zijn verder geen aanwijzingen dat beschermde soorten vlinders aanwezig zijn. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet nodig. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten van zoogdieren aangetroffen of te verwachten, behoudens een enkele doortrekker. Er is gezocht naar aanwijzingen of sporen en mogelijke verblijfplaatsen van (kleine) marters. Deze zijn niet gevonden of te verwachten. Het plangebied zelf is matig leefgebied voor deze soorten. Gezien de situatie ter plaatse zijn verblijfplaatsen uit te sluiten. Er zijn verder geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van andere beschermde zoogdieren.

Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis, en de laatvlieger. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. Ook belangrijke foerageerroutes zijn beschermd. Op basis van de bevindingen ter plaatse (weiland) verdwijnen met zekerheid geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Er vindt door realisatie van de plannen geen aantasting plaats van (potentieel) onmisbare vliegroutes en foerageergebied. Er is als gevolg van de beoogde ingrepen geen schade te verwachten voor vleermuizen. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor zoogdieren niet nodig. Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Tijdens het bezoek zijn de volgende vogels rond het gebied gehoord en/of gezien: merel, ekster, buizerd, witte kwikstaart en houtduif. Het gebied is onderdeel van het weidevogelgebied.

De kans dat weidevogels in het plangebied gaan broeden is gezien de bestaande verstoring minimaal. Vanuit de zorgplicht is aan te bevelen de rust naar het achterliggende weidegebied in acht te nemen, door geen toegangen te maken tot de weilanden. Er verdwijnen met zekerheid geen vaste jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels.

39

In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijvoorbeeld met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden. Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. 4.8.4 Conclusie ecologie Per saldo geeft onderhavig plan een positief effect op de milieukwaliteit en draagt daarmee bij aan de ontwikkeldoelen van de GO. Er is geen toename van stikstofdepositie met onderhavig plan. Verder is er geen kans op verstoring van beschermde soorten. In het algemeen geldt dat ingrepen in het plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli) zo veel als mogelijk moeten worden voorkomen. Samengevat: het aspect ‘ecologie’ geeft geen belemmeringen voor de uitvoer van onderhavig plan.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan.

40

De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) is in 2007 van kracht geworden. De wet verplicht gemeenten om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met belangrijke archeologische waarden die zich in de bodem kunnen bevinden. De belangrijkste uitgangspunten van de wet zijn: • • •

archeologische waarden moeten zo veel mogelijk in de bodem (in situ) worden bewaard; archeologie moet tijdig worden meegenomen in de ruimtelijke planvorming; de veroorzaker betaalt de kosten van archeologisch onderzoek en noodzakelijke volwaardige opgravingen, voor zover die kosten redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de verstoorder.

Toetsing Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde’. Het plangebied heeft een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten. Dit heeft te maken met de verhoogde ligging van de strook langs de voormalige Zuiderzee en de relatief droogste plek. Bij uitstek was deze verhoogd liggende dekzandrug geschikt voor bewoning. Niet voor niets lag ook de kerk op de deze rug. Vanwege de toenemende dreiging van de Zuiderzee is de kerk uiteindelijk verplaatst naar de stad Elburg. Op 19 november 2019 heeft de regio-archeoloog een memo (bijlage 7) opgesteld voor het plangebied. Vervolgens is op 6 februari 2020 nader aangevuld, dat slechts een booronderzoek noodzakelijk is voor de bestemming ‘wonen’, aangezien de overige verharding niet wordt gewijzigd. Op 20 februari 2020 heeft Synthegra B.V. het rapport van het Inventariserend Veldonderzoek, Karterend booronderzoek opgeleverd. Op 24 maart 2020 heeft de regio-archeoloog laten weten de rapportage te onderschrijven en nader onderzoek niet noodzakelijk is. De rapportage is toegevoegd in bijlage 8. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In het plangebied bevindt zich geen cultuurhistorisch waardevolle of monumentale bebouwing.

Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. De hoge archeologische verwachting kan op grond van de resultaten van het veldonderzoek naar laag worden bijgesteld, voor de beoogde bestemming ‘Wonen’ in het plangebied. Vanzelfsprekend blijft de wettelijke meldingsplicht bestaan. Indien tijdens de werkzaamheden een (mogelijke) archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de minister. Uit praktisch oogpunt kan een dergelijke toevalsvondst bij de gemeente worden gemeld.

