CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Totaaloverzicht beantwoording technische vragen

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Coalitieakkoord 2026-203024.318 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1 alinea's met “knoop”: 308

Het voordeel van het betrekken van WIJeindhoven bij verlengingsaanvragen, is dat WIJeindhoven met een brede blik naar de ondersteuningsaanvraag kijkt, goed zicht heeft op de sociale basis en waar mogelijk een onnodige verlenging kan voorkomen of een nodige kan verkorten. Het nadeel is dat dit extra tijd/capaciteit van WIJeindhoven vraagt en zodoende kan leiden tot meer wachttijd voor de jeugdige. *** Meer grip zou ontstaan door te sturen op überhaupt zo min mogelijk verwijzingen naar jeugdhulp via de huisarts (dus niet sec op de verlenging na verwijzing). Wettelijk gezien is deze route nog niet af te sluiten****, maar door werkafspraken en de inzet van de POHJeugd proberen we hier zo dicht mogelijk in de buurt te komen. Ook dit vraagt extra capaciteit van WIJeindhoven, omdat zij hierdoor meer vragen te verwerken krijgen (die anders door de huisarts worden afgedaan of verwezen). Toelichting beantwoording *: Andere routes waar ondersteuningsvragen vandaan komen zijn o.a. WIJeindhoven, kinder- en jeugdartsen en gecertificeerde instellingen (wettelijk aangewezen voor het uitvoeren van jeugdbeschermingsmaatregelen). **: De inzet van de POH-Jeugd is op Eindhovens niveau onderzocht in het Deltaplan Jeugd. Ook in de landelijke Hervormingsagenda Jeugd is de POH-ggz-Jeugd bij de huisarts opgenomen als werkzame maatregel.

37

***: Als jeugdhulp is ingezet na verwijzing van de huisarts, mag die jeugdhulp indicatie eenmaal verlengd worden. Is daarna nogmaals verlenging nodig, dan moet deze aanvraag via WIJeindhoven verlopen. Indien ook de eerste verlenging bij WIJeindhoven belegd wordt, betekent dit dat WIJeindhoven als nieuwe partij betrokken wordt in een lopend behandeltraject. Tot dan toe waren enkel de huisarts, de jeugdige en de jeugdhulpaanbieder betrokken. ****: In het wetsvoorstel reikwijdte lijkt te worden opgenomen dat huisartsen alleen nog kunnen verwijzen naar het lokale team van de gemeente. Dit voorstel ligt landelijk ter consultatie voor.

38

Vraagnummer

24

Vraag De nieuwe aanbesteding jeugdzorg is in 2028 gepland. Dat is een belangrijk moment om te kunnen bijsturen. Welke feitelijke zaken worden in die aanbesteding geregeld - en kunnen dus per die datum bijgestuurd worden? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Op dit moment wordt de regionale inkoop voor 2028 vormgegeven in de jeugdhulpregio Samen voor Jeugd*. De strategie voor deze inkoop wordt samen met de andere gemeenten in deze regio bepaald en is regionaal. Per 2028 worden de volgende zorgvormen opnieuw ingekocht: specialistische jeugdhulp, hoogspecialistische jeugdhulp, (kleinschalig) verblijf en alternatieven voor gesloten jeugdzorg, en Multi. Feitelijke zaken die in een dergelijke aanbesteding geregeld worden zijn onder andere: welke vormen van jeugdzorg worden ingekocht, contractvorm en looptijd, tarieven, financieringsvorm en kostprijsbepaling, monitoring en verantwoording. Dit wordt meegenomen in de op te stellen regionale inkoopstrategie. Sturingsmogelijkheden liggen in het tegelijkertijd oppakken van een aantal bewegingen, die altijd in samenhang met elkaar bezien moeten worden. Naast ‘inkoop’ zijn dat ook andere zaken, zoals opgenomen in het antwoord op vraag 19.1 (vorige vragenronde).

In de nieuwe aanbesteding kan dus worden bijgestuurd op wat er wordt ingekocht en tegen welke voorwaarden en financiering, waarmee niet automatisch gestuurd wordt op ontwikkelingen zoals het omlaag brengen van de vraag (cultuurverandering) en het bevorderen van uitstroom. Toelichting beantwoording *: Samen voor Jeugd is een verplichte regionale samenwerking van tien gemeenten op het gebied van inkoop en transformatie van de jeugdhulp (Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Eersel, Eindhoven, Heeze-Leende, Oirschot, Reusel-de Mierden, Valkenswaard). Bijlagen Meerjarenplan Samen voor Jeugd 2026-2029

39

Vraagnummer

25

Vraag Wat is het verwachte groeipad van de kosten voor de jeugdzorg in de komende jaren, mede op basis van de verwachte groei van het aantal inwoners? Wat is een realistische bandbreedte om de groei van de totale kosten te dempen? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het verwachte groeipad is voor 2026 15 miljoen tekort oplopend naar 20 miljoen in 2027 en 28 miljoen vanaf 2028. Dit is mede gebaseerd op de groei qua inwoners en kosten in de afgelopen jaren. Het (structureel) dempen van de groei in de kosten wordt bereikt door het tegelijkertijd oppakken van een aantal bewegingen, die altijd in samenhang met elkaar bezien moeten worden. In die lijn is vanuit de Koers Sociaal (2)040 de opgave Kansrijk Opgroeien opgesteld. We zien mogelijkheden om breed te sturen op een andere inrichting van het jeugdstelsel. Het is op dit moment niet mogelijk om een bandbreedte te bepalen om de groei van de totale kosten te dempen. Dit omdat diverse ontwikkelingen met elkaar samenhangen en omdat het zichtbaar maken van (duurzame) effecten tijd kost. Dit weten we vanuit ervaring met het Deltaplan Jeugd en van initiatieven bij gemeenten elders in het land. Er is dan ook vooral (bestuurlijk) commitment nodig op het in gang zetten van diverse verandertrajecten met tijd, gerichte aandacht en focus.

40

Vraagnummer

26

Vraag Preventieve maatregelen ten aanzien van jeugdzorg zijn idealiter evidence based. Kan inzicht worden gegeven in maatregelen die hun effect hebben bewezen (bv kraamzorg voor iedereen, weerbaarheidstrainingen)? Welke besparingen zijn er, op termijn (structureel) mogelijk met deze maatregelen? En wat zijn de kosten (incidenteel/structureel) die hiervoor gemaakt moeten worden? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het werken met maatschappelijke businesscases bij (preventieve) jeugdzorg is vanuit het Deltaplan Jeugd (2022 - 2025) in Eindhoven opgewerkt. Een vijftal businesscases bleken zowel inhoudelijk als financieel effect te hebben (zie Tussenevaluatie Deltaplan Jeugd). De lokale subsidieregeling 'PreventiePlus' biedt succesvol gebleken initiatieven de ruimte om te verkennen tot welk maximaal bereik zij kunnen komen (waarbij het rendement nog blijft gelden). Op dit moment zijn er 8 initiatieven actief in de gemeente Eindhoven, waarbij gesteld kan worden dat er een relatie zit tussen investering en opbrengst. Op meerdere plekken waar de gemeente in het sociaal domein opdrachten verstrekt is het opwerken van maatschappelijke businesscases nu onderdeel van gesprek.

Zo wordt in de subsidieregeling Versterken Sociale Basis (VSB) per 2027 toegevoegd dat er een maatschappelijke business case gevraagd wordt aan initiatieven die een aanvraag doen voor het onderdeel ‘preventie jeugd’ in de VSB. Er zijn veel verschillende preventieve maatregelen, die allen een ander doel dienen. Dit maakt het lastig om het in een overzicht te verwerken met daarin de verwachte investering en besparingen. We werken opgavegericht en werken toe naar het verkrijgen van deze inzichten op basis van de businesscases per opgave. Daarnaast is in Deltaplan Jeugd ook duidelijk geworden dat investeringen in preventie niet altijd direct een besparing opleveren, maar waar we van weten dat het wel een maatschappelijk effect heeft. Toelichting beantwoording De 8 initiatieven gesubsidieerd via de Preventie Plus regeling zijn: • POH Jeugd • Kindbehartiger • Buurtgezinnen • Eindje Verder • KOPP/KOV • Kamers met aandacht • Baby Extra • Ouderwijs Bijlagen Tussenevaluatie Deltaplan Jeugd, november 2024.

