05 Bijlage Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. In het onderzoek is uit gegaan van een 'rustige woonwijk'. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van het garagebedrijf bedraagt ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 42 dB(A) in de dagperiode (42 dB(A) etmaalwaarde). Hiermee wordt voldaan aan de standaard normstelling van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en aan de richtwaarde van 45 dB(A) voor een 'rustige woonwijk' uit stap 2 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Maximaal geluidniveau Het maximaal geluidniveau (LAmax) ten gevolge van het garagebedrijf ter plaatse van de nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 63 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt voldaan aan de standaard normstelling van 70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en aan de richtwaarde van 65 dB(A) voor een 'rustige woonwijk' uit stap 2 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Het garagebedrijf is geen belemmering voor de realisatie van de woningen, omgekeerd wordt het garage bedrijf door de woningen niet gehinderd in de bedrijfsvoering.
31
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
4.6.3
Conclusie
Voor het plan wordt de Hogere grenswaarde procedure gevoerd. Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van het plan. Bij de omgevingsaanvraag wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de binnenwaarde van 33 dB.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Algemeen
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling 4.7.2 Onderzoek Er is een Worst-case berekening gemaakt voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit.
In de tabel is er uitgegaan van 8 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert in 40 extra voertuigbewegingen per etmaal. Hierbij is geen rekening mee gehouden dat er in de bestaande situatie ook sprake is van een aantal vervoersbewegingen. Er is op basis van de uitkomsten geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig.
32
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8 4.7.3
Conclusie
Het aspect lucht is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype
Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
33
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8 De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.8.1
Onderzoek
Voor de waarborging van het goed woon- en leefklimaat is aansluiting gezocht bij de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van 2009. Tevens is onderzocht of het plan "met het oog op bestaande geluidrechten" van de inrichting in haar omgeving kan worden ingepast. De afstand van de inrichting tot de woningen binnen de planontwikkeling bedraagt circa 24 meter. Hiermee wordt de richtafstand van 30 meter niet gerespecteerd. Om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van het garagebedrijf ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen (zie paragraaf.4.6.2). Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de woningen. 4.8.2
Conclusie
Dit aspect is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
34
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8 Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.9.2
Onderzoek
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart Uit de risicokaart blijkt: Transport over het water, weg en spoor Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een water, weg of spoor, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Buisleidingen Op afstand van het plangebied bevindt zich een gasleiding (zie afbeelding 4.2). Tabel Leidinggegevens Buisleiding
Diameter
Druk
100 % letaliteitsafstand
1 % letaliteitsafstand Afstand plangebied
N-570-01
324 mm
66,2 bar
80 m
170 m
tot
ca. 350 m
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied niet binnen de letaliteitsafstanden van de buisleiding ligt. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen derhalve geen aandachtspunt voor het planvoornemen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Inrichtingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. 4.9.3
inrichting.
Een
Conclusie
35
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8 Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1 Algemeen Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen. 4.10.2 Onderzoek Verkeer De woningen zullen voor een lichte toename van het aantal verkeersbewegingen zorgen. Bij een gemiddelde van 8 vervoersbewegingen per woning per etmaal, worden er 40 bewegingen per dag gegenereerd. Bij een spitsuur-gemiddelde van 10%, leidt dit tot een extra verkeersbeweging van 1 auto per 15 minuten. Dit is geen probleem voor de omliggende wegen. Parkeren Op basis van de parkeernota van de gemeente Elburg moeten bij appartementen in het middel dure segment per woning 2,1 parkeerplaatsen worden gerealiseerd en in het goedkope segment 1,8 parkeerplaatsen per woning. Dit houdt in dat er voor de 5 appartementen maximaal 10,5 parkeerplaatsen nodig zijn. Zoals uit figuur 4.3 blijkt zijn er 11 parkeerplaatsen aanwezig, waardoor voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernorm.
Figuur 4.3: Overzicht parkeren 4.10.3 Conclusie Verkeer en parkeren zijn geen belemmering voor de realisatie van de 5 appartementen.
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1 Algemeen In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
36
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8 4.11.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen . Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. 4.11.3 Conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting.
Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.12
MER-toets
4.12.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bij-lage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
37
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8 4.12.2 Onderzoek 4.12.2.1
Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming
Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In dit geval gaat het om de ontwikkeling van 5 woningen, welke circa 40 extra verkeersbewegingen met zich meebrengt. Wanneer er verwacht wordt dat er sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Tevens zal er dan een berekening naar de stikstofdepositie benodigd zijn. In dit geval ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden 'Randmeren' op een afstand van circa 0,63 kilometer en de 'Veluwe' op circa 3,58 kilometer. De afstand tot depositiegevoelige Natura 2000-gebieden (inclusief habitatsoorten) is 3,58 kilometer. Gezien de afstand tot het N2000 gebied de Veluwe (3 kilometer buffer), wat stikstof gevoelig is, wordt geen depositie verwacht. De Veluwerandmeren liggen dichterbij. Binnen dit N2000-gebied zijn er geen instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen of soorten met stikstofgevoelig leefgebied. Uit de Aeriusberekening blijkt namelijk dat tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase de grenswaarde van 0,00 mol N/ha/jr niet wordt overschreden. Er is geen natuurvergunning nodig voor de realisatie van het plan (zie Bijlage 5). 4.12.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-procedure. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-procedure. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.
Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.12.3 Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van dit plan.
38
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het plan voorziet in de ontwikkeling van meerdere woningen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing stelt art. 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor deze procedure geldt afdeling 3.4 van de Awb. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder (art. 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. Participatie Initiatiefnemer heeft in juli 2021 de plannen besproken met de omgeving en hiervan een verslag gemaakt, welk als Bijlage 11 is toegevoegd aan het plan. Uit het participatieverslag blijkt dat het initiatief met de direct omwonenden en belanghebbenden is besproken en dat er geen bezwaren zijn.
39
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
40
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Hoofdstuk 6
Conclusie
Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarmee 5 woningen mogelijk worden gemaakt, in afwijking van het bestemmingsplan. Afweging Dit project voorziet in de realisatie van 5 woningen. De ontwikkeling draagt niet bij tot het verslechteren van het woonklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. In de beoogde situatie is dan ook sprake van een verantwoorde milieusituatie. Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel provinciaal als gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
41
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
42
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlagen
43
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
44
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 1
Welstandsadvies
45
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
46
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
47
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
48
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 3
Watertoets
49
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
50
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 4
Quickscan natuurtoets
51
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
52
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 5
Stikstofonderzoek
53
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
54
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 6
Huismusonderzoek
55
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
56
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 7
Gierzwaluwonderzoek
57
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
58
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 8
Vleermuisonderzoek
59
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
60
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 9
Akoestisch onderzoek
61
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
62
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 10
Akoestisch industrielawaai
63
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
64
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
Bijlage 11
Participatieverslag
65
Ruimtelijke onderbouwing Nunspeterweg 8
66