CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Totaaloverzicht beantwoording technische vragen

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Coalitieakkoord 2026-203024.318 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Totaaloverzicht technische vragen formatieproces Gedurende het formatieproces zijn door de formateur en onderhandelende partijen technische vragen gesteld die beantwoord zijn door de ambtelijke organisatie. In dit document de vragen en bijbehorende beantwoording. De bijlagen bij de beantwoording zijn te vinden in een aparte map onder Berichten formateur 2026. Op basis van de Woo is door het college van B&W geheimhouding opgelegd op de beantwoording van vragen 184 en 187. De beantwoording van deze vragen ligt onder verplichting tot geheimhouding ter inzage voor de raad en de meningsvormende vergadering bij de griffier en bij de secretaris van die commissie. Overzicht beantwoorde vragen NR 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29

Onderwerp Investeringen en inverdieneffecten in digitalisering, informatisering en AI Organisatiebrede bezuinigingen Verhouding groei inwoners/bedrijven t.o.v. groei organisatie Bestedingsdoelen reserve bedrijfsvoering Jaarlijkse onderuitputting structureel ramen Meeropbrengsten OZB Opgave jeugd Eindhoven t.o.v. andere steden en landelijke trend Uitvoeringskosten sociaal domein / jeugd t.o.v. andere steden Verwijzingen huisartsen Verschil in verwijzingen en aantallen jeugdhulp Omvang thuiszitters Aantal jeugdhulpaanbieders Overzicht subsidies en regelingen Verwijzingen WIJEindhoven en Servicebureau Wachtlijsten jeugdzorg Oorzaken en invloed aantal kinderen dat gebruikmaakt van jeugdhulp Beleidsmatige ruimte jeugd Financiële afspraken gemeenschappelijke regelingen Oorzaken en invloed tweedelijns jeugdhulp Afspraken CO2-reductie Van Geel Openingstijden luchthaven Klimaatafspraken Van Geel Verwijzingen jeugd via huisartsen Aanbesteding jeugd Groeipad kosten jeugdzorg Evidence based maatregelen jeugd Samenwerking informele zorg Jeugdwerkers scholen Strategische kapitaallasten voorzieningen

1

30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71

Sociaal-maatschappelijke voorzieningen Rol gemeente bij gebiedsontwikkelingen / ‘zelf doen’ Extra woningen bestaande voorraad Stimuleren doorstroom Stikstof en woningbouw Niet gestart na vergunning Woningen in ‘pijplijn’ Woning delen Inzicht in woonbehoeften Nieuwe Wet versterking volkshuisvesting Belemmeringen woningbouw Leegstand Werkwijze Brainport Principes Doorlooptijd vergunning Tilburg Betaalbaarheidsnorm Verdelingen typen per wijk Contractuele afspraken doorstroom Netcongestie Fasering sectorgrezen OV-concessie OV-concessie Voor- en nadelen vervoersregio Gratis met de bus Doelstellingen fietsparkeren Loopwijken Belasten fiets Mobiliteit en klimaatdoelen Stand van zaken laadinfrastructuur Parkeergarages Organisatie Budgetrecht raad Afspraken delen/aanleveren stukken raad Uniformering beleidscyclus Weging aantal zetels in raad Bovenlokale samenwerking Inzet budget diversiteit en inclusie Pilot internationals arbeidsmarkttekorten Verduurzaming sportaccommodaties Afstand tot openbare sportfaciliteiten Beweegtuinen Kosten watertappunten en openbare toiletten Programma stedelijke en maatschappelijke voorzieningen

2

72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113

Huur sportaccommodaties Vergroenen schoolpleinen Natuurherstelwet Zwerfafval Dommeldal Juridische kaders hengelsport Speel- en sportplekken Beleid omtrent armoede en schulden Mondzorgregeling Meedoenbijdrage Individuele inkomenstoeslag Rijke schooldag Brugfunctionarissen Formatie voor betere samenwerking Terugval in toeslagen Aantal watertappunten op dit moment Vitaliteit groen Aantal bomen Formats en instrumenten participatie Voorbeelden burgerberaad Uitgaven aan participatie Kraamzorgregeling Marktdynamiek wonen Betaalbaar bouwen Betaalbaar bouwen Biobased bouwen Bezettingsgraad sport Budgetten sport Tarieven sport Sport AZWA Omvang budget topsport Bijdrages bedrijfsleven sport Programma inclusief Rijke Schooldag Omgevingsvisie OPE Omgevingswet Afhankelijkheden Supervisoren Netcongestie CDOKE Klimaat en energie Uitvoering

3

114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151

Netcongestie Wachttijd schuldhulpverlening Eindhoven Airport Eindhoven Airport Ziekteverzuim Werkdruk Fte per schaalniveau Applicatielandschap Overhead Overzicht beleidsstukken Naheffingen auto Groene hoofdstructuur Vergunningen wonen Aandeel verhard Vergunningen wonen Belemmeringen wonen Realisatiestimulans wonen Gratis met de bus Gratis met de bus Financieel zeker bestaan Opkopen schulden Onderhoud openbare ruimte Onderhoud openbare ruimte Communicatie gemeente Afvalstoffen- en rioolheffing Ruimte voor economie Ruimte voor economie Onteigenen bedrijven Arbeidsmarkttekorten Bijstandsuitkeringen Uitbreiding bedrijventerreinen Herstructurering bedrijventerreinen Aantal Ha bedrijventerreinen Ha nieuwe bedrijventerreinen Leeftijd vastgoed terreinen Aardgasvrije wijken Boa's Gebiedsontwikkelingen Achterliggende analyse ha bedrijventerreinen – is samengevoegd met 152 beantwoording van vraag 147 153 Gebiedsontwikkeling Esp 154 30 meterregel

4

155 156 157 158 159 160 161 162 163 164 165 166 167 168 169 170 171 172 173 174 175 176 177 178 179 180 181 182 183 184 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 196

Aantal vergunningen Opgave huisvesting kwetsbare groepen Wonen Wonen Indicator doorstroming Vitale verenigingen Kunstgras Veiligheidsindex Financiële vraag veiligheid Camerabeleid Preventie met gezag Budgetten gebiedscoördinatoren Organisatie Indicator mobiliteit Onderwijsbudget Studentenhuizen Studenteneenheden Studentenwelzijn Leven Lang Ontwikkelen Regionaal programma VSV/Arbeidsmarkt Loketten internationale studenten MBO Dakloosheid Wachtlijsten sociaal domein Cultuurbudget Evenementen Cultuur - huur maatschappelijk vastgoed Bibliotheken Cultuur Niet openbaar Erfgoed Cultuur Niet openbaar Eindhoven Energie Wijken aansluiten SVV en SVGG Milieuhandhaving Huisvesting organisatie Reserves Wmo Wmo Ergon

5

197 Meetmethodiek geluid Eindhoven Airport 198 Indicator waardering studenten

6

Vraagnummer

1

Vraag 1. Wat zijn de inverdieneffecten van investeringen in digitalisering, informatisering en AI? Ter inspiratie: • ‘overheid zou tot 20 procent kunnen besparen dankzij GenAI’ Zijn er kansen om een businesscase te maken? • Uitreiking eindrapport Arre Zuurmond Dwars door de Orde aan staatssecretaris Zsolt Szabó | Open Overheid 2. Wat is er in de afgelopen 4 jaar incidenteel en structureel geïnvesteerd op thema digitalisering en AI? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Antwoord vraag 1 Digitalisering levert aantoonbare inverdieneffecten op: hogere productiviteit, minder herstelwerk, lagere frontofficedruk, betere datakwaliteit en lagere risico’s op incidenten of toezichtmaatregelen. Daarmee is digitalisering niet alleen een middel om efficiënter te werken, maar een noodzakelijke voorwaarde om de groeiende opgaven in de stad duurzaam te blijven realiseren. In de komende jaren verwachten we daarnaast dat AI inverdieneffecten op gaat leveren. Een concreet effect van digitalisering hebben we in de afgelopen jaren gezien bij de Wet Open Overheid (Woo): met € 470.000 structurele extra investering[1] is onze Woocompliancy nu structureel op orde. Het aandeel tijdig behandelde Woo-verzoeken is gestegen van circa 33% in 2022 naar circa 96% in 2025. We hebben in het Financieel Bericht opgenomen dat we de komende tijd 2 mln. incidenteel willen investeren in AI.