41

Vraagnummer

27

Vraag Hoe is de samenwerking met de informele zorg (door mensen die dat niet als hun beroep doen) op het gebied van jeugd? Zijn er goede voorbeelden waarbij de informele zorg versterkt kan worden? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het versterken van de informele zorg is één van de elementen die kan bijdragen aan het terugdringen van de vraag naar (en het gebruik van) tweedelijns jeugdhulp. Een goed voorbeeld hiervan is het initiatief Buurtgezinnen (één van de initiatieven genoemd in het antwoord op vraag 26). Naast dat dit inhoudelijk bijdraagt aan de juiste beweging, blijkt er ook financieel rendement. Daarnaast subsidieert de gemeente initiatieven via de subsidieregeling Versterken Sociale Basis (VSB) voor vrijwilligers, waarmee inwoners, gezinnen en jeugdigen met elkaar in contact komen. Voorbeelden zijn onder andere kindervakantieweken en EindhovenMaatjes.

42

Vraagnummer

28

Vraag Scholen zijn belangrijke vindplaatsen voor jongeren. Hoeveel jeugd-jongerenwerkers hebben we nu op scholen? Hoe zijn deze verdeeld over de scholen? En wat kost het als deze op alle scholen zouden zijn en wat levert dit naar verwachting op? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Op de scholen in het basis- en voortgezet onderwijs is een interne zorgstructuur aanwezig. Deze ziet er per school verschillend uit, passend bij de behoeftes van de school en de leerlingpopulatie. Ook is de financiering van de verschillende functionarissen divers: subsidie vanuit de gemeente of middelen uit het Samenwerkingsverband passend onderwijs. Voorbeelden van professionals die een rol (kunnen) hebben in deze zorgstructuur zijn o.a. leerplicht, schoolmaatschappelijk werkers, generalisten van WIJeindhoven, doorstroomcoaches en diverse ondersteuning voor leerlingen en docenten georganiseerd vanuit het Samenwerkingsverband*. Op 6 VO-scholen worden daarnaast jongerenwerkers op school gesubsidieerd door de gemeente. Zij zijn aanwezig tijdens pauzemomenten, kunnen vroegtijdig signaleren en waar nodig doorverwijzen en houden zicht op (zorgelijke) trends onder jongeren. Het is bekend dat jongerenwerk een preventieve werking kan hebben op jeugdhulpgebruik.

De jongerenwerker fungeert als steunfiguur voor de jeugdige en kan waar nodig doorverwijzen naar de juiste ondersteuning in de sociale basis of 1e lijn. In het kader van “ongelijk investeren voor gelijke kansen”** is naar behoefte bepaald op welke scholen het jongerenwerk op school wordt ingezet. Dit dient verder verfijnd te worden op basis van ervaringen van afgelopen jaren, de behoeftes die scholen zien en (indien beschikbaar) data over jeugdhulpgebruik. Vanuit dit leidende principe en opgavegericht werken geldt ook dat er in brede zin een afweging gemaakt moet worden óf jongerenwerk op school een passende maatregel kan zijn voor een school. Belangrijk daarbij is o.a. te bezien wat de bestaande zorgstructuur is, of er ondersteuning gemist wordt, hoe het jongerenwerk daar een bijdrage aan kan leveren en onder welke randvoorwaarden dit succesvol kan zijn. Aangezien het verwachte effect van al deze factoren afhankelijk is, is hier op voorhand geen algemene uitspraak over te doen. Toelichting beantwoording *: deze opsomming is niet uitputtend **: ongelijk investeren voor gelijke kansen is een leidend principe uit de Koers Sociaal (2)040. In 2025 is in totaal €739.000 subsidie beschikt voor de inzet van jongerenwerkers op 6 VO-scholen. Hiervoor is in totaal ruim 3fte jongerenwerk ingezet op de scholen.

De kosten/inzet kunnen sterk verschillen afhankelijk van keuzes die worden gemaakt, zoals intensiteit van de inzet, wat wel en wat niet tot de taken van de jongerenwerker op school gaat behoren e.d.. Maar dit geeft een beeld van kosten en inzet van het afgelopen jaar.

43

Vraagnummer

29

Vraag Welk budget zit er in de stelpost ‘Strategische kapitaallasten’ voor maatschappelijke voorzieningen? Hoe is dit verdeeld over de verschillende deelonderwerpen? Liggen hier al plannen onder? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Onder ‘Fijne en Veilige Wijken’ is vanaf 2027 € 250.000 structureel beschikbaar. Levendige stad: Als onderdeel van het Beethoven convenant hebben we met onze partners in Rijk en Regio afgesproken om te verkennen wat de noodzakelijke investeringen zijn om onze voorzieningen op peil te houden. Na een analyse op het niveau van MRE en gemeente heeft de raad haar wensen en bedenkingen vastgesteld op ons lokale programma voorzieningen. In de begroting wordt bovenop de 1,7 mln structureel uit de kadernota, additioneel 2,7 mln structureel extra gespaard voor deze opgave. Stelpost strategische kapitaallasten: Voor 2026 is dit € 1mln extra, 2027 € 1,7 mln extra, voor 2028 € 2 mln extra en vanaf 2029 € 2,7 structureel extra beschikbaar. De beschikbare middelen vanaf 2029 zijn dan € 4,4 mln. De verdeling per thema staat in de bijlage Strategische kapitaallasten. Naast het budget in de stelpost ‘Strategische kapitaallasten’ voor maatschappelijke voorzieningen zijn er voor Maatschappelijke Opvang flexlocaties (MO/BW) middelen gereserveerd vanuit een ander budget (zie bijlage). Voor de onderliggende plannen zie bijlagen. Bijlagen • •

Bijlage Strategische kapitaallasten Overzicht reservering middelen: Maatschappelijke Opvang flexlocaties (MO/BW)

44

Vraagnummer

30

Vraag Over welke voorzieningen gaat het als we, in het kader van de sociaal maatschappelijke schaalsprong, over sociaal-maatschappelijke voorzieningen praten (cultuur, onderwijs, sport, huisarts etc.)? Graag hierbij inzicht in de opgave per type voorziening. Waar zitten tekorten (in tijd weergegeven)? Welke sturing geven we daarop? Wie heeft hierbij welke rol (denk aan corporaties, verzekeraars, zorgaanbieders zoals huisartsen en ziekhuizen en gemeente) en welke rol nemen partijen hier traditioneel in? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Bij het vaststellen van het programma ‘Stedelijke en Maatschappelijke Voorzieningen’ hebben we de volgende thema’s binnen de definitie laten vallen: Zorg en welzijn, Onderwijs, Sport en Spel, Cultuur/Design en Leisure, Detailhandel, horeca, groene verblijfsplekken (parken). Het aanbod binnen deze thema’s hebben een groot effect op kwaliteit van leven, leefbaarheid, sociale cohesie en gezondheid. We spreken niet over sociaal maatschappelijke voorzieningen, maar we zetten in op voorzieningen met een sociaal maatschappelijke impact. Daarbij gaat het om het effect op mensen en samenleving, niet om de vraag of de gemeente een primaire rol in de financiering heeft. Ongelijk investeren voor gelijke kansen Een gemeente kan bepaalde voorzieningen extra willen stimuleren om diverse maatschappelijke doelen te bereiken.

Door meer te investeren bij situaties waar de opgaven urgenter zijn, vergroten we de kans op sociale gelijkheid. Er zijn verschillende redenen denkbaar waarom we extra zou willen inzetten op de realisatie van voorzieningen. Bijvoorbeeld horeca; in de traditionele zin geen maatschappelijke voorziening, maar een goed functionerende horecastructuur heeft een groot positief effect op sociale cohesie en ontmoeting. Bij disfunctioneren zou het kunnen dat we het geoorloofd vinden om een zwaardere rol te pakken, bijvoorbeeld door stimulerende maatregelen zoals subsidie. Dit onderwerp wordt verder uitgewerkt in de bijlage. Tegelijkertijd zien we ook kans om voorzieningen in een vroeg stadium van de planfase te koppelen met de benodigde sociale programmering, zodat we het maatschappelijk effect van de voorziening versterken. Het gaat dan om bijvoorbeeld realiseren van de voorziening ‘Bibliotoop’, waarbij we op voorhand ook een bedrag voor sociale programmering (activiteiten) inregelen om buurtontmoeting te stimuleren. We investeren hierbij ongelijk voor gelijke kansen, omdat de sociaal maatschappelijke opgaven en daarmee de beoogde effecten per gebied verschillen. Als we ongelijk investeren voor gelijke kansen onderbouwen we dit altijd met data, met betrekking tot de sociaal maatschappelijke schaalsprong gebruiken we hiervoor de monitor Sociaal Maatschappelijke Schaalsprong.