41

4.10 Verkeer en parkeren Met de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten, neemt de verkeersintensiteit enorm af. Daarmee vormt de voorgenomen ontwikkelingen een positieve ontwikkeling voor de verkeersbelasting van de Nieuwstadsweg. De verkeersgeneratie van de te realiseren woning (volgens CROW publicatie-317 maximaal 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal) valt daarmee in het niet. In de onderstaande tabellen wordt een beeld gegeven van de huidige verkeersintensiteit (op basis van waarneming nazomer 2019 gedurende planvorming) en een indicatie van de verkeersintensiteit in de beoogde situatie.

42

In de huidige situatie is het gebruik van motorvoertuigen (1 = 1 beweging. M.a.w. vice versa = 2 in onderstaande tabel) als volgt: Huidige situatie (mobiliteit) Bezoek klanten en leveranciers per auto, bromfiets of snorfiets

Maandag 2

Dinsdag 2

Personeel per auto, bromfiets of snorfiets

20

20

20

20

20

Tanken eigen transportcombinaties welke gestald staan in Doornspijk Wassen eigen transportcombinaties welke gestald staan in Doornspijk

6

6

6

6

6

0

0

0

0

0

Laden, lossen en bonnen transportcombinaties Levering brandstof tankauto leverancier Levering bestelbus/personenauto door leveranciers Leveringen door leveranciers - kleine vrachtwagen Transport verreikerverhuur Tractoren met werktuigen

50

50

50

50

50

2

0

2

0

2

0

2

0

2

0

0

0

0

0

0

0

2

4 Nb

4 Nb

4 Nb

4 Nb

4 Nb

2 Nb

Mobiele kraan

2

0

2

0

2

0

Overig

Woensdag Donderdag 2 2

Vrijdag 2

Zaterdag Opmerking 2 Vertegenwoordigers leveranciers. Verder komen af en toe klanten langs. Vanuit de praktijk gemeten, wordt er uitgegaan van gemiddeld 1 per dag. 24 Betreft medewerkers loonwerkbedrijf en kantoor. Chauffeurs rijden vanuit/naar nieuwe locatie. 0 Alle combinaties worden getankt aan de Nieuwstadsweg (gemiddeld 2 keer per week). 14 Zaterdags wordt heen-en-weer gependeld tussen standplaats Doornspijk en Nieuwstadsweg voor het wassen. 10 Uitvoer bedrijfsactiviteiten 43 0 Gemiddeld 3x in de week leveren. Gemiddeld 2x per week

Loonwerkbedrijf Van het Goor beschikt over meerdere tractoren en werktuigen voor de dienstverlening van het loonwerk. Sterk afhankelijk van seizoen en werkzaamheden. Mobiele kraan wordt voor loonwerk ingezet. De kraan wordt bestuurd of getransporteerd naar werklocatie. Overige, niet voorziene vervoersbewegingen.

In de beoogde situatie is er sprake van vermindering van het aantal verkeersbewegingen, ten opzichte van de huidige situatie. De aanname is als volgt: Beoogde situatie (mobiliteit) Bezoek klanten en leveranciers per auto, bromfiets of snorfiets

Maandag 0

Dinsdag Woensdag Donderdag 2 0 2

Vrijdag

Zaterdag Opmerking 0 2 Vertegenwoordigers leveranciers. Verder komen af en toe klanten langs. Aangezien bedrijfsactiviteiten worden verplaatst, wordt er uitgegaan van gemiddeld 0,5 per dag. 10 20 Betreft medewerkers loonwerkbedrijf en kantoor. Chauffeurs rijden vanuit/naar nieuwe locatie.

Personeel per auto, bromfiets of snorfiets

10

10

10

10

Tanken eigen transportcombinaties welke gestald staan in Doornspijk Wassen eigen transportcombinaties welke gestald staan in Doornspijk Laden, lossen en werkplaats transportcombinaties

0

0

0

0

0

0 Transportcombinaties tanken op nieuwe locatie.

0

0

0

0

0

2

2

2

2

2

Levering brandstof tankauto leverancier Levering bestelbus/personenauto door leveranciers Leveringen door leveranciers - kleine vrachtwagen Transport verreikerverhuur Tractoren met werktuigen

0

0

0

0

2

0 Transportcombinaties worden gewassen op nieuwe locatie. 2 Uitvoer bedrijfsactiviteiten. Het zal af en toe voorkomen dat er goederen worden geladen of gelost. 44 0 Gemiddeld 1x in de week leveren.

0

2

0

2

0

0 Gemiddeld 2x per week

0

0

0

0

0

1

4 Nb

4 Nb

4 Nb

4 Nb

4 Nb

Mobiele kraan

2

0

2

0

2

2 Nb Loonwerkbedrijf Van het Goor beschikt over meerdere tractoren en werktuigen voor de dienstverlening van het loonwerk. Sterk afhankelijk van seizoen en werkzaamheden. 0 Mobiele kraan wordt voor loonwerk ingezet. De kraan wordt bestuurd of getransporteerd naar werklocatie.