De oprichting van een revolving fund zorgt ervoor dat middelen die vrijkomen door inzet van AI-toepassingen opnieuw kunnen worden geïnvesteerd in verbeteringen in de organisatie. De inzet van AI zorgt naar verwachting voor aanzienlijke urenbesparing, versnelt de doorlooptijden en verlaagt de administratieve lasten. Het draagt ook bij aan een betere dienstverlening aan onze inwoners en de organisaties met wie wij samenwerken. Het gaat dan met name om inzet van AI in hoge volume processen waar veel documentanalyse voor nodig is en waar de inzet van AI handmatige controles en herstelwerk vermindert. We zien in aanvulling hierop kansen voor een businesscase rond digitalisering in bredere zin, namelijk door inzet van procesmanagement, data en AI. Dit vraagt om een gemeentebrede aanpak. Omdat investeringen, (structurele) kosten en baten vaak in verschillende domeinen vallen, is het belangrijk een dergelijke aanpak eerst te beproeven op enkele concrete casussen voordat we deze breder toepassen. Voor een verantwoorde businesscase gelden twee belangrijke randvoorwaarden: • Een risicogebaseerde benadering van de AVG • Gezamenlijke, organisatiebrede sturing op kosten én baten

7

Antwoord vraag 2 De afgelopen vier jaar is er vooral geïnvesteerd in: 1. Het op orde brengen en houden van de informatievoorziening. 2. Het voldoen aan wet- en regelgeving. 3. Het verbeteren van managementinformatie. 4. Het versterken van datakwaliteit. Om deze vier structurele opgaven te realiseren zijn in de afgelopen vier jaar de volgende investeringen gedaan: • Generieke IT voorzieningen: € 5.000.000 incidenteel • Rechtmatigheid IT-contracten op orde brengen: € 8.000.000 (2023-2027) • Verbetering digitale dienstverlening (POK-middelen[2]): € 2 miljoen incidenteel. • Privacy verbetering: € 900.000 incidenteel. • Wet open overheid: € 470.000 structureel (aanvullend op middelen die door het Rijk beschikbaar zijn gesteld). Voor informatiebeveiliging wordt de komende 2 jaar € 4 miljoen incidenteel + € 1,3 miljoen SMMM + € 700.000 structureel per jaar geïnvesteerd. Samenvattend is in de afgelopen periode met name geïnvesteerd in het op orde brengen van de digitale basis. Hierdoor beschikken we nu over een fundament dat verdere professionalisering mogelijk maakt. Tegelijkertijd nemen de maatschappelijke, technologische en wettelijke ontwikkelingen in tempo en impact toe. Dit vraagt om een volgende, structurele stap.

Het groeiend belang van digitalisering en AI bij de realisatie van stedelijke en maatschappelijke opgaven en in de gemeentelijke dienstverlening vraagt om structurele versterking van capaciteit, expertise en gerichte investeringen. Ook leiden toenemende digitale dreigingen en (nieuwe) wet- en regelgeving (zoals BIO/NIS2, AVG/Wpg, Woo, AI-act en de Archiefwet) tot extra eisen aan informatiebeveiliging en privacy. Dat raakt modernisering van systemen, beveiliging van onze informatiebronnen, beheersing/toezicht op onze leveranciers, monitoring, verbeteren awareness en training. In het financieel bericht zijn daarom de volgende benodigde middelen opgenomen: • Informatiebeveiliging 2,2 mln. (vanaf 2028); • Privacy 1,0 mln.; • Digitale toegankelijkheid 0,4 mln.; • Omnichannel 1,9mln (+ 1 mln incidenteel); • Dataregie-organisatie 2,6 mln.; • AI 2 mln. incidenteel. [1] [2]

Eerder huurden we voor een vergelijkbaar bedrag of meer in. Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK)

8

Vraagnummer

2

Vraag Waar kunnen we (organisatiebreed) op bezuinigingen? Opties voor incidentele investeringen die structurele bezuinigingen opleveren ook bij deze vraag betrekken. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Vanuit het in het Financieel Bericht geschetste perspectief is de vraag naar mogelijkheden voor bezuinigingen begrijpelijk. Als organisatie zien we mogelijkheden het werk slimmer en beter te organiseren en we willen hierover het gesprek graag aangaan. Het vraagt wel om een goed samenspel tussen bestuur en organisatie, een perspectief op de langere termijn en mogelijk bestuurlijke keuzes om activiteiten te stoppen. - De volgende fase van organisatieontwikkeling die door de directieraad is ingezet richt zich op uitvoeringskracht, wendbaarheid en kwaliteit. De essentie daarvan is inzet op meer standaardisatie, inzet van digitalisering en AI en verhoging van kwaliteit waardoor er uniformer, sneller en beter gewerkt kan worden. Daarvoor zullen investeringen nodig zijn en dat zal tijd vragen, maar dat zal ook leiden tot rendement. Uitvoerings- en backofficeprocessen zijn voorbeelden die hiervoor in beeld zijn. Op te stellen businesscases om hier concreet uitwerking aan te geven zijn hierbij behulpzaam alsook een mechanisme om besparingen (deels) in te zetten voor verdere aanpassingen die een besparing oplevert (revolving fund).

- Veel van wat een gemeente doet komt voort uit wettelijke taken. En taken die niet wettelijk zijn hebben doorgaans een groot maatschappelijk belang. In meerdere eerdere bezuinigingsrondes zijn efficiencymaatregelen en relatief eenvoudige besparingen al doorgevoerd. Verdere stappen in de vorm van inhoudelijke keuzes om met activiteiten te stoppen vragen daarom om politieke keuzes. In de vorige coalitieperiode is deze vraag ook aan de orde geweest met een beperkte opbrengst. Als er gekozen wordt voor bezuinigingen dan heeft het de voorkeur om – bijvoorbeeld op basis van een taakstelling- in gezamenlijkheid tussen bestuurders en ambtelijke organisatie dat verder uit te gaan werken. We zien dit als een kansrijk(er) traject, omdat daarbij ook politieke keuzes aan de orde zullen zijn en er dan gerichter gezamenlijk gestuurd kan worden. In deze context wordt nog gewezen op het proces bij de jaarlijkse voorbereiding van de begroting waarbij knelpunten in de verschillende portefeuilles worden besproken. Insteek daarbij is dat eerst binnen de eigen portefeuille gekeken wordt naar mogelijkheden om deze op te lossen. Daarbij zullen eveneens bovenstaande richtingen betrokken moeten worden.

9

Vraagnummer

3

Vraag Graag inzichtelijk maken hoe de groei van de stad aantal inwoners en bedrijven zich de afgelopen 5 jaar zich heeft ontwikkeld in verhouding tot de groei van het budget van de gemeentelijke organisatie en fte’s. Ook afgezet t.o.v. de totale begroting gemeente. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden)

1) Voor aantal bedrijven geen cijfers beschikbaar voor onderscheid groot/midden/klein. Ook zijn geen cijfers beschikbaar voor groei van bestaande bedrijven. Bronnen: CBS/BRP, handelsregister Kamer van Koophandel, Jaarstukken gemeente Eindhoven (2025 Concept)

Toelichting beantwoording Tussen 2021 en 2025 is Eindhoven gegroeid in aantal inwoners, bedrijven en totale gemeentelijke begroting. Ook de formatie van de gemeentelijke organisatie is in deze periode toegenomen als gevolg van de economische ontwikkeling en de totale omvang en complexiteit van de stedelijke opgaven, zoals zichtbaar in de groei van bedrijven en de totale begroting. Dit is bestuurlijk relevant, omdat de gemeente haar uitvoeringscapaciteit tijdig moet opschalen om groei mogelijk te maken. Veel opgaven, zoals woningbouw, infrastructuur, vergunningverlening en maatschappelijke voorzieningen, moeten voorafgaand aan vestiging van inwoners en bedrijven worden gerealiseerd. Daarbij is de relatie tussen stedelijke groei en benodigde formatie niet één-op-één of lineair: toenemende complexiteit, gelijktijdige transities en extra wettelijke taken vragen relatief meer capaciteit dan groei in aantallen alleen. Landelijk bevestigt het A&O fonds Gemeenten dit beeld: gemeenten zijn de afgelopen jaren gemiddeld sterk gegroeid in personeelsomvang (circa 18% volgens CBS), vooral doordat zij structureel meer taken en verantwoordelijkheden hebben gekregen.