Een andere kans is het werken met een maatschappelijke exploitatie (MEX). We werken hier momenteel nog niet mee. Een MEX is nodig om inzicht te krijgen in de structurele maatschappelijke kosten en baten van het gebied, met name in het zorg en sociaal

45

domein. Een realistische en financieel houdbare MEX vraagt om vroege samenwerking met strategische partners, zoals zorgverzekeraars en woningcorporaties. De opgave, per type, tekorten en sturing is uitgewerkt in de bijlage. Bijlagen Bijlage bij vraag 30: Uitwerking vraag sociaal maatschappelijke voorzieningen

46

Vraagnummer

31

Vraag We nemen bij bepaalde ontwikkelingen als gemeente zelf een rol (bv Pact Woensel Zuid), maar bij andere ontwikkelingen niet. Maken we dit soort afwegingen al in de strategische investeringsagenda? Welke voorbeelden zijn er in het land van het ‘zelf doen’ als gemeente om ontwikkelingen vlot te trekken? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De gemeente ziet nadrukkelijk de urgentie om via gebiedsontwikkeling te sturen op veiligheid, gezondheid en sociale binding. Dat blijkt uit het bestaan van team Sociaal Maatschappelijke Schaalsprong, waarin sociaal-maatschappelijke doelen en de versterking van de sociale basis centraal staan (bijlage B, C). Tegelijkertijd is deze inzet nog onvoldoende verankerd. We zien kans om dit juist wel te doen in integrale sturing, besluitvormingsprocessen en de planvorming van gebiedsontwikkeling en expliciet te koppelen aan de Strategische Investeringsagenda. Op dit moment is dit nog onvoldoende geborgd in de strategische investeringsagenda. Vanaf de begroting 2027 zal ook dit integraal onderdeel uitmaken van de afweging voor de investeringsagenda. In de praktijk nemen we bij sommige ontwikkelingen bewust zelf een actieve rol, zoals bij Pact Woensel-Zuid, om maatschappelijke doelen te realiseren. Bij andere ontwikkelingen gebeurt dit niet.

Deze afweging wordt nu vooral impliciet en per casus gemaakt, terwijl zij strategische sturing vraagt. Voorbeelden van ‘zelf doen’ met vastgoedverwerving in Amsterdam, Rotterdam, Arnhem en Utrecht zijn uitgewerkt in de bijlage (A). Bijlagen Bijlage A: voorbeelden van ‘zelf doen’ Bijlage B: Publieksversie redeneerlijn sociaal maatschappelijke schaalsprong Bijlage C: monitor sociaal maatschappelijke schaalsprong

47

Vraagnummer

32

Vraag Hoofdvraag: Hoeveel extra woningen (zelfstandig en onzelfstandig) kunnen potentieel gerealiseerd worden binnen de bestaande voorraad (bv door splitsen, optoppen)? Deelvragen: 32a: Welke maatregelen/investeringen kan de gemeente nemen om de bestaande voorraad beter te benutten te bevorderen? Welke maatregelen kunnen anderen nemen (Rijk? Corporaties?) om dit te bevorderen? Wat zijn potentiële nadelen hiervan? 32b. Wat hebben we al gedaan? Wat was het resultaat? Zijn er elders goede voorbeelden? 32c. Zijn mantelzorgwoningen in tuinen van mensen ook mogelijkheid om het aantal woningen te versnellen? 32d. Mag dit alles ook binnen de afspraken die met Rijk zijn gemaakt in de Beethovendeal? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Beantwoording hoofdvraag: Beter benutten bevat de hospita-regeling, woningdelen, friendswonen, zacht en hard splitsen, transformeren, benutten leegstand, optoppen, uitplinten, aanplakken. Nog niet alle sporen zijn actief of qua potentie in beeld gebracht.

Enkele cijfers: Uit de rapportage van STEC Groep (uit 2023) waarin de potentie splitsen en optoppen staat beschreven zijn de volgende aantallen potentieel mogelijk, uitgaande van de huidige woonvoorraad in Eindhoven van 116.056 woningen: • Woningsplitsing: 1,8 – 2,2 % van de huidige woningvoorraad = 2.321 potentiële eenheden • Optoppen: 1,75% tot 2% van de huidige woningvoorraad = 2.176 potentiële eenheden Uit het Publieksonderzoek Hospitaverhuur Choice blijkt dat een derde van de Nederlanders een kamer van 12 m2 over heeft die geschikt is voor hospitaverhuur. Verder blijkt dat 8% ook overweegt om hospita te worden. Lokale onderzoeken op bijvoorbeeld optoppen tonen een nóg grotere potentie dan de landelijke rapportages. De daadwerkelijk in te lossen kansen zijn van veel factoren afhankelijk, waaronder regelgeving. Beantwoording deelvragen: 32a. Maatregelen Gemeente: In de Innovatieagenda Wonen zijn interventies opgenomen om Beter benutten van de bestaande voorraad in de gemeentelijke werkwijze te stimuleren. Maatregelen zijn (niet uitputtend) o.a.: 1. Gebiedsgericht Beter benutten onderdeel maken van gebiedskaders en visies en als thema opnemen in prestatieafspraken met corporaties.

48

2. Verruiming omgevingsplan voor o.a. hospitaverhuur, optoppen en andere mogelijkheden beter benutten. 3. Verruiming beleid voor stimuleren Beter benutten (o.a. beleid kamerverhuur/woningsplitsing, woonprogramma, parkeren, CRK, ...), 4. Inzetten van eigen vastgoed (optoppen, leegstand benutten, combinatie met scholen...). 5. Aanstellen van coaches/aanjagers op Beter benutten. 6. Verkennen mogelijkheden (tijdelijk) Beter benutten van lege gebouwen/gebouwdelen, ook van eigen vastgoed. 7. Actieve aanpak optoppen VVE's. Maatregelen Provincie: o.a. subsidies op Beter benutten, kennisdeling, Coördineren van mogelijkheden harmoniseren van beleid op regioniveau (van gemeenten en corporaties) om opschaling en collectieve inkoop (bouwstromen) te vergemakkelijken. Maatregelen corporaties: o.a. versoepeling en harmonisatie van beleid en werkwijzen op Beter benutten, aan de slag met gebiedsgericht Beter benutten, stimuleren hospitaverhuur, investeren in draagvlak en participatie. Maatregelen Rijk: o.a. wetswijziging Hospitaverhuur, versoepeling regels voor VVE bij de instemming bij optoppen, stapelbare subsidies voor gebiedsgericht Beter benutten, mogelijk maken van huurtoeslag op woonplekken/individu i.p.v. op woningen. Potentiële nadelen: De leefbaarheid kan onder druk komen te staan. 32b: In Eindhoven ligt de focus op hospitaverhuur en woningdelen zonder bouwkundige ingrepen.

Het optoppen/uitbuiken en aanplinten wordt nu opgestart. Hiervoor zijn de volgende acties opgepakt: Samenwerking / opdracht voor Platforms Hospitaverhuur en opschaling van Platform Hospihousing naar SGE regio, campagnes, Werkgroep met corporaties woningdelen en hospitaverhuur, Samenwerking met Rijksprogramma Gebiedsgericht Beter benutten waar acties en projecten uit gaan volgen, ontwikkeling VVE aanpak optoppen. Draagvlak en voorbereiding organisatie is in gang. Resultaat: prestatieafspraak 75 eenheden woningdelen in 2026, 100 geregistreerde matches op hospitaverhuur bij Platform Hospihousing op jaarbasis (en dus een onbekend aantal die niet via het platform worden geregistreerd). En 63 woningen zijn via optoppen gerealiseerd, er zitten nu 252 woningen in de pijplijn. Elders goede voorbeelden: - Rotterdam (Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam): extra woningen op bestaande complexen met betere doorstroming - Rheden (Vivare): hoekwoningaanpak met directe woningtoevoeging - het project aanplakken De Horsten in Amersfoort 32c: Ja, iedere maatregel draagt bij. Mantelzorgwoningen zijn mogelijk, maar moeten voldoen aan verschillende eisen. Zo stelt het Besluit Bouwwerken Leefomgeving technische eisen voor mantelzorgwoningen. Daarnaast hebben wij in het omgevingsplan de mogelijkheid opgenomen om een mantelzorgwoning te realiseren.