Overig

Overige, niet voorziene vervoersbewegingen.

De totalen van de huidige situatie en beoogde situatie zijn als volgt: Overzicht Huidige situatie Beoogde situatie Effect

Maandag 86 18 -68

Dinsdag 84 20 -64

Woensdag Donderdag 86 84 18 20 -68 -64

Vrijdag 86 20 -66

Zaterdag Opmerking 54 27 -27

Op basis van weekgemiddelden wordt een vermindering van 357 verkeersbewegingen per week verwacht, door de verplaatsing van een gedeelte van de bedrijfsactiviteiten.

45

Het perceel met de woonbestemming dient een in-/uitrit te krijgen op de openbare weg (Nieuwstadsweg). Het bedrijfsperceel kent twee in-/uitritten. De in-/uitrit aan de westelijke zijde, betreft een oprit die enkel gebruikt wordt voor het loonbedrijf (landbouwverkeer). Daarmee is de intensiteit laag. De bestaande inrit (voor de bedrijfswoning; zie 1 in figuur 16) is afgesloten voor verkeer anders dan personenauto’s, door versmalling middels palen. De nieuwe inrit wordt ingepast, door de huidige in-/uitrit van het bedrijfsperceel aan de westelijke zijde (zie 2 in figuur 16) te verbreden. Vanuit de landschappelijke inpassing, worden beide inritten gedeeltelijk gescheiden door een (lage) haag. Voor de realisatie is een duiker noodzakelijk tussen het beoogde woonperceel en de Nieuwstadsweg. In onderstaand figuur wordt de toegang tot het perceel schetsmatig weergegeven:

1

2 3

Figuur 16 Aanduiding ontsluiting percelen Nieuwstadsweg (ondergrond/plankaart: leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe)

Voor de aanleg en realisatie wordt een vergunning aangevraagd. Het betreft een C-watergang. Conform de Algemene Regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe (hierna: de regels behorend bij de Keur), dient een nieuwe (dam met) duiker minimaal 10 meter van een bestaande dam met duiker worden aangelegd. De aan te leggen duiker wordt in het verlengde van de bestaande duiker gerealiseerd. De bestaande duiker heeft een lengte van ca. 10,5 meter. De duiker in de beoogde situatie heeft een maximale lengte van 20,0 meter (inclusief de bestaande duiker), conform de regels behorend bij de Keur. Conform het Programma van Eisen voor de openbare ruimte van de gemeente Elburg, wordt de uitweg (inrit) van/naar het woonperceel 3,0 meter breed (standaard). Indien noodzakelijk, wordt in de uitwerking de inrit maximaal 5,0 meter breed, wanneer het perceel niet goed toegankelijk is met een standaard inrit.

46

Op basis van de Parkeernota 2014 is de norm van 2,5 parkeerplaatsen per vrijstaande woning van toepassing. Het onderhavig plan voorziet in 1 nieuwe vrijstaande woning in de woonfunctie. Dit heeft als gevolg dat er minimaal 3 parkeerplaatsen dienen te worden opgenomen in de woonfunctie. In het plangebied met functie ‘wonen’ is voldoende ruimte om de woning, voor de realisatie van 3 parkeerplaatsen. Uitgangspunten Vanuit het boven beschreven beleid en de vertaling naar het plangebied, geldt als uitgangspunt dat de bestaande in-/uitritten van het bedrijfsperceel worden gehandhaafd. De westelijk gelegen uitrit wordt verbreed en gedeeltelijk gescheiden door de inpassing met een (lage) haag. Voor de realisatie is een (dam met) duiker noodzakelijk. De bestaande duiker wordt verlengd tot een maximale lengte van 20,0 meter. In de woonbestemming in het plangebied wordt ruimte geboden voor 3 parkeerplaatsen.

4.11 Kabels en leidingen Mogelijk zijn er planologisch relevante kabels en leidingen in of nabij het plangebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: • • •

buisleidingen met een externe veiligheidszone, bovengrondse hoogspanningslijnen en overige leidingen.

De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk, indien bovengrondse hoogspanningsleidingen gesitueerd zijn in of nabij het plangebied. Voor de overige leidingen bepaalt de gemeente Elburg of deze planologisch relevant zijn. Toetsing Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. In paragraaf 5.6 is daarop nader ingegaan. Bovengrondse hoogspanningsleidingen zijn niet in de directe nabijheid van het plangebied gelegen. De dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningslijn kent een spanning van 150 kV (kilovolt). In figuur 17 zijn de dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningslijnen in beeld gebracht. De magneetvelden rond een hoogspanningslijn kunnen effect hebben op de gezondheid van omwonenden. Volgens de informatie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een magnetisch veld tot een afstand van circa 150 meter van het hart van de hoogspanningsleiding merkbaar. Het plangebied ligt op meer dan 5 kilometer van de dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningsleiding. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen door bovengrondse hoogspanningsleidingen.