10

Vraagnummer

4

Vraag Graag hebben we een overzicht van de bestedingsdoelen van de reserve Bedrijfsvoering (20 mln). Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De reserve Doorontwikkeling Bedrijfsvoering wordt ingezet om de gemeentelijke bedrijfsvoering te versterken en te moderniseren. De looptijd is vooralsnog tot en met 2029; dan moeten alle middelen zijn ingezet. Inmiddels is 6,1 miljoen al verwerkt in de begroting daarmee resteert nog 13,7 miljoen. De middelen worden ingezet binnen vijf strategische thema’s: • Versterken externe dienstverlening: informatievoorziening en kanaalsturing. • Organisatieontwikkeling: strategische uitvoeringskracht, leiderschap en professionalisering organisatie. • Digitalisering: investering in continuïteit en vernieuwing van digitale infrastructuur (o.a. MS365 platform) en innovatie (GIVE en AI2026), kleinschalige pilots voor toekomstbestendige dienstverlening. • Procesverbetering: verbeteren bestuurlijke besluitvorming, verbeteren managementinformatie, strategisch leveranciersmanagement en aanbesteding P&C-tool. • Huisvesting en Interne dienstverlening: tijdelijke capaciteit o.a. privacy en facilitaire projecten. Het betreft jaaroverschrijdende projecten; voor de resterende middelen zijn bestedingsplannen opgesteld om verbeteringen voort te zetten en te versnellen.

Dit draagt direct bij aan de uitvoeringskracht die nodig is om een nieuw coalitieakkoord effectief en realistisch te kunnen realiseren. Toelichting beantwoording

11

Vraagnummer

5

Vraag Mag je de onder-uitputting die jaarlijks in de begroting optreedt structureel ramen/inzetten? Graag een toelichting op wat er regel-technisch wel en niet mogelijk is. Graag aangeven waar dat geregeld is en wat de gevolgen zijn als hier toch voor gekozen wordt? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Nee, structureel ramen of inzetten van algemene onderuitputting in de begroting is niet toegestaan. Het BBV bevat geen expliciet artikel dat het ramen van onderuitputting in de begroting verbiedt. Dit volgt uit de systematiek van het BBV. De begroting heeft een autorisatie en allocatiefunctie: zij bevat de baten en lasten die het bestuur voornemens is daadwerkelijk te realiseren, uitgesplitst naar programma’s en taakvelden. Een generieke raming dat middelen waarschijnlijk niet worden uitgegeven, past daar niet bij. Onderuitputting is een verantwoordingsbegrip en ontstaat pas achteraf, bij de jaarrekening, door vergelijking van begrote en gerealiseerde lasten. Daarmee kan onderuitputting niet vooraf als algemene stelpost in de begroting worden opgenomen. De Commissie BBV heeft dit nader uitgewerkt in de notitie ‘Structurele en incidentele baten en lasten’ (2023).

Daarin is vastgelegd dat: • specifieke stelposten zijn toegestaan, mits zij inhoudelijk onderbouwd, herleidbaar en gekoppeld aan concrete begrotingsonderdelen zijn; • een algemene, structurele stelpost voor onderuitputting niet wenselijk en niet BBVconform is. Dit betekent dat stelposten zoals kapitaallasten (die hebben wij inmiddels niet meer) of subsidievaststellingen alleen zijn toegestaan als zij voldoende specifiek zijn onderbouwd. Kiest een gemeente toch voor een algemene stelpost onderuitputting, dan kan dit leiden tot ingrijpen door de toezichthouder (aanwijzing of herstelopdracht). Toelichting beantwoording Lasten en baten moeten volledig en realistisch worden geraamd. Dat impliceert dat je begroot wat je voornemens bent uit te geven, niet wat je verwacht niet te zullen uitgeven. -> een algemene stelpost “onderuitputting” zou strijdig zijn met dit uitgangspunt. De begroting moet baten en lasten toerekenen aan programma’s en taakvelden. -> Een generieke post “onderuitputting” voldoet hier niet aan, omdat die niet herleidbaar is tot concrete beleidsonderdelen. De jaarrekening bevat de werkelijke baten en lasten en daarmee het resultaat. -> Pas bij vergelijking van raming en realisatie ontstaat het fenomeen onderuitputting.

In onze situatie wordt de onderuitputting vooral veroorzaakt door timing-effecten, zoals late toekenning van rijksmiddelen, meerjarige opgaven waarbij het budget niet volledig in het eerste jaar wordt besteed, bijstellingen vanuit het Rijk in het gemeentefonds (Algemene Uitkering) wat incidentele financiële voordelen in het lopende jaar zijn, en vertragingen in de uitvoering van investerings- en exploitatieprojecten. Deze oorzaken

12

zijn incidenteel van karakter, ook als zij zich jaarlijks voordoen. Incidentele onderuitputting biedt uitsluitend ruimte binnen het lopende begrotingsjaar en betreft veelal uitstel van uitgaven die in latere jaren alsnog nodig zijn voor de realisatie van vastgestelde doelen. Niet bestede middelen vallen bij de jaarrekening vrij in het rekeningresultaat en worden opnieuw afgewogen door de raad, tenzij zij - binnen de kaders van de Nota Reserves en Voorzieningen - zijn gereserveerd voor volgende jaren. Dit betekent dat de onderuitputting geen structurele vrijval of meevaller is, maar samenhangt met het moment van besteding. De middelen blijven nodig voor de beoogde resultaten en maatschappelijke effecten en zijn daarom niet structureel inzetbaar voor andere doeleinden zonder aanpassing van beleid of ambities.

13

Vraagnummer

6

Vraag 1. Welke meeropbrengst OZB levert de groei van de stad op (bouw ASML, woningen etc.) en hierbij rekening houden met de ‘verrekening’ in het gemeentefonds. Graag met een toelichting op hoe die verrekening werkt. 2. Wat waren de meeropbrengsten OZB van de afgelopen 5 jaren (dus het verschil tussen de oorspronkelijke begrotingen uiteindelijke realisatie)? Wat zijn de oorzaken van deze verschillen? Bestaan er mogelijkheden om dit verschil (ervan uitgaande dat dit een positief verschil oplevert) te voorkomen en realistischer te begroten? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Vraag 1. Op basis van de nieuwbouw levert de groei van de stad ongeveer € 700.000,- per jaar op aan extra OZB, op basis van de groei van de woningvoorraad. Meer of minder woningen leidt tot variatie van dit bedrag. De basis is nu 2.400 woningen á € 350.000,- waarde per woning. De verevening van de OZB in het gemeentefonds is bedoeld om verschillen in belastingcapaciteit tussen gemeenten te compenseren. Gemeenten met een hogere potentiële OZB opbrengst worden relatief gekort op hun algemene uitkering, terwijl gemeenten met een lagere opbrengstcapaciteit een hoger bedrag krijgen (worden minder gekort). Dit zorgt ervoor dat alle gemeenten – ongeacht hun lokale belastingbasis – in staat worden gesteld een gelijkwaardig voorzieningenniveau te realiseren.

De doelstelling is dus om te corrigeren voor de belastingcapaciteit van een gemeente (en niet voor de feitelijke OZB-inkomsten). In de verdeelmaatstaven algemene uitkering zitten hiervoor drie aftrekposten in verband met de WOZ-waarden: • 80% x waarde woningen x rekentarief (-0,0862% voor 2026) • 70% x waarde niet-woningen eigenaren x rekentarief • 70% x waarde niet-woningen gebruikers x rekentarief. Dit betekent dat tegenover extra inkomsten uit OZB door areaaluitbreiding van woningen een korting op het Gemeentefonds staat van circa 80% van dit bedrag (het rekentarief Gemeentefonds is nagenoeg gelijk aan het OZB tarief Eindhoven). Dus extra OZB opbrengsten van € 700.000 leidt tot een korting van circa € 560.000 in het Gemeentefonds, zodat netto slechts € 140.000 resteert. Een tariefsverhoging van de OZB zou wel 1 op 1 leiden tot meer-inkomsten, zonder additionele korting in het Gemeentefonds. Er is per 2029 een bedrag van € 1.000.000,- op de begroting geplust i.v.m. de groei van ASML bij de BIC. De ontwikkelingen t.a.v. bedrijfsvastgoed worden gevolgd maar zijn met te veel onzekerheden en variabelen omgeven om hier op langere termijn getallen aan te kunnen verbinden.