Ook werken we mee aan wonen (dit zijn dus geen mantelzorgwoningen) in de achtertuinen, mits inpasbaar. Initiatieven hierop melden zich beperkt.

49

32d: Ja, dit mag. Maar voor de aantallen in het Beethoven-convenant tellen alleen de toevoeging van zelfstandige woningen mee. Als er, bij splitsen of optoppen, dus extra adressen ontstaan kunnen we ze meetellen. Andere vormen waar de woonvorm onzelfstandig is, tellen niet mee, tenzij deze voor de doelgroep studenten te labelen zijn. We lopen dus het risico dat een deel niet meetelt. Ter overweging: Een lobby voor het wel mee laten tellen van onzelfstandige woonplekken zou helpen om de gestelde ambities te behalen. Toelichting beantwoording De potentie is afhankelijk van vele variabelen en per gebied: o.a. draagvlak zittende bewoners/gebruikers en omgeving en de financiële haalbaarheid. Aandachtspunt: Gebiedsgerichte aanpak is de aanbeveling om dus juist het draagvlak, de haalbaarheid en de waarde en kwaliteitsverbetering voor de buurt te vergroten. Uitgangspunt moet zijn waarde toevoegen voor zittende bewoners en een herhaalbare schaalbare aanpak ontwikkelen.

50

Vraagnummer

33

Vraag Het realiseren van doorstroom in de woningmarkt is mogelijk een effectieve strategie om voor alle doelgroepen een passende woning te vinden in de stad/regio. Welke maatregelen kan de gemeente nemen om de doorstroom te stimuleren? Welke maatregelen kunnen anderen nemen? Te denken valt aan de doorstroom van senioren uit een eengezinswoning en mensen die willen doorstromen naar een duurdere woning? Welke maatregelen zou het rijk kunnen nemen qua regelgeving? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De gemeente kan mensen ontzorgen bij verhuizing. Dit kan door een financiële vergoeding, het aanstellen van een doorstroomcoach (deze kan hulp bieden bij het zoeken of andere (praktische) hulp leveren). We kunnen afspraken maken met andere partijen om voldoende aantrekkelijke woningen te bouwen, die voldoen aan de behoefte in de buurt. En deze woningen aanbieden aan buurtbewoners. Dat laatste kunnen we privaatrechtelijk afspreken met ontwikkelaars,

maar niet afdwingen.

Denk hierbij aan seniorenwoningen dichtbij, met een tweede slaapkamer en gemeenschappelijke voorzieningen die met participatie van buurtbewoners worden ontwikkeld. Andere partijen kunnen (financiële) drempels verlagen die gepaard gaan met verhuizing (voor corporaties bij verhuizingen van corporatiewoningen naar corporatiewoning) en ook ondersteuning bieden (zoals nu het seniorenpunt dat doet). Uiteraard kunnen zij ook aantrekkelijke woonproducten bieden die mensen verleiden te verhuizen, zoals gewilde ouderenwoningen of extra voorzieningen of extra services in complexen (geclusterde woonvormen). Het Rijk zou een deel van de financiële drempels kunnen wegnemen, denk aan de korting bij samenwonen op de AOW, een lagere overdrachtsbelasting, hypotheekvormen geschikt voor ouderen. De toolkit van Platform31 geeft veel handvaten Toolkit doorstroming senioren | Home | Volkshuisvesting Nederland maar benadrukt ook vooral het belang van een integrale aanpak.

51

Vraagnummer

34

Vraag Is de stikstofproblematiek een beperkende factor voor de woningbouw in Eindhoven? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Tot op heden zijn er geen concrete woningbouwprojecten die niet realiseerbaar zijn vanwege stikstof. Vanwege diverse uitspraken van de Raad van State in de afgelopen jaren heeft het in sommige projecten wel meer tijd gevergd om te kunnen voldoen aan de wettelijke kaders. Voor de toekomstige stedelijke ontwikkeling, zeker met betrekking tot mobiliteitsprojecten en ook economische projecten (zoals de uitbreiding van bedrijventerreinen) maar mogelijk ook de grotere woningbouwprojecten, voorzien we dat dit steeds lastiger zal worden en mogelijk in de toekomst wel kan leiden tot projecten die niet vergunbaar blijken te zijn. Een brede aanpak met ook het scheppen van stikstofruimte rondom het stedelijk gebied is voor de lange termijn nodig. Hierbij is de gemeente ook deels afhankelijk van Rijks- en provinciaal beleid.

52

Vraagnummer

35

Vraag Er zijn 800 vergunningen afgegeven voor de bouw van 3800 woningen waarvan de bouw nog niet gestart is. Welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Na het afgeven van een vergunning duurt het altijd nog enige tijd voordat er daadwerkelijk kan worden gebouwd. Zo is er nog niet altijd sprake van een onherroepelijke vergunning en kan er nog beroep worden ingesteld tegen een afgegeven vergunning. Ook moeten na de afgifte van de vergunning vaak nog contracten worden afgesloten met de beoogde bouwer. Om daadwerkelijk aan de bouw te beginnen moet er sprake zijn van een haalbare businesscase. Externe factoren zoals een stijgende rente, stijging van bouwkosten (bijvoorbeeld in navolging van stijgende energieprijzen), onvoldoende investeringsvermogen bij corporaties en beleggers en het risico van het ontbreken of verlaat zijn van een stroomaansluiting (netcongestie) kunnen een reden zijn dat de bouw vertraagd wordt. Hierdoor kan de tijd tussen een vergunning en de start bouw oplopen.

53

Vraagnummer

36

Vraag Graag inzicht in de aantallen woningen in de ‘pijplijn’ (link naar dashboard)? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Met de publieke woningbouwkaart, die via de website van de gemeente Eindhoven kan worden bereikt, of via Publieke Woningbouw Monitor, wordt inzicht gegeven in de woningen die in de pijplijn zitten. Projecten die nog niet openbaar zijn, worden niet op de kaart getoond vanwege vertrouwelijkheid. De woningen in deze projecten tellen wel mee in het ‘dashboard’, maar deze zijn dus niet als project terug te vinden op de kaart of in het tabblad ‘data’. In onderstaande tabel staat de prognose woningbouwproductie 2026 e.v. vermeld.

54

Vraagnummer

37

Vraag Woning delen is mogelijk ook een optie. Wat is het potentieel hiervoor in Eindhoven? Wat kan er gedaan worden (door wie; gemeente, rijk, corporaties, particulieren?) om dit te bevorderen? Zijn er goede voorbeelden? Er was een pilot om de kostendelersnorm af te schaffen in Eindhoven; wat is de status en wat waren de resultaten? Kan dit structureel gemaakt worden? Zijn er andere goede voorbeelden in Nederland? Wat zijn de plannen van het rijk hierop? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) In Eindhoven spreken we bij “woningdelen” met name over woonconcepten zonder bouwkundige ingrepen (zie hiervoor beantwoording vraag 32). In aanvulling: Samenwonen op proef: Er is geen pilot geweest om de kostendelersnorm in Eindhoven af te schaffen. Wel kunnen sinds april 2025 bijstandsgerechtigden in Eindhoven op proef samenwonen, zonder gevolgen voor hun uitkering. Na maximaal zes maanden maken zij de keuze of ze definitief gaan samenwonen en dus één van de twee woningen opzeggen. Er zijn zes koppels gestart met samenwonen op proef, drie woningen zijn vrijgekomen m.b.v. deze pilot. De pilot is inmiddels beleid geworden. Onder de Pannen: dit is een initiatief om mensen aan tijdelijke woonruimte te helpen. Bijvoorbeeld mensen in scheiding kunnen via Onder de Pannen een kamer huren bij een stadsgenoot.