47

48

Figuur 17 Uitsnede Netkaart met globale aanduiding plangebied (bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, onder verantwoording van Tennet; versie 3, 27 juni 2019)

Voor de overige leidingen bepaalt de gemeente Elburg of deze planologisch relevant zijn. Voorafgaand de werkzaamheden en aanleg dient initiatiefnemer een KLIC-melding uit te voeren. KLIC staat voor Kabels en Leidingen Informatie Centrum. Sinds 1 oktober 2008 zijn gravers (grondroerders) verplicht om bij elke mechanische grondroering een KLIC-melding te doen. Dat is vastgelegd in de WIBON (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken), ook wel grondroerdersregeling genoemd. Het doel van de WIBON is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. Conclusie Relevante buisleidingen met een risico voor de externe veiligheid zijn toegelicht in paragraaf 5.6. Er zijn geen belemmeringen vanuit bovengrondse hoogspanningsleidingen. Verder bepaalt de gemeente Elburg voor de overige leidingen of deze planologisch relevant zijn. Voordat er graafwerkzaamheden plaats vinden, dient initiatiefnemer een KLIC-melding uit te voeren.

5. Wijze van bestemmen 5.1 Algemeen De wijze van bestemmen, geeft weer hoe het beleid en ook de ruimtelijke en milieutechnische randvoorwaarden zijn vertaald naar de verbeelding en regels. De verbeelding en regels vormen het juridische deel van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels met betrekking tot het gebruik gekoppeld. De toelichting geeft daarbij een weergave van de beweegredenen, onderzoeksresultaten en beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voor dit plan is bij het opstellen van de regels (zoveel als mogelijk) aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2012, actualisatie 2018' van de gemeente Elburg.

5.2 Opbouw regels De regels bestaan uit de volgende onderdelen: ➢ ➢ ➢ ➢

Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

De inleidende regels bevatten begripsomschrijvingen en de wijze van meten. In de bestemmingsregels zijn de regels bij de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. De algemene regels zijn op alle onderdelen van het plan van toepassing. Tot slot bevat het plan overgangsregels en een slotregel die de naam van het plan vastlegt.

5.3 Toelichting op de regels In het bestemmingsplan komen zowel enkelbestemmingen voor als dubbelbestemmingen. Hierna is een korte toelichting op de bestemmingen weergegeven. Agrarisch met waarden (Artikel 3) De bestemming 'Agrarisch met waarden' bevat alleen een gebiedsbestemming. Er is ten behoeve van deze bestemming geen bouwvlak opgenomen. De bestemming ‘agrarisch met waarden’ in het plangebied vervangt immers gedeeltelijk de bedrijfsbestemming. Dit betekent dat de gronden enkel agrarisch gebruikt mogen worden, zonder dat er gebouwen mogen worden opgericht. Zo zijn de mogelijkheden voor bedrijfsvoering passend in de beoogde situatie en in balans met de toe te voegen woonbestemming.

49

Bedrijf (Artikel 4) De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen (bedrijfswoning) en het exploiteren van een bedrijf, zoals toegestaan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Tevens kunnen specifieke aanduidingen gelden, in geval van voorliggende ontwikkeling de aanduiding ‘agrarisch hulpbedrijf’. De bedrijfsbestemming houdt de mogelijkheden tot bedrijfsvoering intact. In de bestemming is het intrekken van de bestaande rechten voor mestopslag niet mogelijk, wat middels het intrekken van de omgevingsvergunning plaats heeft. Groen - Landschappelijke beplanting (Artikel 5) De voor 'Groen - Landschappelijke beplanting' aangewezen gronden zijn bestemd voor de ontwikkeling en de instandhouding van landschappelijke beplanting, voorzieningen voor de waterhuishouding, de bestaande verharding en de bestaande in- en uitritten. Met de toevoeging van de bestemming ‘groen’ wordt de gewenste landschappelijke inpassing mogelijk gemaakt, zonder extra oppervlakte aan woonbestemming of bedrijfsbestemming te creëren of saneren. Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde (Artikel 6) De locatie ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Om deze reden is op een deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde' van toepassing.