14

Vraag 2. Jaar 2021 2022 2023 2024 2025

Meeropbrengsten OZB in mln € Primaire begroting Realisatie Meeropbrengst 77,192 77,903 0,771 82,774 84,314 1,540 84,187 85,073 0,886 87,587 89,193 1,606 92,637 93,935 1,298

In procenten 0,92% 1,86% 1,05% 1,83% 1,40%

Gemiddeld bedraagt de afwijking bijna 1,5% per jaar. Er zijn een aantal variabelen die lastig in te schatten zijn en die gezamenlijk leiden tot de jaarlijkse afwijking. Het gaat dan voor de woningen om het percentage van de waardestijging en de hoeveelheid netto-nieuwbouw. Voor de bedrijfspanden is naast de waardeontwikkeling en de nieuwbouw tevens de leegstand van belang en de hoeveelheid onttrekkingen (sloop en transformatie naar woningen). Om het verschil te verlagen kan risicovoller worden geraamd; dit betekent een grotere kans dat de begrote opbrengst niet wordt gerealiseerd.

15

Vraagnummer

7

Vraag Hoe groot is de actuele opgave (getalsmatig) op het onderwerp jeugd in Eindhoven ten opzichte van andere steden? Is hierbij een historisch vergelijkend perspectief te geven en een prognose (bij gelijkblijvende aanpak) voor de komende jaren (rekening houdend met demografie en groeiende internationale component? De problematiek van jeugdzorg speelt in heel Nederland. In hoeverre is Eindhoven (bijvoorbeeld vanwege de snelle groei en internationale component) afwijkend van de landelijke trend? Graag een toelichting. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) 1. In 2025 ontvingen in Eindhoven 5.565 jongeren jeugdzorg en 5.430 jeugdhulp, goed voor circa 9,1% van alle jeugdigen. Dat ligt onder het gebruik in Amsterdam (10,41%) en Utrecht (11,2%), maar boven Den Haag (6,7%), waarmee Eindhoven qua gebruik rond het landelijke gemiddelde niveau blijft. Benchmarking tussen gemeenten blijft beperkt mogelijk: de commissie-Van Ark concludeerde dat verschillen niet eenduidig verklaarbaar zijn vanwege uiteenlopende lokale factoren, terwijl driekwart van de gemeenten tekorten heeft, soms oplopend tot meer dan 40%. Historisch gezien sluit Eindhoven aan bij de landelijke trend waarin het jeugdzorggebruik sinds 2015 geleidelijk is gestegen: van ca. 9% naar bijna 11% in 2024.

De stijging zit voornamelijk in de groei van jeugdhulp zonder verblijf, terwijl zwaardere vormen juist afnamen. Eindhoven laat in diezelfde periode een stabiel percentage rond de 9% zien, maar groeit jaarlijks licht in absolute aantallen. Sinds 2024 kent Eindhoven een tekort van €13 miljoen op een totaalstelsel van €126 miljoen (circa 10%). In 2025 is dit tekort tijdelijk teruggebracht tot €3 miljoen dankzij incidentele -VanArkmiddelen. Zonder rijksingrepen kan het tekort vanaf 2028 oplopen tot €28 miljoen, wat in het ergste geval een tekort van 20% betreft. 2. Hoewel een direct causaal verband tussen demografie, internationalisering en jeugdzorggebruik nog niet is onderzocht, groeit de internationale jeugdpopulatie in Eindhoven wel sterk (van 18.980 kinderen in 2023 naar 26.600–34.900 in 2032) met bekende impactfactoren zoals sociaaleconomische status, eenoudergezinnen, taalontwikkeling en onderwijsdruk. Daarmee wijkt Eindhoven landelijk bezien niet af in gebruiksniveau, maar wel in groeidynamiek en complexiteit, waardoor de toekomstige opgave mogelijk sneller en zwaarder zal toenemen dan in andere steden. Bijlagen www.eindhoven.nl/sociaaleindhoven

16

Vraagnummer

8

Vraag Graag een vergelijking van de uitvoeringskosten sociaal domein ten opzichte van andere steden (vergelijkbare steden qua inwonersaantal), en specifiek daarbinnen op het onderwerp jeugd. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden)

Er is op dit moment onvoldoende data om deze vraag objectief te beantwoorden. Voor de context. Alle gemeenten hebben het sociaal domein op hun eigen manier ingericht. Als we dat niet goed duiden in een vergelijking dan heb je het risico dat er verkeerde conclusies worden getrokken.

17

Vraagnummer

9

Vraag Hebben we inzicht in de verwijzingen vanuit huisartsen? Zo ja, wat valt hierin op? Zijn de doorverwijzingen vanuit huisartsen naar de jeugdhulp evenredig? Is inzichtelijk wat de grote verwijzers (welke huisartsen) zijn? Vallen er bepaalde wijken/stadsdelen op? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De huisarts is een wettelijk verwijzer. Deze mag verwijzen naar alle vormen van jeugdhulp, met uitzondering van verblijf en niet-gecontracteerde. Jaarlijks verwijzen huisartsen ongeveer 2400 keer door naar 2de lijns jeugdhulp. Er zijn nagenoeg evenveel doorverwijzingen vanuit huisartsen als vanuit de gemeente (2800). In 2025 is een eerste verkenning gedaan naar het verwijsgedrag van huisartsen. We zien verschillen in aantallen verwijzingen, maar het vergt nader onderzoek deze verschillen te verklaren Toelichting beantwoording Huisartsen mogen na een verwijzing alleen een 1ste verlenging doen. Een eventuele 2de verlenging vindt plaats via WIJeindhoven. In 2025 is een eerste verkenning gedaan naar het verwijsgedrag van huisartsen. We zien verschillen in aantallen verwijzingen, maar het vergt nader onderzoek deze verschillen te verklaren. Factoren die meespelen zijn: populatie van de wijk, samenstelling huisartsenpraktijk (is er een praktijkondersteuner Jeugd aanwezig of niet), omvang van de praktijk etc.

In de opgave Kansrijk Opgroeien van de Koers2040 pakken we dit onderzoek op en is aandacht voor de samenwerking tussen huisartsen, wijkteam, GGD en onderwijs. Ook om beter en scherper te verwijzen. De basisafspraak is dat huisartsen, hoewel wettelijk verwijzer, in principe niet zelf verwijzen bij opvoed- en opgroei vragen, maar hierbij naar WijEindhoven verwijzen.

18

Vraagnummer

10

Vraag In de presentatie lijkt er ook een verschil te zijn tussen verwijzingen en aantal jongeren in jeugdhulp (dus fors meer verwijzingen dan aantal in jongeren in jeugdhulp)? Welke redenen zijn er om te verwijzen? Zijn er ook dubbele verwijzingen? Hoe zit dit? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het aantal unieke jongeren genoemd bij de instroom in de presentatie is opgebouwd uit verwijzingen door gemeente, Raad voor Kinderbescherming en Gecertificeerde Instellingen. Verwijzingen van huisartsen komen binnen via het berichtenverkeer en tellen niet mee bij de instroom aantallen. Doorverwijzing naar de Jeugdhulp gebeurt wanneer een jeugdige (0–18 jaar, soms tot 23 jaar) ondersteuning nodig heeft die valt binnen de wettelijke omschrijving van jeugdhulp. Een jeugdige kan wel meerdere verwijzers hebben maar in de praktijk zien we zelden dubbele verwijzingen. Toelichting beantwoording Doorverwijzing naar de Jeugdwet gebeurt bij situaties waarin ondersteuning nodig is bij: ▪ Opgroeien, opvoeden of psychische problemen ▪ Ondersteuning bij beperking of verminderde zelfredzaamheid ▪ Specialistische jeugdhulp ▪ Jeugdbescherming of jeugdreclassering ▪ Vervolg jeugdhulp na 18 jaar (18–23 jaar) Een jeugdige kan meerdere beschikkingen ontvangen voor verschillende Jeugdhulp producten zoals dagbesteding en vervoer.

Huisartsen verwijzen rechtstreeks door naar 2delijns jeugdaanbieders. Via het berichtenverkeer (315 berichten) betaald de gemeente deze ondersteuning. Er vindt dus geen onderzoek plaats binnen Jeugd van de gemeente (Servicebureau).

19

Vraagnummer

11

Vraag Wat is de omvang van het aantal thuiszitters in Eindhoven? Is dit veel of weinig in vergelijking met andere (vergelijkbare) steden? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Er is nog niet eerder een vergelijking met andere steden in Nederland gemaakt. In Eindhoven is in het schooljaar 2024/2025 het langdurig relatief verzuim: 6 kinderen/jongeren en het absoluut verzuim (langer dan 4 aaneengesloten weken): 47 kinderen/jongeren. Toelichting beantwoording Momenteel wordt er in opdracht van de Gemeente Eindhoven een onderzoek uitgevoerd om het aantal kinderen/jongeren dat niet naar school gaat beter in beeld te brengen. Het begrip thuiszitters (volgens de landelijke definitie) betreffen de kinderen/jongeren die 4 weken aaneengesloten ongeoorloofd afwezig zijn op school. Dit betreft zowel het langdurig relatief verzuim (missen van lessen op school) als ook het absoluut verzuim (het niet hebben van een schoolinschrijving). Ten aanzien van absoluut verzuimers nog de volgende belangrijke nuance: De grote instroom van nieuwkomers in onze regio zorgt, tezamen met de doorstroom van vluchtelingen en asielzoekers voor een hoger aantal meldingen absoluut verzuim. Info uit het Jeugdvolgsysteem laat zien dat er 379 kinderen/ jongeren als absoluut verzuim aangemerkt zijn.