Voor de verhuurder betekent het verhuren geen korting op de bijstandsuitkering. Het belangrijkste maatschappelijke (en financiële) voordeel is dat deelnemers niet in de eerste- en tweedelijns zorgtrajecten terechtkomen. Sinds 2023 zijn 21 matches tot stand gekomen. Recentelijk heeft in opdracht van het kabinet een onderzoek plaatsgevonden naar de kostendelersnorm en het effect op woningdelen. Er zijn vijf varianten opgesteld. Eén van de varianten gaat over het afschaffen van de kostendelersnorm. Het structurele effect daarvan is 490 miljoen euro extra uitkeringslasten op jaarbasis met een ruwe inschatting dat tussen de 3.900 en 15.200 woningen beschikbaar komen. Voor het volledige onderzoek zie: Verkenning varianten kostendelersnorm en het effect op woningdelen | Rapport | Rijksoverheid.nl

55

Vraagnummer

38

Vraag Is er naast de verdeling koop/huur (onderzoek Companen) ook inzicht in woonbehoeften (bv aantallen eengezinswoningen, studenten-units, seniorenwoningen)? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Inzicht in woonbehoeften is er via twee onderzoeken: Rapportage woononderzoek 2024 (Woononderzoek Companen 2024) En het onderzoek op MRE-niveau: Nieuw rapport biedt scherp inzicht in… | Metropool Regio Eindhoven In het eerste onderzoek zijn ook cijfers te vinden over de verwachtte ontwikkeling van huishoudens van verschillende grootte en leeftijd, zoals 1-persoonshuishoudens AOWleeftijd of ouder, paren met kinderen of eenoudergezinnen. Een huishoudensgrootte staat echter niet meteen gelijk aan een woonvorm, zoals een eengezinswoning (waarmee vaak een grondgebonden woning wordt bedoeld) of een seniorenwoning. Ook over studentenwoningen zijn prognoses te vinden. Ook in het MRE-onderzoek zijn cijfers terug te vinden over huishoudens, zoals gezinnen of alleenstaanden. Het MRE-onderzoek heeft ook een factsheet over de verwachtingen voor Eindhoven, met daarin in figuur 63 en verder bijvoorbeeld de woningbehoefte op verschillende aspecten (zoals prijssegmenten, appartementen zonder lift, nultredenwoningen, ouderenhuisvesting, etc) (Stec-Groep-25.076-Bijlage-Regionalewoningmarktanalyse-en-woonzorganalyse-MRE.pdf)

56

Vraagnummer

39

Vraag Wat betekent de nieuwe wet Versterking volkshuisvesting concreet (bv t.a.v. de percentages betaalbaarheid)? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Als de wet ongewijzigd blijft dan krijgt Eindhoven de instructie om te sturen op minimaal 40% middensegment. En daarnaast, maximaal dat wat nodig is om de regionale 30% sociaal en 2/3 betaalbaar te halen (conform artikel 4.34). In de memorie van toelichting staat vermeld dat we als gemeente maximaal 40% middensegment mogen programmeren. De lokale programmering moet kloppen met de instructie aan de gemeente Eindhoven én de regionale optelsom. Dit is nog een hele puzzel. Hoe streng de minister op meer betaalbaar programmeren gaat zijn is nog niet helder. Wel hebben de betaalbaarheidsambities gevolgen voor het verkrijgen van Rijkssubsidies (zowel bestaande als nieuwe subsidies). Onze huidige ambitie van 85% betaalbaar is het hoogste van Nederland. Als de minister gaat ingrijpen op dit aspect, dan is het waarschijnlijk dat dat binnen onze gemeente zal gebeuren. De minister heeft via de wet deze bevoegdheid.

57

Vraagnummer

40

Vraag Zijn er lokale woningbouw-eisen en/of werkwijzen van de gemeente die volgens bouwende partijen belemmerend werken en zo ja, welke zijn dit (bv mate van detail in anterieure overeenkomsten)? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Deze vraag is uitgezet bij en beantwoord door de afvaardiging van de versnellingstafel die ook een gesprek hebben gehad met de onderhandelaars. • Project-specifieke anterieure overeenkomsten met een hoge mate van detail waardoor een onderhandeling lang duurt en hoge juridische kosten kent. • De Anterieure Overeenkomst wordt in de regel pas gesloten na goedkeuring van een gedetailleerd VOSP. Hierdoor lopen de voorbereidingskosten en de totale doorlooptijd op. Een VOSP op hoofdlijnen en uitwerking tijdens de planologische procedure leidt tot aanzienlijke versnelling. • Hoge plankosten waar geen invloed op kan worden uitgeoefend als het gaat om kwaliteit en kwantiteit. • Het ontbreekt aan integrale toetsing en mandaat bij de projectmanagers. • Het stellen van meer dan de wettelijke eisen, zoals 85% betaalbaar. • Beleid (zoals parkeren en groen) wordt in de uitvoering vaak juridisch hard getoetst. Een meer flexibel toepasbaar beleid zou passender zijn bij de complexe opgave die we gezamenlijk hebben. • Realisatie betaalbare koop wordt belemmerd door eisen gesteld aan toepassing koop-start regeling.

• Vergunningsverlening verloopt traag. Casemanagers zijn nauwelijks bereikbaar voor externen en lijken geen doorzettingsmacht te hebben. Capaciteit van de afdelingen is te laag. • Veel wisselingen in de gemeentelijke teams vertraagt de samenwerking.

58

Vraagnummer

41

Vraag Kan inzicht worden gegeven in welke panden nu leeg staan (woningen, kantoren, maatschappelijk vastgoed) en wat hiervan de belangrijkste oorzaken zijn? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De leegstandsmonitor CBS 2025 geeft aan dat in 2025 in de gemeente Eindhoven 3% van de woningen leeg stond. In een “gezonde” woningmarkt wordt vaak een leegstandspercentage van 3% als gezond beschouwd (dan is er ruimte voor verhuizingen/renovatie). Langdurige administratieve leegstand kan meerdere oorzaken hebben. Het kan gaan om een tweede woning, een woning die deel is van een nalatenschap of een bedrijfswoning met woonfunctie (gecombineerd gebruiksdoel) die alleen bedrijfsmatig gebruikt wordt. Het kan ook gaan om een woning die in een slechte staat verkeert en daarom onverhuurbaar is, of een woning die verbouwd wordt. Tot slot kan er ook sprake zijn van bewoning zonder dat de bewoner zich ingeschreven heeft. Voor panden in eigendom van de gemeente is sprake van 28.205 m2 leegstand (43 panden). Dat is 5,8% van de totale gemeentelijke vastgoedportefeuille (volledig eigendom gemeente). De leegstand bestaat uit 25 woningen, 8 voormalig schoolgebouwen en 10 panden met overige gebruiksfuncties. De leegstaande gebouwen die al in een project zitten voor nieuwe verhuur, of zijn toegewezen aan een nieuwe huurder, zijn niet meegerekend.

De redenen van leegstand zijn: • 7 panden zijn in afwachting van plannen gebiedsontwikkeling • 8 panden zijn in afwachting van sloop i.v.m. gebiedsontwikkeling • 8 panden zijn in afwachting van verkoop (woningen) • 11 panden zijn in onderzoek voor nieuwe verhuur • 6 panden zijn verkocht, maar wachten nog op levering • 3 panden zijn wissellocaties voor onderwijs Voor de 43 panden geldt dat slechts 2 panden geen gebruik hebben en dus volledig leeg staan (onbewoonbaar verklaard). De overige 41 panden zijn via de leegstandsbeheerder in gebruik gegeven en via die weg proberen wij als gemeente in de tijdelijkheid de panden optimaal maatschappelijk in te zetten. Kantoren. Door de gemeente wordt geen structureel overzicht op pandniveau bijgehouden van leegstaand vastgoed in de kantorenmarkt. In de afgelopen 10-15 jaar zijn vraag en aanbod meer in balans gebracht. Zo is ruim 300 duizend m2 getransformeerd naar wonen. (ruim 20% van de totale voorraad aan zelfstandige kantoren). Het betrof hier vooral incourante kantoorgebouwen. De leegstand in de Eindhovense kantorenmarkt is daardoor gedaald naar ongeveer 7,4% in 2025 en concentreert zich op perifere locaties als Flight Forum en Poort van Metz. De actuele vraag van kantoorgebruikers richt zich vooral op hoogwaardige, duurzame kantoren in het centrum en stationsgebied.

Toelichting beantwoording In het kader van de Vrije Motie Leegstandsverordening van 10-2-2026 werken we aan een concept Leegstandsverordening op basis van de best beschikbare wetgeving. Onderdeel van de aanpak is dat onderzoeksbureau Rigo ook de actuele leegstand in

59

beeld brengt. Het is de bedoeling dat de Leegstandsverordening op de agenda staat van de gemeenteraadsvergadering van 6 oktober a.s.