Het onderzochte gebied (de woonbestemming) is uitgesloten van de dubbelbestemming, naar aanleiding van het uitgevoerde archeologisch onderzoek. Wonen (Artikel 7) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en aan huis verbonden beroepen. Hier mogen de woningen en de bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Voor de maatvoering en bouwregels van de woning wordt aangesloten bij de regels van bestemmingsplan Buitengebied 2012, actualisatie 2018. De goot- en bouwhoogte is nader geregeld in bouwregels. De woonbestemming is noodzakelijk voor de realisatie van de nieuwe woning in onderhavig plan. Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en het overgangsrecht. Ook is hierin geregeld dat er 10% afgeweken mag worden van de in het bestemmingsplan opgenomen maten, afmetingen en percentages (onder bepaalde voorwaarden). Deze min of meer standaard regels in bestemmingsplannen worden verder niet toegelicht.

50

6. Economische uitvoerbaarheid Het plan wordt op eigen grond en voor rekening en risico ontwikkeld door initiatiefnemer. Het plan wordt gefinancierd middels bedrijfs- en privékapitaal. Het huidige vergunde recht en de te verplaatsen bedrijfsactiviteiten hebben een waarde in de bedrijfsvoering van Van het Goor. Om die reden wordt een tweede woning ter plekke van Nieuwstadsweg 23 mogelijk gemaakt. Dit is noodzakelijk voor de financiële haalbaarheid. Het agrarisch perceel van Van het Goor neemt namelijk in waarde toe wanneer een woning kan worden gerealiseerd, wat een onderpand is in de financiering voor de verwerving van een eventuele nieuwe locatie en de verplaatsing van activiteiten. Er bestaan geen financiële gevolgen voor de gemeente Elburg. De gemeente verleent haar medewerking door het voeren en begeleiden van de benodigde bestemmingsplanprocedure. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Elburg is een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin worden/zijn afspraken vastgelegd die niet in een bestemmingsplan kunnen worden geregeld, zoals het intrekken van de omgevingsvergunning voor de opslag van mest, het kostenverhaal en de tegemoetkoming in (plan)schade.

51

7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Inspraak Voor de totstandkoming en in de concretisering van de plannen zijn er twee buurtbijeenkomsten georganiseerd, op donderdagmiddag 29 november 2018 en op maandagavond 22 juli 2019, mede met het oog op de verkeersveiligheid rondom de Nieuwstadsweg en de Flevoweg. Bij de bijeenkomsten was een vertegenwoordiging van de ambtelijke organisatie en het college van de gemeente Elburg. Tevens zijn diverse stakeholders (zoals het Waterschap en de VVV) uitgenodigd en aanwezig geweest dan wel is het gesprek gevoerd (zoals de Natuur- en Milieucoöperatie Randmeerkust). Voor de buurtbijeenkomst zijn bewoners (per post of e-mail) uitgenodigd die wonen aan de Nieuwstadsweg, Veldweg (gedeeltelijk), Nieuwstadspad en Parallelweg. Tijdens de bijeenkomst van 22 juli 2019 is een presentatie gegeven van de stand van zaken rondom de verkeersveiligheid. Tevens is ruim stil gestaan bij de voorgenomen plannen van Van het Goor, om een deel van de bedrijfsactiviteiten te verplaatsen en een woonhuis aan de westelijke zijde van het bedrijfsperceel te realiseren. Na de bijeenkomsten hebben de inwoners een verslag ontvangen van de bijeenkomsten. In bijlage 9 is het verstrekte verslag van de buurtbijeenkomst van 22 juli 2019 toegevoegd.

Tevens zijn de buurtbewoners op 13 november 2019 per brief of e-mail geïnformeerd over de te starten procedure, voorafgaand de agendering/bespreking in de commissievergadering RO van de gemeente Elburg. Het onderhavige plan is uitgewerkt na de overeengekomen intentieovereenkomst tussen de initiatiefnemers (familie Van het Goor) en het bevoegd gezag (Gemeente Elburg). De intentieovereenkomst is reeds in de raadscommissie (beperkt) besproken na vragen van één van de raadsfracties. Er is dan ook besloten om van een voorontwerp af te zien en het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, uiteraard wel met behoud van de mogelijkheid tot het eventueel indienen van zienswijzen.

7.2 (Voor)overleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is vereist in art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg wordt gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Nieuwstadsweg 23’ heeft vanaf ...... gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar te maken (artikel 3.8 Wro). Gedurende deze periode zijn ..... zienswijzen ingediend.

7.4 Vaststelling De raad van de gemeente Elburg heeft op ........ het bestemmingsplan (on)gewijzigd vastgesteld.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=c487f2e2-449f-4beb-90d8-8af2673b2ca5