Met ingang van het schooljaar 2025/2026 blijkt dat 144 jongeren van de 379 AV’ers inmiddels niet meer in Eindhoven of in Nederland wonen, 165 een actuele schoolinschrijving hebben en 23 een vrijstelling van schoolinschrijving hebben vandaar dat het aantal absoluut verzuim in Eindhoven 47 is. Naast de kinderen/jongeren die met een ongeoorloofde reden afwezig zijn op school is er ook veel afwezigheid met een geoorloofde reden (o.a. ziekteverzuim). Echter, de leerlingen waarbij langdurige afwezigheid met een geoorloofde reden speelt zijn bij de afdeling Leerplicht niet in beeld. Er is geen wettelijke grondslag om bij deze kinderen/jongeren betrokken te zijn. Na ieder schooljaar verantwoordt de Gemeente de verzuimcijfers richting het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze data worden op landelijk niveau samengevoegd en niet op gemeenteniveau.

20

Vraagnummer

12

Vraag Hoeveel jeugdhulp-aanbieders zijn er in Eindhoven? Graag inzicht in de afgelopen 3 bestuursperiodes (toename/afname)?

Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Aantallen •

Op dit moment zijn er door gemeente Eindhoven 149 tweedelijns jeugdhulpaanbieders gecontracteerd, waarvan er 105 in de Brainportregio** gevestigd zijn en waarvan er 38 in Eindhoven gevestigd zijn. De overige aanbieders zijn buiten de Brainportregio gevestigd. • Het aantal gecontracteerde tweedelijns jeugdhulpaanbieders dat actief is in Eindhoven ligt naar alle waarschijnlijkheid hoger, omdat (1) een jeugdhulpaanbieder meerdere locaties kan hebben waar de jeugdhulp geboden wordt en omdat (2) de jeugdhulp in sommige gevallen aan huis geboden wordt. Terugblik bestuursperiode 2022-2026 • Het aantal gecontracteerde aanbieders van Jeugdhulp Verblijf is afgenomen à ong. 10 aanbieders minder sinds 2022. • Het aantal gecontracteerde aanbieders van Jeugdhulp Begeleiding (valt onder Jeugdhulp Ambulant) is toegenomen à ong. 20 aanbieders erbij sinds 2022. Terugblik bestuursperiode 2018-2022 • T.o.v. de vorige bestuursperiode (2018-2022) zien we een afname van het aantal gecontracteerde aanbieders van tweedelijns jeugdhulp. In 2018-2022 waren dit er ongeveer 200, ten opzichte van ongeveer 150 in 2022-2026. Met name kleine jeugdhulpaanbieders (eenmanszaken) en aanbieders ver buiten onze regio zijn in 2022-2026 niet meer gecontracteerd. Sinds de decentralisatie van 2015 en de coronapandemie in 2020 zien we dat het jeugdhulpaanbod is geprofessionaliseerd.

Aanbieders maken scherpere keuzes over hun aanbod, en met welke gemeenten zij contracten afsluiten. Daarnaast zijn er de afgelopen jaren een aantal aanbieders gestopt of failliet gegaan. ** De Brainportregio bestaat uit de volgende 21 gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-de Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre. NB. JB-JR staat voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Toelichting beantwoording Deze vraag kan op twee manieren worden geïnterpreteerd. • Ten eerste, hoeveel jeugdhulpaanbieders zijn er gevestigd in de gemeente Eindhoven? • Ten tweede, hoeveel jeugdhulpaanbieders zijn er door de gemeente Eindhoven gecontracteerd? Bij de beantwoording van deze vraag zijn wij uitgegaan van de tweede interpretatie. Onderstaand overzicht gaat over het aantal gecontracteerde tweedelijns jeugdhulpaanbieders dat gevestigd is in Eindhoven. Het daadwerkelijk aantal jeugdhulpaanbieders dat is gevestigd in Eindhoven ligt hoger, omdat er ook niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en nulde-/eerstelijnsaanbieders in

21

Eindhoven zijn gevestigd. In bovenstaande aantallen zijn alleen gecontracteerde tweedelijns jeugdhulpaanbieders meegenomen. Gedetailleerde gegevens over de afgelopen 3 bestuursperiodes zijn niet voorhanden. Bijlage

Per zorgvorm geeft dat de volgende aantallen gecontracteerde tweedelijns jeugdhulpaanbieders:

22

Vraagnummer

13

Vraag Graag een overzicht van subsidies en regelingen binnen jeugd(hulp), en welke beïnvloedbaar zijn door de gemeente? Zonder dat het effecten heeft op te ontvangen rijksmiddelen? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Gemeenten ontvangen de jeugdzorgmiddelen als ongedifferentieerd en vrij besteedbaar budget binnen het sociaal domein. Dit betekent dat zij, zonder risico op korting op de rijksbijdrage, zelf kunnen bepalen hoe middelen worden ingezet zolang zij voldoen aan de Jeugdwet. Binnen het jeugddomein heeft de gemeente dus volledige invloed op een breed pakket aan lokaal te organiseren voorzieningen en programma’s, waaronder preventieve voorzieningen gericht op bv. jeugdgezondheid, opvoed- en opgroeiondersteuning, talentontwikkeling en vroegsignalering. Alleen specifiek geoormerkte rijksregelingen (zoals specifieke uitkeringen of incidentele programma gelden) kennen bestedingsvoorwaarden. De reguliere jeugdhulpmiddelen niet. Tegelijkertijd is het huidige stelsel zowel inhoudelijk, qua arbeidsmarktkrapte en financieel niet houdbaar. Daarom adviseren we, in lijn met de nationale Hervormingsagenda Jeugd, zelf stevige maatregelen te treffen om meer grip te krijgen op de toename van de vraag en daarmee samenhangende kosten.

In lijn met onze Koers zien we kansen om binnen de opgave Kansrijk Opgroeien te sturen op een fundamenteel andere inrichting van het zorg en ondersteuningslandschap. Toelichting beantwoording Tabel uitgaven 2025:

Binnen Kansrijk Opgroeien, worden de benodigde ontwikkelingen binnen het jeugdstelsel in samenhang bezien. Hierdoor worden de uitgaven en subsidies aangegaan vanuit de opgave en niet apart van elkaar ingezet en beoordeeld.

23

Vraagnummer

14

Vraag Bij het overzicht van indicaties/verwijzingen (in de toelichtende presentatie) via de gemeente wordt geen onderscheid gemaakt tussen WijEindhoven en het servicebureau. Graag inzicht in de werking/ processen WijEindhoven en servicebureau ten aanzien van de verwijzingen. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Inwoners (ook ouders met kinderen) melden zich bij Wijeindhoven. Naar aanleiding van de vraag wordt er een keukentafelgesprek gevoerd met een generalist. Vanuit dit gesprek wordt er gekeken naar de mogelijkheden in het eigen netwerk, sociale basis of 1ste lijn begeleiding. Mocht dit niet of onvoldoende bijdragen aan de (hulp)vraag en is er onderzoek nodig naar de mogelijkheden binnen de Jeugdwet dan vindt er een overdracht plaats vanuit Wijeindhoven naar de gemeente (Servicebureau). Specialisten Jeugd zullen onderzoek doen naar de aanvraag 2delijns Jeugdwet. Na onderzoek volgt er een toekennings- of afwijzingsbeschikking. Bij toekenning volgt een verwijzing naar een 2delijns jeugdaanbieder. Toelichting beantwoording Generalisten verwijzen niet door naar 2delijns jeugdaanbieders, dit gebeurt door de specialisten Jeugd van het Servicebureau.