60

Vraagnummer

42

Vraag Het coördinatieteam Wonen van SGE toetst bouwplannen aan de ‘Brainport principes’. Graag een toelichting op deze werkwijze. Wat zijn concrete resultaten van deze toets en wat levert het aan versnelling op als deze stap wordt afgeschaft? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het Afsprakenkader Wonen 2022 geeft aan hoe de negen SGE-gemeenten omgaan met de afstemming van woningbouwplannen. Het biedt kwantitatieve en kwalitatieve kaders. Het coördinatieteam wonen toetst plannen voor nieuwe uitbreidingslocaties vanaf 12 woningen. Plannen voor inbreidingslocaties vanaf 75 woningen in de grotere kernen, waaronder Eindhoven en vanaf 25 woningen in de kleine kernen. Deze plannen worden getoetst aan de 7 Brainport Principes waarmee de kwaliteit van de woningbouwplannen regionaal wordt geborgd. Er wordt een advies opgesteld en voor akkoord voorgelegd aan de wethouders wonen in het SGE. Voor Eindhoven gaat het om een tiental plannen per jaar die hier worden voorgelegd. De doorlooptijd is enkele weken, dit kan mogelijk als 'tijdswinst’ worden bereikt bij afschaffing. Afspraak is dat alle woningbouwplannen, groot en klein, moeten voldoen aan de Brainport Principes, een verantwoordelijkheid van iedere gemeenten.

In 2025 is een evaluatie van het coördinatieteam wonen uitgevoerd waaruit bleek dat we met de huidige werkwijze, het toetsen van plannen voor inbreidingslocaties aan de Brainport Principes, meer doen dan wettelijk vereist is. Enkel de toets op buitenstedelijke woningbouwprojecten is een verplichting. Daarnaast kwam de wens naar voren vanuit de SGE werkgroep ruimte, om ruimtelijke initiatieven buiten stedelijk gebied wél met elkaar af te stemmen en hiervoor een Adviesteam ruimte op te starten. De portefeuillehouders Wonen en Ruimte hebben afgesproken om één coördinatie/adviesteam voor buitenstedelijke ontwikkelingen vorm te geven, op het gebied van Wonen, Werken en Voorzieningen. Hiermee wordt dan voldaan aan de regionale afstemming over buitenstedelijke ontwikkelingen die de provincie Noord- Brabant stelt in haar omgevingsverordening. Er wordt een voorstel voorbereid om de huidige werkwijze aan te passen (juni 2026).

61

Vraagnummer

43

Vraag In Tilburg is de doorlooptijd van vergunningen voor woningbouw relatief kort. Wat is de doorlooptijd In Eindhoven? Wat is er nodig om deze doorlooptijd te verkorten? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De gemiddelde doorlooptijd voor omgevingsvergunningen woningbouw die in 2025 en Q1 2026 zijn afgegeven betrof 134 dagen *1) Wat kan de doorlooptijd verkorten: • Bij een incomplete aanvraag de aanvrager benaderen. Regelmatig missen er bij de ingediende aanvraag stukken of zijn stukken incompleet. De casemanager informeert de aanvrager hierover en moet vervolgens wachten totdat de aanvraag volledig is alvorens er getoetst kan worden. We zijn daarbij afhankelijk van de aanvrager. • Meer aandacht voor de Intake. De Intake ondersteunt initiatiefnemers bij hun aanvraag. De Intake geeft een gedragen advies en zorgt voor een warme overdracht richting de omgevingsvergunning. • Interne advisering op tijd beschikbaar. De casemanagers zijn afhankelijk van interne adviezen op Wonen, Verkeer, Groen. De adviezen kunnen tegenstrijdig zijn. Een goede afweging vraagt extra tijd. Eenduidige kaders verbetert de doorlooptijd. • Capaciteit van de casemanagers en specialisten. Meer capaciteit betekent dat er sneller getoetst kan worden. Toelichting beantwoording *1) De cijfers van gemeente Tilburg zijn ons niet bekend.

We weten niet of zij dezelfde definitie aan ‘doorlooptijden’ en invulling aan het proces geven zoals wij. Een vergelijking is daarom lastig te maken. Vergunningen specifiek voor woningen hebben we niet afzonderlijk geregistreerd. We zijn mede afhankelijk van de registratie van initiatiefnemers. Als zij niet opnemen dat de aanvraag een woningbouwproject betreft, maar slechts een omgevingsvergunning, dan is dit niet meegenomen in de data. De daadwerkelijke doorlooptijd kan dus enigszins afwijken. In het algemeen: de verantwoordelijke sector Intake, Vergunningen, Toezicht en Handhaving (IVTH) is al geruime tijd bezig om het proces te verbeteren en zo de doorlooptijden te verkorten. Zo wordt het proces nogmaals bekeken en bijgeschaafd waar nodig, stimuleert IVTH de initiatiefnemers om de intakeprocedure te doorlopen en informeert initiatiefnemers aan de voorkant over vereisten. Daarnaast koppelen IVTH terug aan de beleidsafdelingen wat er beleidsmatig zou moeten worden geactualiseerd.

62

Vraagnummer

44

Vraag Wat kan de gemeente zelf aanvullend doen boven op de landelijke norm om toch voor 85% betaalbaar te zorgen? Welke invloed heeft de gemeente in samenwerking met de corporaties, zonder daarbij verplichtingen te leggen bij partijen als ontwikkelaars? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De wet regie stelt dat ons beleid en onze regels niet strenger mogen zijn dan de instructie die je als gemeente ontvangt, of dat wat er nodig is voor de regionale opgave. Om toch uit te komen bij een resultaat van 85% betaalbare woningen kunnen afspraken worden gemaakt met de regio waarbij Eindhoven een deel van de betaalbare opgave overneemt van de regio-gemeenten. Dit betekent dat Eindhoven een groter deel van de aandachtsgroep binnen de regio naar zich toetrekt. Aangezien we dan boven de behoefte bouwen die blijkt uit het onderzoek van Companen (2024) en STEC (2025) en we de noodzaak voor een hoger percentage niet kunnen aantonen is er goedkeuring nodig van Rijk en provincie. We moeten er rekening mee houden dat een dergelijke toestemming er niet komt en dat er ofwel direct ingegrepen wordt of dat financiële bijdragen van het Rijk in gevaar komen. In antwoord op de tweede vraag, welke invloed we als gemeente kunnen nemen in samenwerking met corporaties zien wij de volgende aandachtspunten: Gemeenten en corporaties maken afspraken via de prestatie-afspraken.

Daarnaast kan de gemeente de realisatie van woningen door en voor corporaties stimuleren door te sturen op voorwaarden die passen bij het product dat woningcorporaties kunnen leveren. Gemeenten moeten hierbij wel altijd letten op een gelijk speelveld, waarbij ook marktpartijen de mogelijkheid krijgen te voldoen aan de vraag. Ook hebben de subsidieregeling “sociale woningbouw” en Beethoven-subsidies geleid tot versnelling van projecten. Sinds september 2023 werkt het programma Eindhoven Bouwt Door aan het versnellen van de realisatie van sociale huurwoningen door middel van het team SamenWerken. Dit team werkt aan een projectenportefeuille van 15 projecten (ruim 2.000 woningen). De samenwerking wordt door de gemeente en de woningcorporaties als zeer positief ervaren en leidt tot substantiële projectversnelling. De werkwijze van het team wijkt op punten af van de reguliere gemeentelijke werkwijze. Feitelijk betreft het een intensieve, vernieuwende projectaanpak (‘Parallel Plannen’) die op meer corporatieprojecten kan worden toegepast. Daarnaast kan de aanpak worden uitgebreid naar gebiedsontwikkelingen waar de corporaties een belangrijke partner zijn. Door middel van deze werkwijze zorgen we ervoor dat corporaties sneller kunnen opleveren, waardoor het aandeel betaalbaar procentueel toeneemt.

63

Vraagnummer

45

Vraag Graag inzicht in de verdeling van de huidige percentages woningen sociaal, middenhuur en duur in beeld per wijk. Waar zien we grote uitschieters? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Op dit moment hebben wij nog geen antwoord op de exacte verdeling tussen de diverse prijssegmenten van de bestaande huur- en koopwoningen in Eindhoven. Wel kunnen we inzicht geven in de verhouding koopwoningen vs. corporatiehuur - en overige huurwoningen (particulier). Op buurtniveau: https://onderzoek040.nl/viewer?workspace_guid=30642d23-47bd-4696-9d6b020ef8828046 Op wijkniveau: https://onderzoek040.nl/viewer?workspace_guid=e591bdff-d641-4ffa-9d31-1ff0c36d8746 Daarnaast verwijzen we naar de site van de gemeente (kerncijfers – Eindhoven): 20260420_Woningen naar eigendom %. Daarin is een onderverdeling te zien in de verdeling koopwoningen, huurwoningen en corporatiewoningen. Grote uitschieters zijn in deze overzichten in een oogopslag te zien. Zo zijn de wijken met meer dan 50% sociale huur: Ontginning, Halve Maan en Oud Gestel, en de wijken met meer dan 70% koop: Meerhoven en Achtse Molen. NB. In de Raadsbrief Jaarrapportage woningbouwproductie 2025 verwijzen wij naar de motie "Vinger aan de pols" waar werd opgeroepen om meer inzicht te geven in de bestaande woonvoorraad en hoe deze zich verhoudt tot de betaalbaarheid in de buurt.