24

Vraagnummer

15

Vraag 1. Hoe groot zijn de wachtlijsten voor jeugdhulp/zorg in Eindhoven? 2. Hoe lang zijn de wachttijden? Ten opzichte van andere gemeenten? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De wachtlijsten voor tweedelijns jeugdhulp/zorg in Eindhoven wisselen sterk per zorgvorm. 1. Wachtlijsten (lopend) Gemeente Eindhoven: in 2025 Q4 staan er 506 cliënten op de wachtlijst. Dit aantal is, ten opzichte van het aantal jeugdigen woonachtig in Eindhoven, procentueel gezien 0.2 procentpunt hoger ten opzichte van de andere gemeenten binnen Samen voor Jeugd (SVJ). Gemeente Eindhoven SVJ overige gemeenten* SVJ totaal

Wachtenden 506

Demografie (< 17 jaar) 35007

Percentage 1,45%

371 877

30178 65185

1,23% 1,35%

*Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Eersel, Heeze-Leende, Oirschot, Reusel-De Mierden, Valkenswaard 2. Duur van wachttijden (o.b.v. afgerond) Bij de door Gemeente Eindhoven gecontracteerde jeugdhulpaanbieders waren de afgeronde wachttijden van nieuwe zorgtrajecten die in Q4 2025 zijn gestart als volgt, bekeken per zorgvorm: • Jeugdhulp Ambulant: gemiddeld 61 dagen • Jeugdhulp Verblijf: gemiddeld 112 dagen Voor de overige gemeenten binnen Samen voor Jeugd zijn de afgeronde gemiddelde wachttijden respectievelijk 65 dagen voor Ambulant en 23 dagen voor Verblijf. Voor Crisis Jeugdhulp en Gesloten Jeugdzorg (JeugdzorgPlus) zijn er geen wachtlijsten. Toelichting beantwoording ‘Ten opzichte van andere gemeenten’ is de veronderstelling gemaakt dat dit de Samen voor Jeugd regiogemeenten zijn. Het verschil in de duur van de wachttijd op “Verblijf” tussen de Gemeente Eindhoven en de regio zit in het aantal wachtenden, de doorstroom in het verblijf en de complexiteit van de zorgvraag.

25

Een wachttijd is gedefinieerd als het verschil in dagen tussen de eerste aanmelding (na verwijzing) bij de aanbieder, tot aan de start van het jeugdhulptraject. De uitvraag brengt enkel jeugdigen in beeld die nog geen indicatie hebben lopen bij de betreffende aanbieder. Verlengingen en extra producten worden niet meegenomen als wachttijd. De wachttijden worden na afronding van ieder kwartaal opgevraagd bij de gecontracteerde aanbieders, over het kwartaal dat is afgerond. De aanbieders rapporteren de afgeronde wachttijden én de nog lopende wachttijden. 2025 Q4 is de laatste periode waarover een uitvraag en analyse over de wachttijden is afgerond. Dit kwartaal is daarom als uitgangspunt gepakt voor de beantwoording.

26

Vraagnummer

16

Vraag Nu maakt 1 op 7 van de kinderen gebruik van jeugdhulp. Indien, we een ambitie willen formuleren om dit aantal substantieel terug te dringen, bijvoorbeeld naar 1 op 10-12, is de vraag: Wat zijn de oorzaken van de hoge instroom? Welke oorzaken zijn beïnvloedbaar, en door wie? Hoe kan de gemeente invloed uitoefenen? Zijn er succesvolle interventies bekend? (nationaal/internationaal). Zo ja welke? Is er op basis van deze interventies iets te zeggen over haalbaarheid (termijn?) van de ambitie om de instroom terug te brengen? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De hogere aantallen hebben verschillende oorzaken: 1. Een groter aantal jeugdigen dat lichte ondersteuning ontvangt. 2. Een stagnerende uitstroom. Het systeem raakt niet alleen voller door nieuwe instroom, maar ook doordat jeugdigen langer in zorg blijven. Oorzaken van de hogere instroom en verminderde uitstroom: 1. Thuiszitters (onderwijs) → in plaats van onderwijs te volgen zijn er jongeren die naar dagbesteding/dagbehandeling gaan; 2. Speciaal onderwijs zit vol → geen of later uitstroom dagbesteding/dagbehandeling (bijv. medisch kinderdagverblijf) naar speciaal onderwijs; 3. NGZ (Niet-Gecontracteerde Zorg) -aanvragen veelal via verwijzer (Gecertificeerde Instellingen – “GI’s”)→ GI’s zijn gehouden aan start zorg binnen 3 maanden en hebben dus de neiging snél te verwijzen; 4.

Toename individuele begeleiding → zeer diverse oorzaken > denk aan: 1. Consumentengedrag: “Ik heb recht op” 2. Perverse prikkels door marktwerking > aanbod creëert vraag 3. Toename lichte begeleiding → cultuur van maakbaarheidsgedachte (ook vanuit social media), individualisme-in-opvoeding (i.p.v. ‘it takes a village to raise a child’), prestatiedruk, uitsluiten risico’s. Deze oorzaken vragen om een samenhangende aanpak. Dat betekent niet alleen investeren in preventie en het voorkomen van instroom, maar ook sturen op de duur van trajecten, eerder afschalen en een goed vervolg in de eerste of nulde lijn. Maar om te voorkomen dat er een beroep op jeugdhulp wordt gedaan is het ook nodig dat de maatschappij versterkt wordt, waardoor inwoners elkaar ondersteunen in de normale uitdagingen bij opgroeiende kinderen (normaliseren). Er zijn voorbeelden in de rest van het land waarbij bijvoorbeeld aandacht is voor de duur van een traject, lichte begeleiding door het stevige lokale team wordt geboden en bewustwording is over het inzetten van (deels)alternatieven voor specialistische aanbod. Deze laten zien dat er net als bij de initiatieven in het Deltaplan, tijd nodig is voordat effecten zichtbaar zijn. Toelichting beantwoording:

•

De cijfers zijn gebaseerd op bijgevoegde memo: Nadere analyse tekorten jeugdzorg welke is opgesteld augustus 2025. • Met het Deltaplan Jeugd heeft Eindhoven de afgelopen vier jaar vooruitgelopen op de landelijke Hervormingsagenda Jeugd. Er is gekeken welke initiatieven bijdragen aan de te behalen effecten. • Succesvolle initiatieven met een sluitende businesscase zijn geborgd via de subsidieregeling Preventie Plus. Voorbeelden hiervan zijn Buurtgezinnen, Kamers met Aandacht, Kindbehartigers , Eindje Verder. Deze initiatieven richten zich op gezinnen waar lichte ondersteuning ontoereikend is, maar waar met gerichte, tijdige inzet vaak kan

27

worden voorkomen dat specialistische jeugdhulp noodzakelijk wordt. Hiermee versterken wij de voorkant van het stelsel en dragen wij bij aan het beperken van zwaardere zorg.

Bijlagen

• • •

16A Interne memo Nadere analyse tekorten Jeugdzorg (cijfers tot medio 2025) DT_Meerjarenplan SvJ 2026-2029_AUG 2025 (3).pdf 8098443_2_8_1_+Raadsbrief+Doorontwikkeling+Jeugdbeleid+Eindhoven+20260305

28

Vraagnummer

17

Vraag In 2028 is een belangrijk moment in het kader van de aanbesteding. 1. Welke beleidsmatige ruimte heeft de gemeente op het naar beneden brengen van de q (de aantallen kinderen die jeugdzorg)? 2. Wat zijn de maatregelen die we nu al kunnen invoeren (incidenteel) en waar zit de ruimte die we kunnen nemen bij aanbesteding in 2028 (structureel)? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) 1.

Als het gaat om jeugdhulp in de breedste zin zijn er een aantal lijnen te onderscheiden: • Vanuit de opgave Kansrijk Opgroeien investeren we in basisvoorzieningen en sociale basis (0de lijn). Denk aan bijv. collectiveren van aanbod. Daarmee zijn de jongeren die ondersteund moeten worden er nog wel maar wordt de reflex om vooral één-op-één-ondersteuning te bieden doorbroken. Daardoor daalt de q in de2e lijns jeugdzorg. Een ander voorbeeld is het minder en minder láng verlengen van ondersteuning in de 2e lijn. Daardoor stroomt de jongere eerder uit naar lichtere (1e of 0elijns-) zorg waardoor de totale q daalt. • De lokale gemeentelijke toegang (Wijeindhoven en Servicebureau) is de voordeur waar inwoners hun vragen kunnen stellen (1e lijn) en waar de toegang naar specialistische hulp vorm krijgt. Door samenwerking tussen de 0de, 1e en 2de lijn en kennis van elkaars veld en expertise kan de instroom mogelijk beperkt worden of de duur van het traject verkort worden. • Maatregelen die we kunnen nemen zijn bijvoorbeeld: • Antwoorden op hulpvragen zoeken in andere domeinen/breder dan alleen specialistische jeugdhulp • Versterken preventie en basisvoorzieningen • Stutten en steunen van medewerkers in de lokale toegang voor vorm geven van nieuw vakmanschap (vertragen, verdragen, de vraag achter de vraag en anders ‘ja’ zeggen).