Hierin vermelden wij dat het niet mogelijk is gebleken om een goed inzicht te verkrijgen in de actuele marktwaarde van alle woningen en in particuliere huurprijzen. Daarnaast is de toezegging gedaan om de informatie die wél beschikbaar is op korte termijn te delen via een raadsavond, zodat we deze data beter kunnen duiden dan via een schriftelijke rapportage mogelijk is.

64

Vraagnummer

46

Vraag Kan je (contractuele) afspraken maken over doorstroom? Dus bijvoorbeeld bij de bouw van een nieuwe woningen (appartementen) in een buurt, de bewoners uit de eengezinswoningen uit die buurt voorrang geven? Wat is ervoor nodig om dat te regelen/stimuleren? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Deze contractuele afspraken kunnen wij slechts maken in privaatrechtelijke overeenkomsten (zoals de Anterieure Overeenkomst, AOK). We kunnen dit niet afdwingen.

65

Vraagnummer Beantwoording openbaar Toelichting

47 Ja

Vraag Netcongestie is potentieel een groot probleem voor de woningbouwproductie en de afspraken voor de Beethoven-deal. Is er een inschatting te maken van de omvang? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Ja, we kunnen op hoofdlijnen aangeven hoe groot het probleem is, al is een exacte uitsplitsing per project nu nog niet mogelijk. In beginsel geldt dat alle woningbouwprojecten die nog niet in aanbouw zijn en waarvoor nog geen zekerheid bestaat over de beschikbaarheid van transportcapaciteit, een reëel risico op vertraging lopen als gevolg van netcongestie. Dit betekent dat potentieel circa 25.000–30.000 woningen tot en met 2033 geraakt kunnen worden. Het gaat om projecten in verschillende fasen van de planvorming, variërend van vergunning verleend tot potentiële planvoorraad (Bron: Woningbouwmonitor van de gemeente Eindhoven). Dit is inclusief het deel dat we versneld willen realiseren onder het Convenant Beethoven.

Toelichting beantwoording De Beethoven-deal heeft meerdere onderdelen, waar wonen er één van is. Daar zitten afspraken in gekoppeld aan ASML maar ook aan de Brainportregio in bredere zin. Binnen de woningbouwproductie heeft de grootschalige woningbouw (NOVEX) een bijzondere status/aandacht bij het Rijk. Hier hangen ook veel maatregelen aan (zoals gebiedsbudget, infra e.d.). Naast de Beethoven-deal is er de Brainportdeal. Gezamenlijk omvatten beide deals circa € 1,8 miljard aan middelen, gekoppeld aan de woningbouwopgave voor KnoopXL en de HOV4/Zuidwest-as. Concreet gaat het om 10.121 woningen met een start bouw in 2030 en 2.935 woningen met een start bouw in de periode 2030–2034. Op dit moment werken we eraan om de exacte consequenties per deelopgave nader in beeld te brengen. Een meer gedetailleerde en gekwantificeerde inschatting kan op dit moment nog niet worden gegeven.

66

Vraagnummer

48

Vraag Het masterplan mobiliteit 2050 is uitgewerkt in de aanpak mobiliteit in balans. Hierin wordt de stad wordt in vier sectoren verdeeld. Ook de aanpak van de ring (ongelijkvloerse kruisingen) is hiervan onderdeel, Hoe ziet de fasering voor de sectorgrenzen eruit? Voor welk deel is er al budget en voor welk deel nog niet? Idem voor de ongelijkvloerse kruisingen. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) VERKEERSCIRCULATIEPLAN: De fasering van het sluiten van de sectorgrenzen is als volgt: sectorgrens Gender in 2029, sectorgrens Dommel in 2030, sectorgrenzen spoor Oost en Kruisstraat 2031. Dekking voor VCP is volledig geregeld. VERBETERPLAN RING: Op 20 mei 2025 heeft de gemeenteraad principebesluiten genomen over zowel kleinschalige maatregelen als een beperkt aantal grootschalige ongelijkvloerse kruisingen. De voorlopige fasering van de grootschalige ongelijkvloerse kruisingen is als volgt: - Ring – Nieuwe Fuutlaan – Tongelresestraat – Hobbemastraat: 2028–2029 - Ring – Geldropseweg – Kanaalzone: 2030–2032 - Ring – Kloosterdreef (zonder uitwisseling): 2033–2036 - Ring – Bonifaciuslaan / Heezerweg / Leenderweg / Aalsterweg: 2033–2036 - Strijps Bultje: verdere uitwerking volgt Voor kleinschalige Ringmaatregelen en voorbereidingen is budget beschikbaar. Voor de realisatie van de ongelijkvloerse kruisingen is nog niet voor alle locaties volledige dekking.

Voor de ongelijkvloerse kruising - Nieuwe Fuutlaan is dekking voor de kapitaallasten beschikbaar in de begroting. Voor de andere ongelijkvloerse kruisingen nog niet. Het college is daarom gevraagd aanvullende middelen te verwerven via strategische investeringen, Kadernota’s en cofinanciering door provincie, Rijk en Europa. Zie ook https://raadsinformatie.eindhoven.nl/modules/19/Raadsvoorstellen/1035304

67

Vraagnummer

49

Vraag De Provincie Noord-Brabant doet de concessies voor het OV. In de presentatie is genoemd dat de concessie voor de regio Zuidoost-Brabant een omvang van ongeveer 60 mln euro bedraagt waarvan ongeveer 30 mln euro vanuit de Provincie Noord-Brabant zelf. Welk deel hiervan heeft specifiek betrekking op de gemeente Eindhoven? Welke opdracht ligt ten grondslag aan de Eindhovense inbreng in de concessie? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Actuele cijfers zijn ca 70 miljoen omzet in de concessie Zuid Oost. Waarvan ongeveer 32 miljoen subsidie provincie. Er is hiervan geen specifiek bedrag gealloceerd op Eindhoven. De meeste lijnen van de concessie en bijna alle reizigers hebben een relatie met Eindhoven. Ook in de nieuwe concessie wordt door de provincie geen verdeling/ onderscheid van het ov-aanbod per gemeente voorgeschreven. De verwachting is dat de ov-schaalsprong in de regio, in de nieuwe concessie (groei aanbod tot wel 50%) hoofdzakelijk in het stedelijk gebied en op enkele zware corridors naar Eindhoven toe plaatsvindt. Relatief veel van de groei van het OV in de regio landt daarmee in Eindhoven. Voorbeeld: een extra HOV-lijn, naar BIC-noord. Kanttekening : voor dit ruimere aanbod is wel ruimte nodig op straat, en dat kan vragen om keuzes in de openbare ruimte. Denk aan de keuze routering busroutes door het centrum of prioriteit voor bus bij VRI.

In de huidige concessie draagt Eindhoven enkel bij aan de minimaregeling (vrij reizen met OV voor minima), Hermes ontvangt voor deze dienst ca €700.000 per jaar.

68

Vraagnummer

50

Vraag Is er een mogelijkheid voor een gedeeltelijke buy-in door de gemeente Eindhoven en/of de MRE met betrekking tot de OV-concessie? Op welke manieren is het mogelijk om meer invloed te hebben op de OV-trajecten binnen de concessie? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Een gemeente kan via een buy-in (financiële bijdrage) extra prestaties binnen een bestaande ov-concessie mogelijk maken. Hiermee kunnen bijvoorbeeld nachtritten, hogere frequenties, lagere tarieven P+R busrit of extra buslijnen bij nieuwe woonontwikkelingen (niet voorzien ten tijde van concessieverlening) worden bekostigd. Ook lijnen die niet binnen het provinciale budget passen maar wel gewenst zijn door de gemeente kunnen met een buy-in 'gekocht' worden bij de concessieverlener. Toelichting beantwoording Op dit moment wordt er gewerkt aan het Programma van Eisen (PvE) voor de nieuwe OV concessie (start 2029). Het samenstellen van het PvE is het moment dat een gemeente de meeste invloed kan uitoefenen op de invulling hiervan. We zijn op uitnodiging van Provincie ambtelijk betrokken bij het opstellen van het PvE en de portefeuillehouder neemt zitting in de bestuurlijke kopgroep die voor dit proces is opgezet.