• Het zelf bieden van lichte ondersteuning door stevige lokale teams waardoor specialistische jeugdhulp niet nodig is, daar moet het lokale team dan wel tijd en ruimte voor hebben. • Werken met evidence based jeugdhulp en of initiatieven met een maatschappelijke bussiness case.

2. Maatregelen die we nu al kunnen invoeren zijn hierboven opgenomen. De wijze van inkopen kan de q en de p mogelijk beïnvloeden, maar dit vraagt bestuurlijke keuzes die in regionaal verband gemaakt worden.

Toelichting beantwoording •

Vanuit de opgave Kansrijk Opgroeien investeren we in basisvoorzieningen. Lokaal kijken we hoe we de sociale basis rondom jeugdige en gezin kunnen versterken. Denk aan voorliggende voorzieningen of hulp bij opvoed- en opgroeivraagstukken. Daarbij proberen we de verbinding te leggen binnen de gehele jeugdketen. Zo zetten we vindplekken van jeugdigen in voor vroegsignalering, denk aan onderwijs, sport en cultuur. Dit gaat dus over lokaal beleid voorafgaand aan specialistische jeugdhulp. • De lokale gemeentelijke toegang (Wijeindhoven en Servicebureau) is de voordeur waar inwoners hun vragen kunnen stellen. Door te investeren in nieuw vakmanschap, zoals de afgelopen jaren tijdens het DeltaPlan Jeugd is gebeurd, is er aandacht voor vertragen, verdragen en anders ‘ja’ zeggen. Zij concretiseren samen met het gezin de hulpvraag en bedenken op welke manier hier een antwoord op gegeven kan worden. Als het kan in het eigen netwerk, de sociale basis en als het nodig is (deels) specialistische hulp.

29

•

In de regio Samen voor Jeugd werken we opgavegericht met onder andere Opgave 1: Normaliseren en Reikwijdte. De opgaveregisseurs van deze opgave zijn twee werknemers van gemeente Eindhoven. Beide thema’s hebben invloed op het naar beneden brengen van het aantal jeugdigen in de specialistische jeugdhulp.

Bijlagen • •

DT_Meerjarenplan SvJ 2026-2029_AUG 2025 (3).pdf 8098443_2_8_1_+Raadsbrief+Doorontwikkeling+Jeugdbeleid+Eindhoven+20260305

30

Vraagnummer

18

Vraag 1. De financiële afspraken t.a.v. indexeringen van de diverse gemeenschappelijke regelingen hebben een grote financiële impact op de gemeentelijke begrotingen. Graag inzicht in deze problematiek. 2. Kunnen de lopende afspraken voor de belangrijkste gemeenschappelijke regelingen in beeld worden gebracht? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De regio Zuidoost-Brabant telt 21 gemeenten. Deze gemeenten nemen deel aan diverse Gemeenschappelijke Regelingen. Aan 4 Gemeenschappelijke Regelingen nemen alle 21 gemeenten deel, namelijk Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO), GGD BrabantZuidoost (GGD), Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) en Metropoolregio Eindhoven (MRE). Deze GR’en werken samen op het gebied van planning en control en kennen uniforme afspraken over indexering die binnen alle deelnemende gemeenten zijn vastgesteld. Gevraagd is naar een evaluatie van de huidige indexeringssystematiek. Conclusie van de 4 GR’en is dat het voortzetten van de huidige methodiek - met een kleine aanscherping - het best passend is. Daarnaast neemt Eindhoven deel in de GR Werkvoorziening regio Eindhoven (Ergon) en GR CURE. In de Kadernota 2026 is besloten de indexering Ergon qua systematiek gelijk te trekken aan de 4 bovenstaande GR’en. De indexering van CURE heeft in basis geen financieel effect op onze begroting.

Bijlagen Indexeringsmethodiek GGD MRE ODZOB en VRBZO

31

Vraagnummer

19

Vraag in twee delen, verderop staat 19.2 Vraag 19.1 19.1 De 2e lijns jeugdhulp is kostbaar. Graag een nadere toelichting op de oorzaken van deze hoge kosten? Wat zijn de beïnvloedingsmogelijkheden van de gemeente en/of anderen?

Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De kosten van jeugdhulp worden bepaald door de prijs (p), de aantallen (q) en de duur (tijd/lengte) van de hulp. Feitelijk kan de gemeente op al deze elementen sturen. Daarbij moet zij zich wel houden aan de zorgplicht (Jeugdwet als open einde regeling*) én reële tarieven** bieden. De grootste “kostenposten” (zie bijlage Memo Nadere analyse tekorten jeugdzorg) zijn, schrijnend genoeg, jeugdigen met een opeenstapeling van problematiek waar het bestaande hulpaanbod geen passend antwoord voor heeft ***. De aantallen in deze groep blijft ongeveer gelijk. Beïnvloedingsmogelijkheden liggen in het tegelijkertijd oppakken van een aantal bewegingen, die altijd in samenhang met elkaar bezien moeten worden Deze vragen nader gesprek, afstemming met de regio en bestuurlijke keuzes: Technisch/juridisch: 1. Inkoopwijze 2. Wijze van contractmanagement 3. Stevige casusregie op de duurste casussen (denk aan Top100-aanpak bijv.) 4. Reikwijdte verordening Netwerk: 1. Afspraken (en relatiebeheer) met huisartsen (verwijs naar WIJeindhoven ipv 2e lijn) en GI’s 2. Afspraken met partijen in sociale basis (subsidie) om te doen wat nodig is om aan de gezamenlijke opgave te werken. Wat hebben we te organiseren en wat kan er komen te vervallen. 3. Thuiszittersafspraken met scholen + algemene schoolinzet Cultuur: 1. Campagne rond normalisering 2.

Doorleven van houding en gedrag passend bij de opgave Kansrijk Opgroeien, voor medewerkers bij gemeente en aanbieders. Toelichting beantwoording *Jeugdwet als open-einde regeling: vanuit de Jeugdwet heeft de gemeente de verplichting om te “interveniëren” bij vragen over opvoeden, opgroeien en psychische problematiek. Dat “interveniëren” hoeft uiteraard geen tweedelijns jeugdzorg te zijn, als er binnen de 1e of 0e lijn ook passend aanbod is. Maar niets doen is geen mogelijkheid. ** reële tarieven: De AMvB reële prijzen Jeugdwet bepaalt welke kostprijselementen gemeenten minimaal moeten betrekken bij het bepalen van de prijs. *** Er worden vaak verschillende trajecten na elkaar bij één jeugdige/gezin ingezet: intensieve, hoog specialistische behandelingen, verblijfszorg, evt. aangevuld met continue 1-1 begeleiding, veel doorverwijzingen tussen jeugdhulpaanbieders en uiteindelijk soms “verergerde” problematiek, juist als gevolg van alle verhuizingen (doorplaatsingen) van de jeugdige. Door de aantallen en duur van deze trajecten omlaag te brengen, is de grootste financiële impact te behalen. Er komen veel lichte opvoed en opgroei vragen in de jeugdhulp terecht. Dus de kosten voor deze doelgroep stijgt omdat de groep steeds groter wordt. Elke ondersteuningsvraag verdient een antwoord, maar dat antwoord is niet altijd specialistische jeugdhulp.

Het kan ook bestaan uit versterking van het netwerk, ondersteuning vanuit de sociale basis of lichte opvoedondersteuning.