In dit proces worden de uitgangspunten uit de position Paper De Eindhovense ambitie voor de OVconcessie 2029-2039 (raadsbrief 29-10-2024) ingebracht, net als de uitgangspunten uit 'regionale inbreng OV-concessie ZO-Brabant -MRE (26-11-2025)'. In het PvE worden de minimaal vereiste wensen voor de aanstaand uitvoerder van de concessie geschetst. Denk hierbij aan routes van de buslijnen, frequentie, rijtijden etc. Vanuit de gemeente van belang onze input voor het programma van Eisen goed af te stemmen. Tijdlijn: In juni 2026 publicatie OV-concessie strategie door Provincie, in oktober 2026 Programma van Eisen. Het is na publicatie ook nog mogelijk (6 weken) om als gemeente een zienswijze op het PvE in te dienen. Bijlagen 1. Nieuwsbrief aanbesteding OV-concessie Zuidoost-Brabant 2. 4.2 Regionale inbreng OV-concessie ZO-Brabant.pdf 3. Position paper Eindhovense Ambitie voor OV concessie 2029-2039 4. Collegebrief aan de raad over Eindhovense Ambities OV- Concessie 20292039

69

Vraagnummer

51

Vraag Een aantal regio’s in Nederland heeft een eigen vervoersregio (Amsterdam, Den HaagRotterdam). Kunnen de voor- en nadelen hiervan (op termijn) op een rijtje worden gezet? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Een eigen vervoersregio kan voordelen bieden: • meer regionale sturing op OV-concessies; • meer directe inspraak raden in regionale besluitvorming door regioraad • sterkere koppeling met woningbouw en economie; • extra personele mankracht (en gespecialiseerde kennis) infrastructurele opgaven, inzetbaar in de hele regio (meer externe slagkracht); • meer investeringsruimte door rijksmiddelen (BDU); • een sterker regionaal mandaat richting Rijk, provincie en vervoerders. Daartegenover staan mogelijke nadelen: • een extra bestuurslaag en complexere besluitvorming; • mogelijk minder directe invloed voor individuele gemeenten. Gemeente Eindhoven heeft nu relatief veel inspraak als grootste regionale gesprekspartner met Provincie; • financiële middelen die breder regionaal worden ingezet (minder autonome beslissingen). Toelichting beantwoording In Nederland zijn er twee regionale vervoersautoriteiten die losstaan van de provincie: de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).

Deze regio’s zijn verantwoordelijk voor het aanbesteden en beheren van het regionale openbaar vervoer en voor de samenhang tussen mobiliteit, verstedelijking, economie en ruimte. Tot 2015 vervulden ook andere stadsregio’s deze rol. In Zuidoost Brabant was het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) concessieverlener voor het openbaar vervoer. In 2015 heeft de landelijke overheid besloten deze rol bij de provincies te beleggen, met als belangrijkste overwegingen bestuurlijke vereenvoudiging, schaalvoordelen en een duidelijkere democratische legitimatie. Voor Eindhoven en Zuidoost Brabant zijn de taken nu als volgt verdeeld: • Provincie Noord Brabant: opdrachtgever en beheerder OV concessie • Metropoolregio Eindhoven (MRE): regionale OV strategie en afstemming over mobiliteit • Gemeenten, provincie en Rijk: investeringen in infrastructuur

70

Vraagnummer

52

Vraag Inwoners die een Meedoen-bijdrage krijgen kunnen gebruikmaken van gratis reizen met de bus. Hoeveel mensen maken daar nu gebruik van? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden)

Er zijn (nog) geen cijfers beschikbaar over 2025. Wel zien we dat het aantal gebruikers de afgelopen jaren redelijk stabiel is geweest. In 2024 maakten 8.051 inwoners gebruik van Gratis met de Bus. Daarnaast hadden 1.409 inwoners in dat jaar wel een aanvraag gedaan, maar er uiteindelijk geen gebruik van gemaakt. De verhouding wel- en niet-gebruik is de afgelopen jaren ook nagenoeg hetzelfde gebleken.

71

Vraagnummer

53

Vraag Wat zijn de doelstellingen van de gemeente met betrekking tot fietsparkeren? Welk deel daarvan is inpandig te realiseren, en welk deel op straat? Liggen we op schema met deze doelstellingen? Wat is er eventueel extra nodig om deze doelstellingen te halen? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Doelstelling vanuit het Masterplan Mobiliteit is om in 2030 in het vergrote centrum 7.000 extra fietsparkeerplekken te realiseren, waarvan 4.500 inpandig en 2.500 in de openbare ruimte. Daarnaast wordt gestuurd op een totaal van 13.200 fietsparkeerplekken bij het station, verdeeld over 7.800 aan de noordzijde en 5.400 aan de zuidzijde. De doelstelling is ambitieus. We zijn bezig met een inhaalslag door de uitbreiding van de fietsenstalling Heuvel en de realisatie van nieuwe stallingen bij VDMA en Citywall. Maar we zien ook dat om de doelstelling te kunnen realiseren, extra ruimte op maaiveld nodig is en zijn aanvullende financiële middelen vereist voor de aanleg en exploitatie van zowel inpandige stallingen als fietsparkeervoorzieningen op maaiveld. Naar verwachting gaat het hierbij om enkele tientallen miljoenen euro’s aan investerings- en huur/exploitatiekosten.

72

Vraagnummer

54

Vraag Wat is de status van de plannen met betrekking tot loopwijken? Waar staan we met de uitvoering hiervan? Welk gedeelte van de plannen is financieel gedekt? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het masterplan mobiliteit heeft niet strak gedefinieerd wat een loopwijk precies is, maar er wordt verwezen naar een aantal grote stedelijke ontwikkelingen binnen Eindhoven. Voorbeelden hiervan zijn Stadshart Woensel en Kastelenplein. In deze gebieden wordt gestreefd naar een mix van voorzieningen en woningen. Bij de ontwikkeling van deze gebieden wordt extra aandacht besteed aan de loopkwaliteit. De nieuwe wijken worden ingericht met prioriteit voor de voetganger. De uitvoering van de loopwijken hangt samen met de realisatie van gebiedsontwikkelingen. Met de uitvoering van het Verkeerscirculatieplan wordt het stadscentrum ook beter beloopbaar, en ontstaan hier ook betere loopwijken. De financiële dekking voor de plannen komt uit de projecten zelf, voor de wijkgerichte aanpak voor stimuleren lopen en fietsen is vanuit het masterplan mobiliteit in actiepakket I financiële dekking voorzien. Een uitvoeringsplan hiervoor is nog in de maak.

73

Vraagnummer

55

Vraag Zijn er voorbeelden van het belasten van het bezit/gebruik van fietsen? Zijn er wettelijke mogelijkheden in Nederland? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Internationaal zijn structurele belastingen op het bezit of gebruik van fietsen zeldzaam. Vroeger bestond dit wel in o.a. Nederland en België, maar dat is lang geleden afgeschaft. In Hawaï geldt een registratieplicht met een (eenmalige) fee voor fietsen en e-bikes; dit lijkt op een bezitheffing, maar is uitzonderlijk. In andere landen gaat het vooral om registratie of verzekering (bijv. Zwitserland) of regulering van e-bikes (zoals kenteken/registratie in delen van China), niet om een algemene fietsbelasting. In Nederland zijn de juridische mogelijkheden beperkt, daar is geen wetgeving voor. Bestaande rijksbelastingen (zoals de motorrijtuigenbelasting) sluiten fietsen en e-bikes expliciet uit; ook speed-pedelecs (juridisch bromfiets) vallen nu niet onder rijksbelastingen. Lokaal zijn wél mogelijkheden voor gebruiksgerichte heffingen, zoals parkeer- of stallingskosten, maar een generieke bezitbelasting is niet mogelijk. Het eventueel belasten van (gemotoriseerde) fietsen druist in tegen het mobiliteitsbeleid, waarin de mobiliteitstransitie (meer lopen, fietsen en OV) wordt ingezet om ruimte vrij te maken voor woningbouw, bereikbaarheid te verbeteren en autogebruik te verminderen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17064288/1