32

Dit vraagt om werken vanuit het principe van matched care: zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig, met oog voor de context van het gezin en de ontwikkelingsfase van de jeugdige. Ook bij lichtere casuïstiek kan er gestuurd worden op korte(re) behandelduur en minder instroom, door passend aanbod in de 1 e en 0e lijn te ontwikkelen. Kortgezegd vraagt het beïnvloeden van de uitgaven aan jeugdhulp dus een beweging waarin preventie, kansengelijkheid en versterking van de sociale basis hand in hand gaan met gerichte inzet van specialistische jeugdhulp. Bijlagen

•

16A: Interne memo Nadere analyse tekorten jeugdzorg, augustus 2025

Vraag 19.2 Wat is een reële haalbare ambitie om de gemiddelde prijs van de top (2e lijns zorg) omlaag te brengen (bijvoorbeeld door inkoop met meerjarige garanties)? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De sturingsmogelijkheden op de prijs (p) van de jeugdhulp zijn voor de gemeente beperkt (zie vraag 19.1 en de AMvB reële tarieven). De beïnvloeding van een lagere gemiddelde prijs kan gezocht worden in het verminderen van de 2e lijns ondersteuning en het verkorten van de duur van deze ondersteuning. Daarnaast is het belangrijk om met elkaar te kijken naar de duurste en zwaarste casussen. Het onderzoeken van deze casussen zou een manier kunnen zijn om de gemiddelde prijs te laten dalen. In Eindhoven zetten we nu in op het faciliteren van een integrale en langdurige samenwerking en integrale inzet van zorgaanbieders waardoor de ruimte ontstaat om te doen wat nodig is (out of the box) en te stoppen met wat niet werkt (Multi). Hierdoor wordt de geboden jeugdhulp effectiever en duurzamer en genereert het meer vertrouwen bij gezinnen. Bij het verschuiven van 2e lijns aanbod naar de 1e en 0e lijn, is het belangrijk om te meten en te monitoren of het aanbod in de 1e en 0e lijn inderdaad de vragen ‘afvangt’ (in plaats ván komt) die anders naar de 2e lijn gaan. Wanneer dit niet zo is, creëren we een dubbel aanbod en daarmee dus dubbele kosten*.

Een verschuiving zorgt nog niet direct voor kosten afname maar de kosten voor jeugdige worden voor een andere vorm van hulp gemaakt. Daarom is het daarnaast nodig dat de maatschappij versterkt wordt, waardoor inwoners elkaar ondersteunen in de normale uitdagingen bij (normaliseren). Toelichting beantwoording * Binnen het Deltaplan Jeugd is er ervaring opgedaan met het maken van maatschappelijke business cases waarbij duidelijk wordt of een verschuiving ook werkelijk plaats vindt en er geen dubbele uitgaven worden gedaan. Op dit moment wordt de inkoop voor 2028 vormgegeven in de jeugdhulpregio Samen voor Jeugd. De strategie voor deze inkoop wordt samen de andere gemeenten in deze regio bepaald.

33

Vraagnummer

20

Vraag 1. Wat waren de afspraken, onder leiding van Van Geel, die gemaakt zijn over CO2reductie? 2. Wat is de actuele behaalde reductie? Wat is de prognose voor de resterende opgave? Graag duidelijkheid over het gehanteerde referentie jaar. Graag de reductie op de grond en op het vliegen betrekken bij antwoord. 3. Hoe (met welke maatregelen) is deze reductie behaald? Wat is niet gelukt en waarom niet? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) 1. Ten aanzien van CO₂-reductie zijn in het advies van Van Geel de volgende doelen opgenomen. a. Minimaal 5% van de brandstof (bijmenging) zou duurzaam moeten zijn in 2023 en minimaal 14% in 2030. Eindhoven Airport zet zich daarbij in om in 2030 bijmenging van 20% te behalen. b. Vanaf 2022 worden voor alle vertrekkende vluchten gecertificeerde compensatierechten gekocht. 2. Eindhoven Airport is voor haar activiteiten als luchthaven CO₂-neutraal (scope 1 en 2) en er wordt 100% hernieuwbare energie gebruikt. Uit cijfers van de luchthaven (gebaseerd op brandstofverbruik) blijkt dat de uitstoot van de luchtvaart 7% lager is dan in 2019. 3. Eindhoven Airport heeft voor de eigen operatie ingezet op o.a. hernieuwbare energie, warmtekoudeopslag systemen, duurzamere materiaalkeuzes en elektrificatie van (grond)voertuigen. Voor het vliegen is het maximum aantal vliegbewegingen verlaagd van 41.500 naar 40.500.

Om de uitstoot verder terug te dringen, is de inzet om uiterlijk vanaf 2030 alleen nog toestellen van de nieuwste generatie te laten opstijgen en landen. Eindhoven Airport stimuleert vlootvernieuwing met een korting op de havengelden. Daarnaast wordt aangestuurd op duurzamer taxiën. Sinds 2024 stimuleert Eindhoven Airport het gebruik van duurzame Sustainable Aviation Fuels met een financiële bijdrage.

34

Vraagnummer

21

Vraag 1. Wie bepaalt de openingstijden van de luchthaven? Welke factoren spelen daarin allemaal mee? (zie o.a. Rapport TU Delft). Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het bevoegd gezag (in het geval van EA is dat het ministerie van Defensie samen met ministerie IenW) bepaalt de openingstijden van de luchthaven. De openingstijden van EA zijn vastgelegd in het Luchthavenbesluit Eindhoven (huidig Luchthavenbesluit stamt uit 2014). Naar aanleiding van het advies van Van Geel is er een aanscherping opgelegd op de openstelling na 23.00 uur: dan mogen er geen vluchten meer worden gepland (er mogen nog wel vertraagde vluchten landen, tussen 23.30 en 24.00 uur maximaal 50 per jaar). Het rapport van TU Delft is opgesteld nav de discussie in het Luchthaven Eindhoven Overleg (LEO) over de openingstijd op zondagochtend. Deze discussie heeft niet tot een breed gedragen advies vanuit het LEO aan het bevoegd gezag geleid over verandering van de openingstijden. Bijlagen Advies LEO weekendopenstelling Eindhoven Airport

35

Vraagnummer

22

Vraag 1. Wat is de stand van zaken op alle klimaatafspraken van Van Geel? Wat waren de afspraken en wat is wel en niet gerealiseerd en waarom? 2. Wat zijn de mogelijkheden om de resultaten op klimaat te beïnvloeden en wat kan de rol van de gemeente (andere overheden) hierbij zijn? 3. Welke (internationale) voorbeelden zijn er van effectieve klimaatafspraken rondom luchthavens? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) 1. Dit betreft o.a. Inzet op duurzame brandstoffen, minimaal 5% in 2023, minimaal 14% in 2030. Realisatie: Eindhoven Airport heeft uitgesproken naar 20% in 2030 te willen. Hiertoe wordt een stappenplan opgesteld. Voor een volledig overzicht zie bijlage 22.a 2. Eindhoven Airport kan de resultaten beïnvloeden door o.a. directe (bron)maatregelen te nemen, ‘incentives’ in te voeren en actief samenwerkingen aan te gaan met ketenpartners, waaronder overheden, om gezamenlijk doelen op te stellen. Gezien de complexe wetgeving rond luchtvaart is het lastig om zaken af te dwingen die afwijken van Europees beleid. Lobby is een belangrijk instrument waar overheden op in kunnen zetten. 3. Gezien de complexiteit van wetgeving rond luchtvaart is het lastig om lokaal tot klimaatafspraken te komen die verder gaan dan internationaal beleid. Zowel gemeente als luchthaven kennen geen effectieve voorbeelden.

Bijlagen 22.a Overzicht klimaatafspraken Van Geel incl realisatie

36

Vraagnummer

23

Vraag Zijn er afspraken met de huisartsen in Eindhoven over de verwijzingen naar de jeugdhulp en hoe luiden die? We begrepen dat een huisarts de eerste verlenging van een indicatie jeugdzorg doet en, de tweede niet. Zijn er mogelijkheden om ook de eerste verlenging ergens anders te beleggen, bv bij WIJeindhoven? Wat zouden de te verwachten effecten (voor- en nadelen) hiervan zijn? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Huisartsen zijn wettelijk verwijzer en mogen zelfstandig en rechtstreeks naar gecontracteerde jeugdhulp verwijzen. Zij vormen dus één van de routes waarlangs vragen binnenkomen die kunnen leiden tot jeugdhulpgebruik*. Als gemeente hebben wij over verwijsgedrag werkafspraken gemaakt met de huisartsenkoepels. Alle vragen rondom opgroei- en opvoedondersteuning worden doorverwezen naar WIJeindhoven. Voor enkelvoudige GGZ-jeugd vragen kan de huisarts (zelf, direct) verwijzen naar jeugdhulp. Daarnaast is bij de meeste huisartspraktijken een (door de gemeente gesubsidieerde) POH-jeugd (praktijkondersteuner huisarts Jeugd) aanwezig. Deze kan vragen van jeugdigen, gericht op psychische klachten, zelf oppakken. Deze inzet kan verwijzing naar tweedelijns jeugdhulp voorkomen en daarmee de kosten dempen**. In ieder geval na één keer verlengen van de indicatie wordt WIJeindhoven betrokken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17064288